| Helaas
wordt dit archiefbestand te groot voor alle volledige
artikelen. We vragen uw begrip dat van de oudste artikelen alleen tekst wordt weergegeven |
|
| Oordopjes en oogkleppen - geplaatst 18 juni | |
|
"Kijk mama, de meerkoetjes zijn
er!" In de sloot achter de huizen is een
meerkoetenpaar er in geslaagd een plekje te vinden om te broeden, ergens
aan de oever waar nog géén harde damwand werd geslagen. In heldere stille uren valt de vroege
avond. Voor de supermarkt staan enkele stellen toeristen enthousiast te praten, kinderen dollend er omheen. "We genieten zó hier. We zitten bijna elke dag op het water. Héérlijk die vrijheid, lekker uitwaaien, toeren met de motorboot over al die vaarten, sloten en kleine kreekjes". © John Zwart. IVN Natuur en milieueducatie. 10 juni 2006.
|
|
| Lentetekens | |
|
Een
harde winter is wéér uitgebleven. Helaas werd ons in de maanden januari en februari veel te weinig zonneschijn toebedeeld. Ik schrijf dit op donderdag 2 maart, alweer de tweede dag van de ‘meteorologische lente’ zoals weermannen en –vrouwen dat hebben benoemd. ‘s Morgens werd ik om zeven uur wakker terwijl het al schemerlicht was. Het ‘lengen van de dagen’ gaat nu merkbaar snel! Toen ik uit het raam keek zag ik waardoor het óók zo licht leek: wáár ik ook keek zagen mijn ogen alleen maar wit. Een flinke laag sneeuw viel in de nacht en was bij een paar graden onder nul blijven liggen. Erboven hing een dichte wattendeken van mist. De straat, de auto’s, de daken van de huizen, de tuin, takken en twijgen van struiken en bomen, álles wit voor zover het oog reikte – en dat was niet zo heel ver. Eind
februari en de eerste weken van maart staat het park Jongemastate vol met
vele duizenden bloeiende sneeuwklokjes. De aanblik daarvan temidden van
snel wegsmeltende sneeuw moest prachtig zijn. Om een uur of elf begon de
zon door te breken en de temperatuur steeg meteen naar een graad of drie.
De weervrouw voorspelde nieuwe sneeuw- en hagelbuien in het noorden, dus
moest ik meteen op pad, gewapend met de digitale camera. De
verdere aanblik van het park eerst nog winters. De sneeuwklokjes stonden
een beetje kleumerig met dichtgevouwen klokjes, gebogen onder hun
sneeuwkapje dat op hun schutblad was gegroeid. Maar de zon scheen
onbelemmerd door de kale boomkruinen en overal begon de witte decoratie
van takken en groen smeltend naar beneden te vallen of te zweven.
© John Zwart |
|
| Publicatie 2 maart 2006 | |
| De herfst is niet meer te stuiten | |
|
Deze
laatste zomerhitte golf kan ons niet meer om de tuin leiden. Op mijn
natuuruitvlucht van vandaag zie ik allerlei tekenen die me eraan
herinneren dat de meteorologische, straks ook de astronomische, herfst
gaat beginnen. In de heldere nacht zie je dat het sterrenbeeld Orion zich steeds verder boven de horizon verheft. Overdag worden de middagschaduwen langer. Al geruime tijd trekken grote spreeuwenzwermen langs dijken en wegen, het begin van hun gezamenlijke zwervende herfst- en winterbestaan. Ook de zwarte kraaien, die als eenling of in paartjes leefden, hebben zich tot grote hechte gemeenschappen aaneengesloten en foerageren nu gezamenlijk op de weilanden. De gierzwaluwen zijn allang vertrokken richting Zuid-Afrika, de boerenzwaluwen beginnen zich ook voor te bereiden. Telegraafpalen en draden zijn er allang niet meer, straks zie je ze in lange rijen zitten op de spandraden van de verlichting boven de snelwegen: een minder veilig alternatief wat ze vonden. Op
weg naar de bosterreinen van Sint Nicolaasga zag ik op een hooiland bij
Joure tientallen kieviten scharrelen en hoog boven de weiden van
Scharsterbrug waaierde er een grote troep van dezelfde vogels. Bij
het bosven, dat hoogstwaarschijnlijk een overblijfsel van een vijver is
die bij een ander buitenhuis heeft behoord, vind je de oudste bomen: een
bruine beuk en een aantal moseiken. Er ritselt al een enkel blad naar
beneden. Op één van de eiken zijn
nu ook de grote vuurzwammen, die er al jarenlang onderaan op de stam
groeien, opnieuw tot leven gekomen. Ze laten een poederlaag van sporen
achter met een koffie-filtermalingkleur op de schors eronder. Aan
de bomen zijn de lijsterbessen en vlierbessen volrijp en door de
lijsterachtigen - vooral de spreeuwen, die drukke veelvraten! – al flink
aangevreten. Alleen de glanzende helderrode bessen van de wilde
kamperfoelie worden ongemoeid gelaten. Zijn ze soms giftig? Ook de bessen
van de sneeuwbes blijven lang aan de struiken zitten. Ik moet toch eens
uitzoeken hoe het met de giftigheid staat van al die verschillende
bosvruchten.
|
|
| Publicatie 02 september 2005 | |
| Ongemerkt naar de zomer | |
|
Vorige dinsdag (19 april) reed ik langs
de IJsselmeeroever. Het was een regenachtige dag met nu en dan zelfs
stortbuien. Niet het soort dag dat je verwacht nieuwe tekens van de
komst van de zomer te zien. Maar opeens zag ik ze duiken en zwenken
over de kruin van de dijk: de huiszwaluwen. Nu zegt het spreekwoord
dat één zwaluw nog geen zomer maakt, maar ik telde er zo al vijf!
Is dat genoeg? In ieder geval een hoopvol teken met nog twee volle
maanden te gaan vóór het echt zomer is volgens de kalender. Opnieuw besefte ik hoe snel dat lenteseizoen verloopt, hoe alle gebeurtenissen in de natuur elkaar overlappen, vóór je het in de gaten hebt beginnen de dagen alweer korter te worden en is fris, pril en gaaf alweer aan het veranderen in stoffig met sporen van vraat. Toen ik enkele dagen later ook al in de wilgen achterin mijn tuin een fitis zijn kwelend liedje hoorde zingen wist ik het zeker: de zomer kondigt zijn komst aan. Gauw moet ik ook weer gaan kijken hoe het bos verandert. |
|
![]() |
Huiszwaluwen metselen met bolletjes klei hun nesten onderaan de dakrand |
|
Sinds de vorige wandeling is het al
duidelijk groener geworden, maar nog steeds een beetje transparant.
De eiken en de beuken zijn trager met hun bladvorming dan de andere
soorten en juist van dat oude hardhout staat er veel in dit bos.
Maar als je naar de knoppen kijkt is duidelijk te zien dat er
beweging in zit, het schutblad staat onder spanning, de lange spitse
beukenknoppen al een centimeter uitgegroeid. Onderweg leken enkele laan-iepen al in blad te staan, maar dat is gezichtsbedrog. De iepen hebben gebloeid en dragen nu een enorme hoeveelheid lichtgroene confetti, ronde schijfjes met in het midden een zaadje. Voor de vluchtige voorbijganger ziet het er uit als blad. Populieren hebben óók al gebloeid, dat alles speelt zich hóóg boven onze hoofden af. Bij vluchtige beschouwing vanaf de grond lijken ze helemaal bovenin het eerste blad te hebben gevormd. Maar ook dát hebben we niet goed gezien, in het bovenste van de kruin bloeit een verder nog kale populier, met voornamelijk mannelijke bloemen. De wind die door de takken blaast zorgt voor kruisbestuiving. Op de grond ligt het nu bezaaid met afgevallen katjes. De linde, de berk en de lijsterbes hebben het meeste haast met hun blad, de laatste stuwt gelijk met het blad zijn bloesemknoppen omhoog. |
|
|
Nog steeds klinkt de vinkenslag uit
volle borst, maar ook van verschillende kanten zang van de fitis.
Dat vogeltje wat sprekend op de tjiftjaf lijkt en eigenlijk alleen
door de kleur van zijn pootjes en zijn zang ervan verschilt. Uit de top van de grove dennen klinkt een rauwe kreet en een blauwe reiger vliegt weg. De jongen zijn nog niet uit het ei, of nog maar pas. Het is nog stil boven, als ze wat groter zijn klepperen ze als ooievaars om de aandacht van de ouders te trekken. Het aanzien van de dorre bodem is erg veranderd, met groen van het blad van de bosbraam en overal steken de nog opgerolde bladeren van de mannetjesvarens en de adelaarsvarens omhoog. Langs grazige kanten bloeit teerwit het look-zonder-look (het gekneusde blad verspreidt een uiengeur) en de paarse judaspenning. |
|
|
De
grote bonte specht houdt me nauwlettend in de gaten |
![]() |
|
Zoals altijd ga ik weer gauw het
slingerpaadje op, aangetrokken door de herhaalde roffel van de grote
bonte specht. Nu wil ik proberen hem te zien... met indianengang
beweeg ik me over het pad. Zodra de dikke dode stam in zicht komt
beweeg ik nog maar uiterst traag, en dáár zie ik hem hangen, onder
de afgebroken stomp van een tak, klevend tegen de stam. Als bevroren blijf ik staan, misschien zie ik hem dan hameren. Maar we hebben elkáár gezien, ik weet zeker dat de vogel mij van 30 meter afstand scherp in de gaten houdt. Ik kan blijven staan, maar hij zal zich nu stilhouden. Langzaam loop ik verder en zodra ik uit het zicht ben hoor ik zijn roffel weer door het bos galmen. |
|
| Het oranjetipje is in de lente op nat grasland te vinden |
![]() |
|
Ik bereik het brede dwarse bospad en
onmiddellijk vallen me sporen van rupsbanden op. Er moet een zware
grondverzetmachine langsgereden zijn. Aan weerszijden van het pad
zie ik enkele vers ontvelde eikenstammen. Voor de toegang naar het boshuisje is het hele pad omgeploegd, het voertuig moest daar een haakse bocht maken. De aanblik van de oude kastanjeboom, met bloesemtrossen die al lichtjes beginnen te kleuren dringt niet meer tot me door. Ik had gehoopt op een nostalgische sfeer onder de kastanje met zicht op de bosweide met zijn jaarlijkse zéé van pinksterbloemen. Maar nu ziet het er uit als een terrein waarop de landmacht een oefening heeft gehouden. Er zijn sleuven getrokken om drainage aan te leggen, ongetwijfeld moet ook dit stukje groen in het bos, waar vroeger één keer gemaaid werd en 's zomers wat jongvee op stond, omgezet worden in het zoveelste maïsveld. Jammer, jammer, de pinksterbloemen - voorzover niet ondergeschoffeld - zijn platgereden onder de rupsbanden. Tussen de maisplanten zullen ze niet meer terugkomen. En geen oranjetipje meer te zien natuurlijk, ach wat kan zo'n vlindertje ons nou toch schelen… Ik vertrek maar gauw. Uit één van
de beschadigde eiken vliegt een grote bonte specht weg. Alsof hij me
wil troosten: als deze eik straks doodgaat kom ik hier, vlakbij,
voor jou roffelen. © John Zwart. Natuurgids IVN. |
|
| Publicatie 24 april 2005 | |
| Langs bosadressen | |
|
De zon schijnt al bijna twee dagen
achter elkaar. Mijn tuin is in enkele dagen geel en roze geworden.
Geel van het speenkruid, de narcissen en de forsythia, roze van de
bloesemwolk waarin de prunus zich heeft gehuld. Hoog tijd om eens te gaan kijken wat
het voorjaar aan het doen is met mijn dichtstbijzijnde favoriete
bosperceel, dat ligt in de buurt van St.Nyk (Sint Nicolaasga Frl.).
