Hernehim Natuurpagina's
Actueel
Natuurbeleving 

          Alles van waarde is weerloos

Lucebert.     

Informatie
Doelstellingen en antwoorden op veel gestelde vragen 
Terug naar de Introductiepagina 
Link naar Cultuurpagina 

Artikel - acties - excursies 
Natuurbeleving -  impressies - emoties 
Gifkikker - column 

 

Ganzen 
Kraaiachtigen 
Libellen 
Mussen 
Sijsjes 
 
 
Verblijfsvergunning - geplaatst 15 april 2011  

Hij zit er weer. 
En liet zich al dadelijk horen. 
Afgaand op zijn geluid vind ik hem bovenin de berkenboom. Een rank silhouetje, beweeglijk en druk, springend van tak op tak. 
Donkerbruine vleugeltjes, lichtbruin buikje overvloeiend naar beige op zijn borst. Niet meer dan tien centimeter van puntje van 't snaveltje tot het eind van z'n 
staartveren – en zelfs niet eens zoveel grammen in gewicht. 
Ter begroeting meldt hij zich met de vertrouwde roep van vorig jaar. 
Eigenlijk keek ik al naar hem uit. Vier keer eerder was hij er opeens, telkens op een dag tussen 5 en 10 april. En telkens bleef hij een halfjaar, steeds maar zijn naam roepend in de hoop dat een voorbij vliegend vrouwtje hem zou horen. In Friesland is die kans niet zo groot als in bosrijker streken - al zeker niet
temidden van dit uitgestrekte greidelân rondom. Hij bleef alleen. 
Het stemde hem niet diepverdrietig, want tussen zijn luide tjif-tjaf door hoorde ik hem regelmatig tevreden prrrrprrrr geluidjes maken terwijl hij bezig was zijn kostje te verzamelen boven in de boomkruinen. Eind september viel dan stilte - vertrokken, even plots als hij was gekomen. 
Mijn vijfjarige gast moet niets hebben van de winter in Nederland. Zodra hij de herfst aan voelt komen gaat hij op reis. Naar West-Afrika op eigen vleugeltjes.
En wij mensen vinden het lopen van het Pieterpad al een hele prestatie. 
Daar in dat grote West-Afrikaanse gebied leefde hij net als hij hier deed: solitair, zijn voedsel opscharrelend in boomkruinen. 
En ergens iets in dat vogelbrein, in dat kleine vogelkopje vertelde hem in maart dat hij weer op reis moest: noord-oost naar Europa, naar precies die éne tuin 
vol bomen in een streek van weiden en plassen. 
Met "bird's brain" kan niemand mij nog beledigen, in dat kopje zit een groot onbegrepen wonder. 
Ik zie hem de reis aanvaarden, terwijl onder hem de soldaten van Gbagbo de ergste gruweldaden begaan, mensen martelen, vrouwen verkrachten. Hij trekt langs de onmetelijke Sahara, vliegt over Tunesië waar het volk bezig is om Ben Ali te verjagen en desperado's in kleine bootjes proberen over te varen naar Lampedusa. Hij vliegt alle narigheid voorbij naar Sicilië, trekt langs heel Italië, overwint dan nog de barrière van de Franse Alpen en de Franse jagers, die schieten op alles wat vliegt. Hij breekt zijn reis niet af tot hij aankomt in die bomentuin in Friesland. 
Van mij krijgt hij een verblijfsvergunning. 

© John Zwart - 13.04.2011 

Zolang de aardas scheef staat - geplaatst 18 maart 2010  
 Het wil maar niet echt op gang komen met de lente dit jaar, zo lijkt het althans, maar het valt ons des te meer op doordat we in de afgelopen jaren gewend raakten aan onmiskenbare lentetekens in januari. Algemeen toegerekend aan verandering van ons klimaat, waarover alweer zo'n twee decennia lang met woorden wordt gestreden. 
Dat we door een heel smal spleetje kijken naar het weidse panorama van het mondiale eeuwige klimaatspectrum willen wij, kortstondige mensen, maar al 
te gemakkelijk vergeten. Is er even een wat strengere winter en treuzelt die nog wat alvorens plaats te maken voor het nieuwe groei en bloeiseizoen, dan
staan we al gauw te roepen: "zie je wel, niks opwarming, eerder een ijstijd op komst!" 
Het klimaat is mega-zwaarder dan een mammoettanker, we kunnen er in ons dagelijks leven niets aan bijsturen, hooguit iets beïnvloeden door consequent doelbewust gedrag eeuwenlang vol te houden. 
Eén ding is zeker, zolang de aardas scheef staat zullen - buiten de tropische zone tussen de keerkringen - de seizoenen altijd blijven wisselen in een 
vertrouwd ritme. En al lijkt het anno 2010 een beetje lang te duren voordat we de gemiddelde middagtemperatuur van 13 graden krijgen waarop we recht 
menen te hebben - het gáát komen! 
Ondanks het treurigmakende optimisme van de weerman die al tijden juichend lichte vorst bij nacht en wel vijf warme graden bij dag aankondigt. 

De vogels hebben geen weerman nodig. Ze hielden zich nog even in, maar het óók in de gaten, van dag tot dag. 
Hun hormonen hebben allang gereageerd op het lengen van het daglicht en zodra de lucht maar een ietsje zachter wordt en de zon komt wat vaker door, gaat hun activiteit twee tandjes omhoog. De kievit, ondanks de 'beschermers' die haar eieren rapen, duikelen en roepen hun lentekreten boven de nog kale weilanden. In de parken en plantsoenen pompen de mezen hun eigen lenteliedjes van verlangen, en in de avondrust laten de merels hun zang tegen elkaar opklinken. De roeken hebben hun kolonies weer bevolkt en repareren de oude nesten of bouwen een nieuw onder schorre kreten, elk vogeltje zingt nu eenmaal zoals het gebekt is. Troepen scholeksters scheren over in snelle vlucht, langs de oevers van de delta en de meren onder opgewonden oorverdovend te-piet te-piet tepiet! Het is zover, het komt, altijd wéér. zolang de aardas scheef staat. 

© John Zwart 18 maart 2010 

Een heel persoonlijke ervaring - geplaatst 19 februari 2010  
Requiem -  Misschien heeft u een tuin. En misschien komen er regelmatig vogels. 
Daar kijkt u wellicht wel eens naar en soms hoort u in het voorjaar vogelzang. Maar ik denk dat u tot een minderheid behoort als u de vogels in uw tuin ook ként. Niet van soort, maar als individu. 
Tot die minderheid behoor ik. Een merel, een koolmees en een roodborst beschouwen mijn tuin als hun domein. De roodborst is er alleen van de herfst
tot aan de lente, dan verdwijnt hij een poos naar een noordelijker land. Maar ik weet bijna zéker dat het dezelfde is die elk jaar terugkomt. En als de roodborst vertrokken is arriveert de tjiftjaf, die weer tot de herfst blijft. Het koolmeesmannetje is er het hele jaar net als de merelman. 
Rondom is het vrij kaal, de mensen schijnen tegenwoordig veel van grote terrassen en grasvelden te houden, daar hebben vogels weinig te zoeken, vandaar dat ze heel honkvast mijn boom- en struikentuin bevolken. 
De merelman had vorige lente succes met zijn melodieuze zang, er sloot zich een vrouwtje bij hem aan. Er werd genesteld en gebroed, van hun nakomelingen brachten ze er ééntje groot. Deze winter zag ik ze dagelijks met zijn drieën rond de voedertafel scharrelen, mannetje, vrouwtje en een juveniel. 
Na dinsdag zette de dooi krachtig in en ik ben woensdag gestopt met zaad strooien, de netjes met vetbolletjes bleven hangen. 
Woensdag kwamen de koolmees en wat rondzwervende vinken nog snoepen van resten zaad op de voedertafel en wat er vanaf gevallen was.
Donderdag is het opeens opvallend stil in de tuin. Geen gefladder, geen vogelgeluid. Ongewoon... 's Middags neem ik eens een kijkje en zie opeens een zwarte schim in  een rare houding roerloos in de kleine appelboom achter de voedertafel. Het lijkt een vogel met halfgeopende vleugels als in een momentopname  van opvliegen in vlucht... 
Het is mijn mooie merelman met zijn goudgele snavel, met verkrampte klauwtjes en geknakt nekje. De halfgespreide slagpennen vertonen flinke beschadiging als door de kaken van een forse rover. Maar hoe komt hij in die toestand twee meter hoog in de boom in zo'n vreemde houding en waardoor is hij niet allang omlaag gevallen?  Rond zijn kopje, flink toegetakeld, waarschijnlijk door kraaien, zit een  stuk van een groen nylon net met wijde mazen zoals je in tuincentra ziet als steunsel voor het leiden van wijnranken. Het is niet van de vetbollen, die bungelen nog ongeschonden in de prunus. De netjes daarvan zijn heel fijnmazig, daar krijgt een merel zijn kopje niet doorheen. De uiteinden van het flard gaas zitten op twee plaatsen rond een takje gewikkeld... 
In de berk zit de weduwe stil naar me te kijken, terwijl ik de draden los peuter. Zij kan niet praten. Dit is mensenwerk... 
Maar waarom, waarvoor?                       
© John Zwart - 18 februari 2010
Stinzenplanten - geplaatst maart 2009 

Sinds ik mijn excursieleiderschap van het IVN heb omgezet in een gidsfunctie bij de provinciale natuurbescherming organisatie - It Fryske Gea - heb ik mijn belangstelling heel sterk gericht op de voormalige stins Jongema State bij het dorp Raerd (Rauwerd). Van de stins zelf, in midden Friesland aan de voormalige Middelzee, is alleen nog maar een poortje uit de zeventiende eeuw over, maar de verwilderde tuin ontwikkelde zich tot een bijzonder stinzenplanten reservaat. In de jaren 2007 en 2008 hield ik er al een excursie, eerst voor IVN-ers en in 2008 voor Fryske Gea-leden.
Het voorjaar van 2009 tijdens het stinzenplantenseizoek hield ik een inleiding in het Dorpshuis van Raerd.
De korte inhoud was als volgt:
Stinzenplanten: De naam roept al vragen op. Waar komt die naam vandaan? Ze zijn gebonden aan speciale groeiplaatsen want het zijn planten die in ons land niet inheems waren. Zij zijn dus door onze voorouders hierheen gebracht. Geen natuurlijke migratie dus – maar mensenwerk. 
Wanneer gebracht? Dat begon al in de late middeleeuwen, maar vooral in de gouden eeuw. Daarbij denkt men meestal direct aan de VOC, doch dat is onterecht. Veel meer hebben de 'Oostvaart' en de 'Levant-vaart' voor de welvaart van de gouden eeuw gezorgd. 
Ook het toenmalige Friesland heeft daarvan geprofiteerd. Naar de 'levant': Zuid Europa en oostelijke Middellandsezee, het huidige Turkije en de kust van de oostoever was er intensieve handelsvaart. 
Er doen veel legenden de ronde over met wie en hoe de planten naar Friesland kwamen. De romantiek viert daarin hoogtij. Meer waarschijnlijk was er toen gewoon behoefte aan statussymbolen, zoals in alle tijden van welvaart. Als zijpaadje noem ik de speculatie, de tulpenbollenhandel werd een soort termijnhandel door snelle prijsstijging. In de 17e eeuw de eerste luchtbel van de beurs... het resultaat was een crisis die velen trof die zich rijk droomden. 
Er is niets nieuws onder de zon.
De soorten verwantschap: Waarom horen al deze verschillende planten van verschillende families toch bij elkaar? Ze worden aangeduid als 'geofyten'. 
Alle bovengrondse delen sterven af. Ze blijven over tot 't nieuwe seizoen als bolvorm of wortelstok. 
Een korte jaarcyclus. Licht is de eerste voorwaarde. En de eisen aan de bodem zijn hoog. 
Er start een groeispurt in de winter, al onder de grond. 
Zodra het zonlichtlicht na de winterduisternis toeneemt begint concurrentie met de bomen. De groei en bloeicyclus moet afgerond zijn voor het blad aan de bomen komt. Ze bieden nectar voor de vroege insekten, voornamelijk hommels. Zodra de bomen vol in het blad zijn is de zichtbare cyclus van de stinzenplanten voorbij. Onder de grond bereiden ze zich daarna voor op het volgende seizoen. Sneeuwklokjes, lenteklokjes, bostulpen vormen nieuwe bolletjes aan hun wortelkrans. Wortelstoknetwerken van holwortel en aronskelk breiden zich uit. 
Over groei en handhavingsvoorwaarden. De situatie verschilt van de omgeving. Door het graven van het grachtenstelsel kon extra grond worden opgebracht waardoor de stins verhoogd in het landschap lag. Bij winterse overstroming bleven huis en tuin droog. Het is nog aan de bolling van het terrein te zien dat het eigenlijk een terp is. De boeren waren verplicht paardenmest voor het park te leveren. 
Hoe kwam zo algemeen die Friese benaming "stinzenplanten" in zwang? In 't begin van de 20e eeuw – brengt botanicus Botke het woord 'stinzenplanten' als groepsaanduiding in gebruik. In de brede studie van deze planten namen anderen die naam over. Standaardwerk is er van een moderne specialist D.T.E. van der Ploeg. De Oorsprong: Natuurlijke situaties zijn er nog in Zuid Duitsland - het Klebwald -, Italië, Turkije. 
Behalve rond (voormalige) stinzen in Friesland zijn er nog meer plekken in Nederland waar stinzenplanten zich handhaven: 
Binnenduinenrij, Vechtbuitens, oude pastorietuinen in Friesland en de borgen in Groningen.

John Zwart - winter 2008-2009  Jongema State is dagelijks van zonsopgang tot zonsondergang gratis toegankelijk. 

Winter al voorbij, lente steeds dichterbij - geplaatst 24 januari 2008 
Vrijdagochtend hoorde ik opeens voor het eerst een koolmeesmannetje. Heel voorzichtig was hij een lenteroepje aan het uitproberen in mijn voortuin. Onzeker nog, maar het leek er echt al een beetje op. Ik keek uit mijn slaapkamerraam en zag hem in de pruimenboom zitten. 
Hij heeft zich dus al afgezonderd van de troep. Want in november en december
kwamen ze alleen maar af en toe eventjes fourageren in de tuin. En dan wel allemaal tegelijk in een troepje van zes of acht. Mannetjes en vrouwtjes door elkaar. 
Zaterdag en zondag stormde het weer zo hard met telkens gure regenbuien, er was nauwelijks een vogel te zien. Buiten het bulderen van de wind was er geen geluid. Ik dacht al dat ik me had vergist. Koolmees lentezang op 18 januari: dat kan toch niet! 
Maar vanmorgen, wat dacht je? Hij zat er wéér! En zingen! Al veel krachtiger dan vrijdag. De ganzen zijn ook alweer erg onrustig geworden,
vliegen de hele dag tot laat in de avond in grote troepen over. Het zal me niets verbazen als de grauwe ganzen half februari al op de terugtocht zullen gaan. 
Ook de kleine zwanen heb ik al zien overvliegen, terug naar Siberië, waar ze hun
nesten in de sneeuw gaan bouwen en de eerste weken op hun wintervet teren. 
Wonderlijk he? Wat is het toch dat al die vogels in beweging zet. Er zijn nog zoveel raadsels. 

© John Zwart - 21 januari 2008 

 

Excursie winterkenmerken in het Ketliker Skar
Aankondiging: Excursie winterkenmerken in het Ketliker Skar
            Olterterp, 28 november 2007            

De winter nadert en deelt al plaagstootjes uit, een interessante tijd om eens te kijken hoe de natuur daar op reageert. Op zondag 9 december kunnen er belangstellenden met gids John Zwart van It Fryske Gea op verkenning gaan door het Natuurgebied Ketliker Skar bij Katlijk, ten zuidoosten van Heerenveen. 
De excursie start om 10.30 uur en duurt ongeveer anderhalf uur. 
Opgave voor de excursie kan tot vrijdag 7 december 12.30 uur via het kantoor It Fryske Gea, tel. (0512) 381448 of via internet www.itfryskegea.nl. Voor leden is deelname gratis op vertoon van de ledenpas, niet-leden betalen € 2,50 en kinderen tot 12 jaar € 1,- per persoon. 
Houd er rekening mee dat het op een deel van de route nat kan zijn, daarvoor geschikt en liefst stevig schoeisel, eventueel laarzen, wordt aanbevolen. Honden, ook aangelijnde honden, kunnen helaas niet mee. 

Overwinteringstrategieën 
Planten en dieren hebben zo hun eigen manieren om de winter door te komen. Planten zullen zich ter plekke moeten aanpassen aan koude omstandigheden, de meeste dieren ook. Maar sommige dieren trekken weg naar warmere streken, denk maar aan vogels. Er zijn echter ook vogelsoorten die juist in ons land overwinteren omdat het hier een stuk warmer is dan in hun broedgebied in het hoge noorden van Europa. 
Als je niet weg kunt trekken, moet je oplossingen bedenken om de winter
door te komen. De soorten die blijven hebben handige ‘trucjes’ om vorst, vocht en storm te overleven, aangepast aan de groei- of leefplek. Op het eerste gezicht lijkt het Ketliker Skar in deze tijd van het jaar uitgestorven, maar schijn bedriegt. Tijdens een tocht door het Ketliker Skar zal het duidelijk worden dat het er barst van het leven. 

It Fryske Gea - Het Fries Landschap. 

Herfstmisère - Column - geplaatst 16 september 2007 
Nadat de vogels stil zijn gevallen, valt er op een zonnige herfstdag in het groen nu en dan weer te genieten van bescheiden vogelzang. De blijvertjes die niet op trektocht zijn gegaan en de overblijvertjes die uit noordelijker streken aankomen. Ze markeren hun territoor met hun geluiden en dat klinkt best gezellig, 
Totdat er 'onderhoud' moet worden gepleegd. De plantsoenwerkers bestaan niet meer. Er trekken tegenwoordig colonnes 'hoveniers' door de wijken. Vroeger, heel vroeger, was het gezellig met de hoveniers. Toen ging het gewoon van: knip-knip-knip, prr-prr-prr en swish-swosh-swush met respectievelijk de heggenschaar, de grasmaaier en het bezempje. Allemaal knusse geluiden die naadloos pasten in het natuurlijk decor. 
Tegenwoordig moet dat allemaal gemotoriseerd, zoals u weet. Met snerpende heggenscharen, knetterende grasmaaiers en gierende bladblazers. Ze maken zoveel herrie, dat
er voor andere dingen geen geluid meer overblijft. De hoveniers zijn verstandig en dragen grote oordoppen tegen gehoorbeschadiging. Deze worden echter niet aan de buurt uitgedeeld. De buurt moet lijden. 

Op zulke momenten weet ik het zeker: hoveniers zijn een bevoorrechte klasse, zij staan boven de wet. Net als Schiphol. Iedereen die op een bromfiets rijdt die niet bromt maar knettert mag hem inleveren bij de eerstvolgende verkeerscontrole. Wie zijn tv of radio een streepje te hard heeft staan krijgt de wijkagent aan de deur. Maar hoveniers mogen hun geluidsgolven onbekommerd tot tsunami-achtige proporties opzwepen. 
De gewone burger moet naar binnen vluchten en ramen en deuren gesloten houden, zoals voorgeschreven bij elke andere ramp. 

Tolerant als ik ben kan ik voor de gemotoriseerde grasmaaier en heggenschaar nog enig begrip opbrengen. Het valt immers niet mee om dit werk dag in dag uit met de hand te doen. Maar de bladblazer moet vernietigd worden, verdelgd, uitgeroeid, afgebroken tot op moleculair niveau. Hij is bijkans de meest groteske uitvinding aller tijden. Het ding produceert een hoeveelheid trommelvlies teisterende herrie die omgekeerd evenredig is aan de miezerige hoeveelheid uitgeblazen lucht. Daar loop je echt ernstig mee voor lul. 
Met stoffer en blik ben je sneller klaar. De bladblazer is de risee van onze technische vooruitgang. Hij verplaatst de blaadjes een zielig metertje verderop, terwijl achter zijn rug om een klein zuchtje zomerwind ze weer netjes teruglegt. 

Gelukkig, na enkele uren zijn de hoveniers eindelijk vertrokken, welgemoed op weg om een andere wijk te gaan terroriseren. Maar wat zie ik bij de Aldi: bladblazers in de aanbieding, een chinees stuk onding voor een belachelijk lage prijs. Vast iets voor de buurman. 

Bewerkte column van © Arnoud de Jong 

Het dier en wij - geplaatst 24 februari 2007
Vanmorgen op de open weide, midden in het bos, zag ik het schaap staan. Iets terzijde van de kudde. Vóór haar lag iets smetteloos wits in het gras. Het was haar pasgeboren kind, roerloos. 
Zij boog geregeld de kop, trachtte het door likken tot leven te wekken, tevergeefs. Traag begon de koude regen neer te tikken op het lam, nog warm van het verblijf in de moederschoot. Maar noch de petsende druppels, noch de warme tong van het moederschaap vermocht enige beweging te brengen in het kleintje.

Ik moest denken aan een reportage uit Kenya, onlangs. Een olifantenkoe beviel van een doodgeboren baby. De moeder bleef de olifantenbaby eindeloos voorzichtig duwen in een poging haar kind op de benen te krijgen. Onvermoeibaar stimuleerde zij het zachtjes, het leek wel teder, met haar slurf. Drie dagen en drie nachten lang. Toen draaide zij zich om en volgde de kudde. 

We praten van instinct, van inprentgedrag. Wat weten wij van het gevoelsleven van dieren? Ongetwijfeld ánders dan dat van ons, maar daarmee niet minder van belang voor hun welzijn. Wel eens geluisterd naar de geluiden uit een veetransport met kalveren of lammeren? Ik hoor het als roepen om hun moeder, sentimenteel? Denk eens aan die olifant in Kenya en dat schaap op die Friese bosweide. 

© John Zwart 
    24 februari 2007 

Voetnoot: 25% van de populatie van de Afrikaanse olifant is in de afgelopen jaren gedood ondanks hun beschermde status. Door het toedoen van ivoorstropers die hun lugubere buit voor $ 750,- per kilogram verkopen aan gewetenloze Chinese handelaars.  

Doortrekker - geplaatst 15 december 2006 
Het is begin november nu ik dit stukje schrijf. Ik was zeer onder de indruk van deze natuur ervaring en ik heb bewust gewacht om deze impressie aan mijn tekstverwerker toe te vertrouwen. 
Het was maandagmiddag 16 oktober. Geruime tijd was ik, ondanks de milde temperaturen, gewend geraakt aan de stemmen van de herfst, als grote vluchten brandganzen laag over de nok van mijn huis scheerden. 
Maar opeens hoorde ik iets anders. Een schreeuw die me deed denken aan de buizerd wanneer die met zijn uitgevlogen broed de thermiek zweefvluchten oefent. Dit was een veel indrukwekkender schreeuw, een oerkreet van een grote roofvogel. 

Ik tuurde omhoog en speurde de hemel af. Op een kleine honderd meter hoogte zag ik een 
donker silhouet in glijvlucht, die dàn weer een paar trage, krachtige slagen maakte.
Met de kijker zag ik zijn indrukwekkende donkere vleugels die met gespreide uitgestoken handpennen bijna rechthoekig van vorm waren. De hals en kop waren lichter van kleur en de staartpennen een heldere spierwitte waaier. 
Onwillekeurig kwamen stereotiepe woorden bij me op: indrukwekkend, majestueus, maar geen van die woorden zijn in staat de vlucht van deze vogel te beschrijven. Tegen de wind van noordoost naar zuidwest schijnbaar moeiteloos vliegend. Drie krachtige slagen, dan 15 a 20 meter uitzwevend in glijvlucht, dan weer drie slagen enzovoort. 
Volgens mijn vogelgids moet het een Russische doortrekker zijn geweest, die mogelijk een tussenstop in de Oostvaardersplassen als eerste reisdoel had. De zeearend! 
‘Moet ik dit melden?’ ging er door mijn hoofd… En ik zag een visioen van honderden auto’s met mannen in groene jassen gewapend met telescopen en camera’s met telelenzen, racend door heel Nederland, allen begerig om dit dier voor de lens te krijgen. 
Niet melden dus, tot vandaag, nu hij allang weer verder is getrokken.

© John Zwart 
    14 november 2006 

Flowerpower -  geplaatst 7 juli 2006
Gisteravond heb ik een halfuurtje naar bloemen zitten kijken. 
Niet naar bloemen in het algemeen, maar naar een paar bloemen aan één individuele plant. Vreemd, wie doet nou zoiets? Ik dus, en ik kan het je aanbevelen. 

Bij het planten van een aantal rozen - enkele jaren geleden al - moet er wat zaad van de grote teunisbloem in mijn voortuin zijn terechtgekomen. Het is gekiemd en kwam overvloedig op, tussen de rozen. Met wrede hand heb ik het meeste gewied, een paar aan de buitenrand mochten blijven staan. In de volgende jaren vluchtten ze naar vergeten hoekjes. Tussen de stenen langs de kant van het pad, naar allerlei plekjes waar de eerstejaars rozetten niet onmiddellijk opvallen.
Ik ben niet zo’n liefhebber van alles keurig geknipt en aangeharkt en daarmee proberen ze zich ook tussen de stoeptegels van het voetpad te vestigen. Om de buurt niet te frustreren haal ik ze daar regelmatig weg, hoewel ik van mening ben dat een voetpad dat gebruikt wordt vanzelf “onkruidvrij” blijft - en zo niet: hoort het eigenlijk weer afgestaan te worden aan de natuur. En zo is het loopje van de straat naar mijn voordeur ’s zomers altijd omzoomd met teunisbloemen. 

De bloem van de teunisbloem is als een ééndagsvlinder. Ik moet eigenlijk zeggen een éénnachtsvlinder want de teunisbloem is een nachtbloeier. En elke avond ontluiken er nieuwe bloemen die in de loop van de volgende dag weer verwelken. 
Het is niet alleen die bijzonder opvallend felgele en korte bloei die me associeert met de vlinders. De bloem zèlf, die in de nachtelijke uren door nachtvlinders wordt bezocht, is óók als een vlinder. 
Kwart over tien die avond houd ik een plant in het oog. Boven twee verwelkte bloemen van het voorgaande etmaal zijn er twee knoppen die zich nu gereedmaken voor de nachtelijke ontmoeting met hun vrij rondvliegende ‘soortgenoten’. In knop is de bloem als in een parapluhoesje opgeborgen binnen vier met elkaar vergroeide schutblaadjes. Daar binnen is intussen een fascinerend proces aan de gang dat, als je het gadeslaat, veel weg heeft van de geboorte van een vlinder uit de pop. De bloemknop staat onder druk, vanaf het steeltje ontstaan er vier kleine scheurtjes waar doorheen het helder geel van de vier kelkblaadjes al is te zien. Verder en breder scheurt de omhulling vaneen, dan komen de schutblaadjes los, de bloemkelk - nog samengerold - bevrijd. De stempel steekt al tevoorschijn. Dan buigen de schutblaadjes zich snel achterwaarts terwijl op hetzelfde moment de vier tere kelkblaadjes zich - net als de vleugels van een vlinder - oppompen en ontvouwen. De bloem ontplooit zich in volle glorie met een bijna hoorbare plof. 

Het is kwart voor elf en bijna geheel donker, maar de teunisbloem lijkt zijn eigen heldere gele licht uit te stralen. Geritsel tussen de rozen: een egel drentelt rustig voor mijn voeten langs naar de overkant van het pad. Blijkbaar is mijn roerloze gestalte één met de natuur. 

 

© John Zwart   
    6 juli 2006 

 

 
   Naar eerder gepubliceerde natuurbelevingen 
 

 

Hernehim Cultuur en Natuurpagina's
Naar Hernehim Cultuur


De Natuurpagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv