Hernehim Cultuurpagina's
Pagina Schrijvers - Jellema, C.O.

Geplaatst: 25 augustus 2003 
Laatste herziening: 1 februari 2005
HOME 
Nieuws  
Blog en proza 
Themapoëzie 
Vrije poëzie   
Vertaalproject 
Proza  
Activiteiten 
Over schrijvers 
Archief 
Contact     
Filosoof, beschouwer en zoeker - Een terugblik op zijn leven en zijn laatste dagen
                                    

C.O.Jellema 
1936 - 2003 

Foto: Menno Schrijver - Harderwijk 
Jellema in het gezelschap van leden van Apollo 
na de maaltijd in "Entre Nous" op 15 september 2002. 

 

Op 19 maart 2003 overleed de dichter Cornelius Onno Jellema na een ziekbed van amper zes weken op zesenzestig jarige leeftijd. Toen ik van een bevriende dichter hoorde over zijn ongeneeslijke ziekte was ik geschokt. Nauwelijks een half jaar eerder had ik C.O. Jellema – die ik altijd als een zich wat afschermende persoonlijkheid had beschouwd – veel beter leren kennen. Dat was in het 'Klooster' te Harderwijk waar hij werd geïnterviewd over zijn leven en werk en waarbij ons tevens een vooruitblik op zijn nieuwe bundel "Stemtest" werd gegund. Na afloop werd er met een klein groepje een maaltijd genoten en was er een ontspannen 'nazit'. 

Hoe bevooroordeeld kun je zijn. Jellema bleek in het geheel geen moeilijk benaderbare en in zichzelf gekeerde dichter te zijn die ik – onder invloed van anderen – verwachtte te zullen ontmoeten. Een man met oprechte belangstelling voor zijn gesprekspartners, een beschouwende, twijfelende denker, die zijn filosofische blik graag wil toetsen aan die van anderen. En bovenal een groot natuurliefhebber. Het stille land ten Noorden van de stad Groningen, dicht bij de Waddenkust trok hem in zijn latere leven het meest, en werd aanleiding om zich vijftien jaar geleden in Leens te vestigen. 
Misschien heeft mijn langdurig verblijf in de provincie Groningen, mijn kennis ervan en het feit, dat ik evenals de dichter een kort grijs baardje draag, erbij geholpen gemakkelijk contact te leggen. Na deze eerste ontmoeting in Harderwijk werd een voorlopige afspraak gemaakt voor een nieuw gesprek, in het voorjaar, in de tuin van 'Oosterhouw' te Leens. Helaas is het niet meer zover gekomen. 

Op 9 september 1936 werd hij geboren in Groningen. Maar zijn vroege jeugd heeft hij doorgebracht in midden Drente, waar zijn vader dominee was. Als achtjarig ventje werd hij begin 1945 een indirect oorlogsslachtoffer. In zijn omgeving kwamen de ex-gevangenen uit de kampen weer thuis, die brachten open tbc besmetting mee. Zijn Drentse kinderjaren, waarvan anderhalf jaar ziek in bed, hebben zijn leven misschien wel in grote mate bepaald. Het Drentse platteland met bossen en heidevelden maakte een natuurliefhebber van hem en ondanks zijn latere jaren in Amersfoort, Amsterdam, Utrecht en Groningen zou hij toch nooit een stadsmens worden. En in een kinderleven is achttien maanden langzaam herstel van longtuberculose een onafzienbare tijd, die hem er toe bracht 'versjes' te gaan schrijven. 

Als domineeszoon leek hij voorbestemd om in vaders voetsporen te treden en theologie te gaan studeren, maar hij maakte een wending en studeert tenslotte in Utrecht af in Duitse taal- en letterkunde. Wellicht was zijn filosofische ontwikkeling daarbij al bepalend, later zou hij de kerk zelfs de rug toekeren, maar recent was er toch weer een lichte toenadering, toen het er in de kerk wat liberaler toeging.
Een poos gaf hij Duitse les in het middelbaar onderwijs, totdat hij verbonden werd aan de Letterenfaculteit van de Universiteit van Groningen, waar hij gedurende twintig jaar doceerde, tot 1988. Daarna begon een vrijer leven, in 1989 wèg uit de stad, een leven als recensent voor diverse bladen en als natuurliefhebber, filosoof en dichter in Leens bij het Lauwersmeer.Weg uit de stad Groningen, naar het patriciërshuis 'Oosterhouw'. Daar vond hij "die rust en ruimte om te kunnen sterven", een opmerkelijke uitspraak voor een man die op dat moment slechts 53 jaar oud was.
Was hij een man bezeten van de dood en het verval? Een snelle beschouwing van zijn werk zou die indruk kunnen vestigen. Hij bestreed dit ten stelligste: het gaf hem rust op een plek te wonen waar hij altijd zou kunnen blijven. Hij werd geenszins gekweld door voortdurende somberheid, hij voelde zich verbonden met een omvattende 'eenheid', maar dat is een geheel andere zaak. Bewustzijn van eeuwigheid van kringlopen en zijn verbondenheid met levende wezens en planten is wat hem daarbij heeft bezield. 
Naast het schrijven en dichten was tuinieren het belangrijkste aspect in zijn leven. De dood en het leven komen bij tuinarbeid voortdurend aan de orde. Immers veel van de bezigheden in de tuin komen neer op wieden: het verwijderen van levende planten ten faveure van andere, maar bestaat er wel onkruid?  "Vreest de kruipende boterbloem de schaduw van mijn hand?"
En toch, het moest gebeuren, om overzicht te scheppen, om essentie tot zijn recht te laten komen. Hier zag Jellema de overeenkomst met zijn dichterschap. Ook daarin was hij voortdurend bezig met wieden, al het overtollige wegnemen tot het essentiële overblijft. 

Bibliografie

Verzamelbundel 1992

Gedichten, oden, sonnetten

 

Vóórlaatste bundel 1999

Droomtijd

 

 
Zijn debuut als dichter maakte Jellema in 1961 ("Klein gloria en andere gedichten") maar pas bij zijn vierde bundel "De schaar van het vergeten",  in 1982, had hij voldoende zelfvertrouwen om zijn eigen weg in de poëzie te gaan. De tijd te zetten naar zijn hand, wat er niet meer is kan er toch zijn en de werkelijkheid kan moeiteloos plaats maken voor de verbeelding.
In 1984 werd Jellema de Herman Gorterpijs toegekend voor 'De toren van Snelson'.
Meer en meer ging Jellema zijn poëzie vormgeven als sonnet. Op zeker moment zei hij zelf hierover: "Ik heb ontdekt dat een vaste vorm mij inspireert. Het sonnet blijkt heel geschikt voor de soort poëzie die ik schrijf: poëzie waarin de beelden die ik zie al schrijvend worden doordacht. De tegenstelling tussen octaaf en sextet, daar werk ik naar toe. Wat zich dan onbewust aan beelden of woordcombinaties aandient moet door de controle van de vormgeving heen".

Rilke en Meister Eckhart, twee namen die grote indruk op Jellema maakten.
Zijn verwantschap met Rilke zag Jellema in 'de zichtbare wereld van vereenzaamde dingen veranderen in een onzichtbare van samenhang der dingen'.
"Wij zijn allen individuen met een soort hunkering naar het opgaan in een eenheid", was een uitspraak van hemzelf daarbij.
Ook bij Eckhart gaat het er om ' hoe ver kun je met taal, met beelden in taal en met woorden die soms aan de rand van het nog zegbare of begrijpbare staan, iets vangen van een andere werkelijkheid'. 
In 1999 publiceerde Querido - die ook al het andere werk van Jellema uitgaf – "Over God wil ik zwijgen", een vertaling van het "Buch der Götlichen Tröstung" van Meister Eckhart, waaraan Jellema drie jaar had gewerkt. Kort daarna volgde "Droomtijd" en nog geen halfjaar voor zijn sterfdag liet Jellema ons zijn laatste bundel "Stemtest" na (manuscript gereed in okt. 2002). 

Toegevoegd 12 mei 2004 

Dat de bundel "Stemtest" postuum genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs 2004 zien zijn bewonderaars vanzelfsprekend als niets anders dan gerechtigheid. Dat uiteindelijk de prijs naar één van de vier overige genomineerden ging stelt teleur, maar het is niets anders dan de voorkeur van enkele juryleden. 

© John Newswatcher 

Zo denk ik mij vlinder - bezoek aan Jellema - door Atze van Wieren 
Geplaatst 12 mei 2004

(op bezoek bij C.O.Jellema – oktober 2000) 

Het steigerend bronzen paard in de vijver heeft geen vleugels. "Nee", zegt de dichter "geen Pegasus". Hij glimlacht. Zijn gezicht licht ervan op. 
We gaan over de houten vlonder langs de rand van de uitgebreide waterpartij. Beide hebben we laarzen aan. Het is een natte, winderige herfstdag. 
In de kas naast de vijver klatert water. Goudvissen zwemmen hun doelloze rondjes in een klein bassin. Boven onze hoofden hangt dreigend een reusachtige vleermuis. Gemaakt van lakens. Op een witte sokkel tegen de achterwand staat een beeldje. Het staart mij aan. 
"Nee momenteel heb ik niets onder handen", antwoordt hij op mijn vraag. "Het werk aan Meister Eckhart is af. Ik heb mijzelf nu tijdelijk een sabbatical gegeven. Eigenlijk ben ik ook wel een beetje lui hoor", zegt hij met een jongensachtige glimlach. 
"En dan?" 
"Ik weet het nog niet. Ik zoek een nieuw project. Het is belangrijk voor mij dat ik iets onder handen heb. Ik moet toch mijn eigen bezigheid scheppen. Ach, ik kan natuurlijk altijd de uitgever om vertaalwerk vragen, maar ik weet niet of ik dat wel wil". 
"Maar de gedichten dan?" 
"O, die komen toch wel. Maar ik vind het prettig te werken aan een vertaling of essay. Daar kun je in de tijd verspreid aan werken. Je kunt het rustig even laten liggen. Het draagt je als het ware". 
Er hangen druiventrosjes aan de ranken langs de glazen wand. Ik pluk een paar druifjes. Ze smaken bitter. Weer buiten rukt de wind aan de panden van mijn openhangende jekker. Ik breek bijna mijn benen over de appels, waarmee de grond bezaaid ligt. Een rijke oogst. 
"Ja, het zijn er veel dit jaar. Veel te veel. Wat moet ik er mee? Soms zet ik ze bij de weg, maar ach, iedereen heeft hier fruitbomen, dus dat schiet niet op. Wij hebben zelf niet zoveel nodig. Gelukkig doen de vogels zich eraan te goed".
Hij kijkt omhoog, diepe rimpels in het voorhoofd. Zegt zachter, bijna niet te verstaan boven het waaien van de wind: "Kramsvogels zijn er gek op, het is weer bijna hun tijd, straks op doortocht". Hij speurt de hemel af. 

Eerder deze middag ben ik gekomen. Het Groninger 'Hoge Land' vlak en kaal onder zware herfstluchten. Een harde wind die aan mijn auto rukt. Eerst naar Zoutkamp, uitgestorven lijkt het, dan binnendoor via smalle weggetjes naar Leens. Hier en daar bietenhopen langs de weg, de campagne is in volle gang. Het markante, hoge huis 'Oosterhouw', net buiten de dorpskom van Leens, laat zich makkelijk vinden. Het huis heeft iets zuidelijks, zelfs beschilderingen op de westelijke muur. Alsof het zich daarvoor schaamt in dit strenge landschap, heeft het zich verschanst achter een hoge heg, die geknipt is als een muur met kantelen. 
Ik heb de dichter Jellema leren kennen op een door hem geleid Rilke-weekend in het Karmel klooster te Drachten. Was al lang een liefhebber van zijn poëzie. Na dat weekend heb ik hem een brief met een aantal van mijn gedichten gestuurd. Van het één is het ander gekomen, uitmondend in dit bezoek op een zaterdagmiddag, eind oktober van het jaar tweeduizend. 
Als op mijn bellen de deur opengaat, stormen twee honden naar buiten. 
"Ze doen niks". Vriendelijke, onderzoekende ogen. 
Ik aai de mij besnuffelende dieren. Het blijken Engelse koeiendrijvershonden. Stevig, korte poten, laag bij de grond. 

"Zullen we eerst de tuin bekijken?" 
"Prima". Ik haal de laarzen uit de auto. De tuin is wijd en zijd bekend bij liefhebbers. Open voor bezichtiging. Vijf gulden entree heb ik op een bordje zien staan. Jellema vertelt dat hij 's morgens schrijft en 's middags in de tuin werkt. 
"Is dat niet vervelend, altijd die bezoekers in de tuin?" 
"O nee", zegt hij verbaasd, "helemaal niet. Weet je... dan krijg ik ook nog eens een complimentje. Ze zeggen wel eens – hij lacht geamuseerd – wat hebt u toch een mooi beroep mijnheer". 
Ik kijk hem aan. Het smalle gezicht. De diepliggende blauwe ogen. Het nog donkere, grijs-doorschoten haar. Een sympathiek hoofd, open en eerlijk. 
We lopen naar de achterkant van het huis waar de tuin zich breed uitstrekt. Gedomineerd door een reusachtige treurbeuk. De honden blaffen. De rondleiding gaat beginnen. 
"Kramsvogels. Hoe zien die eruit?" 
"Nou, eh, ze hebben wel iets van een lijster. Het zijn trekvogels". 
Trekvogels. Er schiet mij een dichtregel van Rilke te binnen, uit de Elegieën van Duino: wij zijn niet als trekvogels begaafd, onverhoeds en laat worden we plotseling overvallen door de wind en storten neer in onverschillige vijvers. 
Het is gaan miezeren. Ik duik dieper in de kraag van mijn jas. We lopen naar het achterste gedeelte van de tuin in Japanse stijl. Houten vlonders over water, een roodgeverfd bruggetje. Jellema vertelt over zijn verblijf in Toscane, een paar weken geleden. De tuinen die hij bezocht heeft, over Orvieto, over de graven der Etrusken bij Tarquinia, die indruk hebben gemaakt. 
We blijven staan bij een groen geverfd houten mini-huis. Het blijkt een onderkomen voor postduiven te moeten worden. Ik vind postduiven hier eigenlijk niet horen, waaròm weet ik niet, maar zeg niks. 
"Kijk, hier werk ik het liefst". We zijn aanbeland bij een door coniferen omsloten vierkant in de tuin: een grasveld met bloembedden langs de randen. 
"Hier is het rustig, ben ik afgesloten van de rest en is het toch naar de hemel zo prachtig open. Het is een beetje een mystieke ruimte". Rilke speelt nog door mijn hoofd. Ik vertel van mijn bezoek, jaren geleden alweer, aan zijn graf, tegen de westmuur van het hooggelegen kerkje te Raron, in Wallis. 
"Ja, ja," zegt hij, "prachtig! Dat uitzicht op het wijde Rhônedal, helemaal open naar de westelijke hemel met links die hoge bergen".
Hij vertelt over zijn liefde voor Rilke, over het vertalen van zijn werk. We gaan het prieeltje binnen. Het staat op een lichte verhoging. 
"Nee, schrijven doe ik hier niet. Ik zit hier wel vaak te lezen". Ik merk op dat het ronde tuinhuisje aan een schilderbeurt toe is. 
"Ja, er is zo veel onderhoud, aan het huis ook. Gelukkig staat het nu op de monumentenlijst. Zijn in ieder geval de kosten van onderhoud aftrekbaar". 

We zijn de achterkant van het huis dicht genaderd, de rondgang door de tuin is bijna voltooid. Op de dakrand zitten, met een paar meter tussenruimte, twee ranke gebeeldhouwde honden. Waakzaam. Ze staren over ons heen in de verte.
We houden stil in de ruimte onder de dikke, neerhangende gebogen takken van de treurbeuk. Jellema kijkt omhoog: "'s Zomers is het net alsof je hier in een kathedraal bent". Ik aai met mijn hand langs de gladde bast van de eeuwenoude stam. 
"Kom", zegt hij, "we gaan naar binnen". 

Ik zit alleen in de hoge kamer. Jellema is thee gaan zetten. De wind die aanstormt over het vlakke land rumoert om het huis. Staat pal op de ramen. Zelfs binnen voel je dat hij kou uit het Noorden meevoert. Er hangt al een lichte schemer om de dingen in het vertrek. Om de boeken in de antieke kast, om de vele schilderijen aan de wanden, om de tafeltjes met stapels lectuur erop. Alleen het beeld van de witte eenhoorn in de vensterbank licht helder op. Daaronder contrasteert een rode radiator. De kamer is rommelig vol. 
In de grote goudomrande spiegel boven de schoorsteenmantel zie ik mijn eigen haardos weerspiegeld. In de ruimte van de open haard staat een flinke rieten mand, waarin de twee koeiendrijvers liggen, zo nu en dan zuchtend in hun slaap. Misschien dromen ze van grazige verten en koeien om te weiden. 
Ik blader in "Droomtijd", zijn jongste bundel. Meegenomen om te laten signeren. Lees opnieuw het begin van het mij steeds weer ontroerende gedicht 'Het Onbegonnene'. Het zou een eligie van Rilke kunnen zijn: 

Is het van wezens het hoogste verlangen 
aan te komen in oorsprong? Vogels 
trekken weg van hun broedplaats, zuidwaarts, 
zo ook zoeken onze gedachten 
zonniger streken, zwermen uit langs 
verre wegen. – Een ziel is ontruiming 
echter, woordloos, aan beelden ontspringt zij, 
maar of zij mij is, niet zal ik dat weten, 
hier niet, maar nooit ook? Zo denk ik me vlinder. 

Jellema is weer binnen gekomen, gaat in de leunstoel vóór bij het raam zitten, neemt met zorg een sigaartje en steekt dat met een lucifer aan. Slanke handen. 
Ik zeg dat ik het jammer vind dat hij geen lessen poëzie geeft aan de Schrijversschool in Groningen. 
"Ach, dat is niks voor mij. Dat kan ik niet. De beoordeling van gedichten is zo persoonlijk, zo subjectief. Ik durf er niks van te zeggen". 
"Maar van techniek is toch wel wat te zeggen? Hoe de boodschap verpakt moet worden, bijvoorbeeld in een mooi volgehouden metafoor?"
"Nu, daar zegt u zoiets. En Achterberg dan, die op dat punt soms ook zwaar zondigde?
Nee…" Hij vraagt naar mijn favoriete dichters. Ik som een rijtje op. Begin met Rilke. Als ik zeg Slauerhoff maar een slordige dichter te vinden, knikt hij. En van zo iemand als Deelder moet ik al helemaal niks hebben, besluit ik mijn korte rondgang door het land der dichters. 
"Dat blijft ook niet", zegt hij. 
"Wanneer werden uw gedichten voor het eerst gepubliceerd?" 
"Op mijn vierentwintigste al. Toen verscheen mijn eerste bundel 'Klein Gloria'. Bijna veertig jaar geleden". Hij zucht. Eén van de honden schrikt wakker uit zijn sluimer en kijkt hem oplettend aan. Jellema neemt een papieren zakdoekje uit een pakje dat naast hem op het tafeltje ligt en snuit zijn neus. 
"Tja, maar toen de tweede.." vervolgt hij met verkouden klinkende stem. "Die werd door de uitgever geweigerd". Hij lijkt nog verontwaardigd. "Maar achteraf... Achteraf hadden ze gelijk. Absoluut. Het was veel te veel maakwerk. Daarna heeft het maar liefst tien jaar geduurd voordat er weer een bundel van mij in de boekwinkel lag". 
Ik complimenteer hem met 'Droomtijd'. Mooi uitgegeven ook. Ik noem een aantal gedichten die mij geraakt hebben. "Gelijkenis" bijvoorbeeld. 
"Gelijkenis vond ik op het randje", zegt hij. "Ik heb lang geaarzeld het te publiceren". 
"Op het randje?" 
"Ja, ik vond het bij het sentimentele af". 
Hij kijkt even peinzend naar buiten, staat op en schenkt door een zeefje thee in witte kopjes. Presenteert een schaal met koekjes, we drinken onze thee. Het tinkelen van lepeltjes tegen aardewerk. Uit het huis komen verre geluiden. Eén van de honden is uit de mand gekomen en snuffelt aan mijn broekspijp. Ik aai het dier over z'n kop, hij kijkt trouwhartig naar mij op. 
"Speelt religie eigenlijk een rol in uw werk?" De vraag overvalt mij… 
"Ja… eh, ja, zeker, ik heb absoluut een diep religieus besef, maar ik ben uiterst terughoudend in het verwoorden ervan. Het worden vaak veel te grote woorden", antwoord ik.
Hij knikt. Vertelt dat hij zich als lid van de kerk heeft laten uitschrijven. Niet om het geloof, maar omdat hij grote moeite met de kerk als instituut heeft. Hoeveel moeite die scheiding hem heeft gekost, als domineeszoon. Dat hij sinds kort weer zo nu en dan naar de kerk in Leens gaat. Omdat er een nieuwe predikant is gekomen die ruimte laat. "Nog een kopje thee?" 
"Graag". 
De schemer heeft zich nu definitief genesteld in de kamer. In de verste hoek, naast de schoorsteen, is het al bijna donker. Van schilderijen lichten alleen nog de helle vlakken op. Buiten jagen buitelend dorre bladeren langs de ramen. "Misschien", zeg ik, "misschien is mijn religieus besef wel net zoiets als het verlangen in uw gedichten. Misschien is het met die ene tussenzin uit uw gedicht 'Het Onbegonnene': 'men worde gezien door de meester, geroepen, men kome voorgoed aan het licht' wel alles gezegd". 
Jellema staat midden in de kamer. Lang en donker tegen het binnenvallende late namiddag-licht. In zijn ene hand het zeefje, in de andere de theepot. Hij kijkt door het zijraam naar buiten. Reikhalzend. Alsof hij iemand verwacht die ieder moment het tuinpad op kan komen lopen. 
Hij zegt zacht, meer tegen zichzelf dan tegen mij: "Ja… er moet iets zijn, iets buiten ons, dat kan toch niet anders, er moet iets zijn". 

 

© Atze van Wieren, Buitenpost. Oktober 2000. Gepubliceerd  Lit. Tijdschrift "Trotwaer" nr 4-2000. 

 

Een dichter ten grave gedragen

 

Op maandag 24 maart 2003 klimt de zon omhoog over de glooiende landerijen in het uiterste noordwesten van Groningen. Een wereld van geploegde akkers en weilanden vlak tegen de Waddenzee aan. Die nabije Waddenzee lijkt zuiverend, de lucht heeft er iets bevrijdends.
Het is de wereld waar Cornelius Onno Jellema zich het best heeft thuisgevoeld, de natuur het meest nabij.

De lente heeft haar prilste gezicht, deze dag. De dag dat we ons uiteindelijk dan toch begeven naar het huis van de dichter, 'Oosterhouw', waar de lente zo intens kan worden genoten.
Maar nu is er een groot contrast in het doel van onze tocht, want het is een droeve tocht geworden, om afscheid te nemen van iemand die we zo graag  vaker en liefst nog jarenlang hadden ontmoet. En toch drukt het contrast niet terneer, want ieder die hem heeft gekend weet hoe 'Cor' Jellema de lente op zijn 'stee' altijd heeft ervaren en op deze plek voelen wij hetzelfde.
Vanaf de smalle rijweg tot aan de ingang van het statige huis hebben al enkele honderden mensen zich aan weerszijden van het pad als een erehaag verzameld. Een traditionele lijkkoets staat voor, het tweespan, gehuld in rouwdek, schraapt met de hoeven, het stilstaan allengs moe.

De koster laat de klok van de toren van Leens beieren als de kist naar buiten wordt gedragen en op hetzelfde moment begint hoog in de bomen van de oprijlaan een tjiftjaf te zingen, juist teruggekeerd van zijn lange reis uit West Afrika en veilig aangekomen op zijn zomerverblijf in het oude geboomte bij de woning van de dichter.
Een lange stoet vormt zich achter de koets als de paarden aanzetten voor de korte tocht naar de kerk. De wind waait over ons heen, een wind die vandaag voor het eerst in het jaar aanvoelt als een zoele voorjaarswind, een wind die je om je heen wilt laten spoelen in plaats van ervoor in je kraag weg te duiken. Een wind die iets troostends heeft.
Boven de velden buitelen de kieviten, langs de slootkant bloeit uitbundig het speenkruid.

De forse oude kerk lijkt nog te klein voor zoveel belangstelling, het duurt lang voor ieder een plaatsje gevonden heeft en dan nog lijkt niet iedereen binnen te zijn. In dit vroege middaguur schatert het zonlicht door de smalle ramen en laat de ontstoken kroonluchters verbleken.
Als de kist naar binnen wordt gedragen fladdert opeens een vlinder door het gewelf. Een kleine vos, later zie ik er nog één, een kleinere van dezelfde soort. Is het geregisseerd? Zijn ze hier losgelaten? Of zijn het de eerste trekkende vlinders, vosjes, de lentevlinders bij uitstek, die op deze zoele dag aangetrokken werden door de geur van de irissen op de kist? Ik geloof liever in het laatste. 
"Wonderlijk" zou 'Cor' zeggen… 

De liturgie, voorlezingen en declamaties zijn allemaal door 'Cor', samen met zijn vriend, gekozen. Het doet goed, dat de haas, die bijna zestig jaar geleden door hem het leven en de vrijheid gegund werd, in plaats van gestoofd te worden in de pan,  een plek kreeg in de voorbede en dat dit prachtige gedicht – waarin de dichter zelf als zevenjarig drijvertje figureert - wordt voorgedragen. 
De vlinders zoeken de zon, met trillende vleugels zitten ze tegen de ramen op het zuiden, vol ongeduld om weer door de blauwe lucht te dartelen. Ik kan mijn ogen er niet van afhouden en hoop – met Cor…  – dat iemand ze straks voorzichtig vangt en weer naar buiten brengt.
De dichter C.O. Jellema was al vroeg in zijn leven bezig met zijn godsbeeld en met de dood. In tegenstelling tot wat sommigen meenden was hij niet zwaar op de hand. Hij was intens bezig met de eindigheid van de dingen, inclusief die van hemzelf. En daarom ook met het wezen van datgene waaruit wij allen en al het andere dat leeft zijn voortgekomen. En naar weerkeren, "naar het einde van het lijden aan gescheidenheid".
Zo konden wij genieten van de uitbundigheid van de lente en tegelijk met weemoed beseffen dat we nooit meer naar die lieve zachte stem kunnen luisteren en moeten aanvaarden dat "zijn vlees zal vergaan tot mest voor nieuw leven".

Het is een mooie dag. Het is een droeve dag. Het is een mooie, droeve dag. 

 

© John Newswatcher.  Gepubliceerd  Lit. Tijdschrift "Lyra" nr 32-2003. 

 

 

 

Drijfjacht 

Plat op de rug zijn lange lepeloren,
gedoken in de vore lag de haas,
en ik, terwijl ik naderbij kwam, deed,
mijn taak van drijver dus verzakend, of
hij niet gezien werd, niet zijn ogen puilend
van angst, blikloos alsof niet mij hij waarnam,
niet achter mij de wijde vrijheid, maar
een niets in zich, een gat waar hij voor lag,
te diep, te breed om nog te durven springen.
Toen, met een stap van mij aan hem voorbij,
in een seconde was hij weg - me wendend
(verwensing uit de slootwal, doch geen schot)
zag ik hem rennend naar de horizon,
al haast een stip op wit bevroren klei.

Hoe zal zijn einde zijn geweest? In wijn
gestoofd, onder een auto of gewoon
van ouderdom tussen de koude voren -
wanneer in 't voorjaar op het veld voor huis
de hazen buitelen, denk ik aan hem:
hoe angst een plotselinge kracht kan zijn
die je bevrijdt tot in je kloppend hart.
Misschien zal, als het gat dat groeit in mij
te diep, te breed wordt om te kunnen springen,
bij god, een haas mijn voorspraak zijn (want ook
een dier dat angst kent heeft een ziel die wordt
verlost), al was het maar doordat die morgen
mij heugt, die ene stap, en dat instinct
waarmee bestaan zich redt op eigen kracht.

 

© C.O.Jellema. 
"Droomtijd" - (Querido 1999) 

 

Zeegezicht 

Op de palm van jouw hand, in dat landschap
van gevormde levenslijnen, niet groter
dan een flinke waterdruppel
-terwijl zonsondergang de hele
hemel boven de eindstreep van het eiland
ginds in Turner-kleuren zet-

die babykrab, voorzichtig
van tussen de basaltblokken geraapt,
z'n onderkomen waar hij wachtte op de vloed.
Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
z'n grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
een onbekende wereld, verontrust
dat bodem warmte geeft.

Dan, op de rand van dat heelal,
laat hij zich zonder aarzeling terugvallen in
de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
met achterlating van een beeld, van
haast een naam.

Nu is het of wij, samen onder aan de dijk
worden gezien, terwijl het water stijgt
en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.

Heeft iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.  

 

© C.O.Jellema 
 
"Stemtest" - (Querido 2002)  

 

 
 
Pelgrimage Thuis bij C.O.Jellema - Impressie geplaatst 19 september
Het is inmiddels anderhalf jaar later. 
Ook in maart 2003 doorkruiste ik dit oude akker- en weideland van Hunsingo in noordwest Groningen, 't was de dag van de uitvaart in Leens van de schrijver-dichter C.O. Jellema (Cornelius Onno). Op deze septemberdag is het bijna hetzelfde weer, zonnig met wat ijle hoge bewolking, er waait een bolle wind bij een aangename temperatuur van achttien graden. Maar toen was het prille lente, nu vertoont de natuur de tekens van naderende herfst. 
Ik maakte een afspraak met Klaas Noordhuis, levenspartner van Cor Jellema, die zo onverwacht alleen achterbleef in dat grote huis Oosterhouw. Maar ik maak eerst nog een pelgrimage vóórdat ik me naar het huis begeef waar Jellema de laatste vijftien jaar van zijn leven woonde. Ik rijd over smalle wegen kriskras door dat oude platteland naar het gehucht Saaksum, want daar ligt de dichter begraven. 

Het Reitdiep kronkelt zich naar het Lauwerszeegebied, waar het vroeger vrij uitmondde in de Waddenzee. Vloed- en ebstroom lieten zich tot in de stad Groningen gelden. Uit die tijd stammen de oude dijken die meanderend door het landschap zwenken.  De stevige wind voert de geuren van het wad aan en dwingt alle blaadjes van de abelen in hun ondersteboven stand, zodat het lijkt alsof de bomen in het wit zijn getooid, er tussenin staan de meidoorns met zo'n vracht aan dikke rode bessen dat het van een afstand lijkt alsof het bloesembomen zijn. 
Het plaatsje Saaksum bestaat nauwelijks: een paar boerderijen, dat is al. Maar de plek moet oud zijn, ondanks de dijk even ten noorden ervan staat daar een Romaans kerkje op een hoogte, die door mensenhanden is opgeworpen om in barre tijden een droge vluchtplaats te bieden. 

 

 
Tot mijn schrik staat de berm vol geparkeerde auto's en op het stoppelveld naast het kerkhof scheurt een jonge bromcrosser eindeloos vól gas over die honderd meter héén en weer. Ondanks alle auto's is het kerkhof bijna verlaten, alleen een fotograaf  brengt er zijn apparaten in stelling. Er blijkt zich binnen een huwelijksinzegening te voltrekken. Ik arriveer tot contemplatie op het meest ongeschikte moment ervoor. 
Ik besluit maar me eerst te verwijderen en van enige afstand maak ik een schets van het landschap. Intussen stroomt een uitgelaten bruiloftgezelschap naar buiten en tot mijn opluchting raakt de tank van de crossbrommer leeg. Dan daalt al gauw toch nog de stilte die Jellema er ongetwijfeld toe bracht deze plek als laatste rustplaats te kiezen. 
Het kerkhof is klein en het graf is snel gevonden. Vanaf de hoogte kijk ik over de inmiddels stille akkers richting Reitdiep verscholen achter de dijk. Geen grafmonument, 'n eenvoudige, vrij zware oude deksteen. Een hoek ervan ontbreekt, als een omgevouwen ezelsoor. 
Bovenaan staat: "Groningen 1936" en "Cornelius Onno Jellema". Beneden: "Oosterhouw 2003" en de strofe "en wij zijn hier om het te noemen tot wij niet meer zijn"
Een mooie plek, passend bij de man die ooit, na een weloverwogen besluit om te stoppen met zijn leerstoel aan de Universiteit van Groningen, naar dit stille groene land trok om daar "die rust en ruimte te vinden om te kunnen sterven". 

Leens is een dorp waarin vele huizen negentiende-eeuwse rijkdom ademen, niettemin maakt Huize Oosterhouw nog bijzondere indruk achter een groene muur in de vorm van een hoge beukenhaag. Het oogt voornamer dan de andere, misschien door de stoere vierkante bouw. Boven de haag torenen wachters: in zuilvormen geschoren haagbeuken die, telkens met een pluim in top, in hun symmetrie een ridderlijke, bijna heldhaftige indruk maken. Buxus als een grote achtpuntige ster bepaalt de structuur van de voortuin zodra je die eenmaal betreden hebt. 
Een grindpad leidt naar blauwstenen stoeptreden, een ouderwetse trekbel naast de deur. 

In de grote zitkamer vóór ontvangt Klaas Noordhuis me gastvrij, maar zijn stemming is bedrukt. De rest van het jaar 2003 liet hij zich een beetje voortdrijven door de vele gebeurtenissen. Er kwam in die tijd natuurlijk veel op hem af. Nu lijkt hij bezig aan een jaar van uitgestelde rouw. 
Één van Jellema's hondjes leeft nog, vrijwel blind en doof stelt hij met zijn feilloze neus vast dat ik 'goed volk' ben. Deze zitkamer is een heiligdom, met een bureau waarop een stokoude zwarte draaischijftelefoon en de wanden dicht opéén behangen met vele schilderijen. 
"Hier wordt niets veranderd", zegt Noordhuis, "dit blijft precies zo als tijdens zijn leven". 
Het huis en de tuin zijn tot het levenswerk van Noordhuis geworden. In de loop der jaren schiep hij – vooral op het enorme terrein achter – een indrukwekkend klassiek park. Voorheen gaf hij vrijwel dagelijks aan bezoekers een rondleiding tegen een geringe vergoeding, daar is hij de eerste tijd na het overlijden van Jellema mee doorgegaan, ook dat heeft hem van zijn rouw afgehouden. Dit jaar is hij ermee gestopt, alleen voor wie telefonisch om een afspraak vraagt wil hij nog wel een uitzondering maken. 
Maar hij heeft wel weer plannen. Alles wat door de vorige eigenaar na 1950 aan het huis is veranderd zonder respect voor de architectuur wil hij in de oorspronkelijke staat terugbrengen. De diepe tuin achter wordt nieuw ingericht waarna er twee verschillende wandelroutes ontstaan: een klassieke en een Japanse route. 
Als alles klaar is worden zowel huis als tuin voor bezoekers opengesteld, maar niet voor het grote publiek. Noordhuis wil selecteren wie hij binnenlaat. 

De literaire nalatenschap van Jellema is in handen van Gerben Wynia. Jellema heeft al zijn werk gepubliceerd bij uitgever Querido. Het voorbereidende werk voor zijn laatste bundel "Stemtest", die kort voor zijn dood verscheen, werd al een half jaar eerder afgesloten. In dat volgende halfjaar schreef Jellema nog 12 nieuwe gedichten. Ze werden in februari 2003 bestemd voor publicatie in een kleine (postume) bundel, die de titel "Bosvijver" zou krijgen. 
Ondanks dat Jellema zijn leven lang trouw bleef aan Querido botert het niet meer zo tussen Noordhuis en de uitgever. Een grote misser was het, dat er 3 maanden na het overlijden van de auteur nog een zakelijke brief die door de uitgever persoonlijk aan Jellema was gericht werd bezorgd. Dat heeft Noordhuis zeer gegriefd en hij maakte dit in een antwoordbrief kenbaar. Vervolgens verstreek het jaar zonder enige reactie. 
Ook vindt Noordhuis het een schande dat "Bosvijver", de postume bundel met de 12 nagelaten gedichten, pas na 16 maanden in druk verscheen. Als eind dit jaar het complete herziene Verzameld Werk uitkomt wil Noordhuis de presentatie ervan laten plaatsvinden op Oosterhouw in Leens en niet in Amsterdam. 

Noordhuis schenkt thee op het grote terras achter het huis. Over ons heen reikt de wijde kruin van de 120-jarige paardenkastanje rechts. Wat verderop aan de linkerkant een geweldige treurbeuk. Helaas blijkt de kastanje, evenals die in de binnentuin bij het Anne Frankhuis, niet het eeuwige leven te hebben. Is het bij de Amsterdamse boom witrot dat zijn leven bedreigt, deze kastanje is getroffen door de mineermot, die bruine randen en vlekken op de bladeren veroorzaakt. De boom draagt overvloedig vruchten, ik steek een paar kastanjes in mijn zak. 
De koepel van de treurbeuk omhult een sacrale sfeer, eronder waan je jezelf in een hoog booggewelf. Tussen de groene planten bloeien toefen herfsttijloos. 
Vogels vliegen overal rond of laten zich in de struiken horen. Enkele legkippen verblijven in een ren, parelhoenders en pauwen stappen vrij rond. 
De tuin is verrassend groot en lijkt nog veel groter door de geraffineerde opzet. Steeds ontdek je weer nieuwe zichtlijnen en hoge hagen blijken overal intiemer 'kamers'  te omsluiten, wat uitnodigt tot dwalen van de ene naar de andere ruimte. Er staan veel bijzondere bomen en planten, ik ontdek o.a. een ginkgo biloba en een pimpernoot. 
In een centraal deel staan de oude bemoste vruchtbomen waar de peren en appels zo overvloedig naar beneden komen dat ze blijven liggen. Vogels doen zich eraan tegoed. Straks komen de kramsvogels op hun tocht uit Noord-Europa ongetwijfeld weer op bezoek in dit park, een welkome pleisterplaats. 
Achterin werkt een hovenier-stagière aan de nieuwe Japanse tuin. Hij maakt coulissen van hosta's. 
Het is en blijft hier een bijzonder plekje in Noord-Groningen, met een bewoner die een warm hart heeft voor schrijvers en dichters. 

© John Zwart - 17 september 2004 

© Copyright Hernehim Cultuur 2001-2009 

Hernehim      

een cultuurpagina 

HOME 

 


De culturele pagina's worden onafhankelijk gepubliceerd en geredigeerd door John Zwart