Hernehim Natuurpagina's
Eerder gepubliceerde Natuurbeleving 

          Alles van waarde is weerloos

Lucebert.     

Informatie
Doelstellingen en antwoorden op 
     veel gestelde vragen 
Terug naar de Introductiepagina 
Link naar Cultuurpagina 

Artikel - acties excursies 
Natuurbeleving - impressies  
Gifkikker - column 

 

Ganzen 
Kraaiachtigen 
Libellen 
Mussen 
Sijsjes 
 
 
Helaas wordt dit archiefbestand te groot voor alle volledige artikelen. 
We vragen uw begrip dat van de oudste artikelen alleen tekst wordt weergegeven 
Oordopjes en oogkleppen  - geplaatst 18 juni 

"Kijk mama, de meerkoetjes zijn er!" 
Mijn buurmeisjes hoor ik roepen vanuit de achtertuin bij het water. 

In de sloot achter de huizen is een meerkoetenpaar er in geslaagd een plekje te vinden om te broeden, ergens aan de oever waar nog gn harde damwand werd geslagen. 
Beide ouders scharrelen, vergezeld door drie grijspluizige pullen met rode snoetjes, achter mijn tuin in de rietkraag. De volwassen vogels duiken naar bodemwieren en waterdiertjes, de kleintjes doen beurtelings pogingen tot kopieergedrag of pikken driftig van het voedsel dat omhoog wordt gebracht. 
Meerkoeten en hun pullen zijn niet genteresseerd in broodresten, dat hebben de buurmeisjes al ontdekt. Daarmee hebben ze meer succes bij de wilde eendepullen, die in vijf weken tijd al bijna even groot als hun moeder zijn, vijf in getal. 
Moeder en vader meerkoet hadden minder succes dan de wilde eend, met drie overlevers na de eerste veertien dagen. Het is te hopen dat er dit weekend geen warmtegolf komt, want dan wordt het weer filevaren met grote boten en dollen met rubberboten door de jeugd. 

In heldere stille uren valt de vroege avond. 
De meeste mensen en hun mensenkinderen zitten aan de warme hap of al voor de beeldbuis. 
Ik zit nog even op het bankje te kijken over het licht kabbelende water. Wat verderop zie ik n van de meerkoeten in het midden van de vaart,  langzaam peddelend naar de overkant, op een paar meter gevolgd door twee grijze balletjes. En oudervogel nog maar en twee jongen. Is het derde bij het andere ouderdier? Of is dit gezin bezig uit elkaar te vallen? 
De stilte wordt verbroken. Onder de brug klinkt luid geronk. Met volgas bokst zich een rubberboot met forse buitenboordmotor door het water. De brede kop bijna vrij opgeheven, door 't gewicht van 'n man met hond achterin sleurt er een tsunamihekgolf achteraan. Met vogelogen vanaf  't wateroppervlak moet het ongeveer de vreeswekkende aanblik van een aanstormende reuzenvis zijn. 
Ik roep en gebaar de man in zijn opblaasboot wat vaart te minderen. Stocijns kijkt hij voor zich uit. Hij ziet niets, hij hoort niets. 
De meerkoet begint sneller te peddelen, de pullen houden het niet bij. Ik schreeuw 'Heee!' tegen dovemansoren. Ng twee keer, zo hard ik maar kan; hij kijkt even op, haalt zijn schouders op en vaart dr. 
De meerkoet vlucht achter een jacht langs de overkant, de twee terugdeinzende jongen verdwijnen in een baaierd van kolken en golven. 

Voor de supermarkt staan enkele stellen toeristen enthousiast te praten, kinderen dollend er omheen. "We genieten z hier. We zitten bijna elke dag op het water. Hrlijk die vrijheid, lekker uitwaaien, toeren met de motorboot over al die vaarten, sloten en kleine kreekjes". 

John Zwart.  IVN Natuur en milieueducatie. 10 juni 2006. 

 

  Lentetekens  
Een harde winter is wr uitgebleven. 
Helaas werd ons in de maanden januari en februari veel te weinig zonneschijn toebedeeld. Ik schrijf dit op donderdag 2 maart, alweer de tweede dag van de meteorologische lente  zoals weermannen en vrouwen dat hebben benoemd. s Morgens werd ik om zeven uur wakker terwijl het al schemerlicht was. Het lengen van de dagen gaat nu merkbaar snel! 
Toen ik uit het raam keek zag ik waardoor het k zo licht leek: wr ik ook keek zagen mijn ogen alleen maar wit. Een flinke laag sneeuw viel in de nacht en was bij een paar graden onder nul blijven liggen. Erboven hing een dichte wattendeken van mist. De straat, de autos, de daken van de huizen, de tuin, takken en twijgen van struiken en bomen, lles wit voor zover het oog reikte en dat was niet zo heel ver. 

Eind februari en de eerste weken van maart staat het park Jongemastate vol met vele duizenden bloeiende sneeuwklokjes. De aanblik daarvan temidden van snel wegsmeltende sneeuw moest prachtig zijn. Om een uur of elf begon de zon door te breken en de temperatuur steeg meteen naar een graad of drie. De weervrouw voorspelde nieuwe sneeuw- en hagelbuien in het noorden, dus moest ik meteen op pad, gewapend met de digitale camera. 
De talrijke roeken die de tuin in het voorjaar bevolken begroetten me al met veel misbaar. Er wordt druk gewerkt aan nestbouw, de takken die ze ervoor nodig hebben liggen voor het grijpen, want in de wintermaanden werd er flink gesnoeid. Het resultaat ligt her en der op hopen opgetast. 
Nog maar n voetspoor zag ik bij aankomst in de verse sneeuw. De paden, die in deze toestand maar moeilijk te onderscheiden zijn, waren ook nog bezaaid met takken. Pas op! De roeken willen er nog wel eens eentje laten vallen, vooral omdat ze elkaar het bezit ervan soms betwisten. 

De verdere aanblik van het park eerst nog winters. De sneeuwklokjes stonden een beetje kleumerig met dichtgevouwen klokjes, gebogen onder hun sneeuwkapje dat op hun schutblad was gegroeid. Maar de zon scheen onbelemmerd door de kale boomkruinen en overal begon de witte decoratie van takken en groen smeltend naar beneden te vallen of te zweven. 
In het struikgewas en de klimop die rond de oudste bomen is gegroeid klonken volop de lentegeluiden! Want vogels laten zich door een paar dagen met sneeuw- en hagelbuien niet van de wijs brengen. Van winterkoning, roodborst en koolmees is hun enthousiaste gezang te horen, dus geloof het maar: het voorjaar is echt begonnen! 
Wees nu ook alert op liefdesdronken eendenpaartjes die achter elkaar over de weg waggelen. Laat ze hun hartstocht niet met de dood bekopen!

   John Zwart 
       2 maart 2006. 

Publicatie 2 maart 2006 
 
  De herfst is niet meer te stuiten 
Deze laatste zomerhitte golf kan ons niet meer om de tuin leiden. Op mijn natuuruitvlucht van vandaag zie ik allerlei tekenen die me eraan herinneren dat de meteorologische, straks ook de astronomische, herfst gaat beginnen. 
In de heldere nacht zie je dat het sterrenbeeld Orion zich steeds verder boven de horizon verheft. Overdag worden de middagschaduwen langer. 
Al geruime tijd trekken grote spreeuwenzwermen langs dijken en wegen, het begin van hun gezamenlijke zwervende herfst- en winterbestaan. Ook de zwarte kraaien, die als eenling of in paartjes leefden, hebben zich tot grote hechte gemeenschappen aaneengesloten en foerageren nu gezamenlijk op de weilanden. 
De gierzwaluwen zijn allang vertrokken richting Zuid-Afrika, de boerenzwaluwen beginnen zich ook voor te bereiden. Telegraafpalen en draden zijn er allang niet meer, straks zie je ze in lange rijen zitten op de spandraden van de verlichting boven de snelwegen: een minder veilig alternatief wat ze vonden. 

Op weg naar de bosterreinen van Sint Nicolaasga zag ik op een hooiland bij Joure tientallen kieviten scharrelen en hoog boven de weiden van Scharsterbrug waaierde er een grote troep van dezelfde vogels. 
Het eerste bos wat ik bereik: de Vegelinsbossen, in de loop der jaren mijn 'filosofenbos' geworden. Je komt er doorheen op de weg naar Langweer, vanaf de afslag bij het voormalige buiten 'De Oorsprong', dat nu een uitspanning met verblijfsrecreatie is. 
Het bos ademt de geuren van vergankelijkheid, de berken laten al volop gele blaadjes vallen, de bodem is plots weer bezaaid met honderden en nog eens honderden aardappelbovisten in alle grootten en vormen. Op oude stobben de honingzwammen en zwavelkopjes. Tussen het strooisel rodekoolzwammetjes, eekhoorntjesbrood, bleke russula's en mooie rozerode braakrussula's, de naam suggereert niet dat het een smakelijke paddestoel is! Toch zijn de meeste al flink aangevreten, dieren hebben van dat braken blijkbaar helemaal geen last! 