"Het filosofenbos" noemt een vriendin van mij het. Ze gaf
het die naam sinds ik haar vertelde dat ik er nu en dan heen ga om
tot andere gedachten te komen en de stress weg te laten vloeien uit
mijn lijf. |
|
|
De
lente kleurt vooral geel, maar in het
lentelicht onder nog naakte bomen kleurt 'n enkele plek blauw van
scilla en bosanemoon. |
|
Zoals al verwacht word ik begroet door
lentezang. Meteen op het parkeerplaatsje sta ik middenin een ruimte waar vele fluitsolisten om de aandacht strijden. Als vogels eenmaal een plekje hebben veroverd zijn ze enorm honkvast. De vink zit het dichtst bij, ik ontdek hem in een hoge eik vlak langs de toegangslaan. Ik weet vrijwel zeker: dezelfde vink van verleden jaar op die plek. Duidelijk te herkennen aan zijn krachtige geoefende zang, het is beslist geen adolescent die het nog moet leren. Om het zingen van de vink te karakteriseren zou ik zeggen: 'het is als een glazen knikker die in snelle vaart een stenen trap afstuitert en beneden aangekomen nog even een sprongetje maakt'. Verder in het bos klinkt allerlei andere zang, vooral van verschillende soorten mezen, onderling zijn het heel gevarieerde liedjes. Ik hoor van "twiet-tiet twiet-tiet" tot "pie-tje-peh" en alles er tussenin, in elk denkbaar ritme. |
|
|
Een bos wordt echt "bewoond"
door vogels, er zijn vele vaste "adressen". Zo zijn de
toppen van een paar grove dennen, die boven 't jonger loofhout
uitsteken, al lange tijd uitverkozen door enkele paren blauwe
reigers. Verleden jaar hebben ze drie nesten met jongen groot
gebracht. In afwachting blijf ik een poos nabij de bomengroep staan,
hun dichte naaldenkroon verhindert het zicht op de nesten. En ja
hoor, na een poosje wachten hoor ik een schreeuw van een
overvliegende reiger die zwenkt en daalt. De wacht wordt gewisseld,
er wordt gebroed! Het bos is zondoorschenen, de takken nog ijl maar overal vertonen zich lichtgroene tipjes van het komend blad. Nu is 't de beste tijd om al die pas aangekomen zangvogeltjes te observeren. Het is alleen nog maar de kamperfoelie die zijn blad volledig heeft ontplooid. Die pakt na sneeuw en vorst van nog geen vier weken geleden gewoon meteen de draad weer op. Uit de kluwens hoor ik het "chieieieieiezz" van de groenling klinken. |
|
|
Koolmees
en vink, de onvermoeibare zangers |
|
|
Ik verlaat het kaarsrechte hoofdpad en
verdwijn tussen de stammen over een smaller kronkel-paadje. Er staat
ergens een dode dennenstam waarin een spechtenhol is uitgehakt. Ik
hoop op een glimp van de grote bonte maar mijn wens wordt niet
beantwoord. In een bocht staat een groepje sparren vrij dicht opéén. Ik weet dat de vlaamse gaai zich daar meestal ophoudt en word tóch nog verrast: de vogel heeft mij al veel eerder gezien dan ik hém. Met een schreeuw klapwiekt hij weg, ik herken nog net zijn witte stuit en de mooie vleugeltekening met helderblauw gestreepte veertjes. |
|
|
Het bos is nog zon-doorschenen |
|
In dit bosgedeelte laat zich ook de
tjiftjaf al horen. Die zijn moeilijker op een vaste woon- of
verblijfplaats te pinnen, want ze zwerven de hele dag van boom tot
boom om in de kruinen hun insectenvoedsel te verzamelen. De roep is
afwisselend een hoge en lage noot die ongeveer een half octaaf in
toonhoogte verschillen, met enige fantasie klinkt het wel ongeveer
als zijn naam. Ze zijn nog gemakkelijk te zien, over een paar weken is dat voorbij. Maar de hele zomer zullen we ze nog (tot vervelens toe, zeggen sommigen - ik niet hoor) blijven horen. Luid zoemend scheren dikke aardhommel-koninginnen in een schijnbaar willekeurige baan tussen de stronken door, boven het halfverteerde bladerdek op de bosbodem Op zoek naar een geschikte plek voor een holletje. Ook zij hebben straks een permanent woonadres in het bos voor hun nieuwe volk. |
|
|
Wat verder kom ik bij "het
huisje", 'n oude woning die alleen zo nu en dan als weekend of
vakantieverblijf gebruikt wordt. Met medeweten en instemming van de
boswachter betreed ik het erf als er geen bewoners aanwezig zijn. Dit is de plaats waaraan mijn bos zijn bijnaam ontleent, ervóór staat een forse paardenkastanje met eronder een tweetal tuinbankjes. |
|
|
Een prachtig rustig plekje om even kalm
je gedachten te laten gaan. Ik kijk omhoog in de kroon van de
kastanjeboom, waar het takkenweefsel scherp afsteekt tegen de blauwe
lucht. Alles is zo schijnbaar in rust en onveranderlijk. De wereld lijkt even stil te staan. Maar ik bedenk dat die rust maar heel betrekkelijk is, alles is juist voortdurend in beweging. Ononderbroken zorgen de seizoenen voor voortgaande verandering van het aanzien, ook in de herhalende cyclus die deze ene boom vertoont. De glimmende knoppen, aan 't uiteinde van elke omhoog gebogen twijg, zijn bezig vrije doortocht te geven aan nu nog fluwelig saamgevouwen groen. Daarbinnen zitten de bloesem'kaarsen' al in aanleg opgesloten. Maar tegelijk is er ook een ander proces dat voortgaat, het groeien en afsterven van elk individu. Oók de 'vogeladressen' die ik op mijn rondwandeling bezoek zullen ooit andere bewoners hebben. De vos, die in de oostrand zijn hol heeft, wordt dit jaar misschien wel afgeschoten en dan zit er volgend jaar een andere vos in dat hol. Net als de houtduiven die in datzelfde dichte sparrenperceel geslagen worden door de sperwer, zal ook die sperwer vroeg of laat verdwenen zijn… Nu zit ik hier onder deze boom, die
er zeventig jaar geleden nog niet stond.
Honderd jaar geleden stond hier op diezelfde plek wellicht
een heel andere boom, of juist helemaal géén boom, maakte dit stuk
bos nog deel uit van een uitgestrekt moerasgebied. © John Zwart
|
|
| Publicatie 3 april 2005 | |
| In het laagland langs water en weide | |
|
Het is nu tien dagen sinds de laatste
sneeuw van de landerijen is verdwenen. Alsof we in een landklimaat
leven is de afgelopen twee weken de temperatuur wekelijks tien
graden gestegen; ik loop op mijn rondje langs de meeroever en weiden
te puffen in mijn gevoerde jas.
Het voorjaar is onstuitbaar. |
|
| Ik vervolg mijn weg over de brede golfbreker die ver in het meer uitsteekt. Twee paartjes futen schuddekoppen tegen elkaar met hun opgestoken wang- en kuifveren, ze duiken en bieden over en weer voedsel aan. Middenop is de golfbreker beplant met essen, els en meidoorn, een dichte wirwar van takken en twijgen waarin winterkoning, roodborst en merel konden overwinteren. Vanaf de overkant klonk vorige week nog druk ganzengebabbel, nu is het vanaf die kant veel stiller. Nu en dan vliegt een kleine groep ganzen over, de plotselinge warmte heeft ze onrustig gemaakt. Hun drang om te vertrekken naar het broedgebied is hevig. Hoog boven mij trekt een formatie wilde zwanen vastbesloten oostwaarts. Wie het eerst aankomt kan de beste plekjes bezetten, daarvoor riskeren ze desnoods dat er de eerste week nog niets te eten is. | |
| een dichte wirwar van takken en twijgen waarin winterkoning, roodborstje en merel konden overwinteren. | |
|
Op de kop van de golfbreker neem ik een
pauze op een van de bankjes. Nog even en het is Pasen, dat is het
begin van het watersportseizoen. Dan moet alles weer uit de
winterstalling en worden in enkele dagen tijds duizenden boten te
water gelaten. Dan zal het hier een gebrom en geronk van jewelste
zijn - op weg naar en vanuit het Pr.Margrietkanaal. Nu is het nog
heel stil en achter mij hoor ik voortdurend zachte hoge piepjes uit
het struikgewas komen. Het geluid doet me denken aan goudhaantjes,
maar die verwacht ik niet op deze plek. Geleidelijk komen de
geluidjes dichterbij en worden helderder, dán zie ik ze:
staartmeesjes. Een heel troepje in voorjaarsstemming, trekken zich
niets aan van de roerloze figuur op het bankje die naar ze kijkt.
Als acrobaten wervelen ze door de takken, soms op nauwelijks een
armlengte van mij af. Het is als een grote gezamenlijke bruiloft.
Regelmatig nemen vrouwtjes een hulpeloze houding aan, met trillende
vleugels, zoals je dat ook bij jonge pas uitgevlogen mussen ziet als
ze om voer bedelen. Na een poosje nemen ze allen weer dansend de
wijk. |
|
| zachte piepjes klinken uit 't struikgewas | |
|
Langs de loefkant loop ik terug naar
het vasteland waar het strandje is. In de verte steekt een stuk
buitendijks land uit, dat de scheiding vormt tussen het meer en de
erachter liggende poel. Daar is weer vlak water, waar de hele winter
de smienten hun heil zochten. Ik vraag me af of ze ook al op hun
voorjaarstrek gingen of dat ze nog gebleven zijn. Er wandelen al
veel mensen met honden langs het strandje, de zwemvogels hebben zich
terug getrokken en dobberen ver weg, met het blote oog onherkenbaar.
Op het moment dat ik de kijker pak hoor ik de mannetjes fluiten. Ze
zijn er nog! Maar ook zij zullen niet lang meer blijven. |
|
|
Tussen de wilgentakken met hun witte en
gele katjes zoemen de hommels. Bovenop het verteerde herfstblad
tussen de wilgenstruiken glanzen heldergroene hartjes in toefjes
bijeen. Het speenkruid, met hier en daar al een geopend bloempje als
een stralend sterretje. In deze wilgenbosjes verwacht ik straks de
fitis, die is nog onderweg uit Afrika. Het gras dat grijs en grauw leek is in een paar dagen frisgroen geworden, wit en geel bespikkeld met madeliefjes en klein hoefblad, zelfs de paarse dovenetel staat al in bloei. Het fluitenkruid heeft zijn fijntjes gedeelde blad ontplooid. Het zal niet lang meer duren of alle wateroevers zullen versierd zijn met de witte schermbloemen, het buitendijkse land zal weer blinken met glanzend gele dotterbloemen. |
|
|
de
mannetjes van de schuwe smienten fluiten, zij hebben een prachtig winter- en voorjaarskleed. |
|
|
Met snelle vleugelslag vliegen vier
scholeksters over mijn hoofd, twee aan twee, voortdurend opgewonden
roepend. Prachtig zijn ze in hun lentekleed: sneeuwwit met diepzwart
en oranjerode snavels en poten. In de volksmond heet deze vogel ook
wel "bontepiet", een kernachtige naam die zijn uiterlijk
en roep in zich verenigt! Ik nader het vogelreservaat, behalve de scholeksters zie ik daar boven van verre al heel wat rondvliegen. Het is jammer dat onlangs nabij het dorp alweer een heel stuk weide is omgezet in een maïsakker. De weidevogels worden steeds meer aangewezen op het kleine stukje beschermd gebied. Het wordt daar letterlijk dringen om goede nestplekjes te bemachtigen. De eerst aangekomen broeders zijn de kieviten, dat zijn de opportunisten onder de trekvogels. Zij volgen 's winters vaak zo'n beetje de vorstgrens en zitten in zachte winters dus erg dichtbij. Slaat het weer om zoals nu zitten ze meteen op hun plek. Maar de grutto's zijn er ook al! Die hebben een trektocht achter de rug waar het zwerven van de kieviten maar kinderspel bij is. Het baltsen van de kieviten en de grutto's is mij een lust voor oor en oog. |
|
|
Vanaf het dijkje is het hele gebiedje
makkelijk te overzien. Er zitten al kieviten te broeden. Een paartje
tureluurs voert verleidingsdansen uit op de grond. Nu en dan openen
ze daarbij de vleugels en tonen ze de mooie witte randen en stuit.
Maar meest blijven hun wieken ingevouwen en rennen ze achter elkaar
aan alsof ze tikkertje spelen. Het spel is zo vurig dat ze bijna de
broedende kieviten overlopen, die hun vleugels snel even opsteken
bij wijze van waarschuwing. Als je zo staat te kijken en te luisteren dringt het tot je door hoe klein en kwetsbaar al die water- en weidenatuur is. Alles wat wij mensen ondernemen in gebieden als het Groene Hart, de Noord-Hollandse polders, in Friesland en in Groningen betekent bijna altijd verarming; zo bedenk ik terwijl de armada van een motorclub aandavert. Ik zie ze langsdenderen op een paar honderd meter afstand. © John Zwart – IVN Natuurgids. Friesland, 20 maart 2005
|
|
| Lente in hink stap sprong. | |
|
De laatste resten van de hoge
sneeuwhopen, die langs de straat waren opgeworpen door het vrijmaken
van parkeerplaatsen, zijn bijna weggesmolten. Het is nu tien dagen geleden dat ik een stinzenplanten excursie zou geven in Rauwerd, Midden Friesland. Door de extreem zachte winters van de afgelopen jaren begon merkbaar het seizoen voor die vroege voorjaarsbloeiers van maart-april geleidelijk naar voren te verschuiven naar februari-maart. Ook in januari van dit jaar bewoog de
temperatuur zich tussen ongewone waarden. De viering van nieuwjaar
nauwelijks achter de rug opende de hazelaar het nieuwe seizoen; op
de zonnige momenten, tussen alle winderige en regenachtige dagen
door, liet een enkele koolmees al een voorzichtige lenteroep
horen. |
|
|
In de januarimaand waren de futen al aan het baltsen |
|
|
Aan het eind van de maand begonnen op
Jongema State (Raerd-Rauwerd) de winterakonieten te bloeien en staken overal alweer
de bloeistengeltjes van de sneeuwklokjes omhoog. Voor een excursie leek het zaak om niet later dan de eerste helft van maart te plannen, 5 maart werd vastgesteld, de vooruitzichten beloofden dat er dan nog sneeuwklokjes in hun laatste bloei zouden zijn en lenteklokjes en holwortel juist begonnen. |
|
|
Wie had kunnen denken dat er in de
laatste februaridagen nog een forse golf winterweer voor ons in het
verschiet lag! In de nacht van 2 maart op 3 maart viel op sommige
plaatsen in midden Friesland 40 tot 50 centimeter sneeuw. Radio en
tv raakten er helemaal opgewonden van. Het heeft wel even geduurd voordat de
witte velden weer groen zijn geworden en ook de dikke korsten
sneeuwijs uit de sloten verdwenen. Maar de vogels wisten het meteen,
zodra de zware nachtvorst voorbij was pakten ze allemaal de draad
weer op. Ooievaars zitten alweer op het nest. Kieviten duikelen
boven de ontdooide weide. Koolmezen en spreeuwen laten zich
enthousiast horen, de eerste vinkenslag klinkt 's morgens al in mijn
tuin en de merel oefent, nog een beetje binnensmonds, zijn virtuoze
lentelied. Totdat hij, zeker van zijn zaak, uit volle borst
losbarst. © John Zwart - IVN Natuurgids. 15 maart 2005. It Fryske Gea heeft een nieuwe stinzenplantenexcursie op de kalender gezet voor 17 april, (09.30u), hopelijk zal dat niet te laat zijn… Jongema State, Rauwerd.
|
|
| Respect voor het leven - overdenking - geplaatst 21 januari | |
|
Onlangs las ik een ingezonden belevenis
van 'n lezeres van de Volkskrant en werd weer eens aan 't denken
gezet over het mensdom. Ik ben geneigd steeds van het goede uit te
gaan in mijn medemensen, soms stel ik mijn mening na stevige
teleurstelling bij. De laatste tijd raak ik meer en meer geneigd de mensheid in te delen in twee categorieën: Eén die behoefte heeft aan voortdurende sterke prikkels en een andere die weet in rust van 't leven te genieten. Daarbij zijn ze als "east is east and west is west and never the two will meet". Ik denk dat de groep van de rustige de grootste is – immers een minderheid is al heel gauw in staat het voor velen te verpesten – maar die andere groep is dominant en lijkt te groeien. Ons hele moderne leven is erg onnatuurlijk. Dat ben ik me bewust en dat bewustzijn beïnvloedt mijn gedrag: ik doe mijn best hinder, schade en narigheid te beperken. Het lukt me niet altijd. Heel wat jaren reisde ik intensief per auto door Nederland en België om de kost te verdienen als vertegenwoordiger van een technisch concern. Die vele honderdduizenden kilometers hebben slachtoffers gemaakt. Elk geval herinner ik me tot in de kleinste details en na jaren kan ik er nog een vreselijk naar gevoel over krijgen. |
|
|
Herkenbaar? |
|
|
Jaren geleden reed ik in de lente over
de Houtribweg Lelystad uit. Waar nu woonwijken zijn waren toen ter
weerszijden akkers met wintertarwe. Opeens vloog vlak naast me een
vogel op en stak de weg over. Te laag om mijn auto te missen. Binnen
15 meter stond ik stil. Het was een grutto. Met de kop in een van de
sleuven van de grille geslagen. Oogjes kapot, de lange snavel
versplinterd, nek gebroken. Stuiptrekkend bleven in reflex de
vleugels slaan. Met de schacht van een schroevendraaier sloeg ik het
kopje kapot en trok het dode dier los. Ik had een heel beroerde dag:
De grutto, de weidevogel waar ik zoveel van houd!
Toen de A6 er nog niet lag reed ik over de Vogelweg vanaf de Hollandse Brug in de vroege avond naar huis. In het licht van de koplampen zag ik voortdurend konijnen in de berm, ik reed echt langzaam, alert op reeën. Middenop de weg dook een haas op, haken slaand galoppeerde hij: niet van de weg af, maar zwenkte terug en rende verblind zó onder de auto. Ik hoorde een bonk onder het motorschot en nóg een onder de vloer. In het licht van mijn pechlamp lag het dier vlak achter de auto, languit op het asfalt. Bewoog zich niet meer, maar ik zag grote angstogen. Voorzichtig tilde ik hem op de plaid en nam 'm in de auto op schoot. Mijn handen beroerden een warm vachtje, prachtige lange oren met donkere pluimpjes aan de uiteinden. Ik verbeeldde me nog lichte beweging van z'n flanken te zien: "Ademt hij nog, komt hij weer bij?" Toen, een echte zucht en zijn ogen waren geen ziende ogen meer. In de late herfst reed ik bij Almere over het toekomstige industrieterrein De Vaart. Tegen het zandverstuiven door de Rijksdienst vd IJsselmeerpolders met kreupelhout ingeplant. Er leefden reeën, uiterst voorzichtig reed ik. De ogen voortdurend gericht op het groen dat tot aan de rand van de verharding reikte: het was de tijd van de bronst. Sterkere, oudere bokken jagen dan de jonge bokken hardhandig bij de wijfjes weg. Een vluchtende jonge bok brak uit en stortte zich voor de bumper. Gebeurd voor ik 't goed en wel besefte. Het bokje had de rug gebroken en zijn achterlijf was verlamd. Wanhopig trachtte hij met voorpoten en slepend achterlijf weg te vluchten. Ik belde de jachtopziener om hem af te schieten. Het duurde een half uur eer hij ter plekke was. Intussen was het dier gestorven tussen de struiken waarheen het zich sleepte. Ik was er kapot van. Drie slachtoffers over vele jaren maar toch… Ons verkeer is een echte moordenaar. Hoe kan het dat er mensen zijn die dieren moedwillig doodrijden? Daar kan mijn verstand niet bij. John Zwart. IVN Natuurgids |
|
| Publicatie 21 januari 2005 | |
|
Onderstaande overgenomen uit De
Volkskrant - Woon-werkverkeer. Trees Roose, Haren.
Je hebt van die dagen dat je
zonnig en welgehumeurd naar je werk gaat. Je weet niet precies hoe
het komt, maar op zo'n dag heb je echt zin om er wat van te
maken. |
|
| Winterbeeld in Friesland - impressie van een natuurwandeling - geplaatst 15 december | |
|
De
mist is opgetrokken. Nu
is het stil. Echt stil? Nee niet helemaal, vanuit de verte waait ons
nog grommend motorgeluid tegemoet, een kruisertje onderweg van Sneek
naar de Heerenzijl, maar verder geen bootjes in zicht. Je bent méér
buiten dan 's zomers wanneer het geronk en getuf van
honderden pleziervaarders voor een niet aflatend motorisch
achtergrondlawaai zorgt, nu hóór je de stilte van de natuur. In de
ondergroei van een elzenbosje de tikkende geluiden van een
roodborstje, dat hier zijn winterterritorium heeft afgebakend. Door
de grillige takken en twijgen van de elzen, behangen met ontelbare
zaadproppen, hoor je hoe de wind zachtjes suist. De knoestige, weer en wind geteisterde, vormen tekenen
zich zwart af tegen de onwerkelijk zachte pastelblauwe hemel. |
|
|
|
|
|
Dán
wordt de lucht vervuld door het roepen van ganzen. Boven Terkaple
zwermen ze in slordige troepen kris kras door de lucht, hun stemmen
klinken ver door de stilte. Dalend beschrijven ze grote bogen, hun
lage stemmen klinken luidruchtig. Brandganzen herken ik, één troep
vliegt over me heen en keert boven het meer met een bocht weer om;
ze kijken niet op een paar kilometers méér of minder, deze jongens
en meisjes. In de weilanden tussen Goingaryp en Terkaple grazen er
vele honderden, er vliegen nu en dan groepjes weg en er komen weer
andere aan. Mensen,
het is prachtig in Friesland, kom maar in alle rust kijken en
genieten. Maar als je een 4x4 fanaat bent of graag op een Japans
raceijzer scheurt: blijf weg! John Zwart - 05/12/2004.
|
|
| Publicatie 15 december 2004 | |
| Alle vogels ... Natuurbeleving - geplaatst 20 oktober | |
| Als
ik aan het werk ben in de keuken klinkt er een doffe bons tegen het
raam. Omdat de straat bezaaid ligt met appeltjes van de straatbomen
die tegenover het huis staan, is het eerste waar ik aan denk dat ons
huis weer eens een mikpunt is, dat gebeurt wel vaker. Maar: geen kinderen te zien en ook geen prutplek op de ruit dus loop ik voor de zekerheid even naar buiten, een vogeltje misschien? En jawel, op de tegels onder het raam ligt het mooiste vogeltje dat ik ooit van zo dichtbij gezien heb: op z'n zijkant, oogjes dicht, maar z'n borstje gaat razendsnel op en neer en af en toe gaat z'n snaveltje even open voor een hapje lucht. Ik sta in tweestrijd, de camera halen of niet. Monsters van katten sluipen hier rond en een vogeltje in deze staat maakt geen schijn van kans als er eentje hem in het oog krijgt. Ik blijf dus op mijn knieën, bijna met mijn neus op de stoep bij het vogeltje zitten. Een prima gelegenheid om hem goed in mij op te nemen, ieder kleurtje, streepje en vlekje, zodat ik hem later in mijn vogelboek kan opzoeken en herkennen. Plots lijkt hij ergens van te schrikken, springt wankel op zijn pootjes en blijft roerloos zitten. |
|
|
|
|
|
Ik
doe beschermend mijn handen om hem heen zonder hem aan te raken daar
is hij sowieso te fragiel voor. Langzaam maar zeker komt hij bij,
door de beschutting en warmte van mijn handen? Een overbuurvrouw komt naar buiten om te kijken wat ik lig te doen, het moet ook een wonderlijk gezicht zijn. Ze denkt dat het een jonkie is, maar ik weet wel beter. Ze kletst maar wat, heeft het over vlaamse gaaien als ze eksters bedoelt, enz. Laat maar... Na een minuut of vijf strekt het vogeltje zich en vliegt op naar een appelboom aan de overkant, zet zich op een tak en tjilpt dat het een lieve lust is en ik haal opgelucht adem. 'Och hoor toch es', roept buurvrouw, 'het lijkt wel of hij je bedankt!' Ja, ja, ik naar binnen, vogelboek erbij en zoeken. Het blijkt 'n vuurgoudhaantje te zijn, niet te missen met het feloranje streepje boven op zijn kopje, maar hoe komt zo'n prachtig gekleurd verenballetje nu hier in een woonwijk terecht? © Hetty Mulder
|
|
| Een staartje zomer. Natuurbeleving - geplaatst 12 oktober | |
| We
zitten alweer een aantal weken in een onrustig weertype, gekenmerkt
door onberekenbare buiigheid. Niet ongebruikelijk voor de herfst,
maar het valt me op dat er méér dan gebruikelijk over wordt
gemopperd. 'Niks waard die Nederlandse zomers, we boeken voor 2005
maar weer een zonnig vliegreisje'. Maar is onze reactie redelijk? We vergeten zo snel, want toen die tegenvallende augustus voorbij was kregen we toch nog een hele reeks warme, meteorologisch 'zomerse' dagen, vóór de 'natte septembermoesson' begon. Het weekend van 4 en 5 september waren zulke dagen. Een stralende zon aan een bijna wolkenloze lucht. Nadat de zaterdagochtendplichten waren vervuld zochten we de Noordhollandse Markermeerkust op. De kronkeldijkjes tussen Hoorn en Durgerdam zijn mij nog altijd bijzonder lief. Misschien komt dat door de mooie beschrijvingen van Jac P Thijsse in zijn album 'Langs de Zuiderzee': het hoofdstuk "Van het Y naar 't Hoornsche Hop". Een pittige wandeltocht van 50 km, waar Jac als "stevigen dagmarsch" niet voor terug deinsde! Maar er zijn wel negentig jaren
verstreken sinds hij die respectabele tocht maakte, waarbij hij in
alle rust over de kruin of onderlangs de zuiderzeedijk wandelde,
zonder iets anders dan een enkele boerenwagen of fietser tegen te
komen. |
|
|
|
|
|
We konden die mooie middaguren niet
besteden op een manier zoals we hadden voorgesteld, dus een beetje
teleurgesteld reden we terug naar Monnickendam. Daar, vlak vóór
het stadje, waar de weg zich van de dijk afbuigt, viel ons opeens
een ruime parkeerplaats op waar geen enkele auto stond! Tegen de
stadsgrens aan, waren we daar nu zomaar achteloos aan voorbij
gereden? Over de dijk geklommen troffen we aan de andere kant een flauw hellend grastalud, gedeeltelijk besloten door wilge-, sleedoorn-, lijsterbes- en elzenbosjes, en omzoomd met een brede kraag van riet en lisdodde. Een kleine opening erin bood zicht op het water van de Gouwzee en het 'Paard' van Marken aan de overkant. Toen we er een poosje stilletjes zaten begon het dierenleven rondom aan onze aanwezigheid te wennen. In de dichte bosjes huisde een hele eksterfamilie, dat hoorden we al gauw. Eén voor één kwamen ze tevoorschijn en gingen door met hun foerageergedrag in het gras. Deden al gauw alsof we er niet waren. Van over de dijk kwam uit een boomkruin een zwarte kraai aangevlogen en zette de landing in, maar dat werd niet geduld. Familie ekster heeft hier zijn territorium. De brutaalste van de eksters hipte en fladderde op twee passen afstand voorbij naar het zandige strookje waar het riet zicht op 't water gaf. Verbaasd zagen we hoe de vogel een eindje het water in waadde en vervolgens lekker begon te spetteren. Na het bad ging hij of zij in het gras zitten, uitgebreid verenpoetsen. Sperde daarna de snavel open, spreidde de vleugels en nam gehurkt in het gras een zonnebad, zonder zich iets van ons aan te trekken. Tussen de rietkraag waren al een poos de geluidjes van het waterhoentje te horen. Alles was zo rustig dat het schuwe diertje een paar keer tevoorschijn kwam, de jongen bleven zich schuilhouden. Dat het seizoen al verstreken raakt
toonden de oranje lijsterbessen onmiskenbaar. De sleedoorn droeg ook
bessen, nog groen maar al met een blauwe zweem, ook voedsel voor de
trekkende spreeuwen en lijsterachtigen. Behalve de 'rietsigaren' was
er nog veel bloei in 't riet: roze bloempjes van het harig
wilgenroosje, witte kelkjes van de haagwinde en veel roodroze
trossen van de grote balsemien. Het waterhoentje hoorden we nog
steeds, maar het trok zich allengs dieper in de rietkraag
terug. Plotseling klonk druk vogelrumoer in
de bosjes, contactroepjes, 't moesten mezen zijn naar het geluid en
een grote groep ook. De eksters reageerden er niet op, zagen er geen
concurrenten in. Het mezentroepje voelde zich al gauw veilig en liet
zich voortdurend zien, vlak voor onze neus. Jonge staartmezen waren
het, de staartveren nog niet zo opvallend lang uitgegroeid als bij
tweedejaars vogels. Ze misten ook nog de roze gloed over borst- en
buikveren, maar wel prachtig zwart-wit getekend. Toonden zich echte
acrobaten in het dichte struikgewas. Op de terugweg kregen we nog een
grote troep grauwe ganzen te zien, grazend op een weiland en een
groepje volwassen knobbelzwanen was na een lange aanloop net
losgekomen uit het water. Ze scheerden laag over de dijk en kwamen
met indrukwekkend geluid van hun sterke vleugelslag vlak over ons
hoofd zodat het leek alsof we ze konden aanraken. © John Zwart - 10 oktober 2004 |
|
| Publicatie 12 oktober 2004 | |
| Herinneringen aan kauwen - Serie 'In het veld' Hilde vd Stelt-Strijbos - 5 sept 2004 | |
| Kauwtjes
zijn mij van kindsbeen af erg vertrouwd. Aan de duinrand waar wij
woonden, waren ze heel algemeen en 's avonds kwamen ze vaak in 'kau
kau' roepende troepjes over ons huis. Als we spelend in de duinen de
zon zagen zakken en de nevel in de duinkommetjes zagen neerdalen,
kwamen dartelende, luidruchtige vluchten kauwen over ons heen, op
weg naar hun slaapplaats: dat betekende voor ons tijd om huistoe te
gaan. Veel later, toen ik zelf al kinderen had, kwam mijn zoon Hans eens thuis met een jonge kauw, die hij als een soort slaaf had losgekocht op de Dappermarkt. De jonge vogel had een gele voersnavel en guitige lichtblauwe oogjes, een teken dat hij nog maar een kleuter was en goed verzorgd moest worden. Hans maakte een hoge zeshoekige kooi voor hem, een waar kunstwerk. En als Hans thuis was mocht 'Kra-kras' op zijn schouder zitten. Zo kregen zij een hechte band. Maar op een warme zomerdag, toen de tuindeuren open stonden vloog Kra-kras de tuin in, de vrijheid tegemoet, tot groot verdriet van Hans. Hij liep eerst alle daken van het hele blok af, luid Kra-kras roepend, maar die had de vrijheid geroken. En zo moet het ook. Later wandelden we op de hei in het Gooi; daar stond op een akkertje ineens een paal met een dode kauw eraan gebonden, als vogelverschrikker. De tranen sprongen Hans in de ogen: hij stelde zich voor dat daar zijn Kra-kras hing, op het galgenveld, verlept, verfomfaaid, als oud vod. Terwijl ik eens alleen door een populierenbosje in de duinen liep werd het slaaptijd voor de kauwen: ineens daalde een hele troep tussen de takken. Honderden kauwtjes omringden mij: ik rook ze, ik voelde een zuchtje van hun vleugelslag en overal was hun geluid. Ik werd zo klein als Erik in Bomans' Klein Insectenboek, of eigenlijk als een kauw en graag was ik met ze op stok gegaan. Maar zover gaat je vermomming niet. Het was een gelukkig moment, ineens ben je geen gevaarlijk mens meer, maar ben je schijnbaar opgegaan in de kauwenwereld. Ik onderdrukte de neiging om hard 'kau' te roepen, want dan werd ik door de verkeerde intonatie vast als vreemdeling herkend. |
|
|
|
|
|
Onlangs moest ik enige tijd in het
ziekenhuis doorbrengen, op de vierde verdieping. 's Avonds kon ik
ver achter Schiphol de zon achter de kim zien zakken. En dan kwamen
de kauwen. Telkens kwam een klein groepje aanvliegen uit
verschillende richtingen van de stad, zich haastend om zich bij hun
soortgenoten te voegen. Door een groot raam kon ik de troep joelend
voorbij zien komen. Steeds meer groepjes sloten zich aan en ik telde
er zeker wel zo'n vijfhonderd, misschien wel duizend… Op gelijke
hoogte kun je allerlei details zien: ik zag duidelijk hoe ze, zelfs
in de grote troep, in paartjes vlogen, telkens twee dichtbij of
achter elkaar. Als bij afspraak liet een paartje zich soms ineens
door de wolk van soortgenoten naar beneden vallen en kwam onderaan
te voorschijn, maakte samen wat buitelingen en voegde zich verderop
via een grote bocht weer bij de overigen. Het was een adembenemend
spel. Telkens wendden ze allemaal de steven en vlogen dan tegelijk
de andere kant op. Geregeld waren er afspraakjes van een paartje,
dat eens even een ommetje ging maken. © Hilde
van der Stelt-Strijbos |
|
| Publicatie 5 september 2004 | |
| Dagvlinders - Inzending Hetty Mulder - geplaatst 29 augustus 2004 | |
|
Het is opeens alweer warm, maar de
stevige wind over de Oostvaardersplassen zorgt voor
verkoeling. Uit een bossage langs het water
klinkt de roep van de sperwer. Weinig vogels, maar wel een mooie wandeling met heel leuke vlinderwaarnemingen! © Hetty Mulder.
|
|
| Publicatie 29 augustus 2004 | |
| Waterrecreatie - Inzending John Zwart - geplaatst 13 augustus 2004 | |
|
Warm is
het, maar er staat veel groen achter in de tuin, die daar afhelt
naar het water. Ik zit stil op het bankje. De
pimpelmezenfamilie keert elke middag weer een poosje terug naar hun
oude stekje. Tussen de dichte pruiken van de knotwilgen scharrelen
de meesjes naar insecten, blijven daarbij door hun contactroepjes
als gezin bij elkaar. Ik kan vrouwtjes en mannetjes van de
libellen niet goed van elkaar onderscheiden. Maar de libellen zelf
kunnen dat uitstekend. Even later vliegt een 'tandem' als een
paringswiel boven de bladzijden van mijn tijdschrift. Dezelfde die
vanaf mijn knie had gejaagd? © John Zwart. Natuurgids IVN - 11 augustus 2004
|
|
| Publicatie 13 augustus 2004 | |
| Us mem - hoe voelt zij zich? - Inzending Netty van Lookeren - geplaatst 31 juli 2004 | |
|
Tijdens een uitstapje - waaruit dit
jaar mijn vakantie in hoofdzaak bestaat -
doorkruiste ik een stukje Nederland waarin landbouw en
recreatie het samen moeten vinden, zoals in zoveel streken.
Jaarlijks staken in ons land duizenden boeren hun bedrijf. Het hoofd
in de schoot voor steeds moeilijker te financieren schaalvergroting
en investeringen. Zonder dat het veel aandacht trok speelde dit al
heel lang, gezinnen ondergingen vaak schrijnende tijden als
familiebedrijven, opgebouwd door vele opvolgende generaties, als
sneeuw in de zon waren weggesmolten en de opbrengst bij veiling
hooguit de lopende schulden vermocht af te lossen. Lees Geert Mak er
maar op na. (Hoe God verdween uit Jorwerd) Zo'n vreedzaam tafereel als die
koeien met hun kalveren in de weide aan de bosrand laat ons
weer met ons gevoel naar de dieren kijken, zoals ook in het
stukje van Netty van Lookeren. © Redactie Hernehim Natuur - juli 2004. Link Lekker Dier
|
|
| Pasgeboren kalf van koe afgepakt. | |
|
Een prachtige dag in de voorzomer. Het
groen nog fris en onbestoft, de vroege bloei van kastanjes,
lelietjes van dalen, rododendrons in vele kleuren. Een luid geloei klinkt over het
weiland. Vier, vijf lijven verdringen zich om het karretje.
Doelbewust klimt het parmantige meisje weer op de tractor, trekt op
en gaat op weg naar de stal in de verte. © Netty van Lookeren Campagne – Laren.
|
|
| Publicatie 31 juli 2004 | |
| Er zijn er zat van - Inzending van Niesje de Jonge - geplaatst 1 juli 2004 | |
|
Een mooie meidag. Het was maar een gewone wilde eend. Zelfs natuurliefhebbers zeggen vaak: "daar zijn er zàt van". Maar is dat dan niet zo met mensen? Wij waren behoorlijk aangeslagen door het gebeuren en eigenlijk ben ik daar blij om… Zodra we onze schouders erover ophalen is het beroerd met ons gesteld. © Niesje de Jonge
|
|
| Publicatie 1 juli 2004 | |
| Grand Café - Inzending van Hetty Mulder - geplaatst 17 april 2004 | |
|
Op
de eerste warme lentedag haast ik mij naar de plassen. Na een lange koude
winter is nu de tijd weer gekomen dat het mogelijk is er een uurtje te
blijven zitten. Ik neem plaats op het bruggetje, uit de wind, met mijn rug
tegen de leuning. Lunch en tekenspulletjes om mij heen, Grand Café en
plein air. Mijn
oog valt op een dood spitsmuisje, nog helemaal gaaf, in het gras naast de
brug. Gepakt en weer verloren door een roofvogel denk ik. Voorzichtig neem
ik hem op en leg hem voor me neer, eerst op z'n buik later op z'n ruggetje
- that's life - vereeuwigd in mijn rode schetsboek. Zielig maar ook heel
mooi.
© Hetty Mulder
|
|
| Publicatie 17 april 2004 |
|
|
De Natuurpagina's worden
onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv