|
Scenarioschrijver en romancier
Soms lijken schrijvers zomaar ineens uit de hemel neer te dalen, wat
dan de verklaring lijkt voor hun schijnbaar 'instant' succes. Zo'n
schrijver is Arthur Japin.
Sinds zijn overweldigende succesroman "De zwarte met het witte
hart" verscheen, kreeg zijn naam in 1997 en volgende jaren grote
bekendheid binnen en ver buiten Nederland.
Een internationaal erkende auteur zomaar uit het niets, dat heb je met
Magoniërs. Arthur Japin is ongetwijfeld een Magoniër, een menselijk
wezen uit een andere leefsfeer.
Magonië bevindt zich in de fantastische wereld die boven onze
atmosfeer gelegen is, waar wolken drijven die in werkelijkheid schepen
zijn, die hun onderkanten aan de aarde - diep beneden - vertonen. Wolken,
bevaren door de Magoniërs, in staat om in ijle lucht te ademen en te
leven, maar die een langdurig verblijf in de verpletterend neerdrukkende
atmosfeer, zoals die heerst op ons aardoppervlak, niet langdurig kunnen
doorstaan.
Ik heb Arthur Japin deze maand ontmoet en hij ziet er uit als een mens van
de ons bekende aarde, al heeft hij wel een opmerkelijk tintelende blik in
zijn ogen. Zijn Magonische aard is dan ook gebonden aan zijn geest en de
plotselinge roem als schrijver is hem ook niet komen aanwaaien, zoals dat
meestal het geval is bij mensen in de artistieke wereld die opeens midden
in de publieke belangstelling komen te staan.

Arthur heeft een ander voortraject gehad, dat misschien wel precies de
juiste achtergrond vormt voor de ontwikkeling van zijn schrijverstalent.
Hij werd geboren in 1956 in Haarlem en van kind af aan was hij
gefascineerd om zo nu en dan 'iemand anders te willen zijn'. Hij kijkt
niet terug op een bijzonder gelukkige jeugd en is niet erg bereid om daar
in interviews lang bij stil te staan. Maar verderop in zijn leven is het
besef over zijn jeugd wel een 'oogopener' voor hemzelf, bij de ontdekking
van de macht waarover hij kan beschikken in zijn keuze om gelukkig dan wel
ongelukkig te zijn in het leven.
Daar wil hij later nog wel wat over kwijt.
Als kleine jongen ontdekte hij al gauw dat
er mensen zijn die dat 'nu en dan iemand anders zijn' beroepsmatig doen.
Er komt een oude foto tevoorschijn waarop Arthur als achtjarige te zien is
in de verbeelding van niemand minder dan Cyrano de Bergerac!
Na zijn schoolgaande jaren vertrok hij dan ook naar Londen om er te gaan
studeren aan The School of Dramatic Arts. Teruggekeerd in Holland wil hij
eerst heel serieus Nederlands gaan studeren maar stapt al gauw over naar
de Kleinkunstacademie.
Geruime tijd blijft Arthur zijn weg zoeken in het toneelwerk, speelt in
enkele bijrollen in de film 'Flodder' en de TV-serie 'Onderweg naar
morgen'. Het valt allemaal niet mee om aan de kost te komen, naast enkele
rollen bij 'Toneelgroep Centrum' waaraan hij een poos verbonden is, danst
en zingt (!) hij ook, o.a. als understudy van Marco Bakker. Maar als
danser en zanger vindt hij zichzelf niet bijzonder getalenteerd.
Arthur ontdekt verder dat hij op het toneel nooit 'iemand anders kan
zijn'. Theater spelen is vooral hard werken. Je vereenzelvigen met je rol,
je in die persoon verliezen, is dodelijk. Dan gaat het fout.
Schrijven, de ware passie
In de eenzaamheid van de werkkamer, zonder contact met anderen,
zonder afleiding, kan hij zich wèl verliezen in een andere wereld. Kan
hij helemaal meegevoerd worden door elke mogelijke ònmogelijkheid van
zijn fantasie. Na de jaren 80 wordt vooral schrijven zijn passie.
Al gauw wil hij zelf niet meer op het podium staan maar kiest voor
schrijven voor het toneel. En intussen werkt hij tien jaar lang aan
research voor, en het uiteindelijk schrijven van de roman over het leven
van de twee Ghanese prinsjes Kwasi en Kwame, die in de negentiende eeuw
aan Koning Willem de Eerste ten geschenke werden gegeven. Hij werd hiertoe
in staat gesteld door een beurs van het stimuleringsfonds. Een voorbeeld
van goed besteed ondersteuningsgeld voor een bijzonder project.
Twee dingen heeft Arthur in die periode geleerd, dat komt in het gesprek
met hem naar voren:
Ten eerste - Een mens moet nooit het contact verliezen met de
fantasiewereld die in de kindertijd zo toegankelijk was. Ongelukkig zijn
en gelukkig zijn liggen zo dicht bij elkaar. Hij weet nog steeds zo goed
hoe hij als kind zich gelukkig kon voelen binnen zijn fantasieën.
Zo kan ook een volwassene er zelf voor kiezen in een periode van tegenslag
zijn geluk te verwerven door de verbeeldingskracht. Een levenswijsheid die
mij – als toehoorder – vooral aanspreekt, omdat ook ik de sterke
invloed van de verbeeldingskracht zo goed ken.
Ten tweede - Je moet nooit proberen iemand anders te wòrden, maar vooral
jezelf blijven.
Voor Kwasi was de band met zijn wortels verbroken, toch was hij geen
Nederlander geworden, hij was 'een zwarte met een wit hart', nergens
thuis, noch in de blanke wereld noch in de gemeenschap van de Ashanti's.
Overal en onder alle omstandigheden jezelf te blijven, niet proberen
volledig aan te passen - wat toch nooit helemaal lukt - is de sleutel,
aldus Arthur Japin. Kwasi voelde zich nergens thuis, wie overal altijd
zichzelf blijft kan zich overal thuisvoelen.
Magonische Verhalen
De 'Magonische Verhalen' werden een jaar eerder (1996) uitgegeven,
het was zijn debuut als literator na eerder geschreven theaterstukken. Een
verzameling van negen afzonderlijke verhalen waarin Arthur Japin zijn
fantasie met zijn eigen geschiedenis aan de haal laat gaan. Dat is
misschien wel het gemeenschappelijke kenmerk van al het werk van Arthur
Japin. Rond een feitelijk gegeven – autobiografisch of historisch –
bouwt hij mythologie op.
Dat geldt vooral voor de 'Magonische Verhalen' waarin de fantasie rond
feiten uit zijn eigen leven zich nauwelijks beperkingen liet opleggen,
maar óók voor 'De zwarte met het witte hart'. Daarin krijgen weliswaar
alle te achterhalen feiten een plek, maar alle witte plekken zijn op
gevoelsmatige wijze ingevuld door de schrijver. Zodat er een werkelijkheid
ontstaat die evengoed de historische werkelijkheid kan zijn zowel als
volkomen verschillend ervan. Maar daarom niet minder geloofwaardig. De
brieven van Kwame vanuit fort Elmina zijn volledig aan de fantasie van
Arthur Japin ontsproten en toch ademen ze authenticiteit.
De droom van de leeuw
En ook zijn recent verschenen roman 'De droom van de leeuw' (2002)
is weer gegroeid vanuit een autobiografische kern die de basis vormt. De
romance van Arthur Japin met Rosita Steenbeek waarmee hij in 1986 op goed
geluk naar Rome trok, beiden in de hoop dat ze daar de aandacht van
Federico Fellini zouden trekken, is het kerngegeven. Maar Arthur kruipt nu
in de huid van Fellini (die in zijn roman overigens Snaporaz heet). Hij
leeft zich in in diens gevoelsleven
tijdens zijn begeestering voor de jonge actrice Rosita (in de roman Gala).
Arthur is ervan overtuigd dat hij in zijn roman volledig afstand heeft
genomen van de afgunst en afkeer die hij zou hebben (de romanfiguur Maxim),
toen Gala een affaire met Snaporaz begon.
Hoewel Arthur Japin er aan gewend is veel over 'De zwarte met het witte
hart' te moeten praten zijn de 'Magonische Verhalen' hem nog altijd het
dierbaarst – misschien ook wel vanwege de TV-filmscenario's die hij
ervan schreef voor de cineaste Ineke Smits: 'Hoerenpreek' (1996), 'De
Wolkenfabriek' (1996) en later een volle speelfilm van drie geïntegreerde
verhalen 'Magonia' (2001). Zijn vroegere acteurschap maakt hem een goede
scenarioschrijver, dat is mogelijk ook een reden waarom zowel Ineke Smits
als Arthur zo tevreden zijn over deze laatste film.
Maar Arthur praat ook graag over (en leest er graag uit):
'De droom van de leeuw', waarbij hij zichtbaar in de huid van een
wellustige Snaporaz kruipt. Een oude gevestigde filmregisseur die met zijn
echtgenote, die hem door alles heen trouw blijft, vrijmoedig al zijn
fascinaties voor jonge actrices bespreekt.
Eén zin bleef me bij: "Als je tegen een vrouw liegt dan moet het wél
uit liefde zijn".
Momenteel schrijft Arthur Japin aan een roman over 'de eerste liefde van
Casanova'.
©
John Newswatcher.
november 2002.
Bronnen: Interviews 24 november 2002 +
Tijdschrift Lyra nr. 30.
Literair
oeuvre van Arthur Japin
Magonische Verhalen – 1996,
De zwarte met het witte hart – 1997,
De vierde wand – 1998,
Magonia – (met compleet filmscenario) – 2001,
De droom van de leeuw – 2002.
Alle
titels zijn verschenen bij De Arbeiderspers.
Titel
onbekend (over Casanova) verschijnt 2003 eveneens bij De Arbeiderspers.
|
| 10 mei
2004 - De nominatie van het boek, waarnaar we reeds in het voorjaar van
2003 verwezen, is intussen gevolgd door de toekenning van de Librisprijs.
"Als ik één ding
kan is het liefhebben. Dat lijkt niet veel bijzonders, maar ik ben er
trots op. Ik heb het geleerd zoals een zwerfhond leert zwemmen: omdat hij
met de rest van de worp in een jutezak werd gepropt en in een
snelstromende rivier is geworpen.
Die ene die het tegen alle verwachting in gered heeft, dat ben ik. Met in
mijn oren het gejank van allen die het niet haalden, moest ik leren ergens
van te houden.
Ik ben niet onder gegaan.
Ik heb de kant bereikt.
Ik heb lief.
Andere mensen dragen hun verdriet in hun hart. Ongezien holt dat hen van
binnen uit. Het is mijn redding geweest dat ik mijn verdriet aan de
buitenkant draag waar niemand het kan missen.
Het is dat mijn
decolleté onverantwoord diep was uitgesneden; het is dat ik bepaald niet
zonder zonden ben; het is dat ik die avond niets verheveners van zins was
dan een bezoek te brengen aan de Italiaanse opera aan de Leidsegracht; het
is dat ik niet het soort vrouw ben waar een hogere macht ook maar een
kwartiertje van zijn tijd aan zou verdoen, anders zou je, wanneer straks
het hele verhaal bekend is, er misschien nog een Godsbewijs in zien.
Ikzelf voel in elk geval ontzag. Ik kan niet anders. Hoe vaak is het ons
vergund een glimp op te vangen van een groter verband waarbinnen de
voorvallen uit ons leven een plaats krijgen? Ik had daar geen idee van. Ik
wist alleen dat het lot mij jarenlang als speelbal heeft gebruikt. Al die
tijd ben ik op mijn hoede gebleven. En juist nu, net nu ik dacht dat het
eindelijk met mij was uitgesold en mij verveeld terzijde had geschoven,
grijpt het leven mij in volle heftigheid weer bij de keel.
Opnieuw moet ik mezelf
laten verdwijnen. Maar dit keer begrijp ik waarom. Na wat mij nu is
overkomen kan ik niet anders dan aanvaarden dat achter de rampspoed die
ons in ons leven overkomt soms een bedoeling schuilt. Dat het zin heeft
vol te houden. Mij is het bewijs daarvan geleverd. Of in elk geval... dat
zal mij, als Hij het wil, zeer binnenkort geleverd worden.
Op een avond, halverwege oktober, was ik zoals gezegd, op weg naar de
opera aan de Leidsegracht. Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een
kleine, maar propere sloep gehuurd.
Ik heb altijd sober geleefd. Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en
ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat
ik lange tijd niet wist wat mij de volgende dag zou brengen. Of ik te eten
zou hebben. Of er voor mij gezorgd zou worden. Of ik aangevallen zou
worden en verder opgejaagd. Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een
zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de
uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en de
zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak. Buitenissigheden
heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er evenmin naar getaald. Dit stond ik
mij de laatste jaren echter wel toe: een vaste logeplaats in de Italiaanse
opera, die ik bezocht zodra ik mij daarvoor een avond vrij kon
maken..."
|