Bij het bosven, dat hoogstwaarschijnlijk een overblijfsel van een vijver is die bij een ander buitenhuis heeft behoord, vind je de oudste bomen: een bruine beuk en een aantal moseiken. Er ritselt al een enkel blad naar beneden. Op n van de eiken zijn nu ook de grote vuurzwammen, die er al jarenlang onderaan op de stam groeien, opnieuw tot leven gekomen. Ze laten een poederlaag van sporen achter met een koffie-filtermalingkleur op de schors eronder. 
Het is herfststil geworden, geen vogel zingt nog, de fitis blijkbaar al weggetrokken, de tjiftjaf bereidt zich stilletjes voor om ook op reis te gaan. 
Van de vele merels hoor je alleen de waarschuwings en alarmroepen, de roodborstjes geven met hoge tikkende geluidjes hun winterterritorium aan. Goudhaantjes zijn in deze stilte weer te horen met hun onopvallende zachte piepjes, waarmee ze onderling contact houden. 

Aan de bomen zijn de lijsterbessen en vlierbessen volrijp en door de lijsterachtigen - vooral de spreeuwen, die drukke veelvraten! al flink aangevreten. Alleen de glanzende helderrode bessen van de wilde kamperfoelie worden ongemoeid gelaten. Zijn ze soms giftig? Ook de bessen van de sneeuwbes blijven lang aan de struiken zitten. Ik moet toch eens uitzoeken hoe het met de giftigheid staat van al die verschillende bosvruchten. 
De bonte spechten, waarvan de ouders zowel als de jongen in hun boomholten zo luidruchtig zijn in het broedseizoen, laten niets meer van hun aanwezigheid merken. Het buizerdpaar zie je soms nog wel eens tussen de bomen opvliegen als je in de buurt van hun horst komt, maar ze brengen hun meeste uren door op de weiden en dijken, op kikker en muizenjacht. 
Er is er n in het bos die nog wel eens flink lawaai maakt: dat is de vlaamse gaai. 
Gelukkig is het bosweitje, dat dit voorjaar door de boer diepgeploegd en gedraineerd werd, waarbij alle pinksterbloemenweelde om zeep werd geholpen, niet omgezet tot nog een tweede snijmasveld. Helaas is er vandaag rijkelijk drijfmest genjecteerd. Op mijn bankje onder de kastanje word ik misselijk van de ammoniakstank en er begint zich een doffe hoofdpijn aan te kondigen. 
Gauw weg maar vandaag, jammer. 

  John Zwart. IVN gids. 
       31 augustus 2005 

Publicatie 02 september 2005 
 
  Ongemerkt naar de zomer
Vorige dinsdag (19 april) reed ik langs de IJsselmeeroever. Het was een regenachtige dag met nu en dan zelfs stortbuien. Niet het soort dag dat je verwacht nieuwe tekens van de komst van de zomer te zien. Maar opeens zag ik ze duiken en zwenken over de kruin van de dijk: de huiszwaluwen. Nu zegt het spreekwoord dat n zwaluw nog geen zomer maakt, maar ik telde er zo al vijf! Is dat genoeg? In ieder geval een hoopvol teken met nog twee volle maanden te gaan vr het echt zomer is volgens de kalender. 
Opnieuw besefte ik hoe snel dat lenteseizoen verloopt, hoe alle gebeurtenissen in de natuur elkaar overlappen, vr je het in de gaten hebt beginnen de dagen alweer korter te worden en is fris, pril en gaaf alweer aan het veranderen in stoffig met sporen van vraat. 
Toen ik enkele dagen later ook al in de wilgen achterin mijn tuin een fitis zijn kwelend liedje hoorde zingen wist ik het zeker: de zomer kondigt zijn komst aan. Gauw moet ik ook weer gaan kijken hoe het bos verandert. 
Huiszwaluwen metselen met bolletjes klei hun nesten onderaan de dakrand 
Sinds de vorige wandeling is het al duidelijk groener geworden, maar nog steeds een beetje transparant. De eiken en de beuken zijn trager met hun bladvorming dan de andere soorten en juist van dat oude hardhout staat er veel in dit bos. Maar als je naar de knoppen kijkt is duidelijk te zien dat er beweging in zit, het schutblad staat onder spanning, de lange spitse beukenknoppen al een centimeter uitgegroeid. 
Onderweg leken enkele laan-iepen al in blad te staan, maar dat is gezichtsbedrog. De iepen hebben gebloeid en dragen nu een enorme hoeveelheid lichtgroene confetti, ronde schijfjes met in het midden een zaadje. Voor de vluchtige voorbijganger ziet het er uit als blad. 
Populieren hebben k al gebloeid, dat alles speelt zich hg boven onze hoofden af. Bij vluchtige beschouwing vanaf de grond lijken ze helemaal bovenin het eerste blad te hebben gevormd. Maar ook dt hebben we niet goed gezien, in het bovenste van de kruin bloeit een verder nog kale populier, met voornamelijk mannelijke bloemen. De wind die door de takken blaast zorgt voor kruisbestuiving. Op de grond ligt het nu bezaaid met afgevallen katjes. 
De linde, de berk en de lijsterbes hebben het meeste haast met hun blad, de laatste stuwt gelijk met het blad zijn bloesemknoppen omhoog.
 
Nog steeds klinkt de vinkenslag uit volle borst, maar ook van verschillende kanten zang van de fitis. Dat vogeltje wat sprekend op de tjiftjaf lijkt en eigenlijk alleen door de kleur van zijn pootjes en zijn zang ervan verschilt. 
Uit de top van de grove dennen klinkt een rauwe kreet en een blauwe reiger vliegt weg. De jongen zijn nog niet uit het ei, of nog maar pas. Het is nog stil boven, als ze wat groter zijn klepperen ze als ooievaars om de aandacht van de ouders te trekken. 
Het aanzien van de dorre bodem is erg veranderd, met groen van het blad van de bosbraam en overal steken de nog opgerolde bladeren van de mannetjesvarens en de adelaarsvarens omhoog. Langs grazige kanten bloeit teerwit het look-zonder-look (het gekneusde blad verspreidt een uiengeur) en de paarse judaspenning. 
De grote bonte specht houdt me nauwlettend in de gaten
Zoals altijd ga ik weer gauw het slingerpaadje op, aangetrokken door de herhaalde roffel van de grote bonte specht. Nu wil ik proberen hem te zien... met indianengang beweeg ik me over het pad. Zodra de dikke dode stam in zicht komt beweeg ik nog maar uiterst traag, en dr zie ik hem hangen, onder de afgebroken stomp van een tak, klevend tegen de stam. 
Als bevroren blijf ik staan, misschien zie ik hem dan hameren. Maar we hebben elkr gezien, ik weet zeker dat de vogel mij van 30 meter afstand scherp in de gaten houdt. Ik kan blijven staan, maar hij zal zich nu stilhouden. Langzaam loop ik verder en zodra ik uit het zicht ben hoor ik zijn roffel weer door het bos galmen. 
 
Het oranjetipje is in de lente op nat grasland te vinden
 
Ik bereik het brede dwarse bospad en onmiddellijk vallen me sporen van rupsbanden op. Er moet een zware grondverzetmachine langsgereden zijn. Aan weerszijden van het pad zie ik enkele vers ontvelde eikenstammen. 
Voor de toegang naar het boshuisje is het hele pad omgeploegd, het voertuig moest daar een haakse bocht maken. De aanblik van de oude kastanjeboom, met bloesemtrossen die al lichtjes beginnen te kleuren dringt niet meer tot me door. Ik had gehoopt op een nostalgische sfeer onder de kastanje met zicht op de bosweide met zijn jaarlijkse z van pinksterbloemen. Maar nu ziet het er uit als een terrein waarop de landmacht een oefening heeft gehouden. 
Er zijn sleuven getrokken om drainage aan te leggen, ongetwijfeld moet ook dit stukje groen in het bos, waar vroeger n keer gemaaid werd en 's zomers wat jongvee op stond, omgezet worden in het zoveelste masveld. 
Jammer, jammer, de pinksterbloemen - voorzover niet ondergeschoffeld - zijn platgereden onder de rupsbanden. Tussen de maisplanten zullen ze niet meer terugkomen. 
En geen oranjetipje meer te zien natuurlijk, ach wat kan zo'n vlindertje ons nou toch schelen 

Ik vertrek maar gauw. Uit n van de beschadigde eiken vliegt een grote bonte specht weg. Alsof hij me wil troosten: als deze eik straks doodgaat kom ik hier, vlakbij, voor jou roffelen.  

John Zwart.  Natuurgids IVN.  

Publicatie 24 april 2005 
 
Langs bosadressen  
De zon schijnt al bijna twee dagen achter elkaar. Mijn tuin is in enkele dagen geel en roze geworden. Geel van het speenkruid, de narcissen en de forsythia, roze van de bloesemwolk waarin de prunus zich heeft gehuld.

Hoog tijd om eens te gaan kijken wat het voorjaar aan het doen is met mijn dichtstbijzijnde favoriete bosperceel, dat ligt in de buurt van St.Nyk (Sint Nicolaasga Frl.). "Het filosofenbos" noemt een vriendin van mij het. Ze gaf het die naam sinds ik haar vertelde dat ik er nu en dan heen ga om tot andere gedachten te komen en de stress weg te laten vloeien uit mijn lijf.  

De lente kleurt vooral geel, maar in het lentelicht onder nog naakte bomen kleurt 'n enkele plek blauw van scilla en bosanemoon.  
Zoals al verwacht word ik begroet door lentezang.  
Meteen op het parkeerplaatsje sta ik middenin een ruimte waar vele fluitsolisten om de aandacht strijden. Als vogels eenmaal een plekje hebben veroverd zijn ze enorm honkvast. De vink zit het dichtst bij, ik ontdek hem in een hoge eik vlak langs de toegangslaan. Ik weet vrijwel zeker: dezelfde vink van verleden jaar op die plek. Duidelijk te herkennen aan zijn krachtige geoefende zang, het is beslist geen adolescent die het nog moet leren. Om het zingen van de vink te karakteriseren zou ik zeggen: 'het is als een glazen knikker die in snelle vaart een stenen trap afstuitert en beneden aangekomen nog even een sprongetje maakt'. 
Verder in het bos klinkt allerlei andere zang, vooral van verschillende soorten mezen, onderling zijn het heel gevarieerde liedjes. Ik hoor van "twiet-tiet twiet-tiet" tot "pie-tje-peh" en alles er tussenin, in elk denkbaar ritme. 
 
Een bos wordt echt "bewoond" door vogels, er zijn vele vaste "adressen". Zo zijn de toppen van een paar grove dennen, die boven 't jonger loofhout uitsteken, al lange tijd uitverkozen door enkele paren blauwe reigers. Verleden jaar hebben ze drie nesten met jongen groot gebracht. In afwachting blijf ik een poos nabij de bomengroep staan, hun dichte naaldenkroon verhindert het zicht op de nesten. En ja hoor, na een poosje wachten hoor ik een schreeuw van een overvliegende reiger die zwenkt en daalt. De wacht wordt gewisseld, er wordt gebroed! 
Het bos is zondoorschenen, de takken nog ijl maar overal vertonen zich lichtgroene tipjes van het komend blad. Nu is 't de beste tijd om al die pas aangekomen zangvogeltjes te observeren. 
Het is alleen nog maar de kamperfoelie die zijn blad volledig heeft ontplooid. Die pakt na sneeuw en vorst van nog geen vier weken geleden gewoon meteen de draad weer op. Uit de kluwens hoor ik het "chieieieieiezz" van de groenling klinken. 
Koolmees en vink, de onvermoeibare zangers  
Ik verlaat het kaarsrechte hoofdpad en verdwijn tussen de stammen over een smaller kronkel-paadje. Er staat ergens een dode dennenstam waarin een spechtenhol is uitgehakt. Ik hoop op een glimp van de grote bonte maar mijn wens wordt niet beantwoord. 
In een bocht staat een groepje sparren vrij dicht opn. 
Ik weet dat de vlaamse gaai zich daar meestal ophoudt en word tch nog verrast: de vogel heeft mij al veel eerder gezien dan ik hm. Met een schreeuw klapwiekt hij weg, ik herken nog net zijn witte stuit en de mooie vleugeltekening met helderblauw gestreepte veertjes. 
 
Het bos is nog zon-doorschenen  
In dit bosgedeelte laat zich ook de tjiftjaf al horen. Die zijn moeilijker op een vaste woon- of verblijfplaats te pinnen, want ze zwerven de hele dag van boom tot boom om in de kruinen hun insectenvoedsel te verzamelen. De roep is afwisselend een hoge en lage noot die ongeveer een half octaaf in toonhoogte verschillen, met enige fantasie klinkt het wel ongeveer als zijn naam. 
Ze zijn nog gemakkelijk te zien, over een paar weken is dat voorbij. Maar de hele zomer zullen we ze nog (tot vervelens toe, zeggen sommigen - ik niet hoor) blijven horen. 
Luid zoemend scheren dikke aardhommel-koninginnen in een schijnbaar willekeurige baan tussen de stronken door, boven het halfverteerde bladerdek op de bosbodem Op zoek naar een geschikte plek voor een holletje. Ook zij hebben straks een permanent woonadres in het bos voor hun nieuwe volk. 
 
Wat verder kom ik bij "het huisje", 'n oude woning die alleen zo nu en dan als weekend of vakantieverblijf gebruikt wordt. Met medeweten en instemming van de boswachter betreed ik het erf als er geen bewoners aanwezig zijn. 
Dit is de plaats waaraan mijn bos zijn bijnaam ontleent, ervr staat een forse paardenkastanje met eronder een tweetal tuinbankjes. 
Een prachtig rustig plekje om even kalm je gedachten te laten gaan. Ik kijk omhoog in de kroon van de kastanjeboom, waar het takkenweefsel scherp afsteekt tegen de blauwe lucht. 
Alles is zo schijnbaar in rust en onveranderlijk. De wereld lijkt even stil te staan. 
Maar ik bedenk dat die rust maar heel betrekkelijk is, alles is juist voortdurend in beweging. 
Ononderbroken zorgen de seizoenen voor voortgaande verandering van het aanzien, ook in de herhalende cyclus die deze ene boom vertoont. De glimmende knoppen, aan 't uiteinde van elke omhoog gebogen twijg, zijn bezig vrije doortocht te geven aan nu nog fluwelig saamgevouwen groen. Daarbinnen zitten de bloesem'kaarsen' al in aanleg opgesloten. 
Maar tegelijk is er ook een ander proces dat voortgaat, het groeien en afsterven van elk individu. Ok de 'vogeladressen' die ik op mijn rondwandeling bezoek zullen ooit andere bewoners hebben. De vos, die in de oostrand zijn hol heeft, wordt dit jaar misschien wel afgeschoten en dan zit er volgend jaar een andere vos in dat hol. Net als de houtduiven die in datzelfde dichte sparrenperceel geslagen worden door de sperwer, zal ook die sperwer vroeg of laat verdwenen zijn

Nu zit ik hier onder deze boom, die er zeventig jaar geleden nog niet stond.  Honderd jaar geleden stond hier op diezelfde plek wellicht een heel andere boom, of juist helemaal gn boom, maakte dit stuk bos nog deel uit van een uitgestrekt moerasgebied. 
Nooit hetzelfde beeld, niets bestendigs, alles vloeit... Ja, dit is mijn "filosofenbos". 

   John Zwart

 

Publicatie 3 april 2005 
 
In het laagland langs water en weide 
Het is nu tien dagen sinds de laatste sneeuw van de landerijen is verdwenen. Alsof we in een landklimaat leven is de afgelopen twee weken de temperatuur wekelijks tien graden gestegen; ik loop op mijn rondje langs de meeroever en weiden te puffen in mijn gevoerde jas. 

Het voorjaar is onstuitbaar. 
Vroeger werd ik gemponeerd op de biologielessen als er werd verteld dat een bamboestengel in de tropen in n dag wel een halve meter kon groeien. De groeikracht in de tropen in de natte moesson is onovertroffen: "als je geduldig kijkt kun je het alang alang gras zien groeien". 
Later heb ik ervaren: de groeikracht in de lente in de lage landen langs de Noordzee kent nauwelijks zijn weerga. Ondergronds stuwt alles al omhoog terwijl de maartsneeuw nog op het veld ligt; de voortplantingsorganen van de vogels ondergingen al grote veranderingen in februari, wat hen deed baltsen en zingen in de eerste week van maart ondanks de koude nachten. 
In de struiken langs het pad troepen de  ringmussen, koolmezen en pimpelmezen samen met groot misbaar, ze vluchten op mijn nadering maar blijven vliedend als groepjes bij elkaar. Wiebelig in het topje van de ijle, nog bladloze bomen balanceert hier en daar een solitaire zwarte kraai, roepend in vaste regelmaat. Lentezang, ja k hij is een zangvogel, elke vogel zingt zoals-ie gebekt is. 

 
Ik vervolg mijn weg over de brede golfbreker die ver in het meer uitsteekt. Twee paartjes futen schuddekoppen tegen elkaar met hun opgestoken wang- en kuifveren, ze duiken en bieden over en weer voedsel aan. Middenop is de golfbreker beplant met essen, els en meidoorn, een dichte wirwar van takken en twijgen waarin winterkoning, roodborst en merel konden overwinteren. Vanaf de overkant klonk vorige week nog druk ganzengebabbel, nu is het vanaf die kant veel stiller. Nu en dan vliegt een kleine groep ganzen over, de plotselinge warmte heeft ze onrustig gemaakt. Hun drang om te vertrekken naar het broedgebied is hevig. Hoog boven mij trekt een formatie wilde zwanen vastbesloten oostwaarts. Wie het eerst aankomt kan de beste plekjes bezetten, daarvoor riskeren ze desnoods dat er de eerste week nog niets te eten is. 
een dichte wirwar van takken en twijgen waarin winterkoning, roodborstje en merel konden overwinteren. 
Op de kop van de golfbreker neem ik een pauze op een van de bankjes. Nog even en het is Pasen, dat is het begin van het watersportseizoen. Dan moet alles weer uit de winterstalling en worden in enkele dagen tijds duizenden boten te water gelaten. Dan zal het hier een gebrom en geronk van jewelste zijn - op weg naar en vanuit het Pr.Margrietkanaal. Nu is het nog heel stil en achter mij hoor ik voortdurend zachte hoge piepjes uit het struikgewas komen. Het geluid doet me denken aan goudhaantjes, maar die verwacht ik niet op deze plek. Geleidelijk komen de geluidjes dichterbij en worden helderder, dn zie ik ze: staartmeesjes. Een heel troepje in voorjaarsstemming, trekken zich niets aan van de roerloze figuur op het bankje die naar ze kijkt. Als acrobaten wervelen ze door de takken, soms op nauwelijks een armlengte van mij af. Het is als een grote gezamenlijke bruiloft. Regelmatig nemen vrouwtjes een hulpeloze houding aan, met trillende vleugels, zoals je dat ook bij jonge pas uitgevlogen mussen ziet als ze om voer bedelen. Na een poosje nemen ze allen weer dansend de wijk.  
zachte piepjes klinken uit 't struikgewas
Langs de loefkant loop ik terug naar het vasteland waar het strandje is. In de verte steekt een stuk buitendijks land uit, dat de scheiding vormt tussen het meer en de erachter liggende poel. Daar is weer vlak water, waar de hele winter de smienten hun heil zochten. Ik vraag me af of ze ook al op hun voorjaarstrek gingen of dat ze nog gebleven zijn. Er wandelen al veel mensen met honden langs het strandje, de zwemvogels hebben zich terug getrokken en dobberen ver weg, met het blote oog onherkenbaar. Op het moment dat ik de kijker pak hoor ik de mannetjes fluiten. Ze zijn er nog! Maar ook zij zullen niet lang meer blijven.  
Tussen de wilgentakken met hun witte en gele katjes zoemen de hommels. Bovenop het verteerde herfstblad tussen de wilgenstruiken glanzen heldergroene hartjes in toefjes bijeen. Het speenkruid, met hier en daar al een geopend bloempje als een stralend sterretje. In deze wilgenbosjes verwacht ik straks de fitis, die is nog onderweg uit Afrika. 
Het gras dat grijs en grauw leek is in een paar dagen frisgroen geworden, wit en geel bespikkeld met madeliefjes en klein hoefblad, zelfs de paarse dovenetel staat al in bloei. 
Het fluitenkruid heeft zijn fijntjes gedeelde blad ontplooid. Het zal niet lang meer duren of alle wateroevers zullen versierd zijn met de witte schermbloemen, het buitendijkse land zal weer blinken met glanzend gele dotterbloemen. 
de mannetjes van de schuwe smienten fluiten,
zij hebben een prachtig winter- en voorjaarskleed.
Met snelle vleugelslag vliegen vier scholeksters over mijn hoofd, twee aan twee, voortdurend opgewonden roepend. Prachtig zijn ze in hun lentekleed: sneeuwwit met diepzwart en oranjerode snavels en poten. In de volksmond heet deze vogel ook wel "bontepiet", een kernachtige naam die zijn uiterlijk en roep in zich verenigt! 
Ik nader het vogelreservaat, behalve de scholeksters zie ik daar boven van verre al heel wat rondvliegen. Het is jammer dat onlangs nabij het dorp alweer een heel stuk weide is omgezet in een masakker. De weidevogels worden steeds meer aangewezen op het kleine stukje beschermd gebied. Het wordt daar letterlijk dringen om goede nestplekjes te bemachtigen. De eerst aangekomen broeders zijn de kieviten, dat zijn de opportunisten onder de trekvogels. Zij volgen 's winters vaak zo'n beetje de vorstgrens en zitten in zachte winters dus erg dichtbij. Slaat het weer om zoals nu zitten ze meteen op hun plek. Maar de grutto's zijn er ook al! Die hebben een trektocht achter de rug waar het zwerven van de kieviten maar kinderspel bij is. Het baltsen van de kieviten en de grutto's is mij een lust voor oor en oog. 
 
Vanaf het dijkje is het hele gebiedje makkelijk te overzien. Er zitten al kieviten te broeden. Een paartje tureluurs voert verleidingsdansen uit op de grond. Nu en dan openen ze daarbij de vleugels en tonen ze de mooie witte randen en stuit. Maar meest blijven hun wieken ingevouwen en rennen ze achter elkaar aan alsof ze tikkertje spelen. Het spel is zo vurig dat ze bijna de broedende kieviten overlopen, die hun vleugels snel even opsteken bij wijze van waarschuwing. 
Als je zo staat te kijken en te luisteren dringt het tot je door hoe klein en kwetsbaar al die water- en weidenatuur is. Alles wat wij mensen ondernemen in gebieden als het Groene Hart, de Noord-Hollandse polders, in Friesland en in Groningen betekent bijna altijd verarming; zo bedenk ik terwijl de armada van een motorclub aandavert. Ik zie ze langsdenderen op een paar honderd meter afstand. 

John Zwart IVN Natuurgids.

Friesland, 20 maart 2005 

 

Lente in hink stap sprong. 
De laatste resten van de hoge sneeuwhopen, die langs de straat waren opgeworpen door het vrijmaken van parkeerplaatsen, zijn bijna weggesmolten. 
Het is nu tien dagen geleden dat ik een stinzenplanten excursie zou geven in Rauwerd, Midden Friesland. Door de extreem zachte winters van de afgelopen jaren begon merkbaar het seizoen voor die vroege voorjaarsbloeiers van maart-april geleidelijk naar voren te verschuiven naar februari-maart. 

Ook in januari van dit jaar bewoog de temperatuur zich tussen ongewone waarden. De viering van nieuwjaar nauwelijks achter de rug opende de hazelaar het nieuwe seizoen; op de zonnige momenten, tussen alle winderige en regenachtige dagen door, liet een enkele koolmees al een voorzichtige lenteroep horen. 
Ringmussen troepten bij elkaar en tjilpten dat het een lieve lust was en de futen in de sloot waren volop aan het baltsen. 
In de bossen galmde de roffel van de grote bonte specht en tegen de hemel tekenden zich spreeuwenzwermen af. 

In de januarimaand waren de futen al aan het baltsen  

Aan het eind van de maand begonnen op Jongema State (Raerd-Rauwerd) de winterakonieten te bloeien en staken overal alweer de bloeistengeltjes van de sneeuwklokjes omhoog. 
Voor een excursie leek het zaak om niet later dan de eerste helft van maart te plannen, 5 maart werd vastgesteld, de vooruitzichten beloofden dat er dan nog sneeuwklokjes in hun laatste bloei zouden zijn en lenteklokjes en holwortel juist begonnen. 
 

Wie had kunnen denken dat er in de laatste februaridagen nog een forse golf winterweer voor ons in het verschiet lag! In de nacht van 2 maart op 3 maart viel op sommige plaatsen in midden Friesland 40 tot 50 centimeter sneeuw. Radio en tv raakten er helemaal opgewonden van. 
Ook het Park Jongema State lag er sprookjesachtig bij in de dagen van 3 tot 8 maart. Een blinkend witte wade, glinsterend in het zonlicht, met als scherp contrast de grillige vormen van zwarte stammen en takken van het oude geboomte. Al leek het seizoen op zijn schreden teruggekeerd, de roeken hadden zich niet van de wijs laten brengen, zij waren in februari in hun oude kolonie teruggekomen en waren ondanks kou en sneeuw druk in de weer hun nesten in orde te brengen. 
Maar wat er ook aan stinzenplanten zich al boven de grond mocht bevinden, alles was diep verstopt en hield even de adem in. 

Het heeft wel even geduurd voordat de witte velden weer groen zijn geworden en ook de dikke korsten sneeuwijs uit de sloten verdwenen. Maar de vogels wisten het meteen, zodra de zware nachtvorst voorbij was pakten ze allemaal de draad weer op. Ooievaars zitten alweer op het nest. Kieviten duikelen boven de ontdooide weide. Koolmezen en spreeuwen laten zich enthousiast horen, de eerste vinkenslag klinkt 's morgens al in mijn tuin en de merel oefent, nog een beetje binnensmonds, zijn virtuoze lentelied. Totdat hij, zeker van zijn zaak, uit volle borst losbarst. 
Het is bijna lente, nee het s al lente, alle signalen staan "go!" voor een groene golf. 

John Zwart - IVN Natuurgids. 15 maart 2005.

It Fryske Gea heeft een nieuwe stinzenplantenexcursie op de kalender gezet voor 17 april, (09.30u), hopelijk zal dat niet te laat zijn     Jongema State, Rauwerd. 

 

Respect voor het leven - overdenking - geplaatst 21 januari  
Onlangs las ik een ingezonden belevenis van 'n lezeres van de Volkskrant en werd weer eens aan 't denken gezet over het mensdom. Ik ben geneigd steeds van het goede uit te gaan in mijn medemensen, soms stel ik mijn mening na stevige teleurstelling bij. 
De laatste tijd raak ik meer en meer geneigd de mensheid in te delen in twee categorien: En die behoefte heeft aan voortdurende sterke prikkels en een andere die weet in rust van 't leven te genieten. Daarbij zijn ze als "east is east and west is west and never the two will meet". Ik denk dat de groep van de rustige de grootste is immers een minderheid is al heel gauw in staat het voor velen te verpesten maar die andere groep is dominant en lijkt te groeien. 

Ons hele moderne leven is erg onnatuurlijk. Dat ben ik me bewust en dat bewustzijn benvloedt mijn gedrag: ik doe mijn best hinder, schade en narigheid te beperken. Het lukt me niet altijd. Heel wat jaren reisde ik intensief per auto door Nederland en Belgi om de kost te verdienen als vertegenwoordiger van een technisch concern. Die vele honderdduizenden kilometers hebben slachtoffers gemaakt. Elk geval herinner ik me tot in de kleinste details en na jaren kan ik er nog een vreselijk naar gevoel over krijgen. 

Herkenbaar? 

Jaren geleden reed ik in de lente over de Houtribweg Lelystad uit. Waar nu woonwijken zijn waren toen ter weerszijden akkers met wintertarwe. Opeens vloog vlak naast me een vogel op en stak de weg over. Te laag om mijn auto te missen. Binnen 15 meter stond ik stil. Het was een grutto. Met de kop in een van de sleuven van de grille geslagen. Oogjes kapot, de lange snavel versplinterd, nek gebroken. Stuiptrekkend bleven in reflex de vleugels slaan. Met de schacht van een schroevendraaier sloeg ik het kopje kapot en trok het dode dier los. Ik had een heel beroerde dag: De grutto, de weidevogel waar ik zoveel van houd! 

Toen de A6 er nog niet lag reed ik over de Vogelweg vanaf de Hollandse Brug in de vroege avond naar huis. In het licht van de koplampen zag ik voortdurend konijnen in de berm, ik reed echt langzaam, alert op reen. Middenop de weg dook een haas op, haken slaand galoppeerde hij: niet van de weg af, maar zwenkte terug en rende verblind z onder de auto. Ik hoorde een bonk onder het motorschot en ng een onder de vloer. In het licht van mijn pechlamp lag het dier vlak achter de auto, languit op het asfalt. Bewoog zich niet meer, maar ik zag grote angstogen. Voorzichtig tilde ik hem op de plaid en nam 'm in de auto op schoot. Mijn handen beroerden een warm vachtje, prachtige lange oren met donkere pluimpjes aan de uiteinden. Ik verbeeldde me nog lichte beweging van z'n flanken te zien: "Ademt hij nog, komt hij weer bij?" Toen, een echte zucht en zijn ogen waren geen ziende ogen meer. 

In de late herfst reed ik bij Almere over het toekomstige industrieterrein De Vaart. Tegen het zandverstuiven door de Rijksdienst vd IJsselmeerpolders met kreupelhout ingeplant. Er leefden reen, uiterst voorzichtig reed ik. De ogen voortdurend gericht op het groen dat tot aan de rand van de verharding reikte: het was de tijd van de bronst. Sterkere, oudere bokken jagen dan de jonge bokken hardhandig bij de wijfjes weg. Een vluchtende jonge bok brak uit en stortte zich voor de bumper. Gebeurd voor ik 't goed en wel besefte. Het bokje had de rug gebroken en zijn achterlijf was verlamd. Wanhopig trachtte hij met voorpoten en slepend achterlijf weg te vluchten. Ik belde de jachtopziener om hem af te schieten. Het duurde een half uur eer hij ter plekke was. Intussen was het dier gestorven tussen de struiken waarheen het zich sleepte. Ik was er kapot van. 

Drie slachtoffers over vele jaren maar toch Ons verkeer is een echte moordenaar. Hoe kan het dat er mensen zijn die dieren moedwillig doodrijden? Daar kan mijn verstand niet bij. 

John Zwart. IVN Natuurgids  

Publicatie 21 januari 2005
Onderstaande overgenomen uit De Volkskrant - Woon-werkverkeer. Trees Roose, Haren. 

Je hebt van die dagen dat je zonnig en welgehumeurd naar je werk gaat. Je weet niet precies hoe het komt, maar op zo'n dag heb je echt zin om er wat van te maken. 
Op zo'n dag strand ik halverwege door een blokkade: Wegwerkzaamheden. Ik moet een roteind omrijden maar ik laat mijn humeur er niet door verpesten. Zingend draai ik door bochtjes over onbekende weggetjes, de gele bordjes van de omleiding volgend. 
Ik passeer plekjes waar ik normaal nooit langs kom, zoals een grote kinderboerderij. Ik zie hangbuikzwijntjes, geiten en paarden, een matineuze vader met een kindje in een wandelwagen. Hij wijst: Kijk, een paardje, kijk een varkentje. Leuk. 
Nog leuker is het als er over de stoep een club ganzen aan komt waggelen.Wel een stuk of dertig. Ze aarzelen even aan de stoeprand, maar als ze zien dat ik stop, hobbelen ze de weg op. Schuddend met hun staartveren gaan ze gakkend richting vijver. Ik geniet van de gratis voorstelling. 
Maar dan verschijnt achter me een auto, een rode Golf met een kapotte uitlaat die een knallend geluid maakt. Achter het stuur zit een dikke man die een getatoeerde arm uit zijn raam laat hangen. Routineus stuurt hij vliegensvlug om mij heen en rijdt dwars door de troep ganzen. Ik ben ontzet. 
"Klootzak!" gil ik, maar hij is de bocht al om..  

Winterbeeld in Friesland - impressie van een natuurwandeling - geplaatst 15 december 

De mist is opgetrokken. 
Over het meer opent zich langzaam een vergezicht met velden van donkere stippen op de golfjes. Hoge fluittonen maken het eenvoudig om op deze afstand de stipjes als smienten te herkennen. 
Het schelpenpad over het dijkje is glad en zompig door de overvloedige regens, en over het water strijkt een koude wind, die je diep in je kraag laat duiken van je gevoerde jas. Ja, het is immers december. Hoe anders dan in de zomermaanden wanneer het soms zo druk is met fietsers en wandelaars dat het moeilijk wordt elkaar ongehinderd te passeren op het smalle schelpenlint. 

Nu is het stil. Echt stil? Nee niet helemaal, vanuit de verte waait ons nog grommend motorgeluid tegemoet, een kruisertje onderweg van Sneek naar de Heerenzijl, maar verder geen bootjes in zicht. Je bent mr buiten dan 's zomers wanneer het geronk en getuf van honderden pleziervaarders voor een niet aflatend motorisch achtergrondlawaai zorgt, nu hr je de stilte van de natuur. In de ondergroei van een elzenbosje de tikkende geluiden van een roodborstje, dat hier zijn winterterritorium heeft afgebakend. Door de grillige takken en twijgen van de elzen, behangen met ontelbare zaadproppen, hoor je hoe de wind zachtjes suist. De knoestige, weer en wind geteisterde, vormen tekenen zich zwart af tegen de onwerkelijk zachte pastelblauwe hemel. 
Echt winter is het nog niet, in de dijkglooiing tonen verse zwarte hopen dat de mol nog flink zijn handjes laat wapperen. Op een veld van masstoppels ziet het grijs en wit van de zilvermeeuwen. De boer heeft vast en zeker een paar droge dagen benut om mest uit te rijden. Als de injectors het land verstoren haasten de wormen en andere bodemdiertjes zich naar de oppervlakte. De zilvermeeuwen weten dat, de kokmeeuwen ook. 
Net zoals ze al heel lang geleden hebben ontdekt dat in de weide, als je stevig op het gras stampt, de regenwormen omhoog komen! Let maar eens op hoe ze trappelen. 

 

Dn wordt de lucht vervuld door het roepen van ganzen. Boven Terkaple zwermen ze in slordige troepen kris kras door de lucht, hun stemmen klinken ver door de stilte. Dalend beschrijven ze grote bogen, hun lage stemmen klinken luidruchtig. Brandganzen herken ik, n troep vliegt over me heen en keert boven het meer met een bocht weer om; ze kijken niet op een paar kilometers mr of minder, deze jongens en meisjes. In de weilanden tussen Goingaryp en Terkaple grazen er vele honderden, er vliegen nu en dan groepjes weg en er komen weer andere aan. 
Om dichterbij de ganzen te komen neem ik bij de boerderij de toegangsweg, die door de weiden naar de hoofdweg voert. Daar komt zelden verkeer langs. Rechts een veertigtal schapen, ze houden op met grazen. Op mijn nadering kijken de koppies me nieuwsgierig aan. Terwijl ik voorbij loop volgen ze me allemaal met hun blik.alsof al die schapenkopjes met touwtjes aan elkaar vast zitten. 
Een kleine groep ganzen staat dichtbij in het weiland links, daarachter een enorme troep, allemaal aan de maaltijd. Dat voorste troepje lijkt wat slanker en lichter gebouwd, ze zijn alert, alle halzen steken gestrekt omhoog. Ik twijfel niet, kleine rietganzen zijn het, met donkere bijna zwarte koppen. Veel schuwer dan de grotere ganzen, ik hoop maar dat ik ze niet verstoor Helaas, op een onzichtbaar teken verheft een dozijn ganzen zich in de lucht en vliegt weg. De grote troep, 't blijken kolganzen te zijn, die beginnen van me weg te waggelen, maar vliegen niet op. 

Mensen, het is prachtig in Friesland, kom maar in alle rust kijken en genieten. Maar als je een 4x4 fanaat bent of graag op een Japans raceijzer scheurt: blijf weg! 
Dan blijft er tot in lengte van dagen nog volop te genieten. 

John Zwart -  05/12/2004. 

 

Publicatie 15 december 2004
 
Alle vogels ... Natuurbeleving - geplaatst 20 oktober  
Als ik aan het werk ben in de keuken klinkt er een doffe bons tegen het raam. Omdat de straat bezaaid ligt met appeltjes van de straatbomen die tegenover het huis staan, is het eerste waar ik aan denk dat ons huis weer eens een mikpunt is, dat gebeurt wel vaker. 
Maar: geen kinderen te zien en ook geen prutplek op de ruit dus loop ik voor de zekerheid even naar buiten, een vogeltje misschien? En jawel, op de tegels onder het raam ligt het mooiste vogeltje dat ik ooit van zo dichtbij gezien heb: op z'n zijkant, oogjes dicht, maar z'n borstje gaat razendsnel op en neer en af en toe gaat z'n snaveltje even open voor een hapje lucht.
Ik sta in tweestrijd, de camera halen of niet. Monsters van katten sluipen hier rond en een vogeltje in deze staat maakt geen schijn van kans als er eentje hem in het oog krijgt.
Ik blijf dus op mijn knien, bijna met mijn neus op de stoep bij het vogeltje zitten. Een prima gelegenheid om hem goed in mij op te nemen, ieder kleurtje, streepje en vlekje, zodat ik hem later in mijn vogelboek kan opzoeken en herkennen. Plots lijkt hij ergens van te schrikken, springt wankel op zijn pootjes en blijft roerloos zitten. 


het mooiste vogeltje dat ik ooit van zo dichtbij gezien heb 

Ik doe beschermend mijn handen om hem heen zonder hem aan te raken daar is hij sowieso te fragiel voor. Langzaam maar zeker komt hij bij, door de beschutting en warmte van mijn handen?
Een overbuurvrouw komt naar buiten om te kijken wat ik lig te doen, het moet ook een wonderlijk gezicht zijn. Ze denkt dat het een jonkie is, maar ik weet wel beter. Ze kletst maar wat, heeft het over vlaamse gaaien als ze eksters bedoelt, enz. Laat maar... 
Na een minuut of vijf strekt het vogeltje zich en vliegt op naar een appelboom aan de overkant, zet zich op een tak en tjilpt dat het een lieve lust is en ik haal opgelucht adem.
'Och hoor toch es', roept buurvrouw, 'het lijkt wel of hij je bedankt!' 
Ja, ja, ik naar binnen, vogelboek erbij en zoeken. Het blijkt 'n vuurgoudhaantje te zijn, niet te missen met het feloranje streepje boven op zijn kopje, maar hoe komt zo'n prachtig gekleurd verenballetje nu hier in een woonwijk terecht? 

Hetty Mulder 

 

Een staartje zomer. Natuurbeleving - geplaatst 12 oktober 
We zitten alweer een aantal weken in een onrustig weertype, gekenmerkt door onberekenbare buiigheid. Niet ongebruikelijk voor de herfst, maar het valt me op dat er mr dan gebruikelijk over wordt gemopperd. 'Niks waard die Nederlandse zomers, we boeken voor 2005 maar weer een zonnig vliegreisje'. 
Maar is onze reactie redelijk? We vergeten zo snel, want toen die tegenvallende augustus voorbij was kregen we toch nog een hele reeks warme, meteorologisch 'zomerse' dagen, vr de 'natte septembermoesson' begon.
Het weekend van 4 en 5 september waren zulke dagen. Een stralende zon aan een bijna wolkenloze lucht. Nadat de zaterdagochtendplichten waren vervuld zochten we de Noordhollandse Markermeerkust op. De kronkeldijkjes tussen Hoorn en Durgerdam zijn mij nog altijd bijzonder lief. Misschien komt dat door de mooie beschrijvingen van Jac P Thijsse in zijn album 'Langs de Zuiderzee': het hoofdstuk "Van het Y naar 't Hoornsche Hop". 
Een pittige wandeltocht van 50 km, waar Jac als "stevigen dagmarsch" niet voor terug deinsde! 

Maar er zijn wel negentig jaren verstreken sinds hij die respectabele tocht maakte, waarbij hij in alle rust over de kruin of onderlangs de zuiderzeedijk wandelde, zonder iets anders dan een enkele boerenwagen of fietser tegen te komen. 
Intussen telt ons land bijna drie keer zoveel inwoners als toen, met allemaal veel meer vrije tijd en misschien wel 50 keer zoveel auto's. De smalle weg onderlangs de kronkelende vroegere zeedijk wordt nu intensief bereden, vooral tijdens het weekeinde. Soms onverantwoord hard, waarbij motorclubs de meeste hinder veroorzaken.
Buitendijks zijn er hier en daar smalle strandjes, waar Jac Thijsse de scholeksters en tureluurs zag, die langs de waterlijn bij de beschoeiing naar voedsel zochten, nu zijn zulke leuke kleine plekjes bezet door zonaanbidders. 
Gewoon langs het pad op de kruin van de dijk is het op zulke drukke weekenddagen ook niet prettig voor natuurliefhebbers. Rechtgeaarde ontspannen toerfietsers verstoren niet erg, maar de rage om op mountainbikes en racefietsen over dit dijkpaadje te slalommen is rust- en natuurvijandig.
Vele binnendijkse meertjes zijn overgebleven na oude dijkdoorbraken van vr 1932 (Afsluitdijk), hier en daar zijn er kleine droge plekjes met uitzicht over het water, sommige gerieflijk voorzien van picknicktafels. Maar daar hebben overal sportvissers met groene koepeltentjes hun nederzettingen opgebouwd. 


De aalscholvers van de kolonies in het Naardermeer en de Oostvaardersplassen
 kunnen we geregeld zien vissen op het Markermeer.

We konden die mooie middaguren niet besteden op een manier zoals we hadden voorgesteld, dus een beetje teleurgesteld reden we terug naar Monnickendam. Daar, vlak vr het stadje, waar de weg zich van de dijk afbuigt, viel ons opeens een ruime parkeerplaats op waar geen enkele auto stond! Tegen de stadsgrens aan, waren we daar nu zomaar achteloos aan voorbij gereden? 
Over de dijk geklommen troffen we aan de andere kant een flauw hellend grastalud, gedeeltelijk besloten door wilge-, sleedoorn-, lijsterbes- en elzenbosjes, en omzoomd met een brede kraag van riet en lisdodde. Een kleine opening erin bood zicht op het water van de Gouwzee en het 'Paard' van Marken aan de overkant. 
Toen we er een poosje stilletjes zaten begon het dierenleven rondom aan onze aanwezigheid te wennen. In de dichte bosjes huisde een hele eksterfamilie, dat hoorden we al gauw. En voor n kwamen ze tevoorschijn en gingen door met hun foerageergedrag in het gras. Deden al gauw alsof we er niet waren. Van over de dijk kwam uit een boomkruin een zwarte kraai aangevlogen en zette de landing in, maar dat werd niet geduld. Familie ekster heeft hier zijn territorium.
De brutaalste van de eksters hipte en fladderde op twee passen afstand voorbij naar het zandige strookje waar het riet zicht op 't water gaf. Verbaasd zagen we hoe de vogel een eindje het water in waadde en vervolgens lekker begon te spetteren. Na het bad ging hij of zij in het gras zitten, uitgebreid verenpoetsen. Sperde daarna de snavel open, spreidde de vleugels en nam gehurkt in het gras een zonnebad, zonder zich iets van ons aan te trekken. 
Tussen de rietkraag waren al een poos de geluidjes van het waterhoentje te horen. Alles was zo rustig dat het schuwe diertje een paar keer tevoorschijn kwam, de jongen bleven zich schuilhouden. 

Dat het seizoen al verstreken raakt toonden de oranje lijsterbessen onmiskenbaar. De sleedoorn droeg ook bessen, nog groen maar al met een blauwe zweem, ook voedsel voor de trekkende spreeuwen en lijsterachtigen. Behalve de 'rietsigaren' was er nog veel bloei in 't riet: roze bloempjes van het harig wilgenroosje, witte kelkjes van de haagwinde en veel roodroze trossen van de grote balsemien. Het waterhoentje hoorden we nog steeds, maar het trok zich allengs dieper in de rietkraag terug. 
Wat verder uit de oever zwom een paartje knobbelzwanen met jongen. Nog jonge diertjes, in pluizig grijs gekleed. Die familie bleef wat op afstand. 

Plotseling klonk druk vogelrumoer in de bosjes, contactroepjes, 't moesten mezen zijn naar het geluid en een grote groep ook. De eksters reageerden er niet op, zagen er geen concurrenten in. Het mezentroepje voelde zich al gauw veilig en liet zich voortdurend zien, vlak voor onze neus. Jonge staartmezen waren het, de staartveren nog niet zo opvallend lang uitgegroeid als bij tweedejaars vogels. Ze misten ook nog de roze gloed over borst- en buikveren, maar wel prachtig zwart-wit getekend. Toonden zich echte acrobaten in het dichte struikgewas. 
Een hele tijd waanden we ons weer als in de jaren van Thijsse, we sloegen geen acht op het geluid van de vele voorbijrijdende auto's achter de dijk.
En opeens waren alle mezen als bij toverslag weg een grote niet-aangelijnde boxer stormde de dijk af, vlak langs ons heen naar het water. Ach, we waren toch al van plan weg te gaan. 

Op de terugweg kregen we nog een grote troep grauwe ganzen te zien, grazend op een weiland en een groepje volwassen knobbelzwanen was na een lange aanloop net losgekomen uit het water. Ze scheerden laag over de dijk en kwamen met indrukwekkend geluid van hun sterke vleugelslag vlak over ons hoofd zodat het leek alsof we ze konden aanraken. 
De zon daalde boven het Waterland en zette de hele westelijke horizon in een oranjerode brand die langzaam uitgloeide van vermiljoenrood naar paars. Het einde van een heerlijke dag, daarna kun je er weer een poosje tegen. Tegen minder mooie dingen van de dag.
En ik verheugde me alweer op de kuifeendjes, de brilduikertjes, de toppereendjes, de smienten en alle ganzensoorten die allemaal in aantocht zijn! 

John Zwart - 10 oktober 2004

Publicatie 12 oktober 2004
 
Herinneringen aan kauwen - Serie 'In het veld' Hilde vd Stelt-Strijbos - 5 sept 2004 
Kauwtjes zijn mij van kindsbeen af erg vertrouwd. Aan de duinrand waar wij woonden, waren ze heel algemeen en 's avonds kwamen ze vaak in 'kau kau' roepende troepjes over ons huis. Als we spelend in de duinen de zon zagen zakken en de nevel in de duinkommetjes zagen neerdalen, kwamen dartelende, luidruchtige vluchten kauwen over ons heen, op weg naar hun slaapplaats: dat betekende voor ons tijd om huistoe te gaan. 
Veel later, toen ik zelf al kinderen had, kwam mijn zoon Hans eens thuis met een jonge kauw, die hij als een soort slaaf had losgekocht op de Dappermarkt. De jonge vogel had een gele voersnavel en guitige lichtblauwe oogjes, een teken dat hij nog maar een kleuter was en goed verzorgd moest worden. Hans maakte een hoge zeshoekige kooi voor hem, een waar kunstwerk. En als Hans thuis was mocht 'Kra-kras' op zijn schouder zitten. Zo kregen zij een hechte band. Maar op een warme zomerdag, toen de tuindeuren open stonden vloog Kra-kras de tuin in, de vrijheid tegemoet, tot groot verdriet van Hans. Hij liep eerst alle daken van het hele blok af, luid Kra-kras roepend, maar die had de vrijheid geroken. En zo moet het ook. 
Later wandelden we op de hei in het Gooi; daar stond op een akkertje ineens een paal met een dode kauw eraan gebonden, als vogelverschrikker. De tranen sprongen Hans in de ogen: hij stelde zich voor dat daar zijn Kra-kras hing, op het galgenveld, verlept, verfomfaaid, als oud vod. 

Terwijl ik eens alleen door een populierenbosje in de duinen liep werd het slaaptijd voor de kauwen: ineens daalde een hele troep tussen de takken. Honderden kauwtjes omringden mij: ik rook ze, ik voelde een zuchtje van hun vleugelslag en overal was hun geluid. Ik werd zo klein als Erik in Bomans' Klein Insectenboek, of eigenlijk als een kauw en graag was ik met ze op stok gegaan. Maar zover gaat je vermomming niet. Het was een gelukkig moment, ineens ben je geen gevaarlijk mens meer, maar ben je schijnbaar opgegaan in de kauwenwereld. Ik onderdrukte de neiging om hard 'kau' te roepen, want dan werd ik door de verkeerde intonatie vast als vreemdeling herkend. 


Kauwtjes zijn heel alert en hebben een parmantige manier van stappen 

Onlangs moest ik enige tijd in het ziekenhuis doorbrengen, op de vierde verdieping. 's Avonds kon ik ver achter Schiphol de zon achter de kim zien zakken. En dan kwamen de kauwen. Telkens kwam een klein groepje aanvliegen uit verschillende richtingen van de stad, zich haastend om zich bij hun soortgenoten te voegen. Door een groot raam kon ik de troep joelend voorbij zien komen. Steeds meer groepjes sloten zich aan en ik telde er zeker wel zo'n vijfhonderd, misschien wel duizend Op gelijke hoogte kun je allerlei details zien: ik zag duidelijk hoe ze, zelfs in de grote troep, in paartjes vlogen, telkens twee dichtbij of achter elkaar. Als bij afspraak liet een paartje zich soms ineens door de wolk van soortgenoten naar beneden vallen en kwam onderaan te voorschijn, maakte samen wat buitelingen en voegde zich verderop via een grote bocht weer bij de overigen. Het was een adembenemend spel. Telkens wendden ze allemaal de steven en vlogen dan tegelijk de andere kant op. Geregeld waren er afspraakjes van een paartje, dat eens even een ommetje ging maken. 
In 'Hans de Torenkraai' (Verkade 1935) lees ik: "Dan gaat het wonder gebeuren. Als maken zij zich gereed ten dans, zoo voegen zich de paren bij elkaar; elk mannetje met zijn gaaike en nadien blijven deze bij elkander () Des avonds, als de lengende stralen een roodkoperen licht werpen () begint het vliegspel der kauwtjes. Zij zwenken en keren over het ruischende bosch en vervullen de lucht met hun blijde kreten." 
Even plotseling als de groep gekomen was, verdween hij. Als de zon achter de horizon verdween, zetten de kauwen koers naar hun slaapplaats onder de rook van Amsterdam. Elke avond was het een heerlijk schouwspel. Niks geen ziekenhuis, maar ruimte-blijheid-vrijheid, door al die vogels die zich de volgende dag weer over de stad zouden verspreiden, op zoek naar hun dagelijkse kostje. 

Hilde van der Stelt-Strijbos 
september 2004

 
Publicatie 5 september 2004
 
Dagvlinders - Inzending Hetty Mulder - geplaatst 29 augustus 2004 

 

Het is opeens alweer warm, maar de stevige wind over de Oostvaardersplassen zorgt voor verkoeling. 
Het uitzicht over het open gebied is als altijd mooi en rustgevend. In een poel vlakbij houden grauwe ganzen zich bezig met het poetsen van hun veren en wrijven tegen de jeuk die het aangroeien van hun nieuwe slagpennen hen tijdens de rui bezorgt. 
Gelukkig dat het nu niet zo lang heet en droog  is geweest als verleden jaar. Toen was die hele poel uitgedroogd, vertelt mijn metgezel op deze wandeling. Wr zouden die ganzen dan een veilig verblijf moeten zoeken.. immers voorlopig zijn ze nog niet tot vliegen in staat. 

Uit een bossage langs het water klinkt de roep van de sperwer. 
De bosrand die het gebied begrenst is aanzienlijk verlengd, door nieuw beheer. Er werden flinke 'happen' uit gekapt zodat er een kartelig overgangsgebied is ontstaan. 
Bosranden vormen een aantrekkelijke biotoop voor vlinders en kleine zangvogels, daar mogen we er dus steeds meer van gaan verwachten. 
Terwijl we over het betonpad lopen zien we voortdurend koolwitjes dartelen. Het koude voorjaar en de laat invallende hoogzomer hebben ervoor gezorgd dat er overal nog maar weinig vlinders zijn dit seizoen. Onze verwachtingen zijn dan ook niet hoog gespannen als we het pad inlopen dat zich door de bosrand slingert. Tussen de bomen groeit nog altijd veel grote brandnetel en akkerdistel. 
Uit het gras langs het pad vliegt het hooibeestje (coenonympha pamphilus) op.  De volgende vlinder die zich vertoont is de kleine vos (aglais urticae), het diertje zoekt voedsel op de bloemen van de grote brandnetel. En plotseling strijkt er een prachtig diepzwart met feloranje atalanta (vanessa atalanta) neer, k al precies volgens het boekje op een bloeiende akkerdistel, al is deze trekvlinder een even groot liefhebber van het koninginnekruid.
Twee kleinere vlinders zien we, die bij nadere studie op naam gebracht kunnen worden als de bosparelmoervlinder (melitaea athalia), tch nog een 'rode lijstsoort'! Die moeten door de warme winden vanuit het zuidoosten zijn aangevoerd. 

Weinig vogels, maar wel een mooie wandeling met heel leuke vlinderwaarnemingen! 

Hetty Mulder. 
28 augustus 2004 

 

Publicatie 29 augustus 2004 
 
Waterrecreatie - Inzending John Zwart - geplaatst 13 augustus 2004 
 

Warm is het, maar er staat veel groen achter in de tuin, die daar afhelt naar het water. 
Daar is dus het beste plekje deze hoogzomer, op een verscholen bankje. 
De oeverbeplanting heeft zich goed ontwikkeld. Niet alles heeft zich kunnen handhaven, maar lisdodde, wolfsklauw, wilgenroosje, gele lis, groot hoefblad, egelskop en smeerwortel, dat alles bij elkaar zijn toch heel wat soorten. Ze staan er mooi bij. 
In de achtertuin heeft dit voorjaar een paartje pimpelmezen hun broed grootgebracht ondanks de buurkatten. Tussen het oevergroen leert een eendenmoeder haar eendenpullen grondelen. 

Ik zit stil op het bankje. De pimpelmezenfamilie keert elke middag weer een poosje terug naar hun oude stekje. Tussen de dichte pruiken van de knotwilgen scharrelen de meesjes naar insecten, blijven daarbij door hun contactroepjes als gezin bij elkaar. 
Er landt een oeverlibel op mijn knie. Laat zich roerloos bekijken, mijn knie is uitgekozen als uitkijkpost. Nu en dan vliegt hij of zij flitsend weg in achtervolging van een voorbij vliegende mug, die zich redt door tussen de gebogen bladeren van de gele lis te verdwijnen. 
Telkens keert de oeverlibel terug op hetzelfde plekje. 
Dan is het raak. Een kleine bromvlieg wordt gegrepen. Als de libel landt blijken de vleugeltjes, die blijkbaar niet lekker smaken of niet voedzaam zijn, al afgeknipt. Hij scheidt de kop met borststuk van het achterlijf. Dan zie ik hoe het diertje na elkaar n insectendeel oppakt met het linker voorpootje en langzaam oppeuzelt, als was het een appeltje. 
De meesjes fladderen in snelle vaart over mijn hoofd en wg is ook de libel. 

Ik kan vrouwtjes en mannetjes van de libellen niet goed van elkaar onderscheiden. Maar de libellen zelf kunnen dat uitstekend. Even later vliegt een 'tandem' als een paringswiel boven de bladzijden van mijn tijdschrift. Dezelfde die vanaf mijn knie had gejaagd? 
Op maar enkele meters van mij af varen vletjes en opblaasboten met ronkende en stinkende motoren vrijwel zonder onderbreking voorbij. De mensen erin schreeuwen om elkaars ongetwijfeld belangwekkende conversatie te kunnen verstaan. 
Wat jammer voor ze, dat ze niets hebben gehoord en gezien. 

John Zwart.   Natuurgids IVN - 11 augustus 2004 

 

Publicatie 13 augustus 2004 
 
Us mem - hoe voelt zij zich? - Inzending Netty van Lookeren - geplaatst 31 juli 2004 
 

Tijdens een uitstapje - waaruit dit jaar mijn vakantie in hoofdzaak bestaat -  doorkruiste ik een stukje Nederland waarin landbouw en recreatie het samen moeten vinden, zoals in zoveel streken. Jaarlijks staken in ons land duizenden boeren hun bedrijf. Het hoofd in de schoot voor steeds moeilijker te financieren schaalvergroting en investeringen. Zonder dat het veel aandacht trok speelde dit al heel lang, gezinnen ondergingen vaak schrijnende tijden als familiebedrijven, opgebouwd door vele opvolgende generaties, als sneeuw in de zon waren weggesmolten en de opbrengst bij veiling hooguit de lopende schulden vermocht af te lossen. Lees Geert Mak er maar op na. (Hoe God verdween uit Jorwerd) 
Tegenwoordig is het tempo nog sneller maar is het vaak crisis in rijkdom. Misschien is het bedrijf als zodanig geen euro meer waard, maar de omliggende landerijen vertegenwoordigen miljoenenkapitalen. N zijn er dus boeren die met een knagend geweten jegens voorvaderen hun laatste levensdagen in miljonairsweelde doorbrengen, nadat ze hun land doorverkochten voor natuur- of recreatiebestemmingen. 
Ik bezocht een boer in ruste die een klein stuk weiland aan de overkant van de weg behield. Hij wil voeling houden met zijn oude leven, maar zonder stress. Houdt als hobby nog een aantal koeien, van het Lakenvelder ras, die al een even ontspannen leven mogen leiden als de boer. Samen met dit voorjaar geboren kalveren leven ze als een kleine kudde. De kalveren zoeken af en toe hun moeder op die ze geduldig laat drinken. Het valt me op dat deze koeien, die met eigen nakomelingen weiden, kleine strakke uiers hebben. 'Mooie meiden' zijn het. De koeien die ik onlangs in de grote loopstallen van een superbedrijf zag, hebben stuk voor stuk gigantisch vergrote uiers en moeten regelmatig gecontroleerd worden op ontstekingen of verwondingen van de spenen. 
De productie van ons melkvee is de afgelopen 50 jaar opgejaagd tot het vijf- tot tienvoudige. Computers waken over gezondheidstoestand van de dieren, nemen periodiek bloedmonsters. Het bedrijfsmiddel moet optimaal functioneren,  maar als we het dier zouden vragen: hoe denkt zij, gezonde topproductiekoe, over 'dierenwelzijn'? 

Zo'n vreedzaam tafereel als die koeien met hun kalveren in de weide aan de bosrand laat ons weer met ons gevoel naar de dieren kijken, zoals ook in het stukje van Netty van Lookeren. 
Misschien moet de melkproductie maar plaatsvinden in die landen van de EU waar het op extensieve wijze kan gebeuren zodat dit zachtaardige dier waaraan we zoveel te danken hebben niet binnen een tijdsbestek van enkele jaren 'versleten' naar de slachtbank hoeft.

Redactie Hernehim Natuur - juli 2004.   Link Lekker Dier  

 

Pasgeboren kalf van koe afgepakt. 

Een prachtige dag in de voorzomer. Het groen nog fris en onbestoft, de vroege bloei van kastanjes, lelietjes van dalen, rododendrons in vele kleuren. 
Het gras is sappig, de koeien genieten, ze zijn weer buiten. H, een zwanenfamilie. Vader kijkt wantrouwig op. Hij beschermt zijn vrouw en het grijs pluchen viertal. 
En dan, recht voor me, een groepje koeien. Ligt daar... ja, inderdaad tussen de koeienkoppen druk bezig met likken, zie ik iets kleins, iets zwart-wits. Een kopje dat zich opheft. Dan tussen al die poten door twee kleine, magere achterbeentjes. Zo dun, zo broos. Moeders wie is de moeder? stoppen hun snuit onder het achterlijfje. Kom, omhoog. 
Ik twijfel wie echt de moeder is en besluit dat het die zwarte met weinig wit moet zijn. Zij lijkt nog het meest mee te voelen met het kind dat wil leven, op vier poten wil lopen. 
Ik hoor motorgeluid en zie een kleine tractor met aanhangertje dwars over het hobbelige land op de groep toe rijden. Een flinke meid stapt af, duwt de grote lijven opzij. Het boerinnetje helpt het kalfje overeind. Het diertje laat zich het wagentje voorzien van een laag stro induwen. Het ploft neer en de deurtjes gaan dicht. 

Een luid geloei klinkt over het weiland. Vier, vijf lijven verdringen zich om het karretje. Doelbewust klimt het parmantige meisje weer op de tractor, trekt op en gaat op weg naar de stal in de verte. 
Vijf koeien, de zwarte voorop, er achteraan. Ze hollen, ze draven, ook die moeder die het niet lang volhoudt. Ze blijft tenslotte achteraan sukkelen, maar de medemoeders laten het niet afweten. Voor de stal stopt de tractor, vier koeien verdringen zich om het opgesloten kalfje en het geloei is niet van de lucht. 

Netty van Lookeren Campagne Laren. 

Publicatie 31 juli 2004 
 
Er zijn er zat van - Inzending van Niesje de Jonge - geplaatst 1 juli 2004
 

Een mooie meidag. 
We rijden vanuit de tunnel over de A8 richting A7. Niet in de file, maar het is wel druk en eigenlijk rijden we allemaal net iets te hard. In de bocht waar we over twee stroken rechts afbuigen, geeft de linkerbaan nog even flink gas bij om het eerste te kunnen invoegen. 
Een grote wagen hangt dicht achter zijn voorganger. Dan gebeurt het. 
In luttele seconden, maar onze hersens hebben het geregistreerd. Zoals we beeldje voor beeldje in slowmotion een tv-beeld kunnen herhalen. De bestuurder van de voorste auto op de linkerstrook laat zijn gas los. De bumperklever erachter schrikt, remt een kort snerpend geluid, een blauwe wolk van schroeiend rubber. 
En dan breekt daarachter een bruine vogel los uit het groen. Loopt dwars de weg op, met in 't kielzog een warrelende wolk als dorre herfstblaadjes. De eend probeert de vloedgolf aanstormende auto's te trotseren naar de veilige overkant. Een ongelijke strijd tussen grommende monsters en driftig achter de moeder aan dribbelende kuikenpootjes, al bij voorbaat verloren. Bij de middenstreep dringt het hopeloze door, vlak vr ons verheft de moedervogel zich, schampt langs onze achterruit. 
We hebben veral ogen: in de spiegel zien we dat de eend nog drvliegt, met luttele centimeters de hoogte haalt om de auto achter ons te ontspringen. Tegelijk zien we vr ons n, twee, drie auto's hun sporen door het kleuterklasje slaan. Een pr halen het. 
Zullen ze hun moeder terugvinden of gaan ze straks zoekend opnieuw over het asfalt rondscharrelen? 

Het was maar een gewone wilde eend. Zelfs natuurliefhebbers zeggen vaak: "daar zijn er zt van". Maar is dat dan niet zo met mensen? Wij waren behoorlijk aangeslagen door het gebeuren en eigenlijk ben ik daar blij om Zodra we onze schouders erover ophalen is het beroerd met ons gesteld. 

Niesje de Jonge 

 

Publicatie 1 juli 2004 
 
Grand Caf - Inzending van Hetty Mulder - geplaatst 17 april 2004 
 

Op de eerste warme lentedag haast ik mij naar de plassen. Na een lange koude winter is nu de tijd weer gekomen dat het mogelijk is er een uurtje te blijven zitten. Ik neem plaats op het bruggetje, uit de wind, met mijn rug tegen de leuning. Lunch en tekenspulletjes om mij heen, Grand Caf en plein air. 
De zon voelt weldadig warm. Een pracht gelegenheid voor de eerste schets in mijn nieuwe dummy, deze heeft een warmrode kaft. 
De stapel volgeschetste boekjes groeit gestaag. Ieder exemplaar een document, een geschiedenisboekje van een lange of kortere periode. Om een nieuw onberispelijk boekje te beginnen heb ik altijd wat moed nodig. Net als vroeger op school met een nieuw schrift; dan, tegen de tijd dat m'n schetsboek bijna vol is en meegesjouwd werd van hot naar her word ik een beetje bang het op een of andere manier kwijt te raken: gevoelsmatig is de waarde met iedere schets gestegen. 

Mijn oog valt op een dood spitsmuisje, nog helemaal gaaf, in het gras naast de brug. Gepakt en weer verloren door een roofvogel denk ik. Voorzichtig neem ik hem op en leg hem voor me neer, eerst op z'n buik later op z'n ruggetje - that's life - vereeuwigd in mijn rode schetsboek. Zielig maar ook heel mooi. 
Vervolgens "doe" ik nog wat riet, rechtop, platgewaaid, lichtgeel of de vers-groene uitlopers, vlokken pluis van de laatste verwaaide sigaren, op zich weer een heel verhaal. 
Plots kolkt het water zo hevig dat ik er van schrik, het zijn paaiende karpers, oergeweld, hun glimmende ruggen komen ver boven het water uit. Mijn hand houdt stil, geboeid volg ik het intiem tumult en vergeet de rest van de omgeving. 

 

Hetty Mulder 

 

Publicatie 17 april 2004 

Terug naar actuele natuurbeleving

Hernehim Cultuur en Natuurpagina's
Naar Hernehim Cultuur


De Natuurpagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv