Hernehim Cultuurpagina's
Pagina Schrijvers - MorriŽn, Adriaan

Gepubliceerd: 15 juli 2006 
Herziening januari 2008 
HOME 
Nieuws  
Blog en proza 
ThemapoŽzie 
Vrije poŽzie   
Vertaalproject 
Proza  
Activiteiten 
Over schrijvers 
Archief 
Contact     
In de buurt van Adriaan MorriŽn - een verslag van John Newswatcher 
Amsterdam, zondagmiddag 30 oktober 2005. 
Op een wonderlijke herfstdag op het randje van november, een dag die de sfeer ademt van een vroege septemberdag in Parijs, bestijg ik de imposante trappen naar de ingang van 'de Burcht', Henri Polaklaan 9, het eerste vakbondsgebouw van Amsterdam. Gebouwd in opdracht van de Diamantbewerkersbond door de befaamde bouwmeester Berlage en in dezelfde jaren gerealiseerd als het Beursgebouw aan het Damrak (1899-1900). 
Niet voor niets heet het gebouw, dat thans een functie vervult als museum van het Nederlands vakbondsverleden, in de volksmond: 'de Burcht'. Het lijkt voor de eeuwigheid gebouwd. Indrukwekkend fraai trappenhuis, wanden tot ooghoogte afgewerkt met gekleurde geglazuurde baksteen, daarboven werden ze geheel beschilderd door de kunstschilder Richard Roland Holst (1868-1938), met voorstellingen en spreuken passend in de strijdbare jaren van de  vakbonden gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw. Een tijd die in onze huidige individualistische maatschappij al helemaal vergeten lijkt. 
 

Het gebouw aan de Henri Polaklaan staat vlakbij Artis in de Plantagebuurt van Amsterdam. 
Het voelt goed door deze buurt te lopen op weg naar een presentatie van de biografie van Adriaan MorriŽn, die het grootste deel van zijn leven in deze buurt in Amsterdam heeft geleefd en die de periode van felle vakbondsstrijd en de crisisjaren in zijn jeugd heeft ervaren. 
Onderweg passeer ik Plantage Muidergracht no.3, het huis waar MorriŽn tientallen jaren heeft gewoond en even later verlaat ik met enige aarzeling de laan - waar de zon streelt over mijn gezicht en de iepen in herfsttooi - om 'de Burcht' binnen te gaan. De grote gehoorzaal is slechts voor de helft gevuld, niet zo verwonderlijk: deze middag is mijmeren in de zon op een bankje in Artis veel aanlokkelijker dan een lezing bijwonen. 

Rob Molin presenteert speciaal in de Plantagebuurt zijn MorriŽnbiografie "Een lieve rebel". Hij heeft drie jaar gewerkt aan het boek dat in de reeks Open Domein is verschenen bij de Arbeiderspers, Amsterdam. Er wordt nogal eens getwijfeld aan de noodzaak een 600+ pagina's dik boek te wijden aan een schrijver als Adriaan MorriŽn. Vooral Paul Arnoldussen laat in het Parool kritische geluiden horen over 'zůveel letters over een marginale schrijver'. Feit is dat Molin wel heel veel feiten en feitjes in het omvangrijke werk heeft opgenomen.

 
Maar Adriaan MorriŽn is de man die als bloemlezer mij op prille leeftijd in het jaar 1951 voor het eerst in contact bracht met de poŽzie. En door die bundel "De muze op zee" leerde ik Slauerhoff kennen, de zeeman/dichter die mij mijn leven lang niet meer losliet. Reden genoeg dus om te komen luisteren naar de lezing van Molin, die zichzelf hiermee de taak stelt om zijn biografie te comprimeren tot anderhalf uur essenties. 
Hij toont zich een typische biograaf. Zoals hij zich diepgravend alle feitenmateriaal over leven en werken heeft verzameld en bestudeerd, zo heeft hij ook deze lezing terdege voorbereid. Hij leest zijn tekst van tevoren uitgeprinte bladen zonder spontane improvisaties, waardoor mijn aandacht onwillekeurig nu en dan ťven verslapt. Natuurlijk mag ik hem niet afzetten tegen Arthur Japin of Remco Campert, enkele voorbeelden van zeer onderhoudende schrijvers die ik recent beluisterde, maar dat zijn dan ook romanschrijvers. Een biograaf houdt zich nadrukkelijk bezig met feiten in plaats van fictie en gruwt van de gedachte op speculatieve frivoliteiten te worden betrapt. 
In die gehoorzaal van 'de Burcht' onderga ik teveel bronnen van afleiding. Alle wanden zijn beschilderd in art nouveau stijl met tableaus en slogans uit een voorbije tijd. Prominent in mijn gezichtsveld verlokt achter een loket 'n achterbaks type met zijn geldbuidel een stoere arbeider die zich resoluut afwendt: "Solidariteit weerstaat de lokkende stem van het goud". 
Ja, ja: andere tijden. 

© John Newswatcher  

Een lieve rebel door Rob Molin - biografie besproken door John Newswatcher 
De schrijver had persoonlijk contact met Adriaan MorriŽn sinds 1982. Rond 1990 vestigde hij zich ook in de Plantagebuurt van Amsterdam. MorriŽn was dus al een oudere man toen de band tussen biograaf en onderwerp intenser werd. Die vriendschap duurde lang genoeg om MorriŽns karakter te ervaren en allerlei verhalen uit de eerste hand te vernemen, maar de meeste informatie voor de biografie is ontleend  aan MorriŽn's uitgebreide archief. 
Molin vertelt dat MorriŽn zich in deze stad, vooral in deze buurt, altijd uitstekend thuis heeft gevoeld. Dat verklaart waarom hij de Plantagebuurt zo lang altijd trouw bleef. 

MorriŽn was een dorpsjongen, geboren in 1912 in IJmuiden. Hij ervoer de Plantagebuurt als een dorp binnen de stad, met die geborgenheid. Tegelijk was de kosmopolitische grote stad binnen handbereik, de haven met zeeschepen - en daarmee de hele wijde wereld - op loopafstand. 
Hij groeide op in een zeer religieus milieu en voelde zich in zijn jongensjaren erg beklemd. De jonge MorriŽn ontwikkelde zich als een individualistische natuurliefhebber. Vrij van school zwierf hij vaak door de duinen in de omgeving van IJmuiden met grote interesse voor het planten- en dierenleven. Die interesse - inleving beter gezegd - is bij MorriŽn altijd gebleven. Hij schreef bijvoorbeeld aan bomen een persoonlijkheid en een ziel toe, waarmee hij kon communiceren. Als voorbeeld kan de poŽziebundel "Vriendschap voor een boom" (1954), of de latere bundel "Avond in een tuin" (1980) worden genoemd. 
De lust tot reizen, zwerven, is iets wat vrijwel alle opgroeiende jongens bezighoudt, op dat punt verschilde de jeugdige MorriŽn niet van vele anderen. Niet de vissershaven, maar de sluizen en de slepershaven trokken hem aan. Eenmaal als 'broodschrijver' gevestigd in Amsterdam stelt hij zich tevreden met de aanblik van de schepen die afmeren in de IJhavens, zonder nog met de gedachte te spelen daadwerkelijk mee uit te varen. Wel had hij een heel grote bewondering voor Jan J Slauerhoff die zijn schrijvers- en dichterschap metterdaad combineerde met het zeemansbestaan. 
Als jongen liep MorriŽn tuberculose op waarvan hij gelukkig voorspoedig genas. Op latere leeftijd wijt hij deze ziekte aan de benauwde sfeer in het ouderlijk huis waardoor zijn ware natuur was onderdrukt. Zijn neiging tot zich af te zonderen zou kunnen worden gezien als een ontsnapping uit dat dagelijks gezinsleven door een aantrekking tot de natuur, waarin hij vaak het wezen van de erotiek onderkent. Een aspect dat in zijn latere schrijversbestaan ook prominent zal worden. 
In de middelbare schooljaren van MorriŽn groeit er een binding met de stad Haarlem, waar hij in de jaren 30 regelmatig op de boekenmarkt rondsnuffelt. Ook het duingebied rond Bloemendaal wordt het doel van menige zwerftocht. De aantrekkingskracht van de kleine zeehaven IJmuiden vermindert, MorriŽn droomt van een mooi oud huis aan de Leidsche Vaart in Haarlem waar de klokken van de torens in de stad vanaf enige afstand klinken. 
Hij raakt zeer belezen, leest vooral buitenlandse auteurs, komt onder de indruk van de Russische klassieken, en verslindt schrijvers als Balzac en Kafka. Van de dichters bewondert hij, naast Slauerhoff, vooral Ed Hoornik. Hij ontwikkelt een ambitie zelf schrijver en dichter te worden en debuteert in 1939 met de poŽziebundel "Hartslag". 

In 1944 moet het gezin MorriŽn uit IJmuiden vertrekken. Het wordt na de ommekeer in de strijd van de tweede wereldoorlog geŽvacueerd naar Amsterdam, waar een woning in de Ruischstraat wordt toegewezen. In hetzelfde jaar overlijdt moeder Lida, een gebeurtenis die hem erg aangrijpt. Inmiddels had hij zijn vrouw Guusje getrouwd en voor hen beiden weet hij een woning aan de Nieuwe Keizersgracht te bemachtigen. Niet helemaal tevreden met dit huis (te vochtig) kan hij zich tot zijn vreugde wat later vestigen aan de Plantage Muidergracht 3, een woning die (bijna) aan zijn ideaal beantwoordt. In een wijk waar hij zich geborgen voelt, maar die hem niet opsluit. 
Op korte expedities trekt hij door de andere delen van de stad en de havens. Het huis staat bijna op de hoek en biedt ruim uitzicht over de kruising van twee straten, er ligt een klein plantsoen tegenover, dŠŠrachter is zicht op de gracht. Rechts op de achtergrond staat de oude palmenkas van de Hortus, die "des avonds licht uitstraalt als een schemerlamp voor de buurt". Een achtertuin, als speelplaats voor hun beide dochtertjes, is het enige dat er aan ontbreekt. Maar die tuin wordt royaal gecompenseerd door het openbaar groen en de Hortus vlak voor de deur. 

Verknocht aan de Amsterdamse Plantagebuurt                                                                                                      © Eigen foto Hernehim Cultuur 

Plantage Muidergracht 3, Amsterdam - MorrŽns woonhuis gedurende bijna een halve eeuw. 

Aanvankelijk vervult MorriŽn naast het schrijven allerlei baantjes. Maar in de naoorlogse jaren is hij geleidelijk een echte broodschrijver geworden. Hij doet vertalingen, redigeerwerk, stelt bloemlezingen samen en schrijft recensies voor het Parool en Vrij Nederland. Al dit gevarieerde schrijfwerk in opdracht is noodzakelijk voor het inkomen voor hem en vrouw en kinderen. Zijn vrije creatieve schrijfwerk komt vaak op het tweede plan. Hij waagt zich (nog?) niet aan een grote roman, wel schrijft hij veel "miniatuurtjes", kleine cahiers met proza en poŽzie. 
Is dit de verklaring hoe hij zich vooral gaat richten op het individu, die ťne eeuwenoude wilg in het plantsoen die - grotendeels vermolmd - het leven jaar na jaar nog rekt... Het omhalen ervan voelt hij bijna als het verlies van een dierbare vriend, terwijl het bos hem afschrikt. DŠŠr zijn de bomen met tť velen. Uitspraken: 'de boom voor het huis is als de huisgenoot die op mij heeft gewacht', of een straatboom is 'een vriend die er de voorkeur aan gaf buitenshuis te blijven' zijn heel typerend. 

Het gaat hem relatief goed in de jaren 60 en 70, er verschijnen twee nieuwe poŽziebundels "Moeders en zonen" en "Het gebruik van een wandspiegel", hij voltooit het werk voor de eerder genoemde "Avond in een tuin". Als proza verschijnen twee verhalenbundels "Mens en engel" en "Lasterpraat". Nog steeds geen romanÖ 
Hij maakt in deze periode ook regelmatig buitenlandse reizen, vooral naar Frankrijk. Eerst bevriend, raakt hij later gebrouilleerd met W.F.Hermans, die hem vervolgens ongeveer tot de grond toe afbreekt. Diverse mensen in de literaire wereld menen dat MorriŽn's creativiteit door het ernstige conflict met Hermans als het ware geknakt is. Het zou de belangrijkste oorzaak zijn dat MorriŽn zich nooit durfde te wagen aan het schrijven van een roman. 
Heel curieus hoor ik Ďs avonds op deze zelfde dag ůůk iets dergelijks bij monde van Ad Fransen als zijn boek "Een Hollander in Parijs" over de grote Willem Frederik wordt besproken. De schrijver van het meesterwerk "De donkere kamer van Damocles" correspondeerde intensief maar had weinig vrienden, wel veel vijanden in Holland. Vanuit Frankrijk bleef hij ze bestoken. Een uitspraak: ďje schrijft, of je hebt vriendenĒ. De controverse MorriŽn - Hermans heeft eerstgenoemde wellicht de moed ontnomen ooit nog een roman te schrijvenÖ 
Of die veronderstelling waar is zullen we nooit weten en dat is misschien maar goed ook. Hermans mag een groot schrijver zijn geweest, als mens was hij voor velen een onuitstaanbaar, materialistisch, vrekkig en onaangenaam persoon. 

Hoe het zij, het werk van Adriaan MorriŽn wordt naast vertalingen, artikelen en poŽzie, vooral gekenmerkt door verhalen, dagboekfragmenten, miniaturen. In belangrijke mate wordt hij daarbij geholpen door een soort voyeurisme dat hij aan de dag legt. Als schrijver, elke ochtend plichtmatig op zijn werkkamer op de 1e etage, wordt hij terstond afgeleid door passanten, door bezoekers in het plantsoen, die hem weer inspireren tot het schrijven van nieuwe observaties en bespiegelingen. 
Hij heeft vele affaires - meestal kortstondig - met heel verschillende vrouwen, meestal jongere, 'meisjes die de weg een beetje kwijt zijn'.  Er zijn ook schrijfsters bij. Zijn vrouw Guusje besluit hem te verlaten en vertrekt met de beide dochters, waarna hij alleen achterblijft in het grote huis aan de Plantage Muidergracht. 
Hij mist haar en zijn dochters, vervalt in verhevigd voyeurisme en zou in zeker opzicht zelfs een 'stalker'  kunnen worden genoemd. Hij schaft zich een sterke verrekijker aan. Die gebruikt hij om vogels in hun gedragingen te observeren, waarover hij ook heel betrokken schrijft; maar ůůk bespiedt hij er de voorbijgangers mee. De alleenwonende MorriŽn bekijkt naar hartelust langdurig vele aantrekkelijke jonge vrouwen, terwijl die zich onopgemerkt wanen en zich met heel ontspannen gedrag in het plantsoen ophouden. Soms volgt hij ze tot ze ergens binnengaan, schept er plezier in te weten wŠŠr ze wonen. De biograaf verklaart deze fascinatie voor het bekijken van en fantaseren over jongere vrouwen uit zijn gemis van de twee dochters.
Toen zijn interesse in later jaren naar nog vťťl jongere meisjes uitging gold zijn gemis de kleinkinderen die hij zo graag had gekregen. Zijn beide dochters Alissa en Adrienne zijn kinderloos gebleven. 

 
De biograaf trekt geen conclusies, beperkt zich tot weergeven van de uitspraken die hij van MorriŽn zelf heeft vernomen. Als lezer en toehoorder krijg ik het gevoel dat Molin hem enigszins in bescherming neemt vanuit zijn grote vriendschapsgevoel naar de mens en schrijver MorriŽn.  Ik heb zelf immers vaak ervaren hoe jonge mensen, die uit een heel besloten zeer streng religieus milieu voortkwamen, zich daaruit vaak met grote ongeremdheid bevrijdden. Hierbij gingen ze veel verder in hun drang naar erotische en seksuele avonturen dan diegenen die veel vrijer waren opgevoed. De jonge jaren van Jan Wolkers vertoonden ook zo'n patroon, ůůk hij groeide op onder die zwaar gereformeerde doem. Als MorriŽn aan zijn benauwde ouderlijk huis al zijn tuberculose verweet, was het toch eerder zijn promiscuÔteit die hij het verwijten kon. 
Niettemin, deze conclusies zijn natuurlijk geheel voor mijn rekening. 
In zekere zin is de alleenwonende MorriŽn toch ook een sociaal mens, hij legt voortdurend contacten in de buurt, schaft zich met dat doel zelfs een hond aan. Hij heeft regelmatig ontmoetingen met de dichters Hans Warren en Bertus Aafjes Ė  van welke laatstgenoemde hij het werk overigens niet zeer hoog waardeert. Ook met Joop den Uyl gaat hij om en hij wordt regelmatig gezien in de favoriete cafť's van de Plantagebuurt. D.Hellenius heeft de meest geliefde stadswandelingen van MorriŽn uitgewerkt in een boekje, dat ook onlangs is verschenen. 
Een echte rebel komt er uit de biografie van Rob Molin niet naar voren, noch in literair opzicht, noch als mens. Hooguit een man die zich een groot deel van zijn leven in zijn gedrag weinig van de mening over moraal van zijn omgeving heeft aangetrokken. 

Na hun scheiding blijft Adriaan MorriŽn wel contact onderhouden met zijn vrouw Guusje. Na jaren besluiten ze dat ze toch een band hebben, hoewel er geen sprake van herstel van het huwelijk kan zijn. Guusje trekt opnieuw bij hem in, maar voert een zelfstandige huishouding op de voor haar ontruimde tweede etage. Een lat-relatie onder ťťn dak. 
Dit brengt weer een zekere rust in zijn bestaan. "Plantage Muidergracht" (1988) een zeer betrokken verhalenbundel over de buurt verschijnt. Intussen groeit het omvangrijke archief van MorriŽn op de zolderverdieping, enÖ wegens de ontruimde tweede etage noodgedwongen ůůk in de woningen van beide dochters. Een 'mer ŗ boire' voor zijn biograaf. 
Reizen doet MorriŽn dan al niet meer. Hij haalt zijn inspiratie volledig uit de observaties in zijn dagelijks bestaan, van mensen, van vogels voor zijn raam. 
Tenslotte verschijnt daarvan nog de bundel "Ik heb nu weer de tijd" (1996) en een verzameling kritisch proza "Brood op de plank" (1999), zijn allerlaatste werk. 

Adriaan MorriŽn sterft in 2002 op 90 jarige leeftijd. 

© John Newswatcher Ė Hernehim Cultuur, nov.2005. 
over "een lieve rebel" biografie Adriaan MorriŽn, door Rob Molin. 

Reeks Open Domein, Arbeiderspers 2005. 
Prijs 35 euro. 

 

 
Bibliografie: 
Hartslag Ė poŽzie 1939, Landwind Ė poŽzie 1942, 
Afscheid van Lida Ė dagboek 1944, Een slordig mens Ė verhalen 1952, 
Vriendschap voor een boom Ė poŽzie 1954, Een bijzonder mooi been Ė 1955, 

Kijken naar de wolken Ė poŽzie 1956, 
Alissa en Adrienne Ė  miniaturen 1957, 

Concurreren met de sterren Ė kritisch proza 1959, 
Moeders en zonen Ė poŽzie 1962, Mens en engel Ė verhalen 1964, 
Het gebruik van een wandspiegel Ė poŽzie 1968, Lasterpraat Ė notities verhalen 1975, 
Avond in een tuin Ė poŽzie 1980 
Plantage Muidergracht Ė notities verhalen 1988, Het kalfje van de gnoe Ė miniaturen 1991, 
Een toegevoegd zintuig Ė poŽzie 1992, Verzamelde gedichten Ė poŽzie 1993 
De vinger van een dooie mof Ė miniaturen 1994, Ik heb nu weer de tijd Ė notities verhalen 1996, 
Brood op de plank Ė verzameld kritisch proza 1999. 

Adriaan MorriŽn stelde verder 'ontelbare' bloemlezingen samen, waarbij hij inleidingen schreef. 

Aanvullingen - gepubliceerd december 2007-januari 2008  

100 jarige plataan in 't plantsoen t/o MorriŽns huis.
© Copyright: Eigen foto - Hernehim Cultuur, okt. 2005.

december 2007 -
Van Dick vd Velde, Bussum:  
Begin 2000 heeft een vriendin - schilderes - van Adriaan MorriŽn een schilderij gemaakt dat is geÔnspireerd op een gedicht van de dichter uit 1999 (ongepubliceerd), met als titel "Herfst": 

In de stad wordt het herfst: aan de gracht
in de Hortus, verkleuren, ontbladeren de bomen,
laten zien dat er overgang is en voleinding. 
De winter schept ruimte, nadenkende leegte. 
Wedergeboorte laat sprakeloos op zich wachten. 
De herfst is een lied, een naglans, een vergeten geliefde. 

Ook het heelal ontbloot zich, de ster valt terug in zichzelf.
Wij zijn het nageslacht van zinnebeeldige tijden.
Wij zijn de aarde, de bloesem en vrucht, het vallende blad. 
Wij zijn de verbazende sneeuw van een moedwillige winter. 

januari 2008 - 
Onlangs leverden Alissa en Adrienne, de beide dochters van dichter-schrijver Adriaan
MorriŽn (1912 Ė 2002), 36 verhuisdozen literaire nalatenschap van hun beroemde vader af bij het Letterkundig Museum in Den Haag. Bijna zeventig jaar literatuurgeschiedenis en smalltalk: Van de eerste, in 1935 nog in "Forum" verschenen, gedichten tot de laatste aantekeningen uit zijn sterfjaar. 
In zijn literaire nalatenschap bevinden zich onder meer zijn poŽtische probeersels uit de jaren dertig, tientallen brieven van W.F. Hermans en Gerard Reve, een stimulerende correspondentie met de jonge Jan Hanlo, brieven van oude collega-dichters als Bertus Aafjes en Gerrit Achterberg en jonge als Esther Jansma en Rogi Wieg, een brief van Jan Cremer waarin deze betwijfelt of vader MorriŽn wel Ďeen volksjongen als hij als schoonzoon wilí, en een aantal brieven van Nobelprijswinnaar 1999 GŁnther Grass. 
Voorts dagboeken, plakboeken, fotoís van o.a. Emile van Moerkerken en talrijke
manuscripten en typoscripten, niet alleen van hemzelf maar ook van andere dichters. 
Bron nederlands.nl 

 

© Copyright Hernehim Cultuur 2001-2009 

Hernehim      

een cultuurpagina 

HOME 

 


De culturele pagina's worden onafhankelijk gepubliceerd en geredigeerd door John Zwart