| Geplaatst: 25 augustus 2003 Laatste herziening: 1 februari 2005 |
| Filosoof, beschouwer en zoeker - Een terugblik op zijn leven en zijn laatste dagen | |
![]() |
C.O.Jellema Foto: Menno Schrijver -
Harderwijk
|
|
Op 19 maart 2003 overleed de dichter Cornelius Onno Jellema na een ziekbed van amper zes weken op zesenzestig jarige leeftijd. Toen ik van een bevriende dichter hoorde over zijn ongeneeslijke ziekte was ik geschokt. Nauwelijks een half jaar eerder had ik C.O. Jellema – die ik altijd als een zich wat afschermende persoonlijkheid had beschouwd – veel beter leren kennen. Dat was in het 'Klooster' te Harderwijk waar hij werd geïnterviewd over zijn leven en werk en waarbij ons tevens een vooruitblik op zijn nieuwe bundel "Stemtest" werd gegund. Na afloop werd er met een klein groepje een maaltijd genoten en was er een ontspannen 'nazit'. |
|
|
Hoe
bevooroordeeld kun je zijn. Jellema bleek in het geheel geen moeilijk
benaderbare en in zichzelf gekeerde dichter te zijn die ik – onder
invloed van anderen – verwachtte te zullen ontmoeten. Een man met
oprechte belangstelling voor zijn gesprekspartners, een beschouwende,
twijfelende denker, die zijn filosofische blik graag wil toetsen aan die
van anderen. En bovenal een groot natuurliefhebber. Het stille land ten
Noorden van de stad Groningen, dicht bij de Waddenkust trok hem in zijn
latere leven het meest, en werd aanleiding om zich vijftien jaar geleden
in Leens te vestigen. |
|
|
Op 9 september 1936 werd hij geboren in Groningen. Maar zijn vroege jeugd heeft hij doorgebracht in midden Drente, waar zijn vader dominee was. Als achtjarig ventje werd hij begin 1945 een indirect oorlogsslachtoffer. In zijn omgeving kwamen de ex-gevangenen uit de kampen weer thuis, die brachten open tbc besmetting mee. Zijn Drentse kinderjaren, waarvan anderhalf jaar ziek in bed, hebben zijn leven misschien wel in grote mate bepaald. Het Drentse platteland met bossen en heidevelden maakte een natuurliefhebber van hem en ondanks zijn latere jaren in Amersfoort, Amsterdam, Utrecht en Groningen zou hij toch nooit een stadsmens worden. En in een kinderleven is achttien maanden langzaam herstel van longtuberculose een onafzienbare tijd, die hem er toe bracht 'versjes' te gaan schrijven. Als
domineeszoon leek hij voorbestemd om in vaders voetsporen te treden en
theologie te gaan studeren, maar hij maakte een wending en studeert
tenslotte in Utrecht af in Duitse taal- en letterkunde. Wellicht was zijn
filosofische ontwikkeling daarbij al bepalend, later zou hij de kerk zelfs
de rug toekeren, maar recent was er toch weer een lichte toenadering, toen
het er in de kerk wat liberaler toeging. |
|
| Bibliografie | |
|
|
Verzamelbundel 1992 Gedichten, oden, sonnetten
|
|
Vóórlaatste bundel 1999 Droomtijd
|
|
|
Zijn
debuut als dichter maakte Jellema in 1961 ("Klein gloria en andere
gedichten") maar pas bij zijn vierde bundel "De schaar van het
vergeten", in 1982, had
hij voldoende zelfvertrouwen om zijn eigen weg in de poëzie te gaan. De
tijd te zetten naar zijn hand, wat er niet meer is kan er toch zijn en de
werkelijkheid kan moeiteloos plaats maken voor de verbeelding. In 1984 werd Jellema de Herman Gorterpijs toegekend voor 'De toren van Snelson'. Meer en meer ging Jellema zijn poëzie vormgeven als sonnet. Op zeker moment zei hij zelf hierover: "Ik heb ontdekt dat een vaste vorm mij inspireert. Het sonnet blijkt heel geschikt voor de soort poëzie die ik schrijf: poëzie waarin de beelden die ik zie al schrijvend worden doordacht. De tegenstelling tussen octaaf en sextet, daar werk ik naar toe. Wat zich dan onbewust aan beelden of woordcombinaties aandient moet door de controle van de vormgeving heen". Rilke en
Meister Eckhart, twee namen die grote indruk op Jellema maakten. Toegevoegd 12 mei 2004 Dat de bundel "Stemtest" postuum genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs 2004 zien zijn bewonderaars vanzelfsprekend als niets anders dan gerechtigheid. Dat uiteindelijk de prijs naar één van de vier overige genomineerden ging stelt teleur, maar het is niets anders dan de voorkeur van enkele juryleden. © John Newswatcher |
|
| Zo denk ik mij vlinder - bezoek aan Jellema - door Atze van Wieren | |
|
Geplaatst 12 mei 2004
(op bezoek bij C.O.Jellema – oktober 2000) Het steigerend bronzen paard in de vijver
heeft geen vleugels. "Nee",
zegt de dichter "geen Pegasus". Hij glimlacht. Zijn gezicht
licht ervan op. Eerder deze middag ben ik gekomen. Het
Groninger 'Hoge Land' vlak en kaal onder zware herfstluchten. Een harde
wind die aan mijn auto rukt. Eerst naar Zoutkamp, uitgestorven lijkt het,
dan binnendoor via smalle weggetjes naar Leens. Hier en daar bietenhopen
langs de weg, de campagne is in volle gang. Het markante, hoge huis 'Oosterhouw',
net buiten de dorpskom van Leens, laat zich makkelijk vinden. Het huis
heeft iets zuidelijks, zelfs beschilderingen op de westelijke muur. Alsof
het zich daarvoor schaamt in dit strenge landschap, heeft het zich
verschanst achter een hoge heg, die geknipt is als een muur met
kantelen. "Zullen we eerst de tuin
bekijken?" We zijn de achterkant van het huis dicht
genaderd, de rondgang door de tuin is bijna voltooid. Op de dakrand
zitten, met een paar meter tussenruimte, twee ranke gebeeldhouwde honden.
Waakzaam. Ze staren over ons heen in de verte. Ik zit alleen in de hoge kamer. Jellema is
thee gaan zetten. De wind die aanstormt over het vlakke land rumoert om
het huis. Staat pal op de ramen. Zelfs binnen voel je dat hij kou uit het
Noorden meevoert. Er hangt al een lichte schemer om de dingen in het
vertrek. Om de boeken in de antieke kast, om de vele schilderijen aan de
wanden, om de tafeltjes met stapels lectuur erop. Alleen het beeld van de
witte eenhoorn in de vensterbank licht helder op. Daaronder contrasteert
een rode radiator. De kamer is rommelig vol. Is het van wezens het hoogste
verlangen Jellema is weer binnen gekomen, gaat in de
leunstoel vóór bij het raam zitten, neemt met zorg een sigaartje en
steekt dat met een lucifer aan. Slanke handen.
© Atze van Wieren, Buitenpost. Oktober 2000. Gepubliceerd Lit. Tijdschrift "Trotwaer" nr 4-2000.
|
|
| Een dichter ten grave gedragen | |
|
Op maandag 24 maart 2003 klimt de zon
omhoog over de glooiende landerijen in het uiterste noordwesten van
Groningen. Een wereld van geploegde akkers en weilanden vlak tegen de
Waddenzee aan. Die nabije Waddenzee lijkt zuiverend, de lucht heeft er
iets bevrijdends. De lente heeft haar prilste gezicht, deze
dag. De dag dat we ons uiteindelijk dan toch begeven naar het huis van de
dichter, 'Oosterhouw', waar de lente zo intens kan worden genoten. De koster laat de klok van de toren van
Leens beieren als de kist naar buiten wordt gedragen en op hetzelfde
moment begint hoog in de bomen van de oprijlaan een tjiftjaf te zingen,
juist teruggekeerd van zijn lange reis uit West Afrika en veilig
aangekomen op zijn zomerverblijf in het oude geboomte bij de woning van de
dichter. De forse oude kerk lijkt nog te klein voor
zoveel belangstelling, het duurt lang voor ieder een plaatsje gevonden
heeft en dan nog lijkt niet iedereen binnen te zijn. In dit vroege
middaguur schatert het zonlicht door de smalle ramen en laat de ontstoken
kroonluchters verbleken. De liturgie, voorlezingen en declamaties
zijn allemaal door 'Cor', samen met zijn vriend, gekozen. Het doet goed,
dat de haas, die bijna zestig jaar geleden door hem het leven en de
vrijheid gegund werd, in plaats van gestoofd te worden in de pan,
een plek kreeg in de voorbede en dat dit prachtige gedicht –
waarin de dichter zelf als zevenjarig drijvertje figureert - wordt
voorgedragen. Het is een mooie dag. Het is een droeve dag. Het is een mooie, droeve dag.
© John Newswatcher. Gepubliceerd Lit. Tijdschrift "Lyra" nr 32-2003.
|
|
|
Drijfjacht Plat
op de rug zijn lange lepeloren, Hoe
zal zijn einde zijn geweest? In wijn
©
C.O.Jellema.
|
|
|
Zeegezicht Op
de palm van jouw hand, in dat landschap die
babykrab, voorzichtig Dan,
op de rand van dat heelal, Nu
is het of wij, samen onder aan de dijk Heeft
iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.
©
C.O.Jellema
|
|
| Pelgrimage – Thuis bij C.O.Jellema - Impressie geplaatst 19 september | |
|
Het is inmiddels anderhalf jaar later. Ook in maart 2003 doorkruiste ik dit oude akker- en weideland van Hunsingo in noordwest Groningen, 't was de dag van de uitvaart in Leens van de schrijver-dichter C.O. Jellema (Cornelius Onno). Op deze septemberdag is het bijna hetzelfde weer, zonnig met wat ijle hoge bewolking, er waait een bolle wind bij een aangename temperatuur van achttien graden. Maar toen was het prille lente, nu vertoont de natuur de tekens van naderende herfst. Ik maakte een afspraak met Klaas Noordhuis, levenspartner van Cor Jellema, die zo onverwacht alleen achterbleef in dat grote huis Oosterhouw. Maar ik maak eerst nog een pelgrimage vóórdat ik me naar het huis begeef waar Jellema de laatste vijftien jaar van zijn leven woonde. Ik rijd over smalle wegen kriskras door dat oude platteland naar het gehucht Saaksum, want daar ligt de dichter begraven. Het Reitdiep kronkelt zich naar het
Lauwerszeegebied, waar het vroeger vrij uitmondde in de Waddenzee. Vloed-
en ebstroom lieten zich tot in de stad Groningen gelden. Uit die tijd
stammen de oude dijken die meanderend door het landschap zwenken.
De stevige wind voert de geuren van het wad aan en dwingt alle
blaadjes van de abelen in hun ondersteboven stand, zodat het lijkt alsof
de bomen in het wit zijn getooid, er tussenin staan de meidoorns met zo'n
vracht aan dikke rode bessen dat het van een afstand lijkt alsof het
bloesembomen zijn. |
|
|
|
|
|
Tot mijn schrik staat de berm vol geparkeerde
auto's en op het stoppelveld naast het kerkhof scheurt een jonge
bromcrosser eindeloos vól gas over die honderd meter héén en weer.
Ondanks alle auto's is het kerkhof bijna verlaten, alleen een fotograaf
brengt er zijn apparaten in stelling. Er blijkt zich binnen een
huwelijksinzegening te voltrekken. Ik arriveer tot contemplatie op het meest ongeschikte moment ervoor. Ik besluit maar me eerst te verwijderen en van enige afstand maak ik een schets van het landschap. Intussen stroomt een uitgelaten bruiloftgezelschap naar buiten en tot mijn opluchting raakt de tank van de crossbrommer leeg. Dan daalt al gauw toch nog de stilte die Jellema er ongetwijfeld toe bracht deze plek als laatste rustplaats te kiezen. Het kerkhof is klein en het graf is snel gevonden. Vanaf de hoogte kijk ik over de inmiddels stille akkers richting Reitdiep verscholen achter de dijk. Geen grafmonument, 'n eenvoudige, vrij zware oude deksteen. Een hoek ervan ontbreekt, als een omgevouwen ezelsoor. Bovenaan staat: "Groningen 1936" en "Cornelius Onno Jellema". Beneden: "Oosterhouw 2003" en de strofe "en wij zijn hier om het te noemen tot wij niet meer zijn". Een mooie plek, passend bij de man die ooit, na een weloverwogen besluit om te stoppen met zijn leerstoel aan de Universiteit van Groningen, naar dit stille groene land trok om daar "die rust en ruimte te vinden om te kunnen sterven". Leens is een dorp waarin vele huizen
negentiende-eeuwse rijkdom ademen, niettemin maakt Huize Oosterhouw nog
bijzondere indruk achter een groene muur in de vorm van een hoge
beukenhaag. Het oogt voornamer dan de andere, misschien door de stoere
vierkante bouw. Boven de haag torenen wachters: in zuilvormen geschoren
haagbeuken die, telkens met een pluim in top, in hun symmetrie een
ridderlijke, bijna heldhaftige indruk maken. Buxus als een grote
achtpuntige ster bepaalt de structuur van de voortuin zodra je die eenmaal
betreden hebt. In de grote zitkamer vóór ontvangt Klaas
Noordhuis me gastvrij, maar zijn stemming is bedrukt. De rest van het jaar
2003 liet hij zich een beetje voortdrijven door de vele gebeurtenissen. Er
kwam in die tijd natuurlijk veel op hem af. Nu lijkt hij bezig aan een
jaar van uitgestelde rouw. De literaire nalatenschap van Jellema is in
handen van Gerben Wynia. Jellema heeft al zijn werk gepubliceerd bij
uitgever Querido. Het
voorbereidende werk voor zijn laatste bundel "Stemtest", die
kort voor zijn dood verscheen, werd al een half jaar eerder afgesloten. In
dat volgende halfjaar schreef Jellema nog 12 nieuwe gedichten. Ze werden
in februari 2003 bestemd voor publicatie in een kleine (postume) bundel,
die de titel "Bosvijver" zou krijgen. Noordhuis schenkt thee op het grote terras
achter het huis. Over ons heen reikt de wijde kruin van de 120-jarige
paardenkastanje rechts. Wat verderop aan de linkerkant een geweldige
treurbeuk. Helaas blijkt de kastanje, evenals die in de binnentuin bij het
Anne Frankhuis, niet het eeuwige leven te hebben. Is het bij de
Amsterdamse boom witrot dat zijn leven bedreigt,
deze kastanje is getroffen door de mineermot, die bruine randen en
vlekken op de bladeren veroorzaakt. De boom draagt overvloedig vruchten,
ik steek een paar kastanjes in mijn zak. © John Zwart - 17 september 2004 |
|
| © Copyright Hernehim Cultuur 2001-2009 | |
| een cultuurpagina |
De culturele pagina's worden
onafhankelijk gepubliceerd en geredigeerd door John Zwart