Hernehim Natuurpagina's
Eerder gepubliceerde Artikelen 

          Alles van waarde is weerloos

Lucebert.     

Informatie
Doelstellingen en antwoorden op 
     veel gestelde vragen 
Terug naar de Introductiepagina 
Link naar Cultuurpagina 

Artikel acties excursies 
Natuurbeleving  
Gifkikker Column 

 

Ganzen 
Kraaiachtigen 
Libellen 
Mussen 
Sijsjes 
 
 
Helaas wordt dit archiefbestand te groot voor alle volledige artikelen. 
We vragen er uw begrip voor dat van de oudere artikelen alleen tekst, met minder illustraties wordt weergegeven. 
 
Artikel 25 mei 2006 
Onstuitbare drang in de natuur - Column van JohnN op het voorjaar 
Het is donderdag 25 mei, hemelvaartsdag, als ik dit stukje schrijf. En net als koninginnedag, krap vier weken geleden, is het een dag die de kalender geen eer aandoet. Het is buiig winderig en kil. 
Koninginnedag liepen de meeste mensen nog in hun wintertenue over de vrijmarkten, toch zag ik hier en daar jongens, meisjes en vrouwen die zich de greep van een koud seizoen niet ng langer wilden laten welgevallen. Jongens in T-shirt, zodat ze hun biceps en tattoos konden tonen. Ik spotte een meisje op hakjes in microrokje dat niet kon wachten haar strakke kuiten en dijen, die ze alweer zo lang in haar spijkerbroek moest verbergen, prijs te geven aan de belangstelling waarnaar ze hunkerde. Het woord karnemelkbenen ontsteeg opeens mijn brein. Een vrouw met een openhangend vest, waaronder ze haar bloes met de diepste boothals had aangetrokken. Haar pushup bracht het hoogst haalbare in zicht. Allerminst een kippenborst, al vertoonde ze er ng zoveel kippenvel. 

De drang in de natuur laat zich maar ten dele door aarzelende temperaturen beteugelen. Zoals de standvogels in maart - toen er nog sneeuw viel - bij t geringste sprankje zon in lentegedrag uitbarstten. Zoals de vertraagde voorjaarsbloei bij de eerste warme week in mei onmiddellijk de achterstand inhaalde en tezelfdertijd opeens de gierzwaluwen weer hun terugkomst lieten horen. 
Lente: Sleedoorns in hun tere witte waas, de forsythias in gillend geel (Judith Herzberg), de magnolias, krentenboompjes, lijsterbesbloesems, de wilde zoete kers en alle soorten prunus, weiden goudgeel van paardenbloemen, de kandelaars van de paardenkastanjes, opeens alle boerenslootkanten omzoomd met het fijne kantwerk*) van fluitenkruid,  dikke trossen vogelkers, de meidoorns getooid in wit en rood, geurige seringen zwaar van bloesem in wit, blauw en paars ik geef maar ruwweg een volgorde aan. Want alles buitelde over elkaar heen in vier weken tijd, ondanks het feit dat na n week de temperatuur weer een fikse terugval vertoonde. Wie even niet heeft opgelet heeft de helft gemist. 

Gedurende drie weken was ik niet in mijn favoriete wandelbos. 
Ik word begroet met nog even enthousiaste zang. Alleen de functie ervan zal anders zijn. Was het de laatste keer nog vaak de balts, het lokken van een vrouwtje, die de zangers inspireerde, nu betreft het hoofdzakelijk territoriumzang. Maar zo op het gehoor is er geen verschil. 
Ik zie ze niet meer, de boomkruinen die - doorzichtig nog - me toen de blik op de vogels gunden, verhullen nu al hun gevleugelde bewoners. Het zicht op de reigerkolonie, hoog in de oude grove dennen, is er nog wel. Bij mijn vorige wandeling waren de eieren amper uitgebroed, maar nu zie ik de jongen al wapperend met hun vleugels in het nest zitten. 
Op de bosbodem hebben de varens hun opgerolde knoppen uitgerold tot fraaie groene verentuilen. Het tere groen van berk en lijsterbes, de eerste bomen die in blad kwamen, is gevolgd door alle andere. Het lindeblad toont al sporen van vraat, eik en beuk waarvan de knoppen in de eerste week van mei pas voorzichtig begonnen te ontluiken, zijn tot dicht gebladerde ontplooid. 

In het bos houden zich de drachtige reen schuil. Op de toegangspaden worden hondenbezitters gewaarschuwd. Onaangelijnde honden zijn tot mijn verbazing niet verboden: Als u uw hond niet streng onder appel heeft wordt u dringend verzocht hem aan de lijn te houden.  
Op een middag zag ik een loslopende hond die dravend door een weidevogelreservaat grote paniek onder de gruttos veroorzaakte. Zij doet ze niks, ze is al oud en erg lief, was het antwoord van de eigenares op mijn protest. In een maatschappij waarin elk voor zichzelf uitmaakt wat kan en wat niet kunnen we helaas niet zonder strenge regels. 

John Zwart  -   Friesland, mei 2006 

 

 
Artikel 28 februari 2006 
Het sneeuwt, het is lente! - artikel als 'carpe diem' oproep
Jaargetijden zijn geen afgepaste tijdseenheden. Zonder horten of stoten cirkelt moeder aarde onverstoorbaar haar fenomenale baan rond de zon.
Men ziet maart als de maand waarin de lente begint, februari wordt beschouwd als een echte wintermaand. Maar wie nog dicht bij de natuur leeft weet wel beter. 
Deze afgelopen maand begon, net als januari, met een periode van donkere dagen. Hoewel de nachtelijke vorst niet veel voorstelde en het dunne ijskorstje overdag meestal weer verdween, voelde het toch winters aan door de felle, schrale wind uit noordoost die dag na dag bleef doorstaan. 

De natuur hield de adem in? Nee, de groei kwam al op gang en zelfs bloemen waren zich aan het opmaken voor lichtere dagen. Dat ging weliswaar langzaam maar onmiskenbaar zeker. 
Er was veel mr waar te nemen dan de toverhazelaar die al vanaf nieuwjaarsdag bloeit. 
Groene sprieten van sneeuwklokje en krokus staken omhoog tussen het verterend herfstblad, teer groen van fluitenkruid en speenkruid waagde het alweer zich bloot te stellen aan de elementen. De corylus avellana, de gewone hazelaar, liet zijn katjes stuiven zodra er maar even een onderbreking was in het gure weer. In de eerste dagen van februari toen op een dag de zon zich een poosje door het grijs heen wist te boren zaten er direct hoog in de kruinen van de populieren drukdoenerige spreeuwen te zingen dat het een lieve lust was. Door mijn tuin dartelden de pimpelmeesjes joelend rond, schijnbaar zorgeloos en zich allang niet meer alleen bekommerend om het dagelijks voedsel. 


Tussen de buien door... Lentetekens

In het water werd druk gebaltst door de wilde eenden, de meerkoeten keken het op afstand nog een beetje aan. Aan het hoekje bij het meer dat Zoutpoel wordt genoemd, overwinterden vroeger een honderdtal smienten. Het is niet meer zon beschut plekje sinds de elzenbosjes plaats moesten maken voor een pannenkoekenrestaurant, een speeltuin en twee grote parkeerplaatsen. s Winters daar dus geen sijsjes meer, en de schuwe fluiteenden hebben hun heenkomen gezocht verder op het meer, ter hoogte van de nu verlaten strandcamping. In de hoek tussen de pier en de strandstrook hadden zich meerdere groepen tot n grote groep verzameld. Bij het eerste echte lenteweer zullen ze wegtrekken naar hun noordelijker broedgebieden. Vroeger werden ze hier s winters heel fel bejaagd, het was een gewilde aanvulling op het wintermenu, smakelijker dan de grotere wilde eend. De smienten hebben hun natuurlijke schuwheid nog niet afgelegd. En wandelaar die met een hond over de pier liep was genoeg om honderden smienten in n tel, met het geluid als van een felle windvlaag door gebladerte, de lucht in te jagen. 

Hg boven mijn hoofd nu ook al tekenen van onrust. Met opgewonden roep trekken enorme vluchten brandganzen over, in ordeloze zwermen op veel grotere hoogte dan eerst. Een laatste koude-inval met sneeuw en hagel zal ze nog wel even vasthouden, maar lang gaat het niet meer duren, opeens zullen ze verdwenen zijn op weg naar Nova Zembla. Want wie het eerst aankomt heeft de beste nestkeus! 
Bij de Makkumerwaard groepen (wilde) kleine zwanen. Binnen 2 weken zullen ze op weg gaan naar Siberi. Langs de dijkjes zie ik de witte kwikstaart alweer. 
De koolmees is ook op vrijersvoeten, als tussen de hagelbuien even de zon schijnt klinkt overal zijn lentezang. Hij weet het, ondanks sneeuw en hagel schijnt de zon onmiskenbaar langer en als die even drbreekt is het te voelen hoeveel hoger hij staat en dat daarmee zijn warmtestraling toeneemt. En als de pas gevallen hagel weer wegdooit strijken de eerste kievitzwermen neer op de weilanden. 

Geniet de lente: wie aan de kust woont - in de buurt van de buitenplaatsen van Kennemerland, bij andere buitenplaatsen elders in het land, bijvoorbeeld langs de Vecht of in Friesland en Groningen bij stinzen en borgen die moet er nu vooral op uit gaan. 

John Zwart 28.02.06 

Friesland: 
Bijvoorbeeld op Jongemastate bij Raerd (Rauwerd) is er nu, 28 februari, een zee van sneeuwklokjes. Epemastate in Ysbrechtum bij Sneek is over een paar weken alweer paars van de boerekrookjes. 
Ook Cornjum, op de route Leeuwarden-Stiens is de moeite van een lentewandeling waard. 
De buien horen erbij, de lente is er al. En dat prille is z weer voorbij! 

 
 
Onderbanken - grimmige taferelen in lieflijk landschap 
Kolen, gas en bomen. 

Ons Nederlandje strekt met 'n lange slurf tussen Duitsland en Belgi. Een aanhangsel dat we tot Provincie Limburg maakten. Voor de zuidlimburgers tussen Roermond en Eijsden is Den Haag nog altijd ver weg. Het heeft ook heel lang geduurd tot ze erbij wilden horen. En nog altijd wordt in Maastricht het limburgse provinciebestuur voorgezeten door een gouverneur, en niet door een commissaris der koningin zoals elders. 
Lang bestond de fraaie natuur in dat diepe zuiden in strijd met de steen en sintelbergen van de mijnindustrie, en diepe kuilen waar de natuurlijke mergelbergen werden afgegraven door de Encie. De limburgers verdroegen het, zij verdienden er hun boterham mee.
In het verre Den Haag werd in de jaren 60 over hun hoofden heen een ingrijpende beslissing genomen. In snel tempo zouden de mijnen gesloten worden, de staat moest teveel geld bijleggen. Het kabinet riskeerde geen regionale revolutie, het verhuisde een groot ambtenarenkantoor naar Heerlen, lokte met premies een auto assemblagebedrijf aan en als beslissende stap startte het een grote chemische staatsfabriek in Geleen. Ok geen verfraaiing van het landschap, maar geen treurnis over die mijnsluiting. Rondom wolkte en knarste het van stof en gruis. En het goedbetaalde ondergrondse kompelwerk was heel ongezond, dat wist men. Jaren 70 werd alles voltooid, de sociale onrust ebde weg. 

Intussen nam in groter verband 'n veel ingrijpender spanning toe. Vandaag zouden we zeggen: de Sovjet Unie werd gedemoniseerd. Terecht dachten we toen, want Chroestjov werd pas op 't laatste moment afgeschrikt raketten op Cuba te plaatsen. Aan deze kant van de oceaan groeide de vrees voor een onverhoedse aanval op West Europa, de Navo was uiterst alert. Om naderende bommenwerpers of raketten tijdig uit te schakelen moest je in vroeg stadium weten of er iets op je afkwam.
Duitsland was het frontgebied. In de Noordduitse laagvlakte werden l.r.radar en onderscheppingssystemen geplaatst, bemand door Nederlandse militairen. Daarnaast ontwikkelden de Amerikanen radardetectie installaties in lichtgewicht, zodat ermee gevlogen kon worden. AWAC vliegtuigen werden gestationeerd in Geilenkirchen. Hemelsbreed hooguit 7 kilometer over de grens bij Schinveld. 
De Schinvelders leefden nog in een mooie rustige omgeving, juist vrij van de druk van Geleen en Heerlen. In de grensstrook een bos, en ver de grens nog mr groen. Maar opeens woonden ze onder landende en opstijgende toestellen Tja, voor veiligheid moeten soms offers gebracht ... 

Jarenlang vlogen ze af en aan, ook na de ineenstorting van het communisme in Oost Europa. Ook toen al gauw bleek dat er geen plan voor een raketaanval op West Europa vanuit 't oosten had bestaan. Raketinstallaties waren intussen aan beide zijden allang gemonteerd op onderzeeboten. Die konden overal ongezien komen op de aardbol, waarvan het oppervlak voor 2/3 is bedekt door zee en oceaan. Diezelfde onderzeers liggen nu te roesten in russische havens, de navolanden betalen mee aan de ontmanteling.
 Vandaag de dag kunnen we iedere lancering detecteren met satellieten. De awac vliegtuigen zijn al zo verouderd dat ze sinds 2002 van geen enkele Europese luchthaven gebruik mogen maken. Wegens overlast van lawaai en vervuiling. En de radarbases met afweerraketten in Noordduitsland worden volgens plan opgeheven.
De awacs op Geilenkirchen blijven vliegen 

Misschien hoopten de Schinvelders wel heimelijk dat er eentje buiten hun dorp zou neerstorten, telkens als er een oorverdovend overheen scheerde. Maar dat gebeurde niet, nee het gebeurde nit, zelfs geen bijna-ongeluk Ondanks dat oude bos, dat mooie bos wat er allang stond toen 't eerste straalvliegtuig nog moest worden uitgevonden. 
En nu moet er opeens zes hectare tegen de vlakte. Oude bosbiotoop met de soortenrijkdom die daarbij hoort. En het moet vooral snel, voordat beschermde vogelsoorten met nestbouw beginnen, want dan zit de europese vogelrichtlijn in de weg. 
Maar waarom 'berhaupt'? Voor de veiligheid van de kerosineverslindende stinkende awacs. Wat een waanzin! De enigen die in deze affaire gezond verstand tonen zijn die jongens en meisjes van het groene front, tegen wie de limburgse sterke arm geweld gaat gebruiken uit loyaliteit aan het verre Den Haag. 
Niet het bos moet weg, maar die awacs! Omhakken van dit bos terwille van de nadagen van dat relikwie uit de koude oorlog is een terreurdaad die opstandigheid van de limburgers rechtvaardigt.

Poetin heeft betere machtsmiddelen om ons te manipuleren: n enkel plaagstootje tegen de gaskraan en heel Europa schrikt zich even de pleuris, awacs of gn awacs. Maar dat is al jaren zo, en we schenen er geen moeite mee te hebben. Poetin is geen communist maar een kapitalist en dus van onze soort.
Gaat het om prestige wordt men vaak opeens heel krachtdadig. Dat geldt voor Poetin, voor Balkenende en zelfs voor een waarnemend onderburgemeester van Onderbanken... 
Gaan we niet vechten in Afghanistan.. nou dan zagen we wel bomen om. 
Zijn we tch nog een goed Navo lid.

John Newswatcher 
    07.01.06 

 

Gepubliceerd 10 januari 2006 
 
Buigen of barsten - over ruimte geven 
Vroeger zochten de rivieren zich een weg door het neerhellende land en stroomden vrij uit in zee. Soms regende het in de bergen langdurig erg hard, of werd het opeens flink warmer en ontdooide snel heel veel sneeuw. 
Dan breidden de rivieren hun bedding uit en pasten hun meanders aan op de toegenomen waterafvoer. De mensen zochten tijdelijk hun heil op hogere rivierduinen en wachtten gewoon tot het water weer zakte. Dat kon heel goed want er waren nog maar weinig mensen, en het land leek heel erg groot. 

Toen de mens niet meer in 't wild leefde en er steeds mr van kwamen is het mis gegaan. Het land leek steeds kleiner. Die eigenzinnige rivieren die hun eigen gang gingen, dat werd lastig. De mensen begonnen ze tussen dijken op te sluiten en te dwingen nooit meer van de eens en voor altijd vastgelegde route af te wijken. Daarna werd het land nooit meer opgehoogd door sediment uit langzaam overvloeiend water, het begon te dalen. De bedding van de gegijzelde rivier werd wl langzaam ondieper. Na jaren en jaren stroomde de rivier niet meer dr maar hoog bovenp het land en moest door steeds hogere dijken op zijn plaats worden gehouden. Een bedreigende toestand, eerst probeert de rivier eens in de duizend jaar over de rand te vloeien later eens in de honderd jaar en tenslotte is de kans dat de rivier zijn boeien verbreekt toegenomen tot eens per tien jaar of korter. 

Vroeger liepen er bij ieder huis op het platteland wat tamme dieren rond, huisdieren. Kippen bijvoorbeeld, die regelmatig een eitje legden dat snel door de huisvrouw werd geraapt voordat de kip op het idee zou komen om het tot kuiken uit te broeden. 
Ondertussen vlogen twee keer per jaar miljoenen trekvogels over, op weg naar het zuiden of op de terugweg, precies zoals ze dat al miljoenen jaren deden. Er waren uitvallers die ziek werden en de reis niet volbrachten. Kippen in de uitloop kwamen met enige regelmaat in contact met de virussen die door trekvogels werden meegedragen. Maar net zoals de trekvogels ontwikkelden zij hun immuunsysteem en al vielen er slachtoffers, het kon nooit een pandemie worden. 

Toen mens zowel als kip niet meer in 't wild leefden maar met miljoenen in legbatterijen opgesloten raakten is het mis gegaan. De functie van de natuurlijke afweer kon niet meer goed ontwikkelen en massaal bovenop elkaar leven zonder afweer doet bij mens en kip de rest: kippengriep pandemie, wellicht uiteindelijk mensengriep pandemie. 
Nou kunnen we wel proberen al die kippen in quarantaine te gaan houden en iedere kans van contact tussen de natuur en productiekip af te zekeren, maar het is net als met die rivier: vroeg of laat breekt die gewelddadig uit zijn boeien, tenzij we hem zelf weer wat vrijheid geven. 

John Newswatcher 29.10.05 

 

Publicatie 2 november 2005 
 
Het milieu en de natuur zitten in het slop - wat is 'cool'? 
Niemand doet nog zijn mond open in een activistische discussie. Hoe komt dat toch? 
Is dat soms omdat er geen problemen meer zijn, of staan ze allemaal op het punt om opgelost te worden? Integendeel, het stikt van de problemen, maar 't is gewoon 'not done' je stem daarover te verheffen: Groene maffia! Geitenwollensokken brigade! 
Voor jezlf opkomen, dat is prijzenswaardig Voor wat kwetsbaar is opkomen, dat is voor wereldvreemde gekken. Was het zo dat in de jaren 80 Club van Rome eindelijk de zorg om het voortbestaan ter discussie werd gesteld n durf je nog nauwelijks je mening naar buiten kenbaar te maken Hoezo, wlk voortbestaan? Dat van de kamsalamander, de das, de korenwolf of van de rugstreeppad? Milieueffectrapportage, bezwaarprocedures, het wordt alles benaderd als blok aan het been. Aan het been van wie? 

Voor je igenbelang opkomen, dt wordt gerespecteerd, het past in de heersende machocultuur. 
Je rcht. En het wordt 'gemarket' (aan de man gebracht: taal raakt k vervuild!) als 'algemeen belang'. Maar het algemeen belang is voortbestaan van alles tezamen, inclusief homo sapiens! Fatale misvatting is alln naar de mens kijken en dan nog beperkt tot type homo economicus. 
Kom je op voor andere belangen ben je bij voorbaat verdacht al ben je k bezig in het fundamentele belang van je verklaarde tegenstanders! Geen fan van Pim Fortuyn, betreur ik natuurlijk toch dat hij werd vermoord, niet in de laatste plaats om het 'milieueffect': Hoe gretig werd de aandacht erop gevestigd dat de dader een milieuactivist was! Juist om groene mensen en organisaties in de pishoek te zetten aangegrepen door lieden die menen dat 'het milieu' ze teveel voor de voeten loopt. In enkele jaren tijd is het imago van milieuactivisten slinks omgebogen van idealisme naar negativisme. Mafkezen, idioten, die als waanzinnigen tekeer gaan, kijk maar naar het dierenbevrijdingsfront! 

In plaats van tegengas te geven kozen natuur- en milieuorganisaties voor 'low profile'. 
Ze brachten goed nieuwscampagnes, verstopten negatieve berichten, want daarmee strijk je de mensen tegen de haren in. Helaas verloren bijna alle clubs leden, desondanks, of juist daardr? 
Want nog steeds staat recht overeind dat met het toenemen van de wereldbevolking gepaard aan eendrachtig streven naar een snel stijgend consumentisme natuur en milieu snel bergaf zullen gaan. Met positieve berichten wordt zand in de ogen gestrooid "Zolang er nog vogels zingen in de lente en er volop paardebloemen in de berm van de snelweg bloeien: gn zorgen"
De leeuwerik verdwijnt, maar de lepelaar is in opkomst. Waar maak je je toch druk om. 

Allemaal gelul. De weidevogelstand gaat onveranderd onder de invloed van moderne agrarische bedrijfsvoering ondanks rode lijsten of Europa   alleen maar terug. We werven gruttoboeren en roepen Hoera! voor elke 10 hectare die door hem volgens het mozaekprincipe beheerd gaat worden. De negatieve berichtgeving komt nauwelijks door! 
Gruttoboeren zijn een kleine minderheid. Ertegenover staan duizenden hectares die ronduit weidevogel onvriendelijk worden beheerd. In de gemeenten Boarnsterhim en Skarsterln, een stuk Frysln dat ik persoonlijk redelijk kan overzien, constateerde ik dat in de rste week van mei vrijwel alle grasland al een eerste maaibeurt kreeg. En elk jaar zie ik weer nieuw grasland dat ondergeploegd wordt voor 't omzetten in snijmasakkers, waarop je meer drijfmest lozen kan. 

Er wordt over teveel gezwegen. Er zijn al biologen die zelfs zeggen dat we ons er maar bij neer moeten leggen dat de weidevogels op den duur zullen verdwijnen. 
Ik strijd niet tegen de boeren, die moeten overleven in een dolgedraaide maatschappij, maar ik wijs op de verloedering die ons materialisme oplevert. Wat zich als een olievlek over de wereld verspreidt. 
In Polen is het nu nog leefbaar voor weidevogels, zoals het driekwart eeuw geleden in Nederland ook was, ooievaars behoeven er niet 'geherintroduceerd' te worden: ze zijn nooit weggeweest. Maar als het aan ons ligt mogen ze straks opkrassen of wegklepperen. 
Gisteren zag ik hoe op een pas gemaaid veld in Skarsterln vijftig grutto's liepen te foerageren. Prachtig? Een droevig gezicht: het zijn kinderloze ouders. Op een ander veld stapten blauwe reigers rond, ongetwijfeld op zoek naar rondslingerende halve kuikens. 
Wat mij vooral in sommige kringen van vogelbeschermers stoort is dat je over bepaalde misstanden je bek moet houden! Bijvoorbeeld hoe kieviten beschermd worden door gedreven eierenrapers terwijl je zelf van mening bent dat het werkelijk van 'hart' voor de weidevogels getuigt als je 'nazorg' pleegt znder eerst tevoren wekenlang de weilanden in rep en roer te brengen. Er is immers al verstoring, dood en verderf genoeg. 

John Zwart. 1 juni 2005 

 

Publicatie  28 juni 2005 
 
Veraf en dichtbij -  wt hebben we wrvoor over?
Onze wereld wordt steeds meer een wereld van mensen en techniek. Alsof we steeds maar blijven ontkennen dat ons hele voortbestaan afhankelijk is van onze natuurlijke omgeving blijft daar almaar minder ruimte voor. Economie altijd vr ecologie lijkt het. 
Ik hoorde onlangs dat de demografen verwachten dat de wereldbevolking in de komende 25 jaar nog stevig zal blijven doorgroeien naar tegen de 8 miljard in het jaar 2030. Als ik zulke berichten hoor slaat de schrik mij om het hart. Want de voorspelling van die groei lijkt me alleszins geloofwaardig. Maar het blind vertrouwen dat dit goed blijft gaan zonder ingrijpende koerswijziging in wereldwijd beleid, in dt geloof kan ik niet delen. Terugkijkend over een zelfde periode is er al (veel te) weinig gebeurd, alsof er geen Club van Rome of Rio-Conferentie zijn geweest. En dat stelt me niet gerust voor de 25 jaar n Kyoto. 

Onze sterkste drijfveer is ons materialisme. Wij, als het rijke deel van de wereld, willen onze rijkdom op zijn minst onaangetast houden op de scheefhangende aarde. Tot dat doel wordt het consumentisme verbreid naar volkrijke delen van Azi en Afrika waar het bestaan nu nog gekenmerkt wordt door eenvoud en zelfvoorziening. Dat doen we met gerust geweten, immers zo krijgt het arme deel van de wereldbevolking het tch beter en blijft onze welvaart (nog) onaangetast. Maar kan gaia dit alles dragen? Ecologen berekenden dat we haar nu al met 40% overvrgen. 
Voordat je mij verkeerd begrijpt: Natuurlijk is het niet zo dat ik pleit voor het handhaven van een povere kwaliteit van gezondheidszorg en hygine, ongeletterdheid en gebrek aan behoorlijk onderdak, in landen waar dergelijke achterstanden heersen. Maar de zichtbare inspanning lijkt vooral gericht op het openbreken van nieuwe gebieden voor massatoerisme, het opstuwen van het particulier autobezit waar men zich nu nog van de fietsriksha bedient, het opzetten van cocacola en hamburgerketens. Dat krijg je als de toon wordt gezet door de uitvinders van de graaicultuur die de schouders ophalen als er weer eens een zeurpiet begint te mekkeren over het broeikaseffect. 

We pompen nog steeds vele miljarden belastinggeld in de Europese landbouwpolitiek. De boer moet desondanks zeer efficint draaien om de kop boven het maaiveld te houden. Als het zo uitkomt dat een weiland meer opbrengt als snijmasakker gaat vlot de ploeg er doorheen, weidevogels of niet. En op het overgebleven veld maait hij zodra het gras hoog genoeg staat, als het zo uitkomt al eind april. Dat de grutto binnenkort uitsterft kan hem daarvan niet weerhouden, allicht niet: hij heeft een bedrijf te runnen. 
De jonge vogels, die alleen nog maar kunnen lopen, staan plots onbeschut midden in een kaal veld als prooi voor de blauwe reiger, een zwerm kraaien of een andere predator, als ze al niet direct door de wentelende maaibalk werden verhakseld. 
Met minder dan n procent van de Brusselse landbouwsubsidie zouden we de boeren een compensatie kunnen uitbetalen met de verplichting niet eerder dan in juni met maaien te beginnen, nadat alle jonge vogels vliegvlug zijn opgegroeid.  

Roeken en kauwtjes lopen ernstig risico onbedoeld medeslachtoffer te worden
 van de afschotvergunning voor zwarte kraaien.  
Foto Vogelbescherming

Een schamele twee ton euro heeft onze regering over voor het schadeloosstellen van boeren voor de ganzenvraat door de honderdduizenden overwinterende ganzen in ons land. Grote ganzengroepen op de landerijen, die een even grote vreugde bieden aan ieder die er oog voor heeft. 

Provinciale Staten van Friesland denkt een oplossing met gesloten portemonnee voor de grutto te hebben bedacht: vossen en kraaien doodschieten. Als dat niet helpt gaat de blauwe reiger er straks ook nog aan. Over de maaibalk en over compensatie wordt niet gerept. 

En de ganzen? Natuurmonumenten heeft al eigener beweging besloten jagers in te zetten om ganzen af te schieten die in hun natuurgebieden(!) bivakkeren en soms bij buurman boer uit eten gaan. Waarom gaat zelfs een natuurbeschermingsvereniging dieren doodschieten? 
Het hoge woord moet er maar uit: omdat het een vrome wens lijkt dat in Den Haag nog een rooie cent los te peuteren zal zijn voor verruiming van de compensatieregelingen voor wildschade. En als de boer niks van de overheid (van ons allemaal) krijgt, legt hij zijn claim neer bij... Natuurmonumenten. 
En als Natuurmonumenten niet gemakkelijk tot betalen valt te dwingen? Dan vraagt de boer bij de provincie om opheffing van de beschermde status van de ganzen op zijn land en zal die dan waarschijnlijk ook wel krijgen. Vervolgens nodigt de boer plezierjagers uit om ganzen te komen schieten. Tegen betaling uiteraard en komt toch nog aan zijn centen. 
Zo simpel werken de wetten van dood en leven in de schaduw van economie. 

Wat kan ik de Braziliaan verwijten als hij stug doorgaat het regenwoud om te zagen, wat de Indir of de Chinees als hij, koste wat kost, ook in zijn eigen autootje in de file wil staan?

Ik sta met de mond vol tanden. 

John Zwart 27 februari 2005 

 

Publicatie 10 maart 2005 
 
Zwanen -  
Deze maanden zijn weer bij uitstek de tijd van de zwanen. Overal op akkers en weiden en stroken langs de oevers van IJsselmeer en de Randmeren en in het Deltagebied treffen we groepen van de witte vogels aan. Ze zoeken hier in grote aantallen hun overwintering verblijf. De meeste zijn de knobbelzwanen, maar juist in januari en februari kunnen we veel wilde zwanen en kleine zwanen aantreffen, gasten uit Noordrusland, die in maart weer naar hun broedgebied vertrekken. 
De kleine zwaan bleef vroeger alleen op het open water, zich voedend met waterplanten, na de inpolderingen begon zij haar kostje op het agrarische land te zoeken.
Zwanen, behoren tot de meest sierlijke vogels in mensenogen. Dichters hebben meer over zwanen dan over enige andere vogelsoort geschreven. De meest verbreide legende over de zwanen is wel dat een eenmaal gevormd zwanenpaar de rest van hun lange leven een immer trouwe eenheid vormen. Dit is niet waar, wel is het zo dat het vasthouden aan de eenmaal gekozen partner veel voorkomt, zoals ook bij andere vogels, bijvoorbeeld de kauwtjes. Maar onder de zwanen is wel de meest trouwhartige de kleine zwaan. Over zo'n paar schreef Ren de Vos voor Vogelbescherming de hier volgende tekst. 
Een Kleine Zwaan Liefdesverhaal - geplaatst januari 2005
Over ware liefde zijn door de eeuwen heen de mooiste verhalen geschreven. Lang niet altijd met een happy end. Ook aan vogels overkomen liefdestragedies. 

"....en dit is XNY, een mooie sterke vrouw. Ik volg haar al bijna heel haar leven. Ik heb haar de hoofdrol in mijn verhaal gegeven....". 
Vogelaar Wim Tijsen is met zijn maatje Henk Schobben uitgenodigd op het Nederlands Instituut voor Oecologisch onderzoek. Want wetenschapper Jan van Gils wil graag meer weten over kleine zwanen. Een rijker bron dan Wim Tijsen is er in Nederland nauwelijks te vinden. En dus legt Wim aan Jan uit hoe hun dialezing "De Grote Trek van de Kleine Zwaan" is opgebouwd. 

Het is 10 maart 2004. Elf jaar eerder, op een decemberdag in 1993, tussen kerst en nieuwjaar, rijdt Wim Tijsen over de Klieverweg, noordelijk van Slootdorp in de Wieringermeer. Het regent en waait: niet echt ideaal om te vogelen. Maar de gloednieuwe telescoop brandt in zijn handen Wim met de polders afstruinen. 
In het land van boer Nico Beets zit een vette groep witte vogels. Kleine zwanen, dat registreert Wim zelfs met het blote oog. Toch even de telescoop erop. Ziet-ie het goed? Ja: twee vogels dragen een plastic ring om de poot. Het kost wat tijd, maar dan heeft Wim de codes genoteerd. Het vrouwtje is XNY gelabeld, het mannetje XPS. 
Wim was toen al een jaar of drie verslingerd aan de kleine zwaan. Hij had haar zien komen als Venus in de mythe. Letterlijk vanaf de oude zee het land opkomend. Tot in de jaren zeventig was deze blanke schoonheid gewoon om de wintermaanden door te brengen op het IJsselmeer, de voormalige Zuiderzee. De zee was aan de oostkant altijd ondiep en helder geweest. Daar groeide massaal het fonteinkruid;  een waterplant met energierijke knolletjes, zoals onze aardappelen. 
Maar toen de zee een gewoon meer was geworden werd het water voedselrijk en troebel, het fonteinkruid verdween en de kleine zwanen moesten wat anders. Ze kwamen aan land, leerden de geneugten kennen van mals grasland en de oogstresten op gerooide akkers. Suikerbieten en aardappels hebben net zo'n hoge voedingswaarde als fonteinkruid knolletjes. En koeiengras bevat heel veel eiwitten. De kleine zwaan ontdekte de Wieringermeer en Wim Tijsen ontdekte daar de kleine zwaan. 

Z gek was hij van deze vogels dat hij in hun spoor met ze meetrok: van de Wieringermeer naar de Eempolders bij Amersfoort en naar Zeeland. En ng verder: samen met boezemvriend en kleine-zwanenfreak Henk Schobben op onderzoek naar de Norfolk Broads bij Lowestoft, Slimbridge bij Wales en naar The Ouse Washes noordelijk van Cambridge in Engeland. 
Het tweetal kent de landweggetjes van het beroemde kleine zwanengebied bij het dorpje Welney beter dan de plaatselijke bevolking. Dr, in februari 1996, springt zijn hart bijna uit zijn borst als Wim een ring afleest: XNY!!! 
Ze is samen met haar man XPS en ze hebben overduidelijk drie gezonde kinderen. 

XNY is dan al drie jaar lang de absolute favoriete van Wim: hij heeft haar dertig keer gezien in die tijd; meestal in Nederland, gewoon vlak bij huis, altijd in gezelschap van haar partner en vrijwel steeds met drie gezonde jongen in de buurt. XNY blijkt een bijzonder succesvolle vrouw, dat in een tijd dat het bergafwaarts gaat met haar soort. "Geen oprechter trouw dan tussen man en vrouw" Van alle vogels zijn kleine zwanen de meest partnertrouwe .Tijsen beweert dat er niet n geval van scheiding bekend is. 
Die ontroerende karaktertrek, samen met nog een aantal bijzondere karaktereigenschappen, deed Wim Tijsen al heel snel en heel definitief vallen voor de kleine zwaan. 
Hun broedgebied ligt in de Petsjoradelta, pal onder Nova Zembla. Het is een plas-drasgebied met duizenden eilandjes en vanuit de lucht heeft het, grappig genoeg, de vorm van Nederland. In februari trekken de kleine zwanen bij ons weg. Via Noord-Duitsland, Estland en de Witte Zee komen ze in hun broedgebied aan. Het is dan mei en als de vogels goed gegokt hebben is de dooi ingetreden in de Petsjoradelta. Hebben ze mis gegokt, is alles nog dichtgevroren, dan teren ze heel snel in op hun laatste reserves. 
Zware vogels zoals de kleine zwaan kunnen maar weinig lichaamsvet als reservebrandstof meenemen: hooguit 15%. Sommige zangvogels en steltlopers komen wel tot 40%. Dus met een absoluut minimum aan energie moet de kleine zwaan in haar broedgebied een hele serie taken onder koele of zelfs koude omstandigheden volbrengen. Ze moeten hun territorium claimen en verdedigen, elkaar het hof maken, een nest bouwen, paren, eieren leggen, vijf tot zes weken broeden en de familie beschermen tegen predators. 
Uiteindelijk blijven er maar zes weken over om de jongen groot te brengen, om ze z sterk te maken dat ze mee op trek kunnen naar West-Europa. Als door tegenslag de jongen pas eind juli uit het ei komen dan is de Grote Reis eigenlijk al niet meer haalbaar. 


Een vlucht kleine zwanen op trek eind februari 

Op 8 november 1997 treft Wim Tijsen XNY aan de Zeugweg bij Wieringerwerf. 
"Dit klopt niet, hier is iets helemaal mis", voelt hij. Op deze plek was zijn grande dame nog nooit gezien. Nog verontrustender is dat XPS in geen velden of wegen te zien is. En bovendien nergens ook maar een spoor van jongen. Terwijl dit duo jaar in jaar uit voor de hoge score van drie nakomelingen had gezorgd. XNY lijkt doelloos rond te zwerven in de omgeving van Wieringen. Op 1 januari 1998 ziet Wim Tijsen haar die winter voor het laatst. 
Een jaar later duikt ze weer op in het kleine zwanen overwinteringgebied Ouse Washes bij het Engelse dorp Welney. Ze is nog steeds alleen, stellen Tijsen en Schobben vast. Het lijkt overduidelijk zo dat haar partner niet meer leeft. 

In de jaren er na ziet Tijsen haar op de verschillende bekende plaatsen terug, de Wieringermeer, de Eempolders en in Engeland. Soms lijkt het of ze een nieuwe partner heeft, maar er is geen bewijs van. 
Voor Tijsen is het duidelijk wat er gebeurd is. Overmand door verdriet om het verlies van haar geliefde heeft XNY haar levenslust verloren. Ze was duidelijk - zelfs in de periode met een mogelijke nieuwe partner - een weduwe die niet uit haar rouw kon komen. Zo sterk, groot en succesvol als ze in de eerste jaren is geweest, zo onzeker en zoekende is ze gebleven nadat ze haar eerste liefde heeft verloren. Ze was duidelijk helemaal de kluts kwijt, ze had niet langer de regie over haar eigen leven. De prachtige dame kleine zwaan was een half leven lang gelukkig. Tot ze haar man verloor. 

Januari 2004. 
Tijsen ziet de weduwe eerst vlak bij huis, de Wieringermeer, een paar dagen later in de Eempolders. Daar zou ze blijven tot de voorjaarstrek. Maar Tijsen vindt haar niet meer terug in de Eempolders. En voor de trek is het dan nog te vroeg. Waar heeft ze haar heil gezocht en waarom? De tijd verstrijkt, geen spoor van XNY 
10 maart 2004. 
Alle kleine zwanen hebben Nederland verlaten. 
Wim Tijsen en Henk Schobben zitten op het Nederlands Instituut voor Ecologisch Onderzoek bij Jan van Gils uitleg te geven over hun dialezing over kleine zwanen "De Grote Trek van de Kleine Zwaan".


De Grote Trek van de Kleine Zwaan 

"Ik heb kortgeleden ook nog onderzoek gedaan", zegt van Gils. "Deze kreeg ik van een muskusrattenvanger. Misschien kun jij er nog wat mee". Van Gils duikt in een lade en legt een beengele ring op zijn bureau. 
Tijsen pakt het voorwerp, zo groot als een servetring, en het wordt hem zwart voor de ogen, hij moet vechten tegen zijn tranen. De haarscherpe inscriptie op de ring: XNY  

Het dier dat hem dierbaarder is geworden als enig ander, de vogel die hij als 'de zijne' is gaan beschouwen, die hij tien jaar heeft gevolgd, is dood. 

Vogelbescherming. Tekst Ren de Vos. -  
(Geredigeerd John Zwart)
Hernehim Natuur jan 2005 
 
De Kruisspin - Araneus diadematus - geplaatst november 2004 
Dochters van de herfst 

Op allerlei plekjes komen we ze weer tegen, dikke 'griezelige' spinnen. 
Het zijn altijd dames en ze hebben een wit kruisje op hun rug en kunnen wel twee centimeter lang worden. 
Met hun acht pootjes zijn ze reuze behendig en snel. Ze maken hun webben soms op de meest onverwachte plekken, zodat je, als je tijdens het herfstwerk in de tuin meer naar de plant kijkt dan naar wat ervr zit, soms recht met je gezicht erin kan plakken. Wij vegen dan gerriteerd de ragdraden van ons gezicht, maar je moet er niet aan denken wat een prestatie die spin heeft geleverd om dat web te maken. 

Het web 

De draden voor het web komen uit spinklieren in haar achterlijf waarin honderden gaatjes zitten. Het spindraad komt eruit als een vloeistof die heel snel droogt. Al die uiterst dunne straaltjes kleven samen tot een nog steeds superdunne draad. Eerst wordt de buitenkant opgezet, dat zijn de rechte draden. Door te zwaaien, hangend aan zo'n draadje en ook gebruik makend van de wind, weet ze het te spannen aan een tegenovergesteld takje of een ruw stukje muur, overal waar maar zo'n dun kleverig draadje wil hechten. Dat doet ze tot er een soort vijfhoek is gevormd. 
Daarna begint ze, met grote preciesheid, de schering op te zetten. Dit zijn de rechte draden naar het hart waarmee ze de vijfhoek stevigheid geeft. 
Als dat klaar is gaat ze de ronde inslagdraden weven van een speciaal draad waarop lijmdruppeltjes zijn afgezet, zodat er een prachtige vangspiraal ontstaat. Na een paar dagen verdroogt de draad van de vangspiraal. De spin peuzelt dan alles op en maakt weer een nieuwe vangdraad. 


 Het web is klaar 

Prooien 

Vervolgens verstopt mevrouw spin zich ergens onder een blad en houdt n poot aan de spandraad. Zodra die begint te trillen is het raak en rent de spin over de draden naar haar prooi om die te verdoven met een soort verlammingsgif, zodat ze hem vervolgens rustig leeg kan zuigen. 
Mocht ze net haar buikje dik hebben spint ze een cocon om de prooi en bewaart hem tot later. Als prooi heeft ze het liefst dikke vliegen, maar madame is niet kieskeurig dus alles wat blijft kleven is welkom. 

Nageslacht 

Mannetjes kruisspinnen zijn een stuk kleiner dan de vrouwtjes en worden na de paring door haar al gauw aangezien als een prettige versnapering, zodat haar minnaar snel moet maken dat hij wegkomt! En kruisspin legt wel 2000 eieren die, veilig in een cocon, het voorjaar afwachten om uit te komen. 
Bekijk 'n spinnenweb eens van dichtbij op een vroege morgen wanneer het nog nat is van de dauw en de spin nog slaapt. U zult zich wel driemaal bedenken aleer zo'n kunstwerkje ooit te beschadigen. 

 

Flos Schipper  (Hortus Amsterdam) okt 2004 

 

Publicatie 12 november 2004 
 
Landelijke wandeldag - It Ketliker Skar -  26 september 2004
Nu schrijf ik dit artikel en het is nt zo'n mooi weekend als de dag waarop in heel Nederland de Provinciale Landschappen hun Landelijke Wandeldag organiseerden. Na een periode van bijna twee weken 'natte moesson', waarin het leek alsof met wind en regen de zomer abrupt overging in een straffe herfst, werd de zondag 26 september opeens een prachtige zonnige dag, ideaal om er op uit te trekken; alsof het zo besteld was. 
Ik had ervoor gekozen een gebied in Friesland te leren kennen waar ik nog niet eerder was: It Ketliker Skar, bij Katlijk in de buurt van Heerenveen. 
Sinds 1969 beheert It Fryske Gea dit gebied, voorbij Mildam rechts van de Schoterlandseweg   


Beukenlaan Ketliker Skar 

Voor de ochtendexcursie meldden zich 30 35 mensen. De twee gidsen van It Fryske Gea die hun vrije tijd ervoor beschikbaar stelden namen elk ruim 15 deelnemers onder hun hoede. Zij deden dit met veel enthousiasme en hielden er rekening mee dat de groep van heel uiteenlopende leeftijd was. En passant leerden we wat over de oorsprong van het gebied. 
Zoals 't met zoveel bos- en heidepercelen, die nu voor recreatie en natuur bestemd zijn, het geval is houdt het ontstaan verband met een rijke grondbezitter die graag op jacht ging en ook nog wat opbrengst aan zijn bezit wilde ontlenen door bosbouw. 
Centraal ligt een  jachthuis: 't slotsje. Rondom en ten zuidoosten: een afwisselend terrein van gemengd bos en loofbos, akkertjes, weiden en natte heide. Aan het begin van de route vertoont de plattegrond een strakke vakverdeling, maar eenmaal onderweg zorgt de afwisseling ervoor dat die structuur nog nauwelijks opvalt. 


Rosse vleermuis 

In de onderbegroeiing veel varens, hoofdzakelijk de mannetjesvarens, maar ook het dubbelloof dat er niet alleen anders uitziet maar ook heel anders aanvoelt. "Voel je de verschillen?" De gids vertelt de kinderen over de bijzondere manier waarop varens zich verspreiden en hoe verschrikkelijk oud deze plantensoort al is. 
Langs een pad zien we dikke stobben, met er bovenop maar dunne eikenboompjes: een stakenbos. Dit komt doordat in vroeger tijden de eiken telkens omgehakt werden voor z.g. talhout (aanmaakhout) en boerengeriefhout (hekwerk). De boom zelf is oud maar dat zie je alleen aan het stuk vlak boven de grond, wat daar bovenuit steekt is eikenhakhout. 
Er groeien al aardig wat paddestoelen in het bos, vooral de aardappelbovist, een stuifzwam. Het lijkt er werkelijk op alsof iemand hier en daar kwistig met aardappels rondstrooide. Op dode stronken veel honingzwammen en zwavelkopjes, plaatjeszwammen in massale bundels. 
De gids plukt een graspluim en we zien op de zaden zwarte puntjes. Je zou het niet zo gauw denken, maar ook dat zijn paddestoelen. Hij vertelt de kinderen een griezelig verhaal over het moederkoren, een schimmel die in vroeger tijden soms in het tarwemeel terechtkwam. Deze schimmel is dodelijk giftig. 
We staan even stil bij een hulstboom. Daarvan staan er op verschillende plekken nogal wat in het bos, te hopen valt dat rond de kersttijd de wandelaars voldoende respect voor de natuur hebben om er af te blijven. Hulst groeit maar heel langzaam en kan erg oud worden. Als ze een respectabele leeftijd bereiken verdwijnen de puntige stekels aan de bladrand en krijgt de (altijdgroene) hulst alleen nog gladde bladeren. 
 

We staan even stil bij een open veld voor een huis. Het 'slotsje', oorspronkelijk het jachtverblijf. Het veld is een wildakker, werd en wordt nog steeds - ingezaaid met verschillende zaden van de gewassen waarop herten en reen foerageren. De gids kruipt even van het pad omlaag in de houtwal om te kijken of er op dode takken van een vlierstruik ook judasoren (bruine paddestoelen die sprekend op een mensenoor lijken) groeien, maar tevergeefs. 
Nu gaan we rechtsaf over een wildrooster. Regelmatig vielen ons al de koeievlaaien op. Het terrein wordt onderhouden met natuurlijke maaiers, schotse hooglanders zorgen ervoor dat het niet dichtgroeit. 

Dan wandelen we in een indrukwekkende beukenlaan. Hoog boven ons is van de eerste boom een dikke tak afgebroken. Op de afgestorven stomp groeien porseleinzwammen, de boom ondervindt er voorlopig nog geen hinder van. Bij een volgende boom ligt een hoge berg rulle 'zwarte grond' aan de voet. Een bosmierenhoop? Nee, deze boom is waarschijnlijk flink uitgehold door de zwarte specht, want in die holte verblijven tientallen vleermuizen; dat hebben de beheerders ontdekt. Het gaat om de rosse vleermuis, een forse soort. De massa op de grond bestaat uit uitwerpselen, vleermuizenmest, in de loop der tijden een bergje. 
Het valt steeds weer op hoe gevarieerd het terrein is, afwisselend lopen we over holle smalle paadjes, dan weer door brede lanen beuken, linden of kastanjes om vervolgens weer op een open gebied te stuiten. We zien een oude beuk, ooit in een ver verleden door de bliksem getroffen,  waarbij de boom een groot deel van zijn kroon verloor. De langgerekte brede en diepe wond groeit in de loop der jaren langzaam dicht vanaf de randen. Het valt op dat de boom zelfs zijn stabiliteit tracht te herstellen door de vorming van twee nieuwe 'stammetjes' ter weerszijden van het gapende gat: de oorspronkelijke stam wordt gespalkt. Aan de voet groeien er vele braakrussula's, paddestoelen met een mooie roze gekleurde hoed die je ook elders in het bos veel aantreft. 
Sommige kastanjes zijn aangetast door de kastanjemineermot. Veel kastanjes in ons hele land vertoonden dit jaar al ver voor de herfst bruine bladranden en plekken. Het is te hopen dat de mooie witte paardenkastanje niet een soortgelijk lot is beschoren als de hollandse iep. 

 

Een heel andere boom is de 'tamme kastanje', die wordt alleen maar kastanje genoemd omdat de bolster van zijn vruchten er een beetje op lijkt, ook al is die bezet met honderden fijne en buigzame stekels, terwijl de paardenkastanje een klein aantal grove stekels draagt. Open je de bolster van een tamme kastanje dan zie je geen ronde glanzende vrucht maar een aantal zaden, die elk een beetje lijken op een groot soort beukennootjes. 

Het bos wordt nu en dan gedund, de stobben blijven in de grond. We bewonderen de pracht van honingzwammen en zwavelkopjes op veel van zulk hout. Als we over een pad langs een gemengd bos lopen zien we een buizerdhorst in een van de kruinen. Buizerds zoeken altijd een plek dichtbij de bosrand op korte afstand van goed jachtterrein, zoals heide of akkerland. 
Even later: daar staan we inderdaad aan de rand van een open gebied van wildakkers en natte heidevelden. Een punt met prachtig uitzicht, waar je even kunt rusten en mijmeren aan een picknicktafel. Aan n kant is geen bankje gemaakt omdat dit rustpunt is opgenomen in een rolstoelvriendelijke route. Hier heb je zicht op een aantal wildwissels en in de vroege morgen- of avonduren zijn er zeker reen en mogelijk ook damherten te zien die uit hun dekking in het bos komen om daar tussen de lage gagel- en heidestruikjes te foerageren. 
Vanaf dit punt loopt een laantje naar het Tjongerdal, waar een uitzichttoren is gebouwd. Dat uitstapje bewaren we voor een volgende keer, we gaan nu weer terug het bos in en komen opnieuw langs een wildakker. In de bosrand aan de overkant zie ik nog juist reen in dekking verdwijnen. Middenin het ruige veld steken zomaar een aantal damherten de koppen omhoog om ons argwanend met opgestoken oren te bekijken, maar ze gaan niet voor ons op de vlucht! Het onbetwist hoogtepunt van de wandeling. 

Op de terugweg gaan we een stuk van de paden af, dwars door een bosperceel. De gids wil ons nog even laten zien hoe een enorme omgewaaide boom in zijn wortelmassa een hele nieuwe leefgemeenschap voor planten en dieren vormt. Lang niet elke stormschade wordt nog opgeruimd, alleen hinderlijke stammen dwars over een pad worden tot moten gezaagd. 
Op de bosgrond onderweg doe ik nog een paar paddestoel ontdekkingen: eekhoorntjesbrood, heksenboter op een stronk, een vermold stammetje helemaal bezaaid met koraalzwammetjes en een aantal schitterende rodekool zwammen. 
Ik ben enthousiast geworden voor dit gebied waar nog veel meer te ontdekken valt en ik heb me voorgenomen hier vaker heen te gaan. 

"Het excursieverslag schrijf ik volgende week wel", dacht ik toen. "Nu is het veel te mooi weer om achter de pc te zitten". Ik schrijf dit nu een week later, op zaterdag 2 oktober, na een week van wisselvalligheid is het wr een prachtige zonnige dag. Soms wordt je hobby zelfs tot dure plicht... 

John Zwart  2 oktober 2004 
IVN Natuurgids 

Publicatie 10 oktober 2004 
 
Het stille bos - Tegenstrijdige belangen. Geplaatst 30 augustus 2004 

Vier uur, het eind van de middag nadert. Eindelijk stopt de optocht van felle buien die ook deze dag heeft geteisterd. Zo snel als de pittige wind de ene grauwe massa na de andere aanvoerde, zo onvoorstelbaar snel veegt dezelfde wind de hemel kraakhelder schoon. Nog net op tijd om even van het buitenleven te genieten: p naar het bos, iets meer dan een kwartier met de auto. 
Zoals verwacht is het er stil, kampeerders lieten zich allang wegjagen. Het veld voor trekkerstenten glanst met waterplassen, ook de dagjesmensen laten 't er vandaag bij zitten. 
Nog steeds augustus, maar er hangt een onmiskenbare herfstgeur. Schoongewassen van stof en vuil mist 't groen de frisheid van voorheen. Vlak bij de camping ruik ik een 'geurvlag' van de vos: heeft hij zijn territorium uitgebreid tot de rand van 't kampeerterrein, aangelokt door voedselresten in de bosjes? 
Tegen de zon in die al zakt, en hier en daar een gat in het lover vindt, loop ik in de richting van de vroegere boswachterswoning. De felle wind van de laatste tijd heeft bijna alle kastanjes uit de boom geschud. Op het bankje eronder knipoog ik tegen het licht dat recht in mijn gezicht schijnt. Bij die verblinding is het prettig de ogen te sluiten, de andere zintuigen te scherpen: geuren van kamperfoelie en versgevallen blad, de kastanjes in het gras; geluiden van vogels, mezengezinnetjes die samen voedsel zoeken in het gebladerte van de oude linden. Hl vaag op de achtergrond hoor ik nog wat autogeruis, gedempt het gesnerp van een enkele bromscooter. Selectief luisterend lukt het me dat gerucht buiten te sluiten. 
Ik recreer 

Dan nadert geschreeuw over de zandweg. Het blijkt een gesprek. Na enige tijd komt een viertal fietsers in zicht, achter elkaar rijdend in hetzelfde spoor. De voorste voert een gesprek met de achterste en ik mag meeluisteren. Pas minuten later sterft het geroep geleidelijk weg.
Opstappen maar weer, even een kijkje nemen bij het vennetje. 

In het bosven is het water in een week tijd een meter hoger gekomen. Uit het uitgedroogde bos begint nu weer water toe te vloeien. Zelfs groeien nu al de eerste paddestoelen, de grijze ridderzwam en de aardappelbovist, volop. Op de heuvels rond het ven, staan enkele oude eiken, de vuurzwammen hebben nieuwe consoles op hun stammen gevormd. 's Zomers zijn ze grauw en afgebrokkeld, nu tonen ze weer frisse kleuren. Hoelang de bomen de woekering gaan weerstaan blijft nog een onbeantwoorde vraag. 
Ik strijk neer op het bankje beneden. Aan de overkant van het water zingen twee tjiftjafs. Hier in dit bos hoor ik ze eind augustus ieder jaar weer zingen. Misschien is het een manier om elkaar te vinden vr samen de lange trektocht naar Afrika wordt begonnen? Achter me koert onvermoeibaar een houtduif. Verder is het stil, de geluiden van de weinige vogels galmen vrdragend, zoals in een lege concertzaal.

Dan klinkt in de verte aanzwellend geschreeuw. Weer fietsers? Nee, ditmaal verschijnt een drietal trimmers over de helling achter me. Samen hebben ze ontzettend veel plezier, lijkt het.
En van de beide mannen, heuvel op zwoegend, laat een trompetterende scheet. De vrouw barst uit in joelend gelach. Bovenop stoppen ze en de andere man vertelt onder grote bijval een schetenmop. Stil hoop ik: "doorlopen alsjeblieft", maar dat doen ze niet.
De vrouw kondigt aan dat ze het met al die vrolijkheid "niet meer houden kan" en verdwijnt in de bosjes beneden. Een ogenblik later slaakt ze giechelig een verwensing: "verd". Beide mannen, op 15 meter afstand, informeren wat er loos is. 
"Ach, door dat hardlopen ben ik helegaar verkleefd", roept ze luid; ter verduidelijking vult ze aan: "Ik pis met drie stralen". Loeiend gebrul. 
"Ja, verd... nou heb ik toch nog de hele boksem nat" vervolgt ze haar ooggetuigenverslag.
"Moet ik je komen verschonen?", wordt haar als te verwachten toegeroepen.
Ik ga maar weg, dit kan zo nog wel een tijdje gaan duren.

Terwijl ik me verwijder, hoor ik dat ze gaan 'molenwieken'. Op een halve kilometer hoor ik ze nog steeds. De mannen stoten berggorillakreten uit, de vrouw geeft als interval gilletjes. 
Naar huis rijdend stop ik even. De rode zon raakt aan de horizon en verandert langzaam tot een pompoen in een decor van liggende koeien. Een blauwe reiger staat roerloos aan de slootkant.
En het is stil, roerloos stil, goddank. 

John Zwart 
Natuurgids IVN 

Recreatie 

het bostheater lokt mijn zinnen 
met roffels en cimbalen 
met aria's en kwinkeleer 

zachtgroene zalen treed ik binnen 
serene sfeer daalt op mij neer 

een auto scheurt mijn blad van stilte 
voorzichtig voeg ik het weer aaneen 

dan: motorcross stoer over heuvels 
steeds weer opnieuw er overheen 

'ons land is vol' da's echt niet waar 
er zijn er maar een paar teveel 
- die denken aan zichzelve - maar 

maken uit louter zelfgenot 
veel voor anderen kapot. 

JohnN 

 


Midden op de Utrechtse Heuvelrug plaatste Natuur en Milieu een stiltebank

In Nederland zijn stille plekken schaars. Zelfs in veel stiltegebieden is herrie van vliegtuigen en auto's te horen. Wilt u samen met Stichting Natuur en Milieu van de stilte genieten? Doe dan mee met de 'Stad en Land' stilte-excursies in de Groene Maand.

Veel mensen trekken juist de natuur in om even te ontsnappen aan de drukte. Om buiten in de natuur te wandelen of te fietsen en tot rust te komen. Stichting Natuur en Milieu zet zich in om het weer stiller te krijgen in Nederland. Zij vraagt aandacht voor de waarde van stilte, doet onderzoek naar het geluidsniveau van stiltegebieden en de beleving van recreanten, en probeert overheden en beleidsmakers bewust te maken van het belang van stilte. En er worden concrete voorstellen gedaan om de verstoring van de stilte door verkeer, vliegtuigen en industrie tegen te gaan. Samen met lokale overheden, natuurorganisaties en recreatieondernemers wordt geprobeerd de stilte in natuurgebieden terug te krijgen. Zodat u als recreant niet alleen geniet van het natuurschoon, de vogels en de planten, maar ook van de rust die er buiten heerst. 
Gedurende de Groene Maand organiseert de Stichting speciale stilte-excursies. Op 12 september is er een speciale stilte wandeling in de Utrechtse binnenstad
Op 25 september zijn er twee stilte-vaarexcursies in Overijsel

Stichting Natuur en Milieu www.natuurenmilieu.nl 030-2331328. 

Stichting BAM - Organisatie tegen geluidsterreur. 
In het comit van aanbeveling hebben diverse natuur- en stiltegenieters zitting, o.a. Ivo de Wijs. 
Publicatie 30 augustus 2004 
 
Sjouwtocht, rondje Alde Feanen - Excursieverslag. Geplaatst 21 juli 2004 

Het werd wellicht de dag die als de mooiste van de zomer van 2004 zal worden herinnerd, maar dat wisten we nog niet, toen we op zaterdagmorgen 17 juli op uitnodiging van It Fryske Gea om negen uur bij 'De Reidplm' in Earnewlde aankwamen. 
Na de fikse regenbuien in de voorgaande dagen hingen wazige dampen boven de Alde Feanen en de zon bleef voorlopig nog verscholen achter grijze vitrageflarden. Toch zweefde er een belofte in de frisse ochtendlucht. Ik hoorde de grote zanglijster een aubade brengen in het moerasbos bij het bezoekerscentrum, op de achtergrond van het babbelen van de arriverende natuurliefhebbers. 
Het waren er zo'n 35, die een hele dag op "sjouwtocht" door het gebied zouden gaan - ze verdeelden zich in twee groepen rond de gidsen Michel Krol van Staatsbosbeheer en Nico Minnema, terreinbeheerder van It Fryske Gea. 

 


Gele Lis - Langesleat  Foto J.Zwart Copyright Hernehim

 
Gebiedshistorie en beheer
We gaan op pad, de Ds.v.d.Veenweg af in noordwestelijke richting. Dit gedeelte heet Fjirtich (40) Med, een oude landoppervlaktemaat. Langs de weg is het begroeid met natuurlijk bos, broekbos, dat bestaat uit zwarte els, grauwe wilg en lijsterbes, omslingerd door kamperfoelie. Uit het groen klinkt het gezang van fitis en tjiftjaf, zangvogeltjes die massaal deze natte bosjes bewonen. Hun broedtijd is alweer bijna voorbij, in augustus zal het allengs stiller worden. 
Langzaam brandt de zon een gat in de lichtgrijze hemel, blij toe met mijn lichte kleding, alleen bestaand uit T-shirt met korte broek. 

Even pauze voor een beschouwing over het gebied: 
De Alde Feanen, samen met de Wieden en de Weerribben in de kop van Overijsel, n van de laatst overgebleven grote veenmoerasgebieden in Nederland. Oorspronkelijk was in deze wijde omgeving n aaneengesloten grote laagvlakte van uitgestrekte moerassen, ruwweg het hele huidige midden en zuidoosten van Friesland met het noordwesten van Overijsel, in het oosten begrensd door het Drents plateau. Een 'onherbergzaam' gebied, waarin de Romeinen vanaf het meer Flevo niet wisten door te dringen. In vele honderden jaren vormden afgestorven planten op de zachte ondiepe bodems een dikke veenlaag, die op den duur boven water uitgroeide. Earnewld (Eernewoude) heeft niet voor niets deze naam: want bovenop het veen groeide in eeuwen een steeds dichter moerasbos. Dit was zo ongeveer de situatie in de middeleeuwen, toen er langzamerhand meer bewoning kwam en er bospercelen in landbouwgrond werden veranderd. Spoedig ontdekte men dat het veen, eenmaal gedroogd door wind en zon, een uitstekende brandstof opleverde om in de wintertijd de tochtige woningen te verwarmen. Enkele eeuwen lang (tot in de negentiende eeuw) werd turf afgegraven en afgevoerd naar de steden in de omgeving en nog verder tot in Holland. 
Het land werd vergraven tot petgaten en sloten, gescheiden door ribben (landstroken) en doorsneden met vaarten langs jaagpaden voor het transport. Waar de ribben te smal waren of de petgaten ongunstig op de wind lagen, ontstonden plassen. Van bos met weide veranderde de streek in een waterland waarin de natuur opnieuw ongeremd de dienst ging uitmaken. Het water begon weer te vervenen tot ruige rietvelden, alles zoals 't lang geleden was begonnen en op het verdrogende rietland ontstond nieuw broekbos. Bijna al die veengebieden zijn in de negentiende en twintigste eeuw na bedijking weer ontgonnen tot cultuurgrond, met uitzondering dus van deze Alde Feanen, Weerribben en Wieden. 
Midden vorige eeuw werd men zich pas bewust van de grote natuurwaarde van dit verdwijnende landschap. Door alle variatie van water, riet, land en bos biedt het leefmogelijkheden voor heel veel soorten vogels en planten. De Alde Feanen staan op de nominatielijst te worden erkend als Nationaal Park, beheerd door de Vereniging It Fryske Gea. Beheerd, want helemaal zonder menselijk ingrijpen zou dit landschap ook weer verloren gaan. Dan groeit alles weer dicht en blijft er tenslotte alleen nog bos over. Om zoveel mogelijk diversiteit (natuurverscheidenheid) te houden moet het landschap ook veelzijdig blijven, dus open water, petgaten, open rietvelden, ruige rietvelden, weiden, houtwallen en broekbossen, dit alles naast elkaar. Om open water te houden moeten de oevers 'geschouwd' worden, voor open rietvelden moet er periodiek riet worden gesneden, om veenweiden te behouden moet er gehooid worden en om het bos te beheersen moet er worden gemaaid en gekapt. 
Maar er zijn ook invloeden van buitenaf. De grootste zorg is de waterkwaliteit. Die is in het omringend cultuurgebied niet goed. Een bijkomend probleem is de gedaalde bodem (inklinking) van dat cultuurlandschap rondom, gecombineerd met het lage waterpeil dat in de Friese boezem gehandhaafd wordt ten dienste van de landbouw. In plaats dat het schone kwelwater van het Drents plateau en 't relatief schone regenwater vast wordt gehouden vloeit het af naar het omringende land en het water in het gebied raakt vermengd met vervuild grondwater van buiten. De laatste jaren probeert men daarom steeds meer polders rond het kerngebied te verwerven en die weer onder water te zetten. Ook op andere manieren wordt de waterhuishouding ten opzichte van de omgeving gesoleerd om de Alde Feanen schoner en schraler te maken. 

 

Een flink stuk 'sjouwen'.
Bij een boerderij met rieten kap verlaten we de verharde weg en begint het echte 'sjouwen'. Het land is hier een uitgestrekt rietveld, dat gexploiteerd wordt. Een open schuur ligt opgetast met in bossen gebonden riet, om te verhandelen als dakbedekking. Gewild product voor originele woonboerderijen, bungalows en dure villa's. Talrijke boerenzwaluwen, met hun mooie gevorkte lange staartpennen vliegen in en uit, hun broedtijd duurt voort tot aan de herfst. De diversiteit in het gebied profiteert van een financieel aspect dat in het voordeel werkt voor handhaven van het open en natte karakter. Want internationaal is er grote teruggang van zogenoemde 'wetlands', daarom zijn er speciale milieubudgetten voor beheer en behoud van moeras- en rietland. Een belangrijke bron van inkomsten voor de beheerder en een reden temeer om de 'verbossing' in toom te houden. Open rietvelden die periodiek geoogst worden zijn gunstig voor moerasvogels als het baardmannetje, de blauwborst, de roerdomp en de bruine kiekendief. 

We lopen langs de sloot en kijken naar de oeverbegroeiing: lisdodde met 'verse sigaren', scherpe zegge, uitgebloeide gele lis met glanzend groene zaaddozen. Het harig wilgenroosje dat aan vertakte stengels verspreide lila bloempjes draagt, zowel als de andere soort waar de wat feller gekleurde bloemen in een aarvormige tros aan het eind van een enkelvoudige stengel staan. Ertussenin hennepnetel, grote kattenstaart, watermunt en moerasandoorn, allemaal in volle bloei. Het roze koninginnekruid is er aarzelend mee begonnen. 
Langs het ruige veld aan onze rechterhand veel veldzuring en kale jonker. Die distel zullen we nog in grote aantallen zien op de schrale weiden, in tegenstelling tot de algemene akkerdistel die hier alleen op enkele grazige percelen groeit. Al deze planten zijn waardplanten voor vlinders. In het veld heeft een nijlgans zijn nest, de exoot heeft een veel agressiever karakter dan de grauwe gans en duldt tot op tientallen meters geen andere vogel naderbij. 
We bereiken de Lange Sleat, het eind van onze eerste etappe. 

 

Stukje varen 
Daar ligt de werkboot klaar om ons naar het volgende gebied te brengen. We varen een stukje tussen de watersporters over een windstille Langesloot waar de zon ons fel in de nek schijnt. De vele blote ruggen op de bootjes zullen vanavond wel rood zijn Na korte tijd stuurt de schipper een smalle kreek in aan bakboord. De wilgentakken maaien over het dek en in het broekbos horen we een havik roepen, maar hij laat zich niet zien. Op sommige plekken is de oever helemaal vlammend rood van de wilgenroosjes. Dan zwenken we opnieuw bakboord uit en opeens varen we op een flinke plas, de Saiterpetten. Aan stuurboord is een gedeelte afgeschermd met palen, waartussen witte linten gespannen zijn, die moeten de pleziervaart op afstand houden. We drijven er zachtjes langszij en op die afstand is dat toch voldoende verontrustend voor de lepelaars, die in een indrukwekkende vlucht met enkele tientallen gelijk uit de oevervegetatie opvliegen. In dit afgescheiden gebied moeten zich ook enkele exemplaren van de geoorde fuut ophouden, die laten zich echter niet zien. 
Bij de gewone futen is er nog maar nauwelijks sprake van schuwheid. Rond de boot zwemt een gewoon futenjong, al even groot als de ouder, luid schreeuwend om voedsel. De ouder-vogel duikt en voert nog steeds. Even later komt een fuut voorbij met twee kleine jongen op de rug, het succes van een tweede broed dit seizoen. 
We varen langzaam verder en passeren twee felrode zeilende klompjes, een lachende opa met twee ernstig kijkende kleinzoons roeit er achteraan.
De boot zet ons weer aan land op De Koai, waar kennelijk eertijds een eenden vangkooi is geweest. 

 

Uitbreiding en verrijking van het natuurgebied.
De klep van de boot reikt ver op de wal en dat is maar goed ook. Dit is n van de voormalige zomerpolders die recent aan de Alde Feanen zijn toegevoegd en waar de waterstand flink is verhoogd. Dit wordt echt een stukje laarzenparcours. 
Op sommige plekken is tot op de zandlaag gebaggerd waardoor er weer opwelling van schoon kwelwater is ontstaan. 's Winters staat het helemaal onder water en het wordt geleidelijk schoner en schraler, de vegetatie begint al aardig wat nieuwe variatie te vertonen. 
Het staat er vol met waterzuring en grote ratelaar (rinkelbel), al uitgebloeid - de dorre stengels met de opgeblazen zaaddozen rammelen soms al niet meer, ze hebben de zaden intussen al verspreid. Toch is het hier nog tamelijk voedselrijk, er groeien op hogere grond verstoringplanten als witte dovenetel,  gewone berenklauw, hondsdraf en perzikkruid. Verraderlijk zijn de greppels die zijn overgroeid, maar daaronder tot de rand toe gevuld je denkt op een zode te stappen en stapt er dan zomaar middenin 

In het zompige gras en aan de oevers natuurlijk pitrus en snavelbies, maar ook al wat minder algemene planten als knikkend tandzaad, waternavel met zijn ronde blaadjes en het steeltje in 't midden, mooie ijle wit bloeiende moerasspirea en poelruit, al uitgebloeid, maar goed herkenbaar aan 't eindblad dat op een eendenpootje lijkt. 

De boot is weer verschenen en brengt ons naar de overkant van de Folkertsleat naar de voormalige zomerpolder Wyldlnnen. Het maaiveld daarvan is 20 cm hoger dan van de Koai. Het maakt wel verschil, het loopt makkelijker en de greppels zijn beter zichtbaar. 
Een lage rug in het veld toont de kenmerken van gebruikspad. Dit gebied wordt 's zomers beweid en nmaal wordt er gehooid, in juli/augustus. Je ziet er heel andere planten: de egelsboterbloem, een miniatuurvorm, heel anders dan de algemene soorten zoals scherpe en kruipende boterbloem, het muizenoortje, een composiet met helder citroengele bloem. Op het eerste gezicht doet die denken aan het klein hoefblad, ook zo'n zonaanbidder, maar het muizenoortje heeft een gladde dunne stengel omhoogstrevend vanaf een verscholen behaard bladrozetje. Ik zie het zilverschoon en iemand vindt een ander blauwgroen viltig plantje dat aan edelweis doet denken. Het blijkt de moerasdroogbloem te zijn. Verder nog schijfkamille en valse kamille. 

 


Grote Ratelaar  Foto Natuurmonumenten

Terzijde van de lage rug hier en daar veenpluis en ook hier weer de grote ratelaar, in tegenstelling tot de andere polder nog met veel bloemen. Massale gele accenten van bloeiende moeraswederik, die hier zeer welig voorkomt. Het lijkt alsof de diversiteit hier al verder gevorderd is. De gids schrijft dit toe aan het helofytenfilter dat aan de oostkant het ingelaten water zuivert en verarmt. Over de weide erachter ligt een rood waas van pijpenstrootjes. 
Maar trots wijst hij op de glasheldere greppels waarin we een geschrokken groene kikker zien wegzwemmen had die even geluk dat wij geen blauwe reigers waren! Dr groeit duizendknoopfonteinkruid en veel bloeiende waterweegbree. Ook toont hij ons kenmerkende soorten van blauwgrasvegetatie: blonde, blauwe en zwarte zegge. 
Er zijn hier samenkomsten van de kemphaan geweest en de kwartelkoning werd verleden jaar gesignaleerd. Als om dit alles nog te onderstrepen horen we de roep van de wulp. We zen even gn vogels, ja tch, hoog boven ons cirkelen de buizerds moeiteloos op de thermiekstroom omhoog. 
We zoeken de Doekesleat op, van verre weer hoorbare vogels die verscholen blijven: de rietzanger en de kleine karekiet. Als het water zo schoon is dan verwachten we daar libellen,  ze zijn er ook: de oeverlibel, het lantaarntje en de vroege glazenmaker. Het is nog niet helemaal ideaal met het water, de randen langs de oever zijn bedekt met flap. Toch groeit er ook het pijlkruid van dezelfde familie als de waterweegbree en de prachtige zwanebloem. 

In de verte ligt de Geeuw, kenbaar aan masten en zeiltjes van de watersporters, daar moeten we naar toe voor weer een volgende etappe van onze tocht. 
Nabij de Geeuw hebben vroeger een aantal boerderijen in de Wyldlnnen gestaan, nog vr de aankoop van het gebied werden de weiden verkaveld en de opstallen gesloopt. Het hoog opgaand geboomte en struweel herinneren aan de plek waar ze eens stonden. Een rust- en winterverblijf voor vogels, maar de beheerders hebben er een dubbel gevoel over. Want ze vormen ook een uitvalsbasis voor vossen en die probeert men uit de Wyldlannen te weren. 
Dat hier een territoor is bewijzen de vossenkeutels die we ontdekken. Ik huldig het standpunt dat het afschieten van vossen alleen vrije territoria oplevert en zo eigenlijk meer een maatregel is die de vossenmigratie bevordert dan bescherming van weidevogels oplevert. Hierover zijn levendige discussies mogelijk. 
Die voormalige erven zijn voedselrijke enclaves, hier zie je grote brandnetel, kleefkruid, wolfspoot, haagwinde, precies zoals je het ziet op pas aangelegde natuurterreinen waar veel nitraat in de grond zit. Ook kleurige accenten van moerasrolklaver en vogelwikke. 
We hebben heel wat zware kilometers in de benen, gelukkig gaan we weer een stukje varen. 

 

In de frisse wind
Het is intussen behoorlijk warm geworden en ik betreur het dat ik geen baseballpet heb meegenomen, voorhoofd en neus zullen vanavond wel verbrand zijn Heerlijk om weer even een stukje te varen, naar de Grutte Kritte, de grootste plas in de Alde Feanen waar de wind welkome verkoeling brengt. De platboomde werkboot met zijn stompe snuit jaagt de visjes in de Geeuw voor zich uit. Visdiefjes hebben er een scherp oog voor, ze vliegen een stukje vooruit, staan even stil te 'bidden' in de lucht en duiken dan pijlsnel neer op hun prooi. 
Het diepe water van de grote plas is vol met bootjes, in de ondiepe bochten is het oppervlak bedekt met bloeiende 'giele plompebld' het Friese symbool. (gele plomp) 
We varen naar een rustige hoek aan de noordkant. Daar steken afgestorven elzen en berken boven de lagere grauwe wilgen van de oever uit. Dit is het thuis van de grote aalscholver-kolonie van de Alde Feanen. Voortdurend vliegen de zwarte vogels met hun donkere haaksnavels af en aan, de witte broedvlek die ze alleen in dit jaargetijde hebben is duidelijk te zien. Zevenhonderd broedparen hebben zich hier in de loop van twintig jaar gevestigd. Hoeveel kan een gebied als dit verdragen zonder nadelige effecten? Is zo'n aantal nou mooi of ongewenst? Ook hierover kunnen we weer heel wat bomen opzetten. Feit is dat beschikbaarheid van voedsel een belangrijke natuurlijke reguleringsfactor is.
De boot start weer op en we zetten koers naar de Hooidamsloot, want we gaan ook de Jan Durkspolder en de Wolwarren bekijken. 

 

De Jan Durkspolder
De werkboot zet ons af op het schelpenfietspad dat van de Hege Warren noordwaarts naar Eernewoude loopt, parallel aan de 'Headamsleat'. Dit dijkje is de westkade van de Jan Durkspolder die It Fryske Gea al wat langer bezit (1979) en omdat de noordse woelmuis erin leeft kreeg het dezelfde natuurstatus als de andere zomerpolders. De waterhuishouding werd hier volkomen gesoleerd van de omgeving. Geen vreemd water komt er in, alln regen en kwel. Het bodemprofiel is weer hersteld, de westkant hoog, min of meer droog, aan de oostkant ontstond een flinke ondiepe plas. Vanaf het pad kun je het gebied niet in, er is een bermsloot, die niet mag dichtgroeien. Er wordt dus geschouwd, wat aan de vegetatie is te zien: grote brandnetel, harig wilgenroosje , grote klit, ridderzuring  en vooral de reuzen-balsemien zijn erg dominant. 
Aan de oever van de Hooidamsloot en de Kruisdobbe is er boomgroei, behalve de zwarte els, grauwe wilg en de berk ook lijsterbes en vogelkers. 
Op de driesprong besluiten we even rechtsaf te gaan naar de vogelkijkhut, waar je zicht hebt op het overstroomde oostelijke deel van de polder. Onder een berceau van wilgenstammetjes dringen we een stukje door in dit vogeldomein. 
Vlak vooraan staat een grote groep grauwe ganzen te dommelen en hun veren te poetsen, pootjebadend in het ondiepe water. Op n plekje is het wat groen met een slikstrook er omheen. Daar zien we een oeverloper foerageren, erachter dobbert een slobeend. Een solitaire bergeend vliegt over, gevolgd door een scholekster die gezelschap vindt bij een grote groep soortgenoten verderop langs de kaderand aan de oostoever. Daar voor zwemt een familie canadese ganzen met enkele jongen. 

We gaan weer terug naar de driesprong en vervolgen de route. Warmte en vermoeidheid doen zich langzamerhand gelden. We moeten het Wikelsln nog doortrekken, maar ons drinken is allang op. De gids belooft een tussenstop bij de bedrijfsgebouwen van It Fryske Gea aan It Wiid, waar we volop koel helder water kunnen drinken. We waren er wel aan toe. 

 

Wikelsln, de laatste etappe.
Gelaafd en opgefrist steken we de Kerkweg over en verdwijnen weer tussen het groen door een klaphek (beweiding en reen). Dit gebied is aangelegd met wandelpaden en bewijzerde routes. Afwisselend weide en struikgewas. Aan de randen daarvan groeit de wilde gagel. 
In het gras vinden we het moerasviooltje, maar geen zilveren maan. Die is hier niet meer te vinden, we blijven hopen op zijn terugkomst. 

Opeens danst daar een citroenvlindertje. Niet zo verwonderlijk met overal sporkehout in de omgeving. 
Zie ik daar echt het zeldzame goudooghooibeestje? Een rodelijstvlinder van 't veenmoeras? Of is dat daar een mannetje bruin zandoogje? Of toch gewoon maar een koevinkje? De vlinder is bijna egaal bruin met vanuit het lichaam een vleug zwart en heel vaag iets van een oogmerk. Wg vliegt hij (of zij) zonder dat ik de onderkant goed zag. Ik blijf twijfelen. 
Gelukkig herken ik de atalanta en de distelvlinder moeiteloos. 

In deze warme middaguren komen er geen reen in zicht en ook geen porseleinhoenders. Maar we zagen al zovl. In het hele gebied zijn 400 soorten kruiden, struiken en bomen, en wel 100 vogelsoorten waargenomen, wat ik intussen onmiddellijk wil geloven. 
Precies om vijf uur komen we vanaf  tegenovergestelde richting het erf van de Reidplm weer op, een uurtje later vallen de eerste druppels van een onweersbui terwijl ik mijn auto voor de deur parkeer, wt een timing! 


John Zwart - IVN Natuureducatie. 
 
 
Daar zijn er zat van! - Observatie van Niesje de Jonge. Geplaatst 1 juli 2004 

Een mooie meidag. 
We rijden vanuit de tunnel over de A8 richting A7. Niet in de file, maar het is wel druk en eigenlijk rijden we allemaal net iets te hard. In de bocht waar we over twee stroken rechts afbuigen, geeft de linkerbaan nog even flink gas bij om het eerste te kunnen invoegen. 
Een grote wagen hangt dicht achter zijn voorganger. Dan gebeurt het. 
In luttele seconden, maar onze hersens hebben het geregistreerd. Zoals we beeldje voor beeldje in slowmotion een tv-beeld kunnen herhalen. De bestuurder van de voorste auto op de linkerstrook laat zijn gas los. De bumperklever erachter schrikt, remt een kort snerpend geluid, een blauwe wolk van schroeiend rubber. 
En dan breekt daarachter een bruine vogel los uit het groen. Loopt dwars de weg op, met in 't kielzog een warrelende wolk als dorre herfstblaadjes. De eend probeert de vloedgolf aanstormende auto's te trotseren naar de veilige overkant. Een ongelijke strijd tussen grommende monsters en driftig achter de moeder aan dribbelende kuikenpootjes, al bij voorbaat verloren. Bij de middenstreep dringt het hopeloze door, vlak vr ons verheft de moedervogel zich, schampt langs onze achterruit. 
We hebben veral ogen: in de spiegel zien we dat de eend nog drvliegt, met luttele centimeters de hoogte haalt om de auto achter ons te ontspringen. Tegelijk zien we vr ons n, twee, drie auto's hun sporen door het kleuterklasje slaan. Een pr halen het. 
Zullen ze hun moeder terugvinden of gaan ze straks zoekend opnieuw over het asfalt rondscharrelen? 

Het was maar een gewone wilde eend. Zelfs natuurliefhebbers zeggen vaak: "daar zijn er zt van". Maar is dat dan niet zo met mensen? Wij waren behoorlijk aangeslagen door het gebeuren en eigenlijk ben ik daar blij om Zodra we onze schouders erover ophalen is het beroerd met ons gesteld. 

Niesje de Jonge 

Redactioneel commentaar 
Zolang mensen bezig zijn het oppervlak van de aarde aan hun belang aan te passen hebben dieren en planten zich telkens moeten terugtrekken. Daar werd nooit een probleem van gemaakt, beter gezegd er werd nauwelijks bij stilgestaan. Naarmate de aarde niet alleen dichter bevolkt raakt met mensen, maar al die mensen elk voor zich ook nog eens een veel groter beslag leggen door steeds verder opgevoerde welvaartswensen is dit terugtrekken voor veel soorten in uitsterven veranderd. Zo verarmt onze planeet. Tot nu toe door bijna ongeremd eigenbelang van n dominante soort. Een waarnemer van buitenaf zou kunnen spreken van een 'mensenplaag'. 
In dit perspectief bezien zou aan ieder ingrijpen in een bestaande natuurlijke toestand zo langzamerhand een zorgvuldige afweging van noodzaak vooraf moeten gaan. Dit gebeurt nog steeds onvoldoende. 
Heel soms moet een bouwproject worden aangepast op natuurbelangen. Een of ander bedreigde diersoort heeft zijn woon-, foerageer- of broedgebied daar, waar mensen een economisch gebruik voorhebben wat daarmee niet samengaat. De economie weet heel goed voor haar belangen op te komen, dieren en planten kunnen dat helemaal niet. In zoverre bestaat er dus al een zeer ongelijke machtsverhouding. 
Het is in dit licht een gotspe om natuurbeschermingsorganisaties als "milieumaffia" aan te duiden. De leden van groene organisaties dienen geen eigen economisch belang doch treden slechts in het strijdperk ten behoeve van het weerloze. De economie dient slechts haar eigen portemonnee. Daar mag best af en toe eens een vraagteken bij worden gezet, zo niet op de rem worden getrapt. 

Als we het gas onder de Waddenzee weghalen is het economisch belang enkele miljarden euro's. Dat lijkt heel groot, maar vertaald in binnenlands gebruik is het gas in tien jaar op. We stellen dus een natuurbelang van eeuwen tegenover een economisch belang van tien jaar. 
Eenzelfde afweging kun je stellen bij de wegenbouwplannen die worden gemaakt. Elke nieuwe weg die ruim baan biedt aan het verkeer ontwikkelt zijn eigen fileprobleem. Wie door de drukte in de spits zich heeft aangepast met de werkuren wordt bij elke tijdelijke verlichting, door een nieuwe rijstrook of geheel nieuwe verbinding, verlokt om het oude patroon van half negen tot vijf weer uit de kast te halen en binnen de kortste keren staat men weer in de rij. Zie A2-A10, A1-A6-A10, A12; hoeveel stroken wil het kabinet Balkenende in geldnood daar nu met spoed bijbouwen? 

Gebaseerd op ervaring van de kantonniers van Rijkswaterstaat kost ons verkeer jaarlijks aan gemiddeld twee miljoen vogels het leven. Hoe breder de wegen, hoe meer slachtoffers. Verbreding van autosnelwegen van 2 keer 3 naar 2 keer 4 stroken maakt van elke weg een onneembare barrire voor alle dieren, k voor laagvliegende vogels als zangvogels, reigers, buizerds, uilen en watervogels. Het plaatsen van geluidsschermen maakt het er niet beter op, zijn ze van glas dan zijn ze zelfs catastrofaal. 

 

 
 
De Lendevallei - Excursieverslag - Geplaatst 12 juni 2004 
 

Op de vroege zondagochtend van 16 mei namen we deel aan een bijzondere IVN excursie in het stroomdal van de Linde, gedeeltelijk voerde die tocht door een stuk dat in het broedseizoen voor publiek gesloten is.
Het hele gebied, dat bestaat uit schraal grasland, moerasbos en petgaten, valt onder beheer van It Fryske Gea en is 700 ha groot. Uitvoerder van het beheer is Tom Jager en hij was onze gids. 

Ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling 

De Linde vertoont zich nu als een rustig watertje dat zijn oorsprong vindt in de omgeving van Elsloo en aansluit op het kanalensysteem van de Noordoostpolder bij Kuinre. 
De vallei van deze oude rivier is ontstaan in de periode na de grote ijstijd, toen het smeltwater vanaf het hogere Drente afstroomde naar wat later de Noordzee zou worden. Het is dus een oude stroom die in die prehistorische tijd behoorlijk van betekenis moet zijn geweest. In de huidige tijd vloeit er, sinds de afsluiting van de Zuiderzee en aanleg van de Noordoostpolder, nog maar een flauwe stroming door haar smalle bedding. 
In de uiterwaarden ter weerszijden, "de Lendevallei" (Weststellingwerfs voor Lindevallei) ontstond in vroeger eeuwen een uitgestrekt veenmoeras. Tijdens de Middeleeuwen werd de stroom bedijkt, later ging men veen afgraven voor het winnen van turf. In de dijkjes werden sluisjes gebouwd voor het spuien van de vallei, want de waterstand in de rivier kon in die tijd nog behoorlijk variren. Toen vervolgens de Linde een tamme, stille kreek werd met een gemiddeld Fries waterpeil, verloren die sluisjes hun nut, ze raakten in verval en verdwenen. Behalve n, die door It Fryske Gea bewaard werd en als curiositeit wordt onderhouden. 
De restanten van de Middeleeuwse bedijking zijn hier en daar nog in het landschap te herkennen en vormen de verklaring voor de ogenschijnlijk vreemde ligging van het sluisje. Begin vorige eeuw was de rivier nog van betekenis voor de scheepvaart en in de sterk meanderende bedding werden vele bochten afgesneden of rechtgetrokken. Zo liggen nu het sluisje en de glooiing van de oude dijk ver van het water. 

It Fryske Gea heeft plannen om verschillende van die inmiddels dichtgegroeide oude bochten weer uit te graven en daarmee het oorspronkelijke profiel van de bedding te herstellen. 
Het is niet mogelijk het gebied maar op zijn beloop te laten. Zonder actief beheer zou het op den duur steeds verder "verbossen". Er moet dus gekapt worden en gemaaid. Enmaal per jaar, aan het eind van de zomer als de kruiden zich uitgezaaid hebben, wordt in samenwerking met de boeren uit de omgeving het grasland gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd en zo blijft de grond arm, wat voor de soortenrijkdom nodig is. 
Het is jammer dat het dal dwars doorsneden wordt door de snel- en spoorweg Leeuwarden-Zwolle, zodat het in feite uit twee helften bestaat, maar er is een onderdoorgang in de vorm van een voetpad met een groenstrook waarlangs dieren kunnen migreren. 


De Linde wordt weer een schilderachtige meanderende stroom 

 

Vaartocht 

Langs de provinciale weg van Wolvega richting De Blesse is er op ca. 2 km een kleine parkeerstrook ingericht, waar vanaf het natuurgebied kan worden betreden. Bij onze aankomst was er meteen al reden tot enthousiasme want we werden verwelkomd met nachtegalenzang, hoewel de zon al bijna vier uur eerder was opgekomen. Hier bleek maar weer dat de nachtegaal niet alleen in de late avond of vr de vroege ochtendschemer te beluisteren is. 
We wandelden naar de molen "De Gooijer", die hier onder een andere naam in 1775 werd gebouwd om de polder te bemalen, maar na de komst van machinegemalen vrijwel tot rune verviel. Door de enorme inzet van dhr. de Gooijer is de molen recent gerestaureerd en kreeg een naam te zijner ere. De molen draait regelmatig (molens die stilstaan vallen ten prooi aan houtkevers), maar maalt "voor spek en bonen": het water dat aan n kant uitgeslagen wordt stroomt aan de andere kant weer in. De polder moet nu immers vooral nat blijven. 
Beheerder Jager bewoont het molenaarshuisje achter de molen, zijn natuurgebied komt tot zijn voordeur, een benijdenswaardige plek. 

Langs het dijkje was de glooiing en natte berm een feest van kleuren: van hoog naar laag bloeiden er grote ereprijs, scherpe boterbloem, echte koekoeksbloem, pinksterbloem, kale jonker en bijna in bloei was de gele lis. De bladeren van de moerasspirea waren ook al te zien. 
De gids vertelde ons dat het gebied vooral bekend is om de rijkdom aan libellensoorten, in heel Nederland zijn ca. 70 soorten bekend, mr dan 50% hiervan zijn in dit ene natuurgebied waargenomen, dat is welhaast een unicum.
Hij ging ons voor naar de oever van het molenslootje. Daar heeft It Fryske Gea een "fluisterboot" liggen, een praam met zitbanken, aangedreven door een elektromotor vanuit een accubatterij. De zon won steeds meer aan kracht en ik prees mijzelf gelukkig dat ik als enige in de groep de moed had gehad 's morgens in korte broek van huis te gaan. 
Het was een prachtige manier om je zonder veel geruis over de stille rivier te verplaatsen met die boot, vogelzang dringt nog goed door en zwemvogels vluchten pas op het allerlaatste moment. De oever met frisse blauwgroene scheuten lisdodde, bloei van gele lis en drijvend kikkerbeet en gele plomp gleed aan ons voorbij. Spoedig passeerden we de bruggen van spoor en snelweg. Toen werd het pas cht rustig, toch z dicht bij de bewoonde wereld. Wr zat er een nachtegaal te zingen, half elf in de ochtend inmiddels.. Boven ons trok een vlucht grauwe ganzen over in de richting van Flevoland (om daar in de Oostvaardersplas te ruien, aldus Jager). Twee keer werden een boomvalk en een havik gespot. Hg onder de wolken cirkelden vier buizerds in baltsvlucht. 
Met de rietzanger in onze oren legden we aan op de "verboden aanlegplaats". 

 

 
Wandeling 

Nauwelijks aan land werden we overtuigd van de rijkdom van het gebied. Allemaal hebben we wel verschillende soorten libellen gezien, maar hier deed zich het feit voor dat de meer zeldzame soorten algemeen waren en de algemene soorten daarentegen niet zo vaak gezien werden! 
De bruine korenbout en de vroege glazenmaker kwamen we veelvuldig tegen, vuurjuffer, glassnijder, roodoogjuffer en variabele juffer zagen we vaker dan het lantaarntje. "Actief beheer" werd gepleegd doordat n van ons een bruine korenbout uit een spinnenweb  bevrijdde. 
Met vlinders was het eigenlijk hetzelfde: door het met veel pinksterbloemen begroeide grasland zagen we ontelbare oranjetipjes, terwijl de gewone witjes maar nu en dan voorbij fladderden. Ook het landkaartje werd regelmatig gezien, maar gn dagpauwoogjes; en kleine vuurvlindertjes poseerden heel geduldig voor wie met z'n digitale camera een foto van hl dichtbij wilde maken! 

We liepen door het ongerepte grasland naar het sluisje waar we overstaken. Dat was met een schuldig gevoel bijna, want nergens kon je je voeten neerzetten zonder beschermde planten te vertrappen, z vol stond het met grote en kleine ratelaar, met vroeg bloeiende kleine valeriaan. 
Vervolgens doken we tussen de hogere begroeiing van het moerasbos, langs scherpe zegge, els, wilg en berk, behangen met kamperfoelie. In een hoger bosperceel, iets verderop, huisde een roekenkolonie die we van verre konden horen. 
Opeens stopten we bij de stille getuigen van een klein drama. Op de grond lag een gedode houtduif, half geplukt en bijna nog warm. Ernaast de leeg geslobberde schalen van haar eieren. Prooi van de havik.

We zagen flink wat dood hout in dit moerasbos. Geen wonder dat er verschillende grote bonte spechten in huizen, maar de gids vertelde dat ook de kleine bonte specht er woont (duidelijk wist hij wr, want we kregen die te horen). Wat verderop zagen we de gekraagde roodstaart. 
Over een voormalig legakkertje liepen we terug langs bomen en petgaten. In de petgaten de poelruit en de waterviolier, een lust voor het oog. Vlinders en libellen vlogen voorbij en rond ons hoofd we keken al bijna niet meer, waren gewoon blas geworden van zo'n overvloed. 
De boot voerde ons weer stil en gerieflijk naar het beginpunt terug. 
Het was n van die excursies die je niet meer vergeet. 

Hernehim Natuur - 12 juni 2004. Copyright Illustratie: It Fryske Gea 
   Tekst: John Zwart Gids, IVN Natuureducatie. 

 

Publicatie 12 juni 2004 
 
Waddenzee - Kind van (be)rekening - geplaatst 19 mei 2004 
 

Dat maak ik zelf wel uit 

Wat is dat toch met ons Nederlanders? Waarom moeten we altijd nt buiten de lijnen gaan? 
Er zijn over veel dingen afspraken gemaakt. Afspraken die geen overwegend bezwaar van ons allemaal hebben ontmoet. Ik bedoel dus niet die regels die worden opgelegd door de macht van de meerderheid vijftig procent plus n. Het soort besluitvorming dat door sommige autocraten zo graag als 'democratisch' wordt aangemerkt. 
Nee, ik bedoel die regels waar ieder weldenkend mens zich eigenlijk in kan vinden. Zoals bijvoorbeeld: niet 'ruecksichtlos' je afval weggooien. Hoe komt 't dan dat het overal waar een groot aantal mensen bijeenkomen voor recreatie of ander amusement het er na afloop altijd uitziet als een augiasstal?  Of zoals bijvoorbeeld de opvatting dat in een besloten woonbuurt waar kinderen op straat spelen (waar kan dat nog?) je uiterst omzichtig met je auto of motor moet rijden. Hoe komt het dan toch, dat iedereen maar dan ook werkelijk vrijwel iedern ondanks veelheid van drempels en andere 'reminders' vl harder rijdt dan die voorzichtige snelheid waarmee je het nvoorzichtige kind of die verstrooide oma, of die 'uitgelaten' hond nog opvangt? 

Is het omdat "wij maken het zlf wel uit" ons hoogste credo is? Dat zelfs in kringen van onze bestuurders die eigengereidheid is doorgedrongen? Met andere woorden: zelfs mensen als JPB belijden overeengekomen regels en normen met de mond maar handelen anderszins? 
Europa en zeker Nederland is heel dicht bevolkt. Iedereen is het erover eens dat die bevolkingsdichtheid en haar activiteit een grote druk op natuur en milieu vormt. Ook in de andere landen speelt dit en in de EU bleek een grote consensus over bescherming van waardevolle en kwetsbare gebieden. Om die gebieden geen speelbal te laten worden van allerlei belangen worden ze beschermd door de habitatrichtlijnen. Zo is het Nederlandse Waddengebied ook beschermd en niemand twijfelt erover dat dit terecht is, de Waddenzee is immers gn Hofvijver - waarover ik u overigens heel wat commotie voorspel, mocht 'n projectontwikkelaar die dicht willen gooien ten behoeve van een parkeergarage! 
Eigenlijk moeten JPB en Veerman zich dus doodschamen dat zij nog steeds geen halt hebben toegeroepen aan de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee. 
Er is nog een partij die zijn kansen afweegt: de gaswinners. Door de toenemende ergernis over het negeren van de habitatrichtlijn voor wat betreft de kokkelvisserij, waar Den Haag intussen niet meer omheen kan, lijkt het kabinet nu een ontsnapping te zien uit het lastige Brusselse parket. Een ordinaire uitruil: de gaswinners erin, de kokkelvissers eruit (-gekocht met een deel van de winst op de gaswinning van het olieconcern). 

 

 

Maar in de achterliggende jaren is uitgebreid geprocedeerd over die gaswinning: het kn en mg niet in de Waddenzee. Inderdaad: vanwege de habitatrichtlijn. Immers pas ndat de gaswinning is geschied en de zeespiegelstijging door het broeikaseffect zijn beslag gekregen heeft, zullen we zeker weten in hoeverre het negatief effect heeft gehad. Nu weten we nog niets zeker, we weten wl dat de zee gaat stijgen niet hoevl en dat de bodem gaat dalen k niet hoevl. Wl weten we dat die twee waarden elkaar versterken. Ergo: de gaswinning kn de duurzaamheid van het Waddengebied nadelig benvloeden. En dat is nu juist wat niet mg binnen de habitat afspraken: gn activiteiten beginnen of voortgang doen vinden die het belang van de duurzaamheid eventueel zouden knnen schaden. 

Dus: de kokkelvissers eruit, en de gaswinners moeten weg blijven. Een consequent natuurbeschermingsbeleid dat zich houdt aan Brusselse overeenkomsten laat geen handjeklap toe. 
Doet men dit toch is onze regering als de automobilist die bekeurd wordt omdat hij op het zebrapad bijna een voetganger schept en dan roept: "ok ok, ik zal betalen maar dan wil ik nu wel 180 rijden op de snelweg, want daar zijn geen zebrapaden". 

John Zwart.  IVN Milieueducatie 
16 mei 2004 

 

Publicatie 19 mei 2004 
 
Eerder gepubliceerd artikel over dit onderwerp 
 Europese ruggesteun voor natuurbescherming te verwachten
 

De Staatscourant is een uitgave die niet uitnodigt tot lezen voor het grote publiek. Het blad, dat nog altijd gedrukt wordt op papier dat er al vergeeld uitziet nog vr je het - vers van de pers in handen krijgt, levert echter soms heel interessante informatie op voor wie het doorploegen van een gedegen juridisch stuk niet schuwt. 
Zo wordt nu het licht geworpen op een advies in opdracht van de Raad van State aan het Europese Hof. Als dit advies wordt opgevolgd zou het na tien jaar strijd van de natuurbeschermers hiertegen wel eens spoedig afgelopen kunnen zijn met de kokkelvisserij op de Waddenzee. Want louter het feit dat een economische activiteit al  jarenlang wordt uitgeoefend mag geen motief zijn bij de weging van belangen tegenover elkaar. Vrop moet de doelstelling tot instandhouding volgens de Habitatrichtlijn staan. 


  Eidereenden op het wad  

Laten we hopen dat het Europese Hof de telkenmale jaarlijkse vergunningverlening door onze LNV minister zal afkeuren. Dan zal onze regering moeten tonen zich ook op dit vlak pro-Europa op te stellen en zal de kokkelvisserij per 01.01.2005 dienen te eindigen. 
Bij mij doet zich nu ook onmiddellijk de vraag voor of het gedogen van het rapen van kievitseieren, dat onder het motief van oud volksgebruik ook dit voorjaar nog steeds wordt toegelaten in de provincie Friesland, dient te stoppen. Conform onder de doelstelling tot instandhouding volgens de Vogelrichtlijn; zoals dat al jaren het geval is in de rest van Nederland. Kan onze LNV minister Veerman blijven tolereren dat jarenlang Europese regels worden genegeerd? 
De mentaliteit bij deze regering lijkt steeds meer n van: " natuur is mooi, maar het moet ons niet in de weg zitten ". Maar het gaat in Europa niet alleen om het heen en weer schuiven van potjes geld. Ons kabinet moet het zlf serieus nemen: "Europa bst belangrijk!" 

Het complete artikel uit de Staatscourant is hieronder te lezen op deze website. 

John Zwart  -  IVN  

 

Publicatie 13 maart 2004 
 
 Polder Oostzaan en de Wijde Wormer

Als je zo in de gestage stroom tussen vele andere auto's over de A7 rijdt zullen de meeste weggebruikers er nauwelijks bij stilstaan dat ze tussen Zaanstad en Purmerend dwars door een schitterend natuurgebied rijden. Onbewust van het moois dat hier vlakbij te genieten valt vervolgen de chauffeurs hun weg, zich concentrerend op het drukke verkeer. 
Rijden we in noordoostelijke richting dan ligt aan onze rechterhand de Polder Oostzaan en aan de overkant van de weg de Wijde Wormer. Merkwaardig genoeg worden beide polders niet specifiek genoemd in de herziene lijst van 78 belangrijke vogelgebieden van Nederland uit 1994, de lijst die telkens wordt opgesteld voor de EU-vogelrichtlijn van 1981. Ten zuidoosten van de Polder Oostzaan liggen het Twiske en het Ilperveld (Noord-Hollands Landschap); en ten noorden van de Wijde Wormer liggen Jisperveld en de Eilandspolder (SBB/Noord-Hollands Landschap). Deze gebieden worden wl in de lijst vermeld 
Maar vogels kijken niet op de stafkaarten van de Europese ambtenaren in Brussel en het verwondert ons dus niet dat veel soorten zich net zo goed over die aangrenzende polders ter weerszijden van de snelweg verspreiden. 

een rustige wereld naast de autobaan

Daar is er een rustige wereld. Een wereld van oude weilanden, doorsneden door ontelbare slootjes, sloten en vaarten, met nauwelijks paden of weggetjes. Een leefgebied of een overwinteringgebied voor veel vogels die van water en natte weilanden houden. 
De winter staat te beginnen, het is december, de meeste weidevogels zijn naar warme streken vertrokken. Watervogels en wintergasten verwachten we aan te treffen. Toen we nog op de snelweg reden zagen we al talloze groepen witte vogels, die op het grasland aan het grazen waren, zwanen. Ze waren net iets te ver weg om te kunnen zien om welke soort het ging. Dichter bij de weg hebben de zwarte meerkoetjes, met hun helderwitte snaveltjes en voorhoofdsplaatjes, het gezelschap van hun soortgenoten gezocht. De hele zomer konden ze elkaar niet verdragen en bevochten ze over en weer hun broedterritorium, maar nu gaat het om overleven in de wintertijd en dat doen ze in groepen in grote verdraagzaamheid. 
Op de afslag Zaandijk al, of even verder in de richting Purmerend, de afslag Wijde Wormer, kunnen we de snelweg verlaten. Door de Polder Oostzaan loopt een weg op enige afstand van de spoorbaan, die fietser of wandelaar mooi zicht op de natte weilanden geeft. Als het weer guur is kan ook vanuit een stil gezette auto naar de vogels gekeken worden, ze raken al gauw gewend aan zo'n stilstaand object dat ze niet bedreigt. De zwanen blijken knobbelzwanen te zijn, nog in hecht familieverband: de jongen (het eerste jaar nog herkenbaar aan de lichtbruine vlekjes op de dekveren) blijven zeker nog twee jaar samen met hun ouders optrekken. Nu we niet meer op het verkeer hoeven te letten krijgen we ook beter zicht op groepen bruine vogels die ook aan het gras eten zijn, midden op de weide: grauwe ganzen en kolganzen. 
Door de Wijde Wormer loopt een smalle polderweg parallel aan de A7. Vanaf die weg is op een paar plekken de ringdijk bereikbaar, o.a. bij Neck en bij het gemaal. Aan de overkant van de ringvaart ligt het Jisperveld, maar over die dijk rijdt veel autoverkeer tussen de dorpen Jisp en Neck. Aan de Wijde Wormerkant is de dijk groen en stil. Soms wordt die begraasd door schapen en wordt dan afgespannen met een draadhek waar wel overheen te stappen is, maar we kunnen ook op de bankjes bij de picknictafel gaan zitten. 

 

sociale verbanden en 'einzelgnger'

"Wiieuw", "wiieuw", horen we telkens een fluitende roep, dat zijn de kreten van de smienten, vanaf de hoogte van de dijkkruin hebben we mooi zicht over de natte weiden van de Wijde Wormer en daar zien we honderden smienten rondscharrelen. Ze zijn schuw, maar ver genoeg om niet door ons verontrust te worden. Door de verrekijker zien we hoe prachtig ze zijn, vooral de mannetjes (het zijn ook die jongens, die dat waarschuwende gefluit laten horen), zij pronken met hun winterse 'prachtkleed'. Smienten hebben een hoog voorhoofd, vanaf de snavelbasis tot de kruin gesierd met heldergele veertjes, de rest van de kop kastanjebruin. De borst is roze, rug en flanken van een heel gedistingeerd parelgrijs, aan het eind een zwarte staart. Werkelijk een schitterende verschijning. Ze overwinteren hier in grote gemeenschappen maar binnen die troepen hebben zich nu al paartjes gevormd. 

De lage winterzon scheert over de skyline van de Zaanstreek, in december kondigt de avond zich om vier uur al aan. Langs de oever van de ringvaart is niet "geschouwd": een brede oude rietkraag is gespaard als beschutting voor watervogels. Daarin blijkt zich een waterhoentje op te houden. Stapje voor stapje waagt ze zich steeds verder op de kale grasdijk, weg uit de veilige beschutting van het riet. Bovenop strekt ze de hals en draait het kopje naar links en rechts: "alles veilig?" Dan wordt er snel wat voedsel opgepikt en vlug weer terug tussen het riet. In het silhouet tegen de zon in lijkt het waterhoen wel wat op de meerkoet, maar zij is bronsbruin in plaats van dofzwart. Dat verschil is in het tegenlicht niet te zien, maar wel is het witte streepje op de flank zichtbaar, wat bij de meerkoet ontbreekt. En waar de meerkoet op snavel en voorhoofd wit is, heeft het waterhoentje een rode kleur. Maar zelfs op grote afstand is het verschil in gedrag treffend: meerkoeten grazen 's winters als een kudde de bermen en weilanden af, waterhoentjes zijn schuwe eenzame rietkraagbewoners. 

We keren ons nu naar het oosten, om beter te kunnen zien, alles in profiel uitgelicht door de late zon. Tot onze verrassing zien we op de schapenweide achter het gemaal vier wilde zwanen! Waarschijnlijk waren ze er de hele tijd al, maar we waren totaal geobsedeerd door de smienten. Opgetogen worden we door de sierlijke wintergasten uit Lapland, of misschien wel helemaal van over de noordelijke Atlantische Oceaan: komen overvliegen uit IJsland! De wilde zwanen hebben een rankere bouw dan de knobbelzwaan, met een schijnbaar langere en slankere hals die ze veel meer opgericht houden. De knobbelzwaan maakt vaak een wat norse indruk (vooral het mannetje) door de zwarte snavelbasis, versterkt door de forse zwarte knobbel. De wilde zwaan "kijkt vriendelijk" doordat ze een geel vlak hebben dat vanaf de bovenkant van de overigens zwarte snavel reikt tot aan de ogen. 

Steeds lager scheert de zon boven de horizon, werpt een rode gloed over het landschap en kleurt de langzaam donkerende hemel roze. Opeens nadert vanuit het noordwesten een enorme vogelzwerm, die al dalend vlak over ons heenvliegt. Vogels met lange smalle vleugels die in het avondlicht geen kleur meer vertonen, slechts zwarte silhouetten tegen de hemel. De zwerm beschrijft een bocht van een halve cirkel boven de weide achter het gemaal en komt weer terug. Kromme neergebogen snavels zijn nu duidelijk te zien: wulpen! Ze lijken ver van de kust geraakt maar er is geen twijfel mogelijk. Het zijn er enkele honderden die tenslotte neerstrijken op het weiland achter de smienten, het laagst gelegen weiland dat gedeeltelijk onder water staat. 

 

belangenafweging

Het is een blij makende belevenis aan het eind van onze "excursie". 
Maar mijn blijdschap heeft een treurige ondertoon: worden in ons land alln die 87 officieel aangemelde gebieden ontzien? Zouden de stroken ter weerszijden van de A7 ook volgebouwd kunnen worden met bedrijven terreinen "op zichtlocatie"? Telkens als ik weer iemand hoor schamperen over "die idiote actievoerders voor een paar woelmuizen of een handjevol zeldzame hagedissen, die hele economische plannen onderuit halen"; telkens als ik weer hoor beweren dat het "belachelijk is dat we in Nederland zo krampachtig doen over het behoud van de open ruimte" dan denk ik aan de mooie ervaringen die we individueel of met excursiegroepen in die open ruimte beleven. 
Wat een geestelijke armoede van die mensen die zo bezeten zijn van onstuitbare bouwdrift... 

 

John Zwart  Natuurgids IVN Milieueducatie.

 

Publicatie 13 januari 2004 

Copyright Hernehim Natuur 2001 - 2008 

Terug naar het recente hoofdartikel 

Hernehim Cultuur en Natuurpagina's
Naar Hernehim Cultuur


De Natuurpagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv