Hernehim 
          
pagina proza 
Hernehim
                   Boeiend om te bezoeken. 
                   Vrij en onafhankelijk. 
                   © HC 2001-2009
 

 

 01.01.2010 
   
Pagina in bewerking - links kunnen niet werken of voeren
naar onbedoelde pagina's
Pagina in bewerking - links kunnen niet werken of voeren
naar onbedoelde pagina's
Deze locatie wordt binnenkort verwijderd 
Hiernaast LINKS naar het nieuwe HERNEHIM 
HOME 
Nieuws  
Blog en proza 
Themapoëzie 
Vrije poëzie   
Vertaalproject 
Proza  
Activiteiten 
Over schrijvers 
Archief 
Contact     
Atikelen, Beschouwingen, Commentaar - met betrekking tot de literatuur -  Korte verhalen, Sprookjes -  
 
Crisisbestendig - Column van Verbal Jam - geplaatst 25 december 2009 
   
Ook zoiets raars: de neiging om de financiële waarde van weblogs te willen
bepalen.  En dan altijd uitkomen op een nattevingerbedrag, ondanks de 
ingenieuze berekeningsmethode. Waarschijnlijk is de gehanteerde formule
zoiets als het aantal bezoekers maal de Technorati Authority plus de Google
Page Rank en dat gedeeld door de AEX-index minus de gevoelstemperatuur..
Ik heb daar geen verstand van. 

Met dit soort kunstjes houdt men zich bezig bij ondermeer Business 
Opportunities en
bij Hyped. De waarde die wij moeten hechten aan deze 
waardebepalingen blijkt al uit de verschillende uitkomsten. 
Het voor adverteerders blijkbaar meest begerenswaardige weblog GeenStijl
is bij Hyped € 13.699.911 waard, maar volgens Business Opportunities 
maar € 204.681 euro ($ 269.285). 
En dan is de kredietcrisis nog niet eens ingecalculeerd. 

 

Je zou de waarde van een weblog ook heel anders kunnen beschouwen. 
Vanuit de auteur. Iemand die in de loop der tijd 2000 columns op zijn 
/haar weblog heeft geschreven, had daar misschien bij een krant of tijd-
schrift (afhankelijk van populariteit en oplage) tussen de € 300 en € 500 
per stukje voor kunnen vangen. Dat is bij elkaar minimaal zes ton. Bruto.
Uiteraard is dit bedrag net zo fictief als al die andere 'waardebepalingen', 
misschien versterkt deze wetenschap toch het ego van de weblogger. 

De werkelijke waarde van een weblog is natuurlijk niet in geld uit te 
drukken. Een weblog heeft in elk geval emotionele waarde. Daar kan 
Twitter niet aan tippen. Weblogs bezitten dikwijls ook een historische, 
educatieve, esthetische of zelfs literaire waarde. 
En die waarde neemt met de dag toe, als een groeibriljant. Getver wat klef...
In elk geval, de waarde van een weblog is crisisbestendig. 
Beleg dus in mijn weblog 

                                                                               © Arnoud de Jong 

   
 
 
Vergankelijk - Een Fragment van F.Starik - 3 december 2009 
   
Hij moet de smeulende bank uit de woonkamer naar de badkamer hebben
gesleept. Goed plan. Zet je bank onder de douche. Steek met de vuurhaard
de rest van je huis in de brand. Sluit de deur van de badkamer. 
Je wil geen overlast bezorgen. 
Een paar maanden geleden is al eens iets soortgelijks gebeurd, toen moest
de kleinste buurman van eenhoog naar beneden komen om een uit de hand
gelopen asbak te helpen doven, een emmer volstond. 
Dat is toen goed afgelopen. Er is nergens melding van gemaakt. 

Ik heb nog met de woningbouwvereniging gebeld, 'n paar dagen na de brand.
Ik heb gevraagd of het misschien mogelijk was dat deze man niet in zijn 
eigen huis mocht terugkeren, zo er genezing mogelijk bleek, niet hier, niet
hier... Ik heb betoogd dat ‘wij, bewoners’ niet in die angst willen leven, dat
het weer gebeurt. 

Nou het zal niet meer gebeuren. 
De eerste dagen na de brand leek het alsof er geen familie, geen vrienden
te traceren waren. Ik belde met het ziekenhuis, we overwogen of men mij
tot iets officieels zou benoemen, opdat er informatie kon worden vrijgegeven.
Ook al ken je niemand, over je gegevens wordt gewaakt als over een
staatsgeheim, want we moeten de privacy respecteren, ook als er niemand
voor je is om wat dan ook aan te respecteren. 
Wie maar een beetje voor beroemd doorgaat wordt meteen helemaal uit-
gekleed. Als je zomaar iemand bent, en er belt eindelijk iemand voor je, 
dan mogen wij ineens niets zeggen. Dus je werkt in een ziekenhuis en een
buurman belt om naar het welzijn van een buurman te informeren. 

Schrikken hoor. 
Dus je huis is afgebrand en nu ben je bezorgd over de man die daarbij 
gewond raakte. Rare vraag. Daar heeft de dokter niets van gezegd, dat je 
zomaar vriendelijk mag zeggen wat er zoal aan mankeert. 
Wij mogen niks zeggen buurman. Dit is geheim. 
Dat begrijpen de mensen wel, hoor, heus. Want voor hetzelfde geld heeft
buurman een mes en gaat hij vanavond wraak nemen op de stichter van de
brand. Komt hij naar het ziekenhuis en voelt zich bedrogen. Komt zijn geld
terughalen, de onschuldige, het slachtoffer, dat zijn huis moest verlaten 
vanwege een eenvoudige brand. Dat kost allemaal maar geld. 

Gisteren hebben ze de stekker er waarschijnlijk uit getrokken. Er zat geen
verbetering meer in, buurman had nu al 13 dagen niet meer zelf geademd. 
Zelf ademen. Je staat er niet bij stil. Maar je doet het, de hele tijd. 
Ik heb vanavond de meeste van mijn buren ingelicht. Ik heb een briefje in de
gang gehangen, met het weblog-adres erop dat voor de grote dikke is inge-
ruimd. Je kunt een strookje van het briefje scheuren, om het zelf thuis op te
zoeken. 
Misschien kunnen we samen iets van een bloemetje doen. Of we gaan 
allemaal de uitvaart bezoeken. 
We gaan ervoor zorgen dat dit geen eenzame uitvaart wordt. 
Dat is het natuurlijk wel. 

© F.Starik 
Een fragment uit "Brand in de Van Beuningenstraat" - 2007 

   
 
   
Niet mijn ding - Beschouwing over de taal - door John Zwart - 20 oktober 2009 
   
Tja, ik roep het al járen: de Nederlandse taal is in gevaar, onze eigen taal 
verloedert
omdat we er niet zorgvuldig mee omgaan. 
Als een monumentaal historisch gebouw
door verwaarlozing vervalt en met
graffiti overdekt raakt springen we massaal op
de barricaden voor ons 
cultureel erfgoed.
Maar de Nederlandse taal is toch evengoed ons culturele
erfgoed? Waarom moeten
we dan het verval met lede ogen aanzien en 
waren het lange tijd alleen maar enkele
marginale groeperingen die alarm
sloegen wegens de om zich heen grijpende kromtaal
en hutspot van 
willekeurige leenwoorden? 

Op regeringsniveau maken we ons druk over het gebrek aan taalvaardig-
heid van de
nieuwkomers uit landen met andere culturen. Inburgeringplicht
en het volgen van
taalonderricht is herhaaldelijk onderwerp van discussie.
Welnu, ik kan de lezer verzekeren dat de beste leerschool de praktijk is.
Al had ik op
school nog degelijk onderwijs gehad in wat toen heette 
´de drie moderne talen´
(Frans, Duits en Engels) - pas toen ik regelmatig 
langdurig in het buitenland vertoefde
leerde ik die talen werkelijk goed 
verstaan en vervolgens ook spreken. 

Praktische talenkennis verwerf je met goed leren luisteren. Maar dat 
vereist ook een
goed voorbeeld. Als een buitenlander in Nederland zegt:
´toen ik hier kwam was dat
best wel een impekt, zo anders, echt niet 
mijn ding zeg maar´ dan kan het tot mijn
verbazing gebeuren dat hij of zij
geprezen wordt ´wat spreek je al goed Nederlands´. 
Die buitenlander heeft goed leren luisteren en kopiëren. Hoorde een 
abominabele
soort koeterwaals om zich heen en veronderstelde dat het
Nederlands was. 
Zo ver is het dus al gekomen. De gemiddelde Nederlander op straat 
spreekt een taalmix van koeterwaals. Maar nu gloort er hoop. 
De Stichting Nederlands heeft nu een
correctief woordenboek uitgegeven:
"Funshoppen in het Nederlands"
Véél te laat, vrees ik. Niettemin ga ik het boek aanschaffen. 
Maar tot de doelgroep behoor ik niet... 

© John Zwart voor Hernehim Cultuur, 20 oktober 2009.

Funshoppen in het Nederlands 

‘We gaan funshoppen met de kids in de summer sale!’ 
Daar is geen woord Frans bij. Wel veel Engels. 
Het haast achteloze gebruik van Engelse leenwoorden neemt
hand over
hand toe. Soms is een Engels woord makkelijker 
of korter, soms ook is
het vaag, of pedante praat. 
Die bijna altijd geheel onnodig is. 
Je kunt hetzelfde ook, en vaak duidelijker, met Nederlandse
woorden zeggen. 

‘Maar er bestaat geen Nederlands woord voor!’ zegt men dan. 
Dat probleem is nu opgelost. 

Funshoppen in het Nederlands 
biedt ruim 11.000 vervangers voor 4500 Engelse woorden en 
uitdrukkingen
die veel en onnodig in het Nederlands worden 
gebruikt. 
De vervangers
passen bij uiteenlopende contexten en 
verschillende smaken.
Formeel of speels, bekend of verrassend,
er is altijd een geschikte vervanger
te vinden. 
Doe onnodig Engels in de (zomer)opruiming, 
ga pretwinkelen in het Nederlands!  

Funshoppen in het Nederlands
door B.J.Koops en P.Slop, met een voorwoord van Ewoud Sanders. 

Een uitgave van Prometheus en initiatief van de Stichting Nederlands.
ISBN 9789035135062 
Prijs € 9,95 in (o contradictie!) paperback... 

   
 
   
Dagverse dichters - Beschouwing over de houdbaarheid van de poëzie - door John Zwart - 3 oktober 2009 
   
Dichters en gedichten, ze verschillen van elkaar zoals de mensen die we 
ontmoeten.
En dan zijn dichters ook nog nèt mensen en daarmee kinderen
van hun tijd. 
Dat houd ik altijd voor ogen als er weer eens een nieuw talent bijna dood-
geknuffeld
wordt of wanneer een nieuw verschenen bundel onmiddellijk als
meesterwerk wordt
bestempeld. De meeste poëzie is niet bestand tegen 
de tand des tijds. Het is narcisme wanneer je
schrijft en je dan verbeeldt 
dat je bezig bent voor de 'eeuwigheid'. Zelfs van de 'betere
dichters' zijn er
maar enkele die hun eigen generatie overleven en dan nog met slechts een
 páár van hun creaties. 

Zoals de mode ervoor zorgt dat we ons in de kleding van tien jaar geleden
belachelijk
voelen zo gaan er ook actualiteitsgolven door de kunsten. Of 
het muziek is of schilderkunst, er is veel wat nooit meer gespeeld wordt 
en de kelders van de musea staan vol
met werk dat hooguit nog een enkele
keer tevoorschijn wordt gehaald voor een thema-
of een overzichtsexpositie.
Alles is aan mode onderhevig, tot lichaamsversiering toe. Ja, denk daar 
maar eens over
na voordat je jezelf tot een vergiet laat piercen of vol 
tatoeëren. 

De poëzie vormt geen uitzondering. Slampoëzie en sms-gedichten zijn een
modeverschijnsel, waarmee je vandaag goed voor de dag kunt komen, maar
zoals cabaretiers
van een poos geleden oubollig klinken, zo zal men over
een poos meewarig doen over
de meeste van de slammers van vandaag.
Adriaan Roland Holst, met zijn ronkende romantische verzen, luid geprezen
vanaf zijn
debuut in 1911, werd nog geen twee decennia later al 'De Prins
der Dichters' genoemd,
maar al zijn 'onvergankelijke poëzie' wordt vandaag
nog nauwelijks of helemaal niet
meer gelezen. Piet Gerbrandy vindt nog 
slechts een 'handvol goede gedichten' in het hele
oeuvre, Rob Schouten 
besluit na bestudering van het werk dat 90% slechte, pathetische
regels 
zijn, die alleen nog maar hilariteit opwekken. Het betreft 'pretentieuze mooi-
schrijverij'. 
Zo kan het gaan met een Prins. En als een sms-prijswinnaar gefêteerd 
wordt bedenk ik
dat de gsm-telefoon nog maar een kort leven beschoren is
en daarmee ook dit poëziefenomeen.
Dus mensen, blijf vooral schrijven, 
en doe dat zo goed je kan, maar besef dat het toch
een product betreft met
een heel beperkte houdbaarheidsdatum. 

Tien jaar geleden kwam Kees Fens, de meest belezen criticus in het hele
Nederlandse
taalgebied, al tot een vergelijkbare conclusie. 

John Zwart - 4 oktober 2009 

Uit de Vokskrant, door Kees Fens - gepubliceerd op 24 december 1998:

(Naar aanleiding van de uitgave van de anthologie) 

... Met tweehonderd superieure gedichten uit deze eeuw kunnen we in elk
geval de volgende honderd jaar verder. Hoe zullen ze er in 2050 uitzien? 
Het proces van hun metamorfose, en dat is ook het proces van verlies van
historiciteit, is al lang aan de gang. 
De gedichten gaan steeds meer tot de poëzie horen; ze raken, bij al hun
individuele kenmerken, los van hun makers; ze worden autonoom. 
De handboeken, de literatuurgeschiedenissen, de bloemlezingen ook 
zullen blijven trachten de dichters en hun werk hun historische plaats te
geven, maar die gedichten zelf functioneren al lang anders: als klassiek.
Ik durf die vijftig jaar vanaf nu aan te nemen op grond van ervaring. Ik heb
de poëzie van de laatste halve eeuw nagenoeg geheel gelezen bij of kort
na verschijnen, toen de tijd van ontstaan er nog vers omheen lag. En dat
laatste bepaalde voor een groot deel de wijze van lezen [...] 
Wat de achterliggende periode betreft: Een eeuw van erop volgende poëzie
heeft zijn uitwerking ook niet gemist, en dat is ook een eeuw poëzie-lezen.
Dat lezen heeft het effect dat tijdsgrenzen onzichtbaar zijn geworden; de 
dichters blijven wel individueel herkenbaar, maar hun gedichten gaan 
steeds meer lijken op wat ik nu maar noem: realisaties van dé poëzie. 
Wat minder goed is, maakt dat veranderingsproces niet door; het blijft 
historisch, persoons- en tijdgebonden. Dat is natuurlijk het meeste. 
Het zal niet meegaan over de eeuwgrens. Ik zou het graag zo formuleren:
alle poëzie is bézig poëzie te worden. 
Slechts een klein gedeelte, het gróótste, slaagt erin. Ik denk dat er maar
één Nederlandse dichter is bij wie dat onmiddellijk heeft plaatsgehad: 
Nijhoff [...] 
Wat is poëzie? Elke kritiek is weer een poging tot antwoord op die vraag. 
En dat pogen wordt hardnekkiger naarmate de verzen van een dichter zich
steeds meer in het geheel van de poëzie gaan voegen. 
Het pogen is hardnekkig, ondanks de vergeefsheid ervan. We kunnen 
hooguit zeggen (met S.Dresden): 

dit is voorlopig het laatste. 

 

Kees Fens - 24 december1998  

   
 
   
Parlando, een Vlaams zusje van Hernehim - Bericht over verwante activiteiten op het internet - - 24 augustus 2009 
   
Hernehim Cultuur was nauwelijks een jaartje bezig - bestond dankzij John 
Zwart en Robin Kuipers als initiatiefnemers - toen we in Delft waren. 
Destijds organiseerde daar Henriette Faas van Stichting Jambe haar 
poëziemiddagen in Hotel De Plataan. 
De optredende dichters konden aan het eind van zo'n middag door het 
publiek via een stemming met briefjes uitgeroepen worden tot 'dichter 
van de maand'. Of er een echte prijs aan verbonden was weet ik niet meer,
maar het was in elk geval wel een hele eer, zo'n Jambe Maandprijs. 
Op de bewuste middag verscheen er een heel jonge theaterpersoonlijk-
heid uit Vlaanderen die met haar voordracht zo opviel dat zij met grote 
meerderheid tot winnaar werd gekozen. Niemand van de aanwezigen kende
haar: "Hoe heet ze nou?" zong het rond. "Tine Moniek", werd er gezegd. 
"Tine Moniek hoe? Heeft zij geen achternaam?" 
Onvergetelijk werd haar naam vanaf die dag. Ze werd genoemd op Hernehim
Cultuur als verrassende gast uit Antwerpen in een verslagje, of ze dat heeft
gelezen weet ik al evenmin. 

Zo'n twee en half jaar later begon Tine Moniek met haar Parlando. Een 
agenda met haar inventarisatie wat er zoal op poëziegebied in Vlaanderen 
te doen is. Ze plaatste gedichten die inzenders haar toezonden, ze verza-
melde gedichten van gastdichters die zij daartoe uitnodigde. Een beetje 
zoals Hernehim doet maar ook weer een beetje anders. 
Het breidde uit, ze schreef wedstrijden uit waarmee je een boek kon winnen.
Later ging ze zelfs op pad met de "parlandoscoop", een camcorder portret-
tenrubriek waarvoor zij bekende dichters thuis bezocht voor een interview en
om een kijkje te geven op hun leven in gewone doen en laten. 
Nu zijn we weer vijf jaren verder. Hernehim Cultuur is bijna 8 jaar oud, 
Parlando is 5 en stopt. 

Het is herkenbaar, uit pure liefde voor de literatuur en de poëzie en de podia
begin je eraan, je wilt iets betekenen voor anderen met gelijke passie. Het 
houdt je vrijwillig gaande zonder acht te slaan op de energie en de tijd die 
erin steekt. 

Als je het ook allemaal alleen blijft doen vreet het je op. Tine Moniek, met 
de veerkracht van de jeugd deed het allemaal alleen. En deze maand is ze
ermee gestopt. We lazen een gesprek dat ze erover had met Stefaan 
Goossens op de Contrabas site. Het is alsof we over onszelf lezen bij de
volgende citaten: 
"Het wordt op den duur een 'blog' aan het been... besef dat ik in die 5 jaar 
weinig voor mezelf heb gedaan, weinig geschreven".... 
"Agenda, verslagjes, nieuwtjes alles moest erop....er kwam steeds meer bij"
"...ook kwamen pittige reacties, mensen die verontwaardigd waren 'blijkbaar
niet tot de vriendjes te behoren' of juist furieus waren tussen die namen 
terecht te komen, er was er zelfs één die geld vroeg om doorgelinkt te worden"
...  "...de meeste gastdichters stuurden toch iets in wat ze al hadden liggen..."
Wij kunnen ons goed voorstellen hoe Tine Moniek al gauw een duizendpoot
was, die desondanks niet eens meer één stel pootjes voor zichzelf over had.
Ze had zich nu eenmaal voorgenomen om het echt allemaal alleen te doen.
Ze heeft het 5 jaar lang kranig volgehouden en dat is heel wat langer dan 
menig ander. 

Hernehim Cultuur is van het begin af nooit helemaal een éénmans/vrouws 
activiteit geweest, er kwamen mensen bij, er gingen mensen weer weg - na
acht jaar is er een klein team en we gaan door. Toch als individu voelen we
ons stuk voor stuk soms ook een beetje als een Tine Moniek. Je draait 
maar door, puur op waardering en die is er lang niet altijd. 
Maar één voordeel: we waarderen elkáár! 
Nu valt het doek voor Parlando. Hoe kan Vlaanderen verder? 
Tine Moniek geeft een paar tips: het Poëziecentrum in Gent verzorgt een
vrij volledige agenda, voor verslagen en recensies zou je terecht kunnen bij
Poëzierapport en Passa Porta in Brussel. Voor Nederland noemt ze 
Meander en Hernehim (dank Tine!), de zuidelijke en de noordelijke Neder-
landen ze kunnen voort. 
Wie het volledig interview op de Contrabas wil lezen komt erop via deze link
| Permanente link |  

© Hernehim Cultuur - Redactioneel - 24 augustus 2009 


 
 
   
Wijn - Een impressie uit La douce France van Sierksma - 4 augustus 2009 
   
Met mijn volgeladen winkelwagentje worstel ik me door de diverse koopgoten
van de enormste surface van het stadje waar ik mijn inkopen doe. 
Voor mezelf valt het meestal wel mee, maar
ik heb vlak voor het afscheid van
mijn gehucht buren uitgenodigd voor een uitgebreid aperitief. 

Eenmaal aangekomen bij de rijen medewinkelaars die net als ik willen 
afrekenen en die
moeten wachten voor een van de geldsluizen, kijk ik - zoals
steeds weer - jaloers naar de korte
rij met wachtenden bij het gangetje voor
kopers met moins de dix articles. 
Dat kan ik van mijn vracht gewoon niet maken. 

In die rij staat een mooie vrouw met donker krulhaar, gehuld in een zwarte
lange jurk. Ze heeft
veel minder dan tien artikelen – eentje maar, een fles 
wijn die ze als een baby in haar armen
koestert. 
Zoals ik in het openbaar vervoer altijd woest nieuwsgierig ben naar het boek
dat de overbuurman aan het lezen is en me soms in malle bochten wring om
achter de titel te komen
(soms moet ik vragen), zo borrelt er nu een intens
verlangen op om het soort wijn te weten
dat ze tegen de borst houdt. Ik zou
er best van willen proeven. 

Maar vragen kan niet, en zelfs dan zou ik het niet doen. Tussen mijn rij 
torsers en de hare met winkelende lichtgewichten staan immers nog twee
rijen. Omdat er nog maar twee wachtenden voor me staan en voor haar wel
tien lopen we toch vrijwel tegelijk het winkelmonster uit. Dat ze ruim tien 
minuten heeft moeten wachten om die ene fles te betalen wijst op de 
kostbaarheid ervan. 
Wijn voor haar zelf? Voor haar en iemand anders? Je gaat gissen. Kreeg 
ze een plotse, onbedwingbare dorst? Het blijft iets raars. Dan stel ik vast 
dat de vrouw haar hoofd een beetje heeft verloren, als dronk ze eerder die
dag ook al een fles. Terwijl ik voedsel en dranken in mijn kleine auto laad 
passeert ze me wel drie keer en verwaait dan weer in alle windrichtingen 
over het parkeerterrein. Ze is haar auto kwijt, compleet vergeten waar ze 
die neerzette. 

Zag ze iemand die haar van de kaart bracht? Al tijdens het wachten om te
betalen? Of misschien pas op de parking? 
Vrijwel gelijktijdig rijd ik weg en vindt zij haar wagen terug, nota bene die 
naast de mijne. 
Dan verwaaien twee mensen, als bekende schepen in een bekende nacht.
Mijn lunch wacht in La Roche. Met een in elk geval sobere wijn. 

  © Sierksma, 3.8/09 
 
   
Hedendaagse man loopt gevaar - van Arnoud de Jong - 20 juli 2009 
   
In dit stukje richt ik mij even op de hedendaagse man. En dan met name op
de hedendaagse man van laten we zeggen rond de veertig. Want
veertig is 
een tamelijk riskante leeftijd voor een man. 
Dan kijkt hij wat extra nadrukkelijk
in de spiegel, merkt hij dat er haren uit 
zijn neus en oren beginnen te groeien en neemt hij
met toenemende onrust
een uitzakkend buikje waar. Om die reden zijn er opbeurende teksten 
verzonnen als 'Het leven begint bij veertig' en
'Mannen worden knapper naar-
mate ze ouder worden'. In elke giftshop zijn er wel bekers
met een 
dergelijke opdruk te koop. 
Het is ook de leeftijd van de midlife-crisis, waarop de man als een gek gaat
rondneuken
om zichzelf te bewijzen dat hij nog meetelt. 
Hele legers verbitterde ex-echtgenotes kunnen
hiervan getuigen. Zij hebben
met lede ogen moeten toezien hoe zij werden ingeruild voor een 'jonger ding'
("die hoer ja") en dat de rotzak nog 'een tweede nestje' met haar begon.
Clichés schieten te kort om de mentale zwakheden van de man rond de 
veertig te
beschrijven. 
Ook de cosmetica-industrie begint nu in te spelen op de onzekerheden van 
de moderne
hedendaagse man. Hij moet -godbetert- ineens op z'n huid gaan
letten, iets wat hij niet meer
heeft gedaan sinds hij z'n laatste jeugdpuistje 
uitkneep.
Hooguit heeft hij z'n rug en armen laten voltattoëren, maar dat is
een doelgroep die de schoonheidsindustrie allang heeft opgegeven. 

 

Nee, aan de plaatjes te zien is de reclame gericht op de goedverdienende
yup die eindelijk veertig is geworden. En die dus eigenlijk geen yup meer is.
Voorheen beperkte de commercie zich tot het gladscheren en de oksel-
frisheid. Die campagnes blonken ook al uit met 'n toenemende dosis verwijfd-
heid. Maar nu begint het écht link te worden. 
Nivea komt namelijk met DNAge. Want ook de man moet volgens Nivea op
zijn verouderende huid gaan letten. Op de kraaienpootjes, de wallen onder 
de ogen, op de verslappende huid, op de groeven van neus tot mondhoeken,
op de rimpels in het voorhoofd. Dit wordt oppassen, mannen van Nederland! 
Nivea wil van jullie 'n stelletje sissies maken, verwijfde zeventiende-eeuwse 
praaljonkers! Alle stoere kenmerken die de ouder wordende man juist zo
aantrekkelijk maken, die juist het onderscheid betekenen tussen man en
babyface, die wil Nivea gaan gladstrijken! Trap daar niet in! Zorg dat je man
blijft! Dat je er op je vijfenveertigste nog uitziet zoals Nivea wil, moet tot elke
prijs vermeden worden! De echte man heeft tegen die tijd een doorleefde en
doorgroefde kop, waarop de tand des tijds z'n sporen van seks, drugs en 
dronkenschap heeft achtergelaten! Zo hoort dat! 
Zo gaat de evolutie! Laten ze bij Nivea die rotzooi maar op hun buik smeren.
Helpt trouwens ook dáár niet. Anders had ik het nog wel geprobeerd 
misschien... 

© Verbal Jam 

 
   
Een ernstig woord - van Gastauteur Aart van Zoest - 16 juni 2009 
   
Ik steek het niet onder stoelen of banken: ik vraag van een gedicht dat het
mij een toegang biedt tot zijn betekenis. Dat komt doordat ik leef met de
vooronderstelling, of moet ik zeggen met het verlangen, dat poëzie een daad
is van communicatie, een handreiking naar wie lezen wil of luisteren. 
Niet perse opzettelijk, niet nadrukkelijk, maar toch. Als ik de merel hoor 
zingen, of de kleuren zie van de anemoon, neem ik aan dat dat er is opdat
ik het hoor en zie. Zo denk ik ook over poëzie. 
Ik geef toe dat deze vooronderstelling, die wellicht vooroordeel heten moet,
te maken heeft met mijn afkeer voor onbegrijpelijk taalgebruik. Er bestaat 
onbegrijpelijkheid die door een bepaalde categorie dichters tot handelsmerk
is gemaakt. Dat is de onbegrijpelijkheid die als rattengif werkt op de 
ontvankelijkheid van de welwillende minnaars van poëzie, waarvan er godzij-
dank zo veel zijn in de wereld. 
Het is waar dat een gedicht, in zijn algemeenheid, een beautiful riddle kan
zijn. Zelfs moet zijn, naar mijn smaak. Zonder een fundamentele, onbeant-
woorde vraagstelling kan poëzie het niet stellen.
Waarom moest dit zó gezegd zijn en geen millimeter anders? Hoe komt
het dat deze woorden een leven lang in mij blijven nazingen? Lyrisch, 
didactisch, episch, existentieel. Hartverscheurend. Opbeurend. Een 
vermaning. Een jawoord. Het ach of het wee van een zielsverwant. Een 
brandend teken. Een teken van leven. Dat alles kan een gedicht voor zijn
lezers zijn. Zonder dat te zeggen valt waarom. 
Wat dit betreft geldt ook hier dat de proof of the pudding in the eating is. 
Onder de veertien dichters in het voorjaarsnummer van Nynade zijn er die 
hun renommee al verworven hebben. Anderen zijn aanstormers. Kenmerk 
van het geheel: spannende diversiteit. Sommige teksten kijken ons aan met
wijd open ogen. Andere geven hun geheim pas na inspanning prijs. Maar
aan opzettelijke ondoorgrondelijkheid maakt geen hunner zich schuldig. 
Al die poëzie noodt tot nadenken en navoelen, tot instemmen ook. 
En ontdekken. 

© Aart van Zoest - april 2009    Hoofdredacteur "Nynade"

   
 
   
Misverstand  - Column van Karel Wasch - 5 juni 2009 
   
“Herne.. wat?” vraagt mijn dochter wanneer ik vertel dat ik naar een middag
van Hernehim zal gaan. “Hernehim” zeg ik met enige trots. 
“Oh dat is die begrafenisonderneming “grapt mijn zoon “van Is er cake na
de dood?, toch?” 
Ik word nu een beetje geïrriteerd. ”Nee, het is een culturele club en we gaan
zaken uitwisselen.” 
Nadat ik dit heb gezegd is het even stil. Helemaal waar is het niet maar 
kennelijk toch afdoende. 
“ Oh ze gaan met Turken over Wilders praten” merkt mijn dochter op, ze 
heeft een aan de lessen maatschappijleer gerelateerde belevingswereld en
dan moet je oppassen. “Ik wist niet dat je zo multiculti was” voegt ze er 
verbaasd maar met enige bewondering aan toe. 
“Nee, ik ga gedichten voordragen“ zeg ik ”niks te Wilders. . !" 
“Wie komen er dan allemaal, zijn dat bekende mensen, komt Hans Teeuwen,
die deed laatst wat voor Theo van Gogh, een gedicht of zo?” 
Mijn zoon is op de hoogte merk ik. 
“Nou o.a. Pom Wolff” 

 

“Wolf?” Ik zie mijn vrouw nadenken, die naam roept een vage herinnering bij
haar op. “Dat was toch een lid van de CPN?” weet ze. “Dus toch politiek!”
"Nee, hij heeft een site op Internet en is beroemd dichter". Hoewel…? Voor
veel internetpoëzie is de rand van het beeldscherm de enige grens. “Gaan 
jullie mee?" 
"Ik ga naar een ballonwedstrijd in Schipsluiden” zegt mijn dochter, zoonlief
zwijgt, hij kijkt me aan of hij water ziet branden. 
Ik geef het op, realiseer me dat dichters alleen aan elkaar voorlezen, maar 
dat is niet erg en vroeger had dat misschien in de verte met politiek te 
maken. 
Cabaretiers zijn dichters en dichters dragen voor aan elkaar, is dat erg? 
Het is in ieder geval niet zo erg als de Gouden Kooi, waarin mensen worden
opgeleid tot sadist of toekomstig neuroot. Misschien komen ze dan wel 
terecht bij Rutger Hendrik van den Hoofdakker oftewel de psychiater Rutger
Kopland, maar die is eigenlijk dichter. Eisenhower, vonden de soldaten, was
een goede president en in de Senaat vonden ze hem een prima generaal. 
Er is dus nog hoop voor Kopland. 

© Karel Wasch 

   
 
 
Breinrot  - Kort verhaal van Arnoud de Jong - 10 mei 2009 
   
Van buiten af bezien was het een kleine, vrolijke stoet die mijn vader naar
het verpleeghuis bracht. Ik duwde zijn rolstoel. Het was mooi weer, we 
probeerden het luchtig te houden. Daarom hadden we mijn moeder nog maar
niet meegenomen. 
Mijn zuster en mijn vrouw maakten grapjes met hem. Als hij ze niet begreep,
deed hij alsof. Hij maakte ook grapjes met ons. Die wij dan weer niet altijd 
begrepen, maar ook wij deden dapper alsof. 
Hij zwaaide als een vorst op rijtoer naar voorbijgangers, maar ze zwaaiden 
lang niet altijd terug. Ze waren bezig met hun eigen dingen. Misschien als
we hadden geroepen: 'Hij gaat vandaag naar het verpleeghuis', hadden ze 
wel even de moeite genomen om terug te zwaaien. 
Zo aardig zijn de meeste mensen wel. Maar we riepen niets... 
want dan hadden wij moeten huilen. 

Inwendig was het een droeve stoet. Het doet toch erg veel pijn om een 
demente vader van 98 jaar naar het verpleeghuis te moeten brengen. Vooral
omdat hij een klein jochie in een oud verschrompeld lichaam is geworden, 
dat argeloos de scheiding van vrouw en thuis tegemoet rijdt. 
Het zat er al een tijdje aan te komen. Maar een week geleden raakten de 
zaken in een stroomversnelling toen hij zijn pols brak.
Ik ging met hem naar het ziekenhuis, waar we een hele middag zaten voor 
twee fotootjes en een gipsverband. Kosten noch moeite zijn gespaard in dit
land om een kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg op poten te zetten.
Dusdanig hoogstaand, dat de afdeling 'Spoedeisende Hulp' dan ook daad-
werkelijk in staat is om een incontinente en demente oude baas van 98 
binnen de recordtijd van drie uur met spoed te helpen. 

Die middag was hij moeilijk te hanteren geweest. Onvermijdelijk moest hij
een keer naar de wc. "Ik moet plassen." Ik reed hem in zijn rolstoel naar 
het invalidentoilet. 
"Wat doe ik hier? Wat is dat?" - "Dat is een wc. Je moest toch plassen?" 
"Ik moet helemaal niet plassen!" 
Ik probeerde niet te zuchten en we verlieten het toilet. Er verstreken tien 
minuten. 
"Ik moet plassen!" - "Daarnet bracht ik je naar de wc en toen hoefde je niet"
"Nou, dan pis ik wel in mijn broek." - "Ik moet even kijken of die dokter er al
aankomt. Want dat zul je dan net zien, dat hij uitgerekend komt als wij naar
de wc zijn... Nou ja, laten we maar gaan dan." 
"Ik heb al in mijn broek gepist." 
Dat is om mij te sarren. Gelukkig draagt hij een incontinentieluier. 

Op zulke momenten is het belangrijk te blijven focussen op het beeld dat
je bewaart van de vader zoals hij vroeger was. Anders verdraag je de zieke
vader van nu niet meer. De vader met 'breinrot', zoals ik zijn dementie noem.
Ik stel mij voor dat delen van zijn hersens zijn verdwenen, gewoon zijn weg-
gerot. Wat er drie minuten geleden gebeurde weet hij niet meer. 
Wel dingen van vroeger. Hoewel hij al één derde van zijn leven met pensioen
is, kunnen we roddelen over zijn collega's van destijds. 
Zijn wereld is ineengeschrompeld. Hij probeert er greep op te houden. In 
huis wijst hij de dingen aan en verklaart dat ze van hem zijn, dat hij ze heeft
gekocht. Ook als ze niet van hem zijn. Hij spookt 's nachts door de kamers
en plundert in de keuken de koelkast. 

Hij eet al het broodbeleg op. Of zoals laatst een heel paasbrood. Daarna 
vergeet hij dat hij heeft gegeten. "Hebben we niets op brood?" vraagt hij de
volgende morgen verontwaardigd. 
Hij ziet vreemde mensen in huis, waarschuwt mijn moeder dat ze niemand
moet vertrouwen. Er waren studenten die een grap met hem wilden uithalen.
Maar gelukkig had hij dat in de gaten, het was maar goed dat hij zo goed 
oplette, ze waren al in de slaapkamer. Hij ging kijken, slofte achter zijn 
rollator aan. Op de terugweg struikelde hij, kwam in de gang ten val en brak
zijn pols. 
Dat was in meer dan één opzicht een breekpunt. Het betekende dat hij 
zichzelf niet meer kon aankleden, niet meer met zijn rollator mocht lopen en
zijn eigen kont niet meer kon afvegen. Het werd nu echt te moeilijk om hem
nog langer thuis te verzorgen. 

Vanaf het eerste moment aanvaardde hij het verpleeghuis wonderwel. Hij 
kreeg meteen al soep en at die met smaak op. Na het eerste etmaal 
vertelden de verzorgsters dat het net leek alsof hij er al maanden zat, zo 
voelde hij zich thuis. 
Al die jaren was ik bang geweest voor het moment dat ik mijn vader naar
een verpleeghuis zou moeten brengen. Ik had drama's verwacht, want bij de
vorige verhuizing had hij aanvankelijk erg moeilijk gedaan. 
"Ik ben een oude man, die doe je zoiets toch niet aan!" 
Maar nu zie ik hem toch wat opleven, hij loopt rond, kletst vrolijk met je, 
gaat zowaar naar een muziekuitvoering op Koninginnedag, gaat met ons in
de tuin zitten en eet een taartje. 
De andere mensen op zijn afdeling zijn nog meer in zichzelf gekeerd dan hij.
Een man loopt alsmaar door de gangen, komt van tijd tot tijd als een zombie
zwijgend bij ons staan en vertrekt dan weer. 
Een vrouw herhaalt hele conversaties uit een ver verleden. Verderop wipt 
iemand onafgebroken met haar been. Weer een ander ligt de hele dag op de
loer om uit de gesloten afdeling te kunnen ontsnappen. 

Het is een gezelschap in verschillende stadia van ontluistering, maar ze
schijnen desondanks weinig last van elkaar te hebben. Daar hoort mijn vader
nu ook bij. 
Af en toe voel ik vinnige golfjes van verdriet en medelijden in mijn borst 
aanspoelen. Het huilen staat mij dan nader dan het lachen. Het gebeurt op
de momenten dat mijn vader serieus tegen mij converseert over allerlei 
kleine en simpele dingen, als een jochie dat de wereld nog moet ontdekken.
Dezelfde wereld die hij juist geleidelijk is kwijtgeraakt. 
Ik besef dat mijn vader nu het gezin van vroeger heeft verlaten, dat hij verder
van mij weg staat, zowel geestelijk als fysiek. 
"Ik komt hier nooit meer uit," zei hij gisteren nog tegen mijn moeder. 
Maar hij leek erin te berusten, er niet werkelijk onder te lijden. Voor zover hij
het niet gewoon vergat. Het was de enige opmerking die hij maakte over zijn
nieuwe situatie. 
Uitgerekend mijn vader is de enige van ons die zich niet terneergeslagen voelt.
Zijn humeur lijkt erop vooruit gegaan. Ik moet dan maar proberen daar blij om
te zijn. 

© Arnoud de Jong 

   
 
   
Verloedering van het boekenvak  - Column van John Zwart - 23 april 2009 
   
Hoe word je een bekend auteur? 

Dat is de vraag die al velen zich hebben gesteld nadat ze zich een 
poos bezig hielden met 't
stoeien met tekst. Als we kijken naar het
verleden waren het vaak predikanten en mensen uit
het onderwijs - 
dus beroepsmatig al ervaren met het schrijven - die zich wierpen op
verhalen,
essays en romans. De voorwaarde niet afhankelijk te zijn 
van de inkomsten uit de schrijverij én
desondanks daar veel vrije tijd 
voor beschikbaar hebben, daar werd in beide beroepsgroepen
ruim-
schoots aan voldaan. Wat natuurlijk ook hielp was geboren worden
in een rijk nest, in dat
geval was ordinair werken geheel onnodig. 
Dan waren er natuurlijk ook nog de academisch
gevormde neerlandici,
zij promoveerden en waren al eerbiedwaardig door "Dr." voor hun naam.
Maar die tijd ligt ver achter ons. 
Vandaag de dag hoef je nog geen letter op papier te hebben gezet 
om je schrijverscarrière te
starten. De eerste stap is: in het nieuws zijn
of zijn geweest. Als je door je functie toch al regelmatig
camera's op je
gericht krijgt en microfoons voor de mond geduwd, dan is het al heel
gemakkelijk.
Iedereen kent je al, de uitgevers óók. 
Zit je in de politiek en je krijgt lust wat sappigs op papier
te zetten, 
bijvoorbeeld in de vorm van wat vuile was, ze gooien er ongezien al een
flinke oplage
tegenaan. 

Had tot nu toe nooit iemand van je doen en laten willen weten dan is
het zaak wat stuntwerk
te verrichten. Word crimineel, niet wat half
zachte inbraakjes of tasjesroof, nee het ruige werk,
compleet met 
liquidaties enzo:

Kleine criminelen hangen de keel uit, zware jongens, dáár smullen
we van..Kaap een vliegtuig en roep dat je het uit liefde voor de 
stewardess doet en dreig, als ze niet onmiddellijk met je trouwen wil, 
dat de kist met iedereen erin de lucht invliegt, maar dan wel ánders, 
Vermoord je vrouw en schrijf zorgvuldig alle feiten op, hoe en waarom
je het hebt gedaan en het verwerken van het lijk. 
Word serieverkrachter. Word de vriendin van een serieverkrachter, 
die zijn straf moet uitzitten. Beter nog: trouw met een ter dood veroor-
deelde seriemoordenaar. Ga op avontuur in een gevaarlijk land en laat
je gijzelen door guerrilla's of terroristen. Ga een paar jaar werken in de
straatprostitutie. Sluit je aan bij de Satanskerk, stel je beschikbaar 
voor het altaar, als offerblok met zachte gleuf. 
Mannen die hun pik achterna lopen en daarover willen schrijven, die 
beginnen al vervelend te worden, aan één Brusselmans in Vlaanderen
en één Kluun voor Nederland hebben we genoeg. Maar de mogelijk-
heden voor vrouwen die alle promiscue geilheid willen uitproberen zijn
nog lang niet uitgeput. En anders: ga je naar Afrika, om kindsoldaatjes
te helpen en laat je zwanger maken door één van hen. 
De uitgevers zien de oplagecijfers al voor ogen, nog vóórdat je één 
letter op papier hebt. Zelfs als je er helemaal niets van bakt komt jouw
bestseller er tóch wel, dan krijg je gewoon een ghostwriter aangeboden.

Die dochter van Fritzl, details willen we kennen! Meisje, als je nou een
beetje exhibitionistisch wordt, dan staan de uitgevers te dringen voor 
jouw deur, echt waar! 

© John Zwart - 20 april 2009

   
 
   
Sire, opvoeding voor de kleine man  - Gastcolumn van Arnoud de Jong - 26 maart 2009 
   
We gedragen ons veel te asociaal vindt SIRE. We bellen hardop in het
openbaar vervoer en/of nemen twee zitplaatsen in beslag, we peuteren
publiekelijk in ons neus, we spugen,
boeren, ruften er lustig op los, we 
telefoneren gewoon door bij de kassa, we laten onze
honden in de 
zandbak poepen, we dringen voor, we legen de autoasbak op straat en
tot
overmaat van ergernis hebben we dat allemaal zelf niet in de gaten. 

Mooi verzonnen van SIRE, daar wordt ons land vast weer wat prettiger
van. Alleen is dit
natuurlijk allemaal maar klein bier. 
Er zijn veel ergere vormen van asociaal gedrag. Daarvan zagen wij het 
afgelopen jaar heel
wat schandelijke voorbeelden passeren. 
Bestuurders en managers van (semi-)publieke
organisaties, zoals 
woningcorporaties en zorginstellingen, die zichzelf schaamteloos 
verrijkten op kosten van de belastingbetaler en ondertussen woning-
en zorgbehoevenden lieten
barsten. Prominente Nederlanders als 
Elco Brinkman en Hans Hillen die tegen vorstelijke
vergoedingen 
werden geacht daar toezicht op te houden, maar dat niet deden. 
Zij hadden
het te druk met hun andere dertig commissariaten en 
erebaantjes.
We hadden ook nog de topmanagers uit het bedrijfsleven
en de bancaire sector die hun eigen bankrekeningen riant volstouwden
met bonussen en optieregelingen.

Onderwijl lieten ze banken omvallen, bedrijven over de rand van de 
afgrond kieperen. Duizenden werknemers werden zonder scrupules 
de WW in geschopt. Ze smeerden argeloze huizenkopers dure woeker-
polissen aan. Zij stortten ons, maar niet zichzelf, in de diepste 
depressie sinds de jaren dertig. 
Er waren ook bestuurders die faalden in hun opdracht allerlei mega-
projecten in goede banen te leiden, waardoor huizen verzakten en de
kosten en bouwtijden verdubbelden. Ze hadden ook toezicht moeten 
houden op de door hun goedgekeurde IJslandse banken, opdat ons 
spaargeld niet zou wegsmelten. 
Ze hebben het nagelaten, de staat moest ervoor opdraaien en zelf 
kwamen ze ermee weg. Inmiddels zitten ze in het volgende lucratieve 
baantje. 

Dáár zie je nu nooit eens een SIRE-campagne over. SIRE-campagnes
zijn altijd gericht op 'het gewone volk', en nooit op de toplaag van 
Nederland. Die kan daardoor gezellig en comfortabel de elite blijven. 
Wie doet ze wat? Wie spreekt ze aan op hun asociale gedrag? 
SIRE in elk geval niet. 

© Arnoud de Jong 

   
 
   
Schietschijf  - Gastcolumn van ZIgg Zagg - 15 maart 2009 
   
De samenleving verhardt. Daar zeg ik niets nieuws mee. Het is een
gegeven feit dat veel mensen zich op straat niet meer veilig voelen. 
Zeker sinds die veiligheid ook nog eens
hoog op de politieke agenda
staat.
In plaats van groepen mensen die buiten de boot dreigen te vallen, 
meer zekerheid te
geven over hun lot, komt de politiek terug met 
steeds hardere maatregelen om alles in
het gareel te houden. De burger
is zelf verantwoordelijk voor zijn bestaan, ook al staan
hun banen op de
tocht, ook al hebben de banken de kassen leeggeroofd door zich met 
een hebzuchtig bonussysteem te verrijken. De burger betaalt en verzuipt.
Maar, je mag
het niet zien als een noodlot; het is een kans die je moet
benutten. Is het dan gek dat agressie onder ons is gekomen? 

Ondertussen worden buschauffeurs in elkaar geslagen door puberende 
rotjochies, die naar voorbeeld van de rijken, ook
kansen ruiken om zich
makkelijk van veel geld te voorzien voor de nodige blingbling. 
Repressie is het maatschappelijk antwoord waarmee opnieuw agressie
wordt opgewekt. 
De PvdA roept om meer polemiek. Dat kan geen kwaad, vindt de partij
en gooit er een
integratienota tegenaan die zelfs PvdA-coryfee Jacques
Wallage te ver gaat. 
Wat zou het antwoord moeten zijn op al die opgewekte agressie. 
In Amerika schiet een
man zo in het wilde weg wat mensen dood terwijl
diezelfde dag, een paar uur later een
zeventienjarige jongen in het 
Duitse Winnenden met het pistool van zijn vader een slachtpartij aan-
richt. Is het onvermogen? Uitzichtloosheid? 
Welke perspectieven zijn nog te bieden in een samenleving waarin alleen
de besten een
plek krijgen en de minderen die ook nog over goede 
kwaliteiten beschikken, worden
afgescheept. 
Ondertussen moeten ouderen langer werken terwijl hun werkgevers op
hun beurt allerlei toeren uithalen om die ouderen zo snel mogelijk te 
lozen. 

 

Jongeren, net klaar met hun hbo, kunnen zo weer aanschuiven in een
nieuwe opleiding, want alleen leren leidt nog tot een baan, zo wordt 
gesproken. Hoewel: het stempel 'eeuwige student' is ook geen toegangs-
bewijs tot een beter leven. Het zijn die tegenstrijdige prikkels die een 
mens tot wanhoop drijven. 
De meest kwetsbaren zijn de kinderen met leer- en gedragsproblemen.
Zij hebben baat bij een beschermende omgeving, waar ze de rust krijgen
uit te groeien tot mensen die hun kwaliteiten leren kennen; een omgeving
waarin waardering is voor de kleine mijlpaaltjes die zij met veel moeite
kunnen afleggen. Begrip en waardering hebben nog nooit iemand kwaad 
gedaan. 
Uitgerekend in de kwetsbare Utrechtse wijk Overvecht trof ik zo’n school
voor praktijkonderwijs die dit soort kinderen onder de vleugels neemt. 
Maar, in de vaart der volkeren moet ook deze instelling een flinke positie
innemen. Daarom koos de school voor een naam die kracht uitstraalt. 
De kracht van het kind ligt in zijn talent. Dat talent moet eruit komen. 
Een positieve gedachte.
Het eerste deel van de naam is dan ook gewoon de afkorting voor het 
soort onderwijs in de vestigingsplaats. Het tweede deel van de naam 
staat voor Werken, Evalueren en Reflecteren (POUWER). Ook dat klinkt
allemaal erg opbouwend en wekt positieve energie op. Het komt aan op
de vormgeving om deze gedachte eenvoudig uit te dragen. En daar laat
nu juist deze school zich meeslepen door de heersende agressiespiraal.
Nog nooit heb ik een onderwijsinstelling gezien die een schietschijf in 
zijn logo draagt. Deze dus wel. 
Agressie en geweld zijn nu definitief geïnstitutionaliseerd, Het lijkt mij 
dat kwetsbare kinderen uit de meest kwetsbare wijken, waar geweld op
alle niveaus gemeengoed aan het worden is, met deze schietschijf een
vrijbrief in handen hebben: 
een plek in deze samenleving komt je alleen toe met geweld. Trek 
desnoods het pistool van je vader en maak van de school een schiet-
schijf. 

© ZiggZagg 

 
 
   
Kom op voor jezelf, maar blijf wel realistisch  - Column van John Zwart - 17 februari 2009 
   
Ze lijken me soms benijdenswaard, die vrolijke jongens en meiden die
niet beter weten dan dat 'alles moet kunnen'. De jeugd voor wie een 
mobieltje en een mp3 speler en een
eigen pc en tv op de kamer, en 
wat al niet nog méér tot de standaard uitrusting behoort.
Zonder welke
het bestaan verschrikkelijk en ondraaglijk moet zijn. 
Zijn ze te benijden? 

De generatie erbóven, de ouders -kinderen van de 'babyboomers'- die 
hebben ook al een
vrij zorgenloze jeugd ervaren. Grootgebracht door 
ouders, die uitgingen van hun gevoel: "mijn kinderen zullen wél hebben
wat ik allemaal moest missen". 

De kinderen van de babyboomers, die zijn het die nu het meest aan het
woord komen in
de escalerende rampendiscussies over recessie, 
krimpende economie,
dreigende
onweerswolken van golven bedrijfs- 
sluitingen, massaontslagen... Alles wat op komst zou
zijn, en waar 
misschien zelfs de jaren dertig bij zullen verbleken. Zij domineren de 
media,
radio, tv en kranten, ze lijken wel tegen elkaar op te bieden in
hoe erg het allemaal is en: "nee, dit is nog maar het begin, het wordt 
nog veel erger"
en hoe lang het allemaal zal duren: "twee jaar, vijf jaar,
misschien wel tien jaren". 

Het zijn extreme omstandigheden en die vragen om extreme maat-
regelen, orakelt onze premier met zijn kanselstemmetje. En vervolgens
vliegt men elkaar in de haren over wat
voor extreme maatregelen er nu
wél en welke er niet moeten genomen. Opponenten die
precies het 
omgekeerde van elkaar eisen. 
Verhoging van de pensioenleeftijd, een loonstop want de inflatie is 
bijna nul, bezuinigen op
de zorg en de gezondheid, bezuinigen op het
leger, afschaffen van de ontwikkelingshulp, afschaffen van de renteaftrek
op hypotheken. Over alle onderwerpen wordt gekrakeeld of het
gaat om
ons leven of de dood, getrokken binnen het grimmige kader van crisis-
beraad. 
De banken hebben de buit al binnen en voorlopig gebeurt er even niets... 
De pers zit Balkenende op de huid en wil natuurlijk weten hoe en wat. 
Maar op elke vraag komt zijn antwoord: "Daar zijn we nog helemaal niet
aan toe! Dat zijn we nog volop aan het bespreken".

"Hou toch eens op mensen", zou ik als toehoorder willen roepen. 
Wind je toch niet zo vreselijk op!
De wereld vergaat niet! 

 

Misschien ben ik wel benijdenswaard, ik heb de hongerwinter beleefd.
We waren blij als mijn vader terugkeerde van een voedselstrooptocht 
langs de boerderijen en twee flessen melk en vijf kilo aardappelen op 
het aanrecht deponeerde - daarmee konden we weer een paar dagen 
verder. Mijn moeder wist twee keer anderhalve liter havermoutpap te 
koken door de melk aan te lengen met water. Het gas was allang 
afgesloten. Moeder kookte in de woonkamer op een klein plat nood- 
kacheltje, gefabriceerd door de Blikfabrieken te Krommenie. Daarin 
kon je alles wat brandbaar was verstoken. Zo bleef er in dat ene vertrek
een beetje warmte in huis. 
We hebben het overleefd, het werd eind jaren veertig en toen werd voor
mijn tiende verjaardag mijn eerste fiets gebracht door Ome Klaas. Het
ding was bijeengeschroefd uit allerlei verzamelde onderdelen. Maar ik 
was er toch wel blij mee, want voordien moest ik alles lopen, geld voor
de NACO bus was er niet. Dat lopen was niet zo erg, zei mijn vader, 
hij had zelf zijn hele jeugd alles lopende moeten doen, hij had als kind 
nóóit een fiets gehad. Toen ik veertien was werkte ik de zomervakantie
drie weken in de koekjesfabriek van Hille. Daar hield ik 25 gulden aan 
over. Een kapitaal, mijn zakgeld was een rijksdaalder (voor de jongere
lezers: twee gulden en vijftig cent) per week. Van mijn zelfverdiende 
kapitaal kocht ik mijn eerste horloge. Ik zie het ding nog voor ogen in
het duister van de slaapkamer, met zijn groene fluorescerende wijzers.

Wat is er NU helemaal aan de hand? We verdienen met zijn allen in 
Nederland dit jaar drie en een half procent minder dan in 2008. En 
misschien in 2010 nóg wel een jaartje zo, en als het erg tegenzit kan
het ook wel vier procent zijn. Tegelijk produceren we voor een derde 
méér voedsel dan we daadwerkelijk consumeren - dat teveel is wat 
we weggooien nadat het niet meer vers is. Ik weet nog heel goed hoe
we die zes jaar leefden van 1944-1950 en ik heb later ook gezien hoe
er NU honderden miljoenen mensen leven zoals WIJ leefden in 1944-
1950. Ik denk dat ik daarom zelf te benijden ben, ik ken échte crisis-
omstandigheden nog uit mijn eigen ervaring, net zoals er veel andere
mensen zijn die dat nu ervaren - maar enkele vlieguren verderop. 
Ik zie nog dat we het relatief hartstikke goed hebben en daarom kijk
ik verbijsterd naar de krampachtigheid van al die kinderen van baby-
boomers in de vakbonden en de politiek. 
Tel je zegeningen mensen en geef hier en daar een beetje toe van 
wat je best kan missen, wie weet valt er nog goed te leven met de 
compromissen. 

© John Zwart - 17 februari 2009 

   
 
   
Een psychiater/dichter in gesprek met een psychiater/dichter  - Impressie van Loes Essen -  29 jan 2009 
        

                                         Rutger Kopland 


Amstelveen 29 januari 2009
- In de foyer van de bibliotheek zijn alle
stoelen bezet. Ter gelegenheid van de Nationale Gedichtendag zal 
psychiater/schrijver/publicist Bram Bakker zijn collega Rudi van den 
Hoofdakker
interviewen, ons beter bekend als dichter Rutger Kopland
Het wordt een avond, die ik zeker niet had willen missen. 

'Ik wil amuseren in de brede zin des woords' 

Een buitengewoon innemende, intelligente man, die de vragen rustig en
uitvoerig beantwoordt. Met een introverte glimlach kijkt hij bij zichzelf 
naar binnen op zoek naar een zo zuiver mogelijke formulering. 
Of hij knijpt zijn ogen iets toe terwijl hij in de lucht schuin boven hem, 
zijn herinnering lijkt te lezen. Altijd is er die tegelijkertijd prikkelende als
relativerende toon van geamuseerde ironie, van een buitengewone 
bescheidenheid, alsof hij wil zeggen
'ach, zoveel heeft het allemaal niet
om het lijf'. 
En dat bij iemand, die zowel op zijn vakgebied, de biologische 
psychiatrie, als in zijn hoedanigheid van dichter een ware autoriteit mag
worden genoemd.
Kopland vertelt dat hij nooit de ambitie had om dichter te worden. Hij 
was een hardwerkende arts, met 'een meer dan full time baan', die zich
specialiseerde in de psychiatrie en had 'wel eens iets geschreven voor
gelegenheden van vrolijke aard'.


Echter, toen hij in Groningen zijn vriend Aad Nuys, destijds redacteur
van Tirade, enkele gedichten ter beoordeling gaf, was diens reactie: 
'onmiddellijk naar Tirade sturen!'.
Een paar weken later al gaf uitgeverij
Querido blijk van interesse, maar Kopland zei 'ik ga eerst naar Van 
Oorschot'
. En daar bleef hij. 
Deze gigant, één der meest gewaardeerde dichters van ons land, 
spreekt over het schrijven van gedichten als over 'een uit zijn krachten
gegroeide hobby, iets voor de nacht, voor vakanties, in de auto, 
kortom: wanneer ik even vrij had'
. Dus iets, dat ten opzichte van zijn 
beroep, altijd op de tweede plaats bleef staan. Het maken van een 
gedicht is voor hem echter ook 'altijd hard werken' geweest. 

Aan de hand van zorgvuldig gekozen vragen van Bram Bakker, worden
we de geest van de dichter binnengeleid. We leren, dat hij gemiddeld
drie weken aan één gedicht werkt. Dat hij verreweg het meeste 
materiaal weggooit, maar dat hij
altijd het gedicht waaraan hij bezig is,
afrondt.
Op de vraag, of er een bepaalde ontwikkeling is aan te wijzen
in de thema's van het werk, zegt de dichter dat zijn beweegredenen 
altijd dezelfde zijn geweest: Iets zodanig kunnen maken, dat het 
ontroert of dat men erom kan lachen. 
'Ik wil amuseren in de brede zin des woords'. 

Dubbelleven

'Het lijkt wel alsof er een soort aan-uit-knop Van den Hoofdakker – 
Kopland bestaat',
zegt Bakker. Kopland beaamt dat. Over de relatie 
naar de psychiatrie zegt Kopland onder meer, dat zijn drijfveer altijd is
geweest de menselijke eigenschappen beter te doorgronden. 


"Hoe zit een ziel in elkaar? Wat beweegt iemand? Dat interesseert mij
meer dan de functies van het hart, klinisch gezien".
En (lachend): 
"natuurlijk ben ik vooral geïnteresseerd in mijzelf " 
"Het schrijven van een gedicht is ook en vooral tegelijkertijd het lezen
van je gedicht. Altijd speelt de vraag: Wat heeft deze persoon mij te
zeggen? Het is als het ware een soort uittreden uit jezelf." 
Bijzonder is het, nu juist van een psychiater als zijn mening te horen,
dat je niet moet veronderstellen dat het schrijven van een gedicht kan 
leiden tot beter begrip van jezelf. Als een cliënt met een stapeltje 
gedichten aankomt, om zich aan de hand daarvan te laten doorgronden,
zegt vd Hoofdakker, alias Kopland:
"doet u die gedichten alstublieft 
onmiddellijk weer in uw tas en vertelt u mij hoe u over de dingen denkt"

'Vaak zijn juist de aarzelingen in formulering van belang, spreken de 
stiltes soms boekdelen. Een gedicht is een uitgewerkte tekst, hier 
staat het. Zo!' 

In de pauze staat een lange rij mensen te wachten op signering van
hun meegebrachte bundels. Het tweede gedeelte van de avond leest
de dichter voor uit eigen werk. Als hij daar zo zit, ontspannen, diep in
de fauteuil, zoekend naar passages, lijkt hij de wereld om zich heen 
vergeten en even te zijn meegezogen in zijn eigen werk 
Wordt hij weer lezer van zijn eigen gedichten. 
Zoals wij dat zo graag zijn. 

 

© Loes Essen 

 
Beek 

Je staat ergens, aan de oever van een beek, 
om je heen een paradijselijk dal, 
wallen met kleine eiken, uitbundig bloeiend gras, 
en aan je voeten gaat het water, 
oud, heel stil water - zo langzaam, 

het is alsof het aarzelt, niet wil 
dat het voorbij gaat. 

Uit: 'Over het verlangen naar een sigaret' 
Van Oorschot - 2001 

 

Tuin 

Ik zit voor het raam en zie 
hoe de tuin niet is veranderd 
voor haar ben ik niet 
weggeweest. 

Eerste gedicht na zijn ziekte - 2006

 

Gesprek met Kopland

zijn gedicht is van een dichter
stof dan denken ons vermoeden laat
de naden diep verzonken toegangs-
paden tot zijn wonderlijke ziel

hij heeft het over eenzaam over
leegten die nog overgaan
in landschap aan de einder, verten
die in ons bestaan

ik kijk en zie zijn dichtgezicht
vol lijnen naar een oud verleden
het diepe in zijn donkere blik
wanneer hij antwoord geeft

(de man die vraagt naar hoe
het ongeluk en of nadien het
schrijven hem verlaten had
of angst misschien voor dat)

en in de zoektocht naar het woord
lijkt hij te blijven
wachten tot het hem gevonden
heeft, verlangend zijn gedachten

©
Louise
 
 
   
Mogen de wapens rusten  - Een nieuwe Dichter des Vaderlands. Bericht en commentaar van John Newswatcher - geplaatst 29 jan 2009 
   
Er was een risico, toen de commissie Jeltje van Nieuwenhoven, middenin
het Israël-Ghaza conflict de acteur-schrijver Ramsey Nasr in de shortlist 
voor Dichter des Vaderlands 2009 opnam. In oktober 2004 publiceerde hij
een opiniestuk over het Israëlisch-Arabische conflict dat felle discussies 
uitlokte. Ramsey Nasr is een zeer geëngageerd auteur. De commissie 
kon er dus rekening mee houden dat de deur werd geopend voor de 
politiek om een rol te gaan spelen in de beslissing wie bij de promotie 
van de Nederlandstalige poëzie in de komende vier jaren het voortouw 
zal nemen. En dat is jammer, want zou een nationaal figuur als een 
'Dichter des Vaderlands' dan niet liefst onomstreden moeten zijn? 
Maar de commissie Jeltje van Nieuwenhoven heeft toch al niet 
geëxelleerd in de aanloop naar deze verkiezingsuitslag. 
Op het internet kunnen snel bepaalde belangengroepen gemobiliseerd
worden of zelfs nog adhoc gevormd en als via een actieve link met één 
klik een stembiljet wordt bereikt, dan is tendentieuze beïnvloeding van de 
uitslag levensgroot aanwezig. Viel de on-Nederlandse naam van Nasr 
direct al op in het rijtje van de shortlist, de diverse media deden hier nog
een schepje bovenop door veelvuldig te refereren naar de 
Palestijns-Nederlandse dichter Ramsey Nasr. Afgezien van het feit dat
een erkende staat Palestina nog steeds niet bestaat is dit toch al grote
onzin en in dit geval zelfs zeer ongewenst. Immers Ramsey Nasr is 
gewoon een Nederlander, niet eens een geïmmigreerde vluchteling, maar
gewoon geboren en getogen in Rotterdam in het jaar 1974.
Ja, pas 34 jaar, een jonkie dat wel; maar goed na twee DdV's met grijs
haar mag er nu wel eens een jongere 'aan de bak'. 
Als iemand mij vraagt om een rijtje van tien erkende en bekende 
Nederlandse dichters op te noemen had Ramsey Nasr daar vrijwel zeker
niet bij geweest. Hij noemt zichzelf op zijn homepage dichter-schrijver-
acteur in die volgorde, maar had iemand mij gevraagd, dan had ik de 
kwalificaties in omgekeerde volgorde genoemd. Want acteur, ja! Een 
naam bij het Zuidelijk Toneel, filmacteur en bekend van tv-series. 
Gelauwerd met de Mary Dresselhuysprijs en nog een nominatie voor de
Louis d'Or. 
Hij schreef drie dichtbundels vanaf zijn debuut in 2000 en ik bezit ze 
géén van drie. Debuut "27 gedichten & geen lied" (2000), liefdespoëzie,
kreeg verdeeld positieve en matige kritiek, maar "Onhandig bloesemend"
volgde in 2004 en werd breed omhelsd. In de Volkskrant schreef Piet 
Gerbrandy: 'De kern van de bundel, een zestien gedichten tellende 
reeks onder de riskante titel 'dichter liefde', is echter ronduit schitterend.
Hier weet Nasr het onhandig bloesemen tot virtuositeit te verheffen, door
schijnbaar teugelloze lyriek krachtig naar zijn hand te zetten ... Deze 
poëzie fonkelt en bruist, zwelgt in tierlantijnen die vervolgens weer 
genadeloos worden afgeserveerd en durft woorden als 'ziel' en 'hart' in
te zetten zonder dat het belachelijk wordt'. 
Het succes van deze bundel bereidde hem de weg om in 2005 in 
Antwerpen Tom Lanoye als Stadsdichter op te volgen. In 2006 
verscheen zijn laatste dichtbundel "Onze-Lieve Vrouwe-Zeppelin". 
Het is op zich al jammer dat de DdV competitie tijdens de aanloop tot
zoveel on-poëtische taferelen aanleiding gaf tussen de genomineerden,
vooral het conflict dat Ramsey Nasr en Tsead Bruinja met elkaar 
aangingen was niet erg hoogstaand. Maar de klikkenteller heeft nu 
beslist, we hebben een nieuwe Dichter des Vaderlands in Ramsey
Nasr. Voorlopig nog niet onomstreden, gezien de reacties die onder
de eerste internet-artikelen verschijnen: "De linkse kerk heeft weer
gezegevierd" - "Overwinning van de propaganda voor de dubbele 
paspoorten" - "Hoe kan iemand Palestijn zijn? Palestina bestaat 
niet eens"
. Ja Jeltje, dat was te verwachten, maar het zal wel weer
luwen, veel eerder dan het vuren tussen Israël en Ghaza, helaas... 
We gaan er fris tegenaan met een nieuwe DdV die géén klassieke 
sonnetten schrijft. Nasr doet regelmatig veel met de symbiose van 
poëzie met klassieke muziek, we mogen hopen dat zijn DdV-schap
hem hier ook nieuwe ruimte voor zal bieden. Zijn muzikaliteit werkt
dóór in zijn zangerige poëzie die zich verder kenmerkt door een
ontspannen parlando. 
Dit zijn eigenschappen die hem bij de invulling van het DdV-schap
zeker ten goede zullen komen. Of hij veel van zich zal doen spreken
en voortdurend in de publiciteit zichtbaar en hoorbaar zal zijn? De 
verplichting die op de DdV rust is slechts om tenminste jaarlijks 
vier gedichten op belangrijke gebeurtenissen te schrijven. 
Zijn verdere betrokkenheid heeft hij geheel zelf in de hand: "Of ik 
op een wedstrijd voor wie de grootste pannenkoek kan bakken zal
verschijnen, of aanwezig zal zijn bij de kroning van de koning, 
bepaal ik gelukkig geheel zelf"
, sprak hij zojuist in Het Oog, 
om vijf minuten voor middernacht. 

© John Newswatcher - 29 januari 2009 -  01:30u 

 
 
 
Hij bakt ze te bruin  - John Newswatcher spreekt zich uit over de Dichter des Vaderlandsstrijd - geplaatst 3 januari 2008 
 

Hij heeft altijd mijn sympathie gehad beste lezers. Ik waardeer hem
om het doorzettingsvermogen waarmee hij in Groningen 'Dichters in
de Prinsentuin' op poten zette en runde, met een inzet zoals ook ons
eigen Hernehim Cultuur altijd weer enthousiaste mensen aantrok, 
waardoor het kon voortbestaan. 
Zijn liefde voor de eigen taal - hij studeerde immers Fries - vond 
waardering in het Noorden
en Bornmeer (Leeuwarden) gaf graag zijn
eersteling uit, "De wizers yn it read" (2000). Vanaf toen ontmoette ik
Tsead Bruinja verschillende keren en waardeerde niet alleen zijn twee-
talige maar voorál zijn oorspronkelijk Nederlandse nieuwe werk. 
Tsead Bruinja is ambitieus, dat
was wel duidelijk, maar daar is niets
mis mee vind ik, zolang hij maar genoeg zichzelf blijft,
zoals hij toonde
door geheel belangeloos een dichtersmiddag van Hernehim in Weesp
te
komen opluisteren. Intussen had de lokkende kracht van Amsterdam
hem al uit 't noorden weggetrokken. Daar werd hard gewerkt aan de
Fries-Groningse 'connection', zo bleek mij. 

Ik zag hem vaak optreden, soms nog hier in het noorden, maar vaker in
"het westen", zoals
wij hier de randstad, met een wijde kring van 50 km
er omheen, plegen aan te duiden. Ik vond hem interessant genoeg om
de presentaties van zijn vorige bundels "Batterij" en "Bang voor de bal"
bij te wonen. Op de avond in Perdu in 2007 voor de laatstgenoemde, 
maakte ik óók voor het eerst kennis met Leine, een opkomend bloempje
in het wijde veld van singer-
songwriters. 

Ja, eigenlijk mocht ik die Tsead Bruinja wel, zoveel is wel duidelijk. Als 
hij weer eens werd
gekozen als 'dichter bij de dag' van de Evangelische
Omroep - niet bepaald mijn favoriet -
luisterde ik graag in de ochtend 
naar Radio 1. Maar als Tsead mij gevraagd had: "vind je ook
niet dat ik
DE dichter ben, die bij uitstek de komende vier jaar Dichter des 
Vaderlands
moet
zijn?" Dan had ik gezegd: "Beste Tsead, ik weet dat
je ambitieus bent, maar is dat niet net
iets teveel eigenwaan?" 
Maar natuurlijk heeft Tsead mij die vraag niet gesteld. Hij stuurde me in
november wel een
email dat hij (alweer!) een nieuwe bundel presenteren
zou in Perdu. "Angel" heet die en dat
is geen Engel(s): de inhoud is 
"woede, schuld en agressie", daaraan moest ik meteen
denken toen ik
op de radio zijn 'dichter bij de dag' bijdrage hoorde van 5 december. 
Het was een bijzondere bundel, vertelde Tsead, want gedrukt op tabloid
formaat. Zoals de
gratis krantjes dus, die overal op stations etc. worden
verspreid. Misschien niet origineel,
maar dan toch wel op zijn minst 
verfrissend. Ik raasde dus weer eens over de A6, naar
Amsterdam, naar
Perdu, op donderdagmiddag 18 december. Tsead had Anneke Claus,
Thomas Möhlman, Erik Jan Harmens, Wim Brands en de boomlange
Elmar Kuiper om zich heen verzameld, zodat het geen 'koekkoek 
éénzang' zou worden. 

Tsead Bruinja 

doet een gooi naar de titel "Dichter des Vaderlands" 
Eigen foto - Hernehim Cultuur 

"Angel" - Bornmeer 2008 
ISBN / EAN 978-90-5615-204-8 

 

  Leine 

winnares "Grote prijs van Nederland 2007" in De Melkweg 

"Truth be told" - Singing Saw Records 2008
Album 5 413356 386820

Meestal schrijf ik over zo'n avond een verslagje maar deze keer, met
kerstmis voor de deur, aarzelde ik. Niet omdat ik ietwat onvoorbereid
op Bart Droog werd getrakteerd, als eerste
gast - niet omdat de poëzie
die te horen was in het algemeen tegenviel, zéker niet. 
En ook niet, omdat het programma verstoord werd en langdurig moest
onderbroken, doordat er
iemand in 't publiek ernstig onwel werd en per
ambulance moest worden afgevoerd. Wat mij tegenviel was de hoeveel-
heid tijd die Tsead als inleiding besteedde aan zijn wapenfeiten, zie 
"The official homepage of the dutch poet Tsead Bruinja", en voorál 
hoe gerechtvaardigd
zijn streven is de volgende DdV te worden. Ook
toen de avond, ver in tijd uitgelopen, werd
afgesloten, opnieuw stertijd,
onder lichtprojecties van wervende affiches. 
Had ik, fris van de lever, geschreven, had ik vooral de lof gezongen van
de vriendelijke Leine, die sinds 2007 zo heel verdiend steeds meer 
bekendheid geniet, waaraan radioprogramma's als "Met het oog op 
morgen", "Kunststof" en "Opium" hebben bijgedragen. 

Email bombardement 

Intussen kwam vandaag de twaalfde (!) folder van Tsead mijn mailbox
binnenzeilen die ik naar de prullenbak verhuisde. Heel Tsead's vrienden-
schaar helpt mee om de redactionele zowel als mijn privé mailbox te
bestoken. In de folder vraagt Tsead om mijn eigen vrienden dezelfde 
ergernis aan te doen. Tsead Bruinja bakt ze te bruin. 


Moet het toch weer een rellerige toestand worden die DdV verkiezing. 
Geloof het of niet lezer, ik dacht 'verkiezing' te schrijven maar bij het 
nalezen hebben mijn vingers 'verzieking' getypt... 
Wat je doet heet spemmen Tsead en je tracht er ook nog een piramide-
spel mee op te zetten. Daar ben ik echt boos over. En boosheid roept
boze gedachten op. Heeft Tsead soms met Bornmeer een één-tweetje
opgezet? Is die tabloid "Angel" niet gewoon een strategische uitgave
om juist nú aandacht voor Tsead Bruinja te genereren in verband met
zijn honger naar het DdV-schap? Zo'n tabloidje is makkelijk en snel in
elkaar geflanst, krantenpapier nog steeds veel te goedkoop. 

Jammer, na dit stukje zal Tsead misschien ook wel boos worden. 
Maar dit stukje was niet te vermijden, Hernehim Cultuur zou nooit een
redactionele voorkeur geven aan één bepaalde dichter. Bovendien, in
het licht van het grote aantal prima dichters dat ons land telt, vindt HC
het maar armzalig dat heel ons volk beperkt wordt tot 't rijtje van 5 van
de shortlist. 
Als HC al iets uitspreekt is het: Ga je toch stemmen, stem dan vooral
VRIJ. 

© John Newswatcher 
    voor Redactie Hernehim Cultuur - 2 januari 2009 

 

   
   
   
Milieubewust schrijverschap  - Gastcolumn van ZiggZagg - geplaatst 9 december 2008 
   
Met de kredietcrisis in het oor schuift de aandacht voor het milieu 
steeds verder naar de achtergrond. Daar wordt het probleem er niet
minder om. Tegelijkertijd lijkt het consumentisme niet meer in te 
dammen. Sinterklaas kan nog altijd niet met pensioen. |
Sterker nog, hij moet er 'n paar Klaasjes bij nemen om alle pakketjes
toch nog op tijd bij iedereen door de schoorsteen te duwen. 
CO2-uitstoot of niet, vergrote ecologische voetstap of niet, 'n gevallen
bank meer of minder, het lijkt niet uit te maken. Wouter Bos voorspelt
voor 2009 zelfs een sterker stijgende koopkracht dan hij had verwacht.

Ondertussen zucht het milieu. Wegen mogen straks versneld aange-
legd, zodat nog meer verkeer kan aansluiten in nog meer files, het
verpakkingstaxje dat is ingevoerd om al die onzinnige verpakkingen 
gestroomlijnd afgevoerd te krijgen, wordt nog altijd niet aangewend 
waarvoor het was bedoeld, en het elektriciteitsnet gaat, als je niet 
uitkijkt, straks weer op kolen en stoom. 
Intussen blijft het zoeken naar mogelijkheden om iets te doen voor
het milieu. 

 

Consuminderen kan. Iets vaker lopen of fietsen, de trein pakken over
de lange afstand, een beetje minder vlees eten, afval scheiden, spaar-
lampen aanschaffen, kranen goed dichtdraaien, verwarming twee 
graadjes lager, bomen planten en niet steeds maar mee willen lopen
met de nieuwste trends. 
En vooral niet luisteren naar het bedrijfsleven dat steeds weer iets 
nieuws bedenkt en de wereld vervolgens vertelt dat die daar zo’n
verschrikkelijke behoefte aan heeft. 

Mochten de eenvoudige schrijvers onder ons (en anderen) zich afvragen
op welke manier zij nog verder kunnen bijdragen aan de bescherming 
van het milieu, dan is er goed nieuws. Er is nu een extra mogelijkheid
om te besparen: het ecofont. Wie dit lettertype gebruikt, spaart het 
milieu. Het Utrechtse communicatiebureau Spranq  was nieuwsgierig
naar de mogelijkheden om op inkt te bezuinigen. Knagend aan het 
alfabet kwam het uit op een letter waarvan alleen 't hoogstnoodzakelijke
is blijven staan. Uitproberen is de moeite waard, want er valt op de inkt
een besparing van 20 procent te realiseren. 
De letter is gratis te downloaden

© ZiggZagg -  december 2008 

   
   
   
De Moeder aller Vragen  - Overdenking van Ibrahim Selman - geplaatst 24 november 2008 
   

Als exotische vluchteling hoef je op een feestje niet lang
op aanspraak te wachten, is de ervaring van Ibrahim Selman. 

Maar die ene eeuwig terugkerende vraag maakt de gang
naar menig verjaardag tot een ware marteling
Ik vier mijn verjaardag niet maar ga wel eens naar een feestje. 
Toen ik studeerde
en in de jaren daarna was ik vaker op feestjes
te vinden dan tegenwoordig.
Hoe kleiner het gezelschap, hoe fijner,
vond ik toen. 
Halverwege de jaren tachtig belandde ik op de vijftigste verjaardag
van een bevriende
theaterdirecteur. Ik was een dertiger met een 
mooie baan: docent aan de
universiteit van Amsterdam. 
De opkomst
was groot. Meer dan tachtig feestvierende mensen, ze
barstten uit het huis.
Zelf kende ik misschien een paar zielen. En 
niemand uit het gezelschap kon
aan mijn voorhoofd zien dat ik 
docent
was. Een allochtoon kan van alles zijn: vluchteling, asiel-
zoeker, crimineel, gastarbeider
of een gewone vakantieganger. 
Voor mij is het een schok om tussen tientallen mensen te staan die
ik niet ken, die
allemaal verschillend zijn maar die zich wel op hun
eigen territorium bevinden. 

Sommige mensen worden er onzeker van, anderen vinden het een 
feest om
zich onder onbekenden te begeven. Normaliter ben ik 
nieuwsgierig naar de
verhalen van mensen én ik vertel ook graag over
mezelf. Vertelde graag. Vooral
over mijn volk, de onderdrukte Koerden.
Maar op zo'n feest ben je ineens een gevangene
in een woestijn van
vreemde
ogen. Je voelt de zandstorm maar je ziet hem niet. 
Als vluchteling, als exotische dertiger hoef je niet lang te wachten op
kennismaking,
althans dat was toen het geval. Een aantrekkelijke 
jonge vrouw sprak me
aan. Ik was al een paar jaar in Nederland en 
had al die jaren veel verteld over mijn
vlucht, de ellende van de Koerden
en ik
verlangde ernaar om het die avond over iets anders te hebben.
Gewoon, over theater,
over mijn voorstellingen, mijn docentschap, over
(pessimistische) filosofie,
over de binnen- en buitenlandse politiek, 
over schoonheid en de platheid van het Nederlandse landschap. 
Misschien
over koken, of over voetballen. 

Er zijn talloze onderwerpen waarmee je een kennismaking kunt starten.
Maar ik was die avond passief en de jonge vrouw stelde zonder het te
beseffen niet de juiste vragen. Natuurlijk kon ze niet vermoeden hoezeer
ik vreemde ogen op mij gericht voelde. Ze kon niet weten dat de oren,
de voeten, de rook en adem van die mensen me niet op mijn gemak
stelden. Ze kon niet weten dat ik de behoefte had uit mijn echte 
woestijn te vluchten; mijn verleden. Ze kon niet weten dat de spoken van
al mijn vrienden, familieleden en de slachtoffers van de chemische
aanval op mijn volk om mij heen stonden. 
Saddam Hoessein had een paar weken eerder de Koerdische stad 
Hlabdja met gifgasbommen bestookt en duizenden mensen gedood. 
Ze kon niet weten dat ik het gif dat daar gestrooid was hier inademde.
Ik oogde vriendelijk en vitaal, maar ze zag het masker niet. Ze kon
ook niet weten dat ze bij de eerste vraag raak schoot. 
Die was heel normaal en luidde: "Waar kom je vandaan?" 

In die vraag zat meer gif dan in al die chemische bommen. Hij was als
een speer die een vliegende vogel in zijn vleugel raakt. Ik werd duizelig.
Met deze vraag begonnen we aan een onomkeerbaar proces. Geen 
van beiden wilden we in die neergaande spiraal stappen, maar we 
werden door een onzichtbare kracht steeds verder naar beneden 
gezogen. Mijn antwoord op haar eerste vraag luidde: "Ik kom uit 
Koerdistan", en dat bracht haar uit haar evenwicht. Ze wist niet wat of
waar Koerdistan was. Omdat ik rekening had gehouden met die 
reactie, omdat de meerderheid van Europeanen de Koerden nog niet
kenden voegde ik er aan toe: "ik kom officieel uit Irak". Daarmee wilde
ik haar een uitweg bieden, maar zorgde alleen maar voor verwarring. 
Haar ogen draaiden even een rondje in hun kassen. Ik wist dat ze geen
aardrijkskundeleraar was. "Irak? Officieel?", zei ze, op bijna kinderlijke
toon. Mijn verantwoordelijkheidsgevoel, gecombineerd met de beleefd-
heid die ik als gast diende op te brengen, werd wakker en liet me haar
vertellen waar Irak ligt, en dat Irak met het buurland Iran in oorlog was.

   
Ze luisterde beleefd, maar hoorde me niet  "Ja", zei ze zachtjes
   

Dat die twee landen in oorlog waren wist ze wel maar ze wist niet uit
welke van die twee landen ik nou kwam, terwijl ik dat juist had verteld.
Ook dat nam ik haar niet kwalijk, omdat ik dat al eerder had meege-
maakt, zelfs met mensen die ik al maanden kende en aan wie ik mijn
verhaal ook had verteld. 
Het wás natuurlijk ook moeilijk. De namen van de twee landen 
verschillen maar met één letter op het einde. Het waren buurlanden,
beide waren in oorlog, beide hadden een dictator. De ene was toen,
in de ogen van de westerlingen, een goede en bevriende dictator. 
De andere, de bejaarde bebaarde met tulband, was in de ogen van de
wereld de slechterik. Daarnaast hadden beide dictatoren moeilijke 
namen: Saddam Hoessein en Ayatollah Khomeini. Genoodzaakt legde
ik de situatie in het Midden-Oosten uit aan iemand die eigenlijk 
helemaal niet geïnteresseerd was. Ze was, zo schatte ik het in, naar
de verjaardag gekomen voor een leuke avond. Misschien zag ze een
one night stand in mij, een exotische vlucht, een sappige vrucht. 
Maar ik was een artisjok die nog niet rijp was, ruw en stekelig. We
voelden beiden hoe een diepe kloof van antipathie tussen ons in schoof,
een kracht die ons uit elkaar dreef. Ik antwoordde, beleefd, op haar 
vragen maar had zichtbaar geen plezier meer in het vertellen. Ze 
luisterde, ook beleefd, maar hoorde me niet. Onze woorden waren hol,
onze ogen zonder glans, in onze zielen druppelde melancholie. We 
wilden een uitweg. We waren na een uur uitgeput alsof we net drie 
keer noodgedwongen de marathon hadden gelopen. Zij, weer zij, 
nam het initiatief om een einde te maken aan deze, voor anderen 
onzichtbare marteling. Ze vroeg of ik nog wijn wilde en liep weg.

Op dat moment, exáct op het moment dat zij van mij wegdraaide om
twee glazen wijn te gaan halen, diende zich een andere vrouw aan. 
"Hoi", zei ze. 
In die ene seconde probeerde ik net de zware berg van mijn verleden
op de grond te leggen, een uitweg te vinden en te vluchten. Maar het 
lukte niet. De nieuwe vrouw die 'hoi' tegen me zei gaf me een hand en
stelde zich voor. Ik zei ook mijn naam. Mijn verleden, dat nog geen 
seconde op de grond lag, sprong weer op mijn schouders en drong tot
in mijn maag naar binnen. Ik keek in de groenblauwe ogen van de 
vrouw die mijn rechterhand nog in haar zachte hand hield. Ik smeekte 
met mijn ogen dat ze de volgende vraag, de martelvraag niet zou 
stellen. Maar ze hield die smekende blik voor iets anders en stelde 
hem toch, de moeder van alle vragen. 
"Waar kom je vandaan?" 
Mijn ogen meden de hare. Ik zag haar voorgangster even verderop twee
wijnglazen inschenken. Ik pakte de arm van de vrouw die voor me stond
en beet haar toe: "Ziet u die dame daar, met die zwarte jurk en die twee
wijnglazen?" -
"Ja", zei ze zachtjes. Het klonk alsof ze gedwongen werd
haar eigen doodvonnis te bevestigen. 
"Die vrouw weet alles van mij. Gaat u het haar maar vragen". 
En ik draaide me om, baande een weg door de ogen, de oren, door de
spoken van mijn verleden en bereikte met moeite de buitendeur. De
ijskoude wind voelde als een frisse bries. De spoken vormden een 
kring, dansten, zongen in het Koerdisch en staken hun tongen naar me
uit. Op dat moment, in een flits van woede, wilde ik ze zien branden. 
Ik schaamde me voor mijn gedachten, liep door de straten van 
Amsterdam en besloot nooit meer naar verjaardagen te gaan. 
   
"Waar kom je vandaan?"  "Ik ga dáár zitten, dan hoor ik het beter..." 
   

Maar niets is veranderlijker dan de mens. Mijn belofte heeft ruim tien
jaar stand gehouden. Toen ging ik weer naar kleine verjaardagen van
mensen die me kenden, die niet hoefden te vragen waar ik vandaan 
kom. In juni van dit jaar trad ik op met gedichten voor een bescheiden
publiek. De andere dichter was Simon Vinkenoog. Zijn vrouw nodigde
me na afloop uit voor zijn tachtigste verjaardag in juli, in de centrale 
openbare bibliotheek in Amsterdam. Ik had zes weken de tijd om te 
bedenken wat ik met de schizofrenie zou doen als ik besloot toch te 
gaan. En ik ging. 
Bij de lift van de bibliotheek wist ik al dat ik de steppewolf was. Een die
de dood altijd bij zich draagt. En bij de kantine aangekomen was de
woestijn weer daar. Natuurlijk zoek je bekende gezichten en die waren
er ook. Gelukkig. De moeder aller vragen werd niet gesteld. 
Vóór de festiviteiten in het theater was ik niet passief, ik maakte kennis
en vergaarde informatie. Ik was wel op mijn hoede om niet de vragen te
stellen die van een mens een wolf maken. 

In de theaterzaal zat ik naast een jonge vrouw van in de dertig met 
donker krullend haar. Toen ik haar naam hoorde gebeurde het. Mij
ontglipte spontaan het zinnetje: "Waar kom je vandaan?"
In haar ogen zag ik mijn reactie op al die keren dat de vraag mij de
afgelopen kwarteeuw was gesteld. Dan weet je dat elke poging tot
herstel zal mislukken. Het is beter om dan meteen te stoppen met
praten. 

Gelukkig begonnen de festiviteiten op het podium al snel.
Halverwege de avond fluisterde de dame naast me, met de beleefd-
heid van het kind van een halve gastarbeider: "Ik ga dáár zitten want
dan hoor ik het beter". Ik wist de échte reden. Ik stonk naar een vieze
vraag die normaliter erg beschaafd klinkt. 
Maar ja, ik had me niet gerealiseerd dat ik zo geruisloos geïntegreerd
was. Ik kon de activiteiten nauwelijks meer volgen, werd gehinderd
door mijn spoken. Tientallen steppewolven zaten naast me en in me.
Al meer dan een kwarteeuw probeer ik er achter te komen waarom ik
het vervelend vind als mensen mij naar mijn afkomst vragen, terwijl ik
er boeken mee vul en er ellenlange artikelen over schrijf. Is het een
diep verlangen om als gelijke behandeld te worden en niet alleen in
die allochtone kooi te moeten zitten, hoe ruim en luxueus ze die ook
maken? 
Ben ik een claustrofoob? Is elke ontheemde mens die de grenzen van
zijn (innerlijke) land achter zich heeft gelaten geen claustrofoob? Ben
ik een borderliner? Of heb ik, net als elke vreemdeling, iets te verber-
gen, heb ik ergens over gelogen zoals Ayaan Hirsi Ali dat deed?
Bij de vraag 'waar kom je vandaan' schrikt er in ieder geval iets wakker
in mij, iets van de onherstelbare schade die het vertrek uit mijn land
heeft veroorzaakt, en waarmee alle wezens uit mijn verleden tot wolven
worden die aan mijn ziel knagen. 

© Ibrahim Selman 

  Dit artikel werd op 15 november j.l. gepubliceerd in Letter en Geest 
van het dagblad Trouw. 
Ibrahim Selman is schrijver, acteur en filmmaker. 
Zijn roman 'Aline' verschijnt binnenkort bij uitgeverij Meulenhoff.
   
   
 
Dichter des Vaderlands  - Wie van de tien spel, geleid door Jeltje - door John Zwart, geplaatst 31 oktober 2008 
   
Het lijkt nog niet zo lang geleden. De opvolging van de eerste Dichter
des Vaderlands, Gerrit Komrij deed destijds heel wat onpoëtisch stof 
opwaaien. Wát 'n verontwaardiging
toen Driek van Wissen als een 
soort Barack Obama massaal stemmen verwierf door
royaal met badges
en balpennen strooiend door het land te trekken. 'Driek for president' 
of zoiets. 
Schande spraken de gevestigde grootheden, zoals I.L.Fluiter, ervan,
die daadwerkelijk
naar de begeerde functie konden fluiten toen zij ruim
gepasseerd werden door Driek
de sonnettenbakker, gesteund door zijn
grote supportersschare.
Dat was in 2005, en ja we naderen 2009, het is alweer bijna vier jaar 
geleden. Driek moet
zijn aanzienlijke status binnenkort inleveren. Per
28 januari 2009 gaat een
nieuwe Dichter des Vaderlands zijn troon 
bestijgen. 

De organisatie durft een open verkiezing blijkbaar niet aan. Er is een
commissie onder
leiding van ex-tweedekamer voorzitter Jeltje van
Nieuwenhoven ingesteld, die in al haar
wijsheid heeft bepaald welke 
tien van de honderden Nederlandse dichters een kans
mogen maken
als troonopvolger. Wie zijn die tien? 

In alfabetische volgorde: Tsead Bruinja, Maria van Daalen, Ruben van
Gogh, Ingmar Heytze, Joke van Leeuwen, Erik Menkveld, Ramsey 
Nasr, Hagar Peeters, Ilja L Pfeiffer en Marjoleine de Vos. Wij als publiek,
mogen niet stemmen, maar mogen wel invloed op de commissie trachten
uit te oefenen bij het promoveren uit de 'longlist' naar de 'shortlist'. 

Er staat een contactformulier op de speciale internetsite. Vanaf vandaag
mogen we aangeven wie van hen naar onze mening kans moet maken.
Dan maar hopen dat Arjen Fortuin, Hester Knibbe, Thomas Vaessens
en Bas Kwakman, onder de bezielende leiding van Jeltje met de dikke 
"L" zich daar iets van zullen aantrekken. 
Op 1 januari eindigt die termijn, de dag daarop maakt de commissie
de 'shortlist' bekend. Dan mogen we ècht stemmen, tot 27 januari... 
Op woensdag 28 januari zendt TV Nederland 2 het programma 
"Avond van de Poëzie" uit. Daarin wordt de uitverkiezing met luide 
fanfares door Jeltje bekendgemaakt. 

© John Zwart voor Hernehim Cultuur - 31 oktober 2008 

 

   
 
 
Engkaans  - Is het ongenoegen van Floris Brown, geplaatst 9 oktober 2008 
   
Het ongenoegen van John Zwart* over het ernstige verval van de 
Nederlandse taal, door klakkeloos importeren van Amerikaanse
woorden en uitdrukkingen en allerlei 'jargon', vindt navolging in het
moderne Zuid Afrika. Floris Brown strijdt voor het Afrikaans dat
nog veel ernstiger bedreigd wordt door "verengelsing". 
*) lees ook de column "Taal" hieronder. 
   
"Dames en Here, dit is vir my vanaand 'n groot eer en voorreg om op
my sestigste verjaarsdag, 10 September 2008, aan u voor te hou die
12de nie-amptelike taal van die Republiek van Suid-Afrika naamlik:
ENGKAANS. 
Ek wil dan graag alle media uitgewers en bydraers tot ons nuwe taal 
gelukwens met hul volgehoue ondersteuning en publisering van hierdie
taal... 
Ja, Dames en Here, met 'n gebrek aan woordeskat, is dit beslis nié 
AFRIKAANS nie, maar 'n eiesoortige kromtaal manier van Afrikaans 
skryf en praat. Dit is dan ook opvallend hoe die Duusvolk en Duusmanne
en vroue hierdie nuwe taal omhels, vreugdevure aansteek, juig en dit 
uitbasuin as dié perfekte taal waartoe Afrikaans hom hedendaags leen,
die taal van die nuwe geslag, die "inwees -alles -wat -verkeerd -is- 
regskiet" generasie. 
Ek sien hoe baie Afrikaanse Taalpuriste hierdie skryfsels teen hul 
mure uitgooi en hoe geïrriteerd hul gedagtes draai want sien, baie van
ons opreg Afrikaanse koerante en tydskrifte neig om ingesluk te word
deur "Engkaans" en al meer Engelse boekresensies verskyn in dít wat
Afrikaans moet wees en lees."  

 

"Ja, ek hoor hoe die reeds gestorwe helde vir Afrikaans sal vra: "Is ons
nog in Suid-Afrika? Is dít die Afrikaans waarvoor ons gesterf het? 
Praat en skryf niemand dan meer Afrikaans nie??" 
Dames en Here, ek het in die verlede, baie geld spandeer as 
ingeskrewe lid op hoë gehalte goeie goeie Afrikaanse tydskrifte. O hoe
het ek my nie angstig gehaas na die poskantoor om my boeke af te
haal nie. Ek het goeie digters nagejaag, nagelees en by hul hoë 
standaard van poësie skryf heeltyd geleer. Skielik verdwyn die poësie.
Skielik verdwyn die goeie artikels en alles maak plek vir hoë gehalte
advertensies. Die ekonome sluk Afrikaans in en verander hierdie hoë
gehalte tydskrifte in "hoë gehalte glans advertensie blaaie".  
"Engkaans" sluip in en neem oor.
Dames en Here, ek sluit af met my eie nuutskepping slagspreuk: 
(Praat van die duiwel en trap op sy stert?) Nee - 
"Praat van die Engel en streel sy vlerk." 
Gee Afrikaans sy Engele vlerk en laat Afrikaans Afrikaans! 
Slegs Afrikaans hoog vlieg! Die hemele in!
Juig Afrikaans in ons Republiek Suid-Afrika!" 

© Floris A. Brown  
    florisbrown@mweb.co.za 

Taal - Het ongenoegen van John Zwart, geplaatst 21 september 2008 
   
Wat is er toch aan de hand met de taal? Dat vraag ik mij al een aantal
jaren af en mijn ongerustheid neemt alleen maar toe. 
Intussen worden er nog steeds allerlei relativerende opmerkingen 
gemaakt door lieden, die menen dat het allemaal zo'n vaart niet zal
lopen. Bovendien, vallen anderen bij, is taal niet statisch. Door de tijden
heen is de taal voortdurend veranderd, oude woorden raakten in onbruik,
nieuwe woorden ontstaan. 

Dat is allemaal goed en wel, natuurlijk vind ik óók dat de plechtstatige
taal van eind negentiende en begin twintigste eeuw niet meer in deze
tijd past. Dat het zeventiende eeuwse Nederlands van Joost van den
Vondel of Jacob Cats zó ver van ons af ligt dat we moeite moeten doen
om het nog te kunnen begrijpen. 
Niet bruikbaar geworden in communicatie van vandaag de dag. 
Maar wat er nu aan de hand is lijkt me toch iets anders. Het lijkt op de
ongemakkelijke waarheid, 't ziet er uit alsof zich óók al een klimaat-
probleem ontwikkelt rond onze taal. 
Onder invloed van een reeks van ongunstige processen raakt de 
Nederlandse taal in versneld tempo sterk vervuild. Zoals door het in 
hoog tempo verbruiken van fossiele brandstoffen en dumpen van afval-
stoffen moeder aarde wordt vergiftigd, zo wordt onze taal vergiftigd 
door interessantdoenerij en gemakzucht. Massaal worden Engelse 
leenwoorden gebruikt voor begrippen waarvoor uitstekende Nederlandse
woorden bestaan en vaak ook nog een keur aan synoniemen. 

 

Het bedrijfsleven wil graag een alert en actief elan uitstralen en 
men denkt dat zoiets alleen kan met het gebruik van herhaalde 
mantra's, afgekeken van het snelle Amerikaanse zakenleven. 
Hun onstuitbare dynamiek denken ze uit te stralen door zich óver
de hoofden van hun Nederlandse klanten heen tot 'de wereld' te 
richten met Engelstalige bezweringen. 
Je zou van de intelligentsia verwachten dat ze zich als de milieu-
beschermers van de taal opstellen, maar niets is minder waar. 
Dat politici nogal wat brabbeltaal uitslaan verbaast me eigenlijk 
niet - maar als ik een museumdirecteur, enigszins in zijn wiek 
geschoten toen hij op een streekaccent werd betrapt (sic), hoor
zeggen: "We moeten omturnen naar een nieuwe mindset", dan 
staan mij de tenen krom in de schoenen. Gevierde acteurs en 
schrijvers (!) hoor ik om de haverklap het afschuwelijke "impact" 
gebruiken en het turven van de stoplap "zeg maar" heb ik na 'n
score van 14 keer per minuut maar opgegeven. 

Misschien dat België op termijn toch wel uiteen gaat vallen. 
Mocht dat er toe leiden dat de invloed van de Vlamingen op onze
gezamenlijke Nederlandse taal zal versterken, zou dat een 
positieve wending kunnen betekenen. De Vlamingen laten zich niet
zo snel gek maken en zij hebben vele honderden uitstekende 
Nederlandse woorden bewaard die in Nederland nog zelden worden
gehoord. Het is niet voor niets dat zij altijd het hoogst eindigen bij
het Groot Dictée der Nederlandse Taal. 

© John Zwart - 20 september 2008 

 
 
McCarthy in Holland - Column van John Newswatcher, geplaatst 5 september 2008 
Mijn vader was in zijn jonge jaren een communist. Dat is niet zo
verwonderlijk, hij maakte de diepste economische crisis ooit mee,
massaontslagen, de duw- werkverschaffing en zag met schrik de
dreiging groeien van de nazi-terreur vlak over de oostgrens. 
Een enorme verandering voltrok zich in de eeuw van mijn vader. Na
de tweede wereldoorlog openbaarde zich een nieuwe tegenstelling.
De koude oorlog bracht nieuwe terreur, onmiskenbaar, van de 
sovjets in Hongarije en Tsjecho-Slowakije. 
Onder die invloed verflauwde zijn eens zo felle overtuiging. 

Zo kan iemands politieke inzicht opschuiven door nieuwe ervaringen.
Maar in de jaren vijftig hield mijn vader zijn vroegere communistische
sympathieën liefst in 't verborgene. Waarom dat was, begon ik later
te begrijpen, toen ik ouder werd. 
Ik zag hoe in het land van onze bevrijders die we zo bejubeld hadden,
het land van de vrijheid en onbegrensde mogelijkheden, een ware
heksenjacht werd gehouden. Iedereen die ooit communistische
sympathieën had, of zich er maar in het verleden positief over uitliet,
werd gediscrimineerd. In de ogen van McCarthy en de zijnen waren
dit onbetrouwbare Amerikanen die nooit loyale staatsburgers konden
zijn. Acteurs mochten niet meer optreden en werden van elke nieuwe
rol uitgesloten, kunstenaars werden 'besmet' verklaard, werknemers
ontslagen. Naijver bij promotiekansen leidde tot 'verraad', carrières 
werden gebroken. Een merkwaardige overeenkomst met het begin van
de Jodenvervolging onder de nazi's. Die breidden hun heksenjachten
ook spoedig uit tot de landen die onder de voet werden gelopen. 

Niet verwonderlijk dat mijn vader vreesde dat de communisten-
jacht ook wel zou komen overwaaien vanaf de andere kant van de
oceaan. 

In de achter ons liggende decennia hebben zich opnieuw grote 
veranderingen voltrokken. Ook binnen de Nederlandse politiek, waar
regeringen eerst nog ongestraft de volksvertegenwoordiging konden
beliegen of helemaal buiten spel zetten, is dat nu gelukkig heel wat
minder gemakkelijk geworden. Actievoerders van toen gingen op
legale wijze politiek bedrijven, vormden lobby's of namen zitting in
de tweede kamer. 
Maar de voorzichtigheid van mijn vader: "een moord is na twintig jaar
verjaard, maar voor een verkeerde sympathie blijven ze je levenslang
natrappen, als je ze de kans geeft", die is nog even realistisch. 
Helaas kon Wijnand Duivendak niet bij hem te rade gaan, het is 
alweer bijna twintig jaar geleden dat hij is gestorven. Hij had hem 
raad kunnen geven: "schrap die passage joh, verjaard of niet verjaard,
je zult nagetrapt worden". 

Hij had gelijk, hun kwaadaardigheid kent geen grenzen, iedereen
wordt besnuffeld, en erg genoeg is het door lieden waarvan sommige
terecht zelf in kwade reuk staan. 
McCarthy's ghost waart door Holland. 
En iedereen lijkt in zijn schulp te kruipen. 

© John Newswatcher - 4 september 2008 

   
 
 
Waarschuwing - Inflatie dreigt - Column van ZiggZagg over de corrosie van de superlatieven, geplaatst 21 augustus 2008 
Het is geen makkelijke tijd. Economisch gaat het de wereld niet voor
de wind. Kredietcrisis, energiecrisis, klimaatverandering, toenemend
geweld waar dan ook, en met
de overbevolking wil het ook maar niet
neerwaarts. Steeds vaker zijn de ellebogen nodig
voor een beetje 
profilering. 
De reclame staat inmiddels bol van de superlatieven. Na super, ultra,
en mega mag het woord superlatief wel megalatief gaan heten. Het
buitengewone begint gewoon te worden. 
Tussen het schreeuwlelijken door vallen de sobere berichten in de
reclameblokken niet meer op. Zelfs nieuwsitems willen liever een shock
effect bewerkstelligen dan onafhankelijke objectieve berichtgeving voor
te staan. Waarom willen die lui van het journaal ons toch steeds weer
rampspoed aanpraten met futiliteiten terwijl de echte rampspoed zit
verpakt in onopvallendheid. Tussen de overdaad aan Olympische 
Spelen verdwijnt zelfs een complete oorlog in Georgië achter de score-
borden, of de wereld er nu mee op zijn kop komt te staan of niet. 
Het wordt steeds moeilijker de natuurlijke drang tot onderscheiden in
de praktijk te brengen. Witte was werd van witter dan wit ineens ultrawit,
een simpel drankje aanprijzen kan niet meer zonder extreme vormen
van joligheid; de vormgeving van een nieuw model auto kan niet zonder
de verbouwing van een complete stad; en ga zo maar door. 
Nu ook het taalgebruik er onder gaat lijden, is een indringende winst-
waarschuwing wel op zijn plaats. Voor de taal is dat redelijk uniek (zo’n
woord dat zich laat vertalen als ‘enig in zijn soort’, iets waarvan geen
tweede exemplaar bestaat). In de Volkskrant dienden zich deze week 
de eerste tekenen van inflatie aan. Het superlatievengebruik begint nu
werkelijk zorgwekkende vormen aan te nemen. De waarde van groteske
woorden duikelt. De eerste symptomen zijn gesignaleerd in een artikel
over de vele huwelijken op 08-08-08 (een geluksgetallencombinatie). 
In groten getale verdrongen de stellen zich rond het altaar.
De trouwambtenaar in Delft zei dat ondanks de vele stellen die deze 
datum hadden aangegrepen, voor haar ieder bruidspaar ‘uniek’ is. Voor
de verslaggever was dit aanleiding onder de begeleidende foto, waarop
een huwende Louis van Gaal met bruid, te schrijven: ‘Het uniekste 
bruidspaar’. Daarmee was hij niet door zijn superlatieven heen. Aan het
eind van zijn stuk schreef hij over dit huwelijk  ‘...er kon op 08-08-08 
maar één Nederlander het alleruniekst zijn.’ 
Hoe uniek; hoe megalatief? Kent u de waarde van uw superlatieven nog?
U bent gewaarschuwd. 

© ZiggZagg 

 
 
Terrasjesweer - Column over de kwaliteit van het moderne leven door John Newswatcher, geplaatst 2 augustus 2008 
"Heeft iedere Nederlandse man een hogedrukspuit?" vroeg me onlangs
een Turkse Nederlander. Zo worden we weer eens met onze neus op
de feiten gedrukt. Als het toch de allochtonen al opvalt, dan moet het
wel erg zijn. 
Wat? Hoe het gesteld is met onze welvaart, ondanks onze klaagzang
over de economie, die weer eventjes ophield met steeds maar verder 
uit zijn voegen te barsten, dat we godbetert zelfs belásting moeten 
betalen over onze zónvakantievluchten. Tsss. 

Als er dan wat te klaagzingen valt, dan moeten we 't onze opvolgende
regeringen maar eens gaan aanwrijven. Het lijkt wel alsof elke minister
een flink aandelenpakketje in een mix van Gamma, Formido, Karwei 
etc. in zijn droge schaapjesportefeuille heeft zitten. We betalen accijns
en allerlei belastingen die onze hoeders van ons welzijn bedachten op
de dingen die ze slecht voor ons vinden. Zo willen ze ons remmen door
zaken heel duur te maken. Verklarende dat er dan minder energie, 
minder verpakkingsmateriaal etc. zal worden verbruikt. Tot mijn verbijs-
tering ontdekte ik onlangs dat er intussen zelfs 'drinkwaterbelasting' 
wordt geheven. Waterdrinken is blijkbaar ook slecht voor ons, weinig
water drinken tenminste, want als je heel erg véél kubieke meters
consumeert wordt het weer belastingvrij. 

Wie bedenkt zoiets, dezelfde onnozelen wellicht die aan de ergst 
oenemende vervuiling van ons leefmilieu geheel voorbijgaan. Niemand
denkt aan lawaai. Lawaai ja, dat is de grootste groeier van menselijke
ergernis en bedreiging van de gezondheid, die om zich heen grijpt.
Al die bouwmarkten stampvol met spotgoedkoop made-in-china-spul 
dat allemaal bij productie en transport gigantisch vervuilt en bij het 
gebruik onverdraaglijk lawaai produceert. 

Na een lange periode van kille dagen met harde wind, werd 't eindelijk
weer eens aangenaam zomers voor buitenactiviteit. Dan denk je aan 
rust, aan je tuinstoel, aan een drankje bij de hand, onder het genot van
een mooi boek of een zacht muziekje op de achtergrond. Nou vergeet
het maar. Op hetzelfde moment als je de parasol opzet ontwaken ze:
de hogedrukspuiten, de motormaaiers, de cirkelzagen, de slijptollen,
de schuurmachines, de terrasbestratingtrilplaten, en verschrikkelijk, de
allerverschrikkelijkste van alle, de kantentrimmers. 
Tot gekwordens toe. 
Moet je toch nog op reis, goed voor Schiphol en Wouter Bos. 

© John Newswatcher -1 augustus 2008 

   
 
 
Traditie en mode - Column over lichaamsversiering van John Newswatcher, geplaatst 8 juli 2008 
In het algemeen ben ik niet zo gecharmeerd van tattoo's. Traditioneel waren tattoo's populaire lichaamsversieringen in de tijd van 'mannen van ijzer op schepen ven hout'. Als zeeman was ik natuurlijk vaak met een flink aantal getatoeëerden omringd. Nieuwe aanwas kwam van de jongens, pas van school, die bij thuiskomst van hun eerste reis beslist die stoere ervaring moesten tonen met een plaatje op hun nog tere jongensvel. 
Onder de volwassen mannen waren er bij met hele schilderijen, ooit toegewijd
aan geliefden, waarmee het inmiddels allang "uit" was. Veel tattoo's kwamen
tot stand in licht beschonken toestand. Zelf heb ik me er van weg gehouden, 
de meeste 'modellen' vond ik ook niet eens mooi, mijn smaak ging toen al wat
verder dan een anker, een zeemeermin of een gestileerd zeilschip met bollende
zeilen. 
Ouder wordend was ik blij helemaal géén tattoo's te hebben laten zetten, 
immers bij de meeste oudere mensen worden die dingen steeds valer, lelijker 
en geleidelijk vervormd. Het enige waarover ik in twijfel heb gestaan was mijn 
linkeroorlel te laten doorboren voor een gouden oorring. Dat is eeuwenlang een
traditie bij zeelieden geweest en werd beschouwd als de garantie voor een
waardig afscheid van het leven. Mocht je bij een scheepsramp omkomen en
ergens verdronken aanspoelen, dan was de oorring een identificatie en de
opbrengst ervan dekte de kosten van begrafenis. Op dat moment ontbrak mij
echter het geld voor de massief gouden oorring, die zou worden gegraveerd met
mijn naam, geboorteplaats en datum. Mijn oorlel heb ik toen ook maar niet 
laten doorboren. 
Toen het mode werd bij de vrouwen om zich te laten tatoeëren had ik er 
meteen mijn bedenkingen tegen. 
Het begon met kleine vlindertjes, hartjes of bloemetjes op hun schouder, dat
kon er nog mee door, maar ik voorzag al hoe het zou verder gaan.... 
En natuurlijk werd mijn voorspelling wáár. Al heel gauw waren borsten, buik 
en billen aan de beurt en de tattoo's werden almaar groter en groter. Ik zag 
een fotomodel met een tattoo van een paradijsvogel die zich uitstrekte van 
boven de navel tot onderin haar lies, zij maakte van haar tattoo haar 
handelsmerk. 

Velen zullen er later spijt van krijgen, ze blijven nu eenmaal niet levenslang
strakke, frisse, soepele jonge meiden, maar de tattoo blijft wel een leven lang.
De waardering voor de vrouwentattoo onder de jonge mensen van nu begint 
ook al te tanen, vooral voor de trend van de overdadige versiering van de 
onderrug. 
Ik ving onlangs een stukje van een gesprek op tussen twee twintigers: 
"Ze had zo'n gigantisch reetgewei op haar kont!" 
Oei, dacht ik, en ze dacht misschien wel daar erg mooi mee te zijn - en wie
weet hoeveel ze daar nog voor heeft betaald. 

© JohnN 
juli 2008 

                                   lekker stoer
 
 
Wie schrijft die blijft - Cursiefje gewijd aan OpSpraak op papier, geplaatst 19 juni 2008 
Schrijven-en-blijven-geen-probleem in het OpSpraak zomernummer.
Het blijft tobben voor schrijvers die op een kluitje vooraan willen staan 
bij het uitdelen van lauwerkransen als voorbode voor roem na het graf.
Bij de twintigste Albert Verweylezing, in 2004 uitgesproken door 
Geerten Meijsing, komt literaire roem aan de orde. 
Hij omschrijft succes als een instantpudding, die gemakkelijk is aan
te zien voor roem. Hij denkt dat alleen het onafscheidelijke trio talent,
sociale intelligentie en blinde ambitie de schrijver een kans kunnen 
geven op een plekje in de eregalerij. 
In 't nieuwe OpSpraak magazine, dat eind deze maand van de drukpers
rolt, komt dit probleem aan de orde. Naar aanleiding van de expositie 
"Lectori Salutem" – Boek en Oudheid in het Allard Pierson Museum in
Amsterdam gaan Jos van Liempdt en Jet van Swieten op zoek naar de
‘scriptorem salutem’, naar het schrijven-en-blijven-geen-probleem
verhaal. Zij geven 25 tips waarmee overlevingskansen aanzienlijk zijn te
vergroten. Pepijn Uljé maakte er een prachtige cartoon bij.

JvS 

 
 
De Nachtburgemeester - Gastcolumn van Arnoud de Jong, geplaatst 27 mei 2008 
Amsterdam - Bij terugkomst van vakantie vond ik een wervend mailtje van ene Mister Rosso. Hij wilde nachtburgemeester worden. Op 19 mei kon ik in Paradiso op hem stemmen. Om mijn motivatie nog wat op te krikken had hij er een foto van zichzelf bij gedaan. Daarop stond een duister jongmens met een grote koptelefoon en een zonnebril op z'n hoofd. Dit werkte bij mij contraproductief. Mister Rosso zal best een aardige en geschikte vent zijn, maar qua uiterlijk is dit nu juist het type dat ik 's nachts liever niet tegenkom. Sta je net lekker te wildplassen in de Dubbeleworststeeg, komt ineens de nachtburgemeester even gezellig aanschuiven. Dat wordt razendsnel afknijpen en gillend wegrennen. Maar goed, Mister Rosso heeft geen last van me gehad, want ik was er niet op 19 mei. En hij werd trouwens géén nachtburgemeester. Die positie is veroverd door de dames Kristel Mutsters en Josine Neyman, gebundeld onder de naam 'Club zonder filter'. Wordt dus een duobaantje. 
Ik heb het allemaal kunnen lezen in een uitgebreid verslag van de avond op DJ-Broadcast. 
Waarom heeft Amsterdam eigenlijk een nachtburgemeester nodig? Ja, om 
een brug te slaan tussen nachtleven en politiek, wordt er dan gezegd. Die 
brug kun je wel vergeten: een nachtburgemeester slaapt overdag, de politiek
's nachts. Volgens sommigen zelfs overdag óók. Dit verschil in bioritme praat
wat lastig. We schijnen al een aantal jaren een nachtburgemeester te hebben
gehad. Nooit wat van gemerkt, maar dat ligt aan mij. Doet er niet toe, mijn 
punt is dat we nu maar eens eerlijk moeten toegeven dat het hele idee van 
die nachtburgemeester gejat is van Rotterdam. En nog slecht gejat ook. 
Want in Rotterdam hebben ze van oudsher Jules Deelder. Die hoefden ze 
niet te kiezen, die is het gewoon. Jules Deelder is de personificatie van het
nachtleven, hij belichaamt de poëzie van de nacht, de seks, de drugs, de 
jazz. Hij is een charismatische nachtburgemeester, een man die niet hoeft
uit te leggen waar hij 's nachts een zonnebril voor nodig heeft. 
En waar komen wij mee? Met Kristel en Josine. Of andersom. 
I rest my case... 
                                                                 © Arnoud de Jong
 
 
 
De bruid gekaapt - Kort pinksterverhaal van Jos Zuijderwijk, geplaatst 10 mei 2008 
We wandelden langs de Vinkeveense plassen. Waar? Ik zou bij God niet weten waar. Het was een heel mooie tweede Pinksterdag. We waren met zijn twee, Acacia en ik. Genoten van de dalende zon. Gedicht werd ooit:
"De uitvinding van de romantiek 
De zon gaat onder 
ik voel me bijzonder" *) 
Dat stond in een studentenblaadje, herinnerde ik mij. Van allemaal studenten die op de uitvreter wilden lijken, schrijven als Nescio en ook een overbetaalde baan waarin je kon flierefluiten. We liepen op zo'n meter of twintig van het water met een prachtig ver gezicht. 
Met van die zeiltjes op het water. Zwoel de avondzon. We gingen over een ophaalbruggetje dat twee plassen met elkander bond. Wij voelden ons dichter, ik speciaal. Acacia was meer schilderes, daarom pasten wij ook zo bij elkaar - die dag. Mooie avond was het, hoe vroeg nog ook. Een avond die vroeg om wat? Ik wist het toen nog niet. 
De vogels floten dat het een lust was. "Af en toe een huis / of een kombuis / Het leven wil wat / de plas geeft dat". Zo dichtte ik voor Acacia en zij was vol begenadigdheid. Zich zo met den dichter, die nog nooit gedicht had, te vertreden.

Ineens veranderde het panorama. Er kwam een uitspanning in het zicht. Met vele keuvelende lieden, deftig aangekleed, de glazen in de hand. Ik sprak: 
"De dichter is / Waar fuif is". 
Wij gingen op het lome pad dat leidde naar de glazen die grote geesten vullen met vloeiend de substantie. Wij zeiden nog: 
"Als dat maar niet openbaar is / Want er zit geen monee / in onze portemonnee".
En het was niet openbaar. Het was een bruiloft. De bruid was een prinses, de bruidegom een aankomende prins. Wij vulden onze ballonglazen met champagne en daarna met Médoc, meedogenloos qua passie. Moeiteloos pasten wij ons aan. Ieder vroeg: "wie bent jullie?". Ze kenden ons niet. 
Waarop ik antwoordde: "Ik ben de dichter". 
En Acadia zei:
"Ik ben zijn penseel". 
De prinses echter, die nam daar geen genoegen mee. Zij verschoof haar sluier en zei: "dicht dan eens voor mij". 
Ik zei: "u brengt mij in verlegenheid wonderschone dame". En toen dichtte ik: 
"Wij deden het in passie 
Gekeken onderwijl naar Lassie 
Die nog niet gerezen was". 

 

"Oh wat ben je mooi", zei de prinses die ook nog bruid was. Ze was verrukt
 en hief met mij het glas terwijl Acacia zich beeldend met de bruidegom onderhield. De schone bruid vroeg, glimmend met haar liefste lach: "weet je
er nog meer zo, uit je hoofd?" 
"Niet zo van mezelf", zei ik, "het echte werk schuif ik voor me uit". 
"Kom mee", zei ze in verrukking en ze nam me mee naar een geheime kamer
vol met bloemen en een bruidsboeket. 
Ze zei smachtend: "kom op, ik wil je horen". 
Ik zei: "Goed dan, een waarschuwend dicht. Heel oud."  
Ik declameerde: 
"Een vaersje in een voorreede te pas gebracht 
't Onnozel volkje houdt poëeten 
Voor dwaazen, hoofden dol van waan. 
Maar wilt gy de oorzaak daar van weeten? 
't Ziet gekken voor poëeten aan".**) 
Hare ogen waren betraand van al het schone hier ten gehore. Hare wangen
glunderden van kunstzinnigheid en artisticiteit in haar genot. Nu stond zij 
volstrekt in lichterlaaie en zij stortte zich bovenop mij. En ik, ik stortte mee,
met het glas nog in de hand. Daar komen scherven van, herinner ik mij nog
de gedachte.

Zestien minuten later, toen wij enigszins aan het bedaren waren van 
ongekend die heftigheid ging de deur open. Daar stond de vader van de
bruidegom: "Wat mot dat?" Alsof-ie zelf geen kijkers had, deze onnozele.
De waard, hij kwam erbij, hij kent zijn gasten. En toen vier stevige kerels 
met handen als kolenschoppen. Door hen werd ik naar het water gedragen.
Op handen gedragen dichtte ik:
"Ondeugd / Geeft geneugt" terwijl Acacia
naar mij wuifde. 
Het werd helemaal nat en koud om mij heen, dat weet ik nog. 

 

© Jos Zuijderwijk. 

Bronnen: 
*) Rudi ter Haar in Propria Cures - zie G. Komrij Bloemlezing 19/20 blz 946 
**) Pieter Langendijk (1683-1756) - zie G. Komrij 17/18, Bert Bakker 1996. 

 
 
Van boekenpolonaise en boekenlied - Gastcolumn van ZiggZagg, geplaatst 30 april 2008 
‘Er zijn in Nederland meer dichters dan er lezers van dichtbundels zijn,’ spiegelde enige tijd geleden een kenner mij voor. En inderdaad, de dichters overspoelen onze contreien. Alle werken zij even serieus aan hun opgang in dichtersland. Er wordt wat afgezwoegd en afgeploeterd. Onstuitbaar overspoelt die lyrische golf stad en land. De kostbare parels en koralen gaan vergezeld van de nodige guppen en krabben. De sedimenten tezamen vormen een grote, onoverzichtelijke brij.
Boekhandels klagen al jaren steen en been dat het meeste wat hun geboden wordt kwalitatief weinig meer om het lijf heeft dan een eendagsvlieg die haar vleugels al voor de geboorte is kwijtgespeeld aan een orgeldraaier met liefdesverdriet. Om te janken. Toch is de boekhandel verheugd. Het heeft de koper behaagd de winkels te blijven bezoeken en boeken te kopen; vele malen meer dan een mens kan lezen. En dat gebeurt: meer boeken verkocht, minder gelezen.
Er is geen tijd meer om te lezen. Dit jaar zelfs minder dan ooit. Amsterdam Wereldboekenstad belooft ons een jaar dat in het teken van boeken staat. De stad zindert van activiteit, zo sterk, dat zelfs de meest verstokte lezer niet meer toekomt aan wat je met een boek eigenlijk behoort te doen: stil zitten, rust zoeken en lezen. Wie deze keuze nog wel wil maken, zal raar staan te kijken als er nog ergens een plekje te vinden is waar alleen de rust nog zindert. Negen van de tien keer loopt er toevallig net een boekenpolonaise onder het raam voorbij of schalt het nationale boekenlied van de hoogste toren.
Groot voordeel bij deze bruis en borrel is, dat al die dichters het ploeteren en zwoegen dit jaar wel eens even zouden kunnen afzweren om zich in borrel en bruis te kunnen begeven en zich laten overspoelen door die bikkels van de commercie. De ware dichter laat zich niet afleiden. Dat brengt meer glans aan de zeldzame sedimenten. 
                                                                        ©ZiggZagg
 
 
 
Weerzien met Antwerpen - deel 1 - korte reisimpressie, geplaatst 10 april 2008 
Zo alleen rondlopend in het oude Antwerpen wordt het ook een teruggaan naar mijn jonge jaren. Mijn allereerste zeereis, de kortste ooit, van Amsterdam naar IJmuiden en bij Vlissingen alweer naar binnen, had de Scheldestad als bestemming. Later zou ik er nog vele malen terugkomen. Nog vóór ik de stad bereik, rijdend over de baan (veel breder dan vroeger), kijk ik uit naar het oude wielerstadion. Het staat er nog, maar het heeft een nieuwe, groene kap gekregen. Ik sla af naar het stadshart en zoek de rivier. Zodra ik daar loop, voel ik weer hetzelfde plaveisel onder mijn voetzolen dat mijn jongensvoeten leerden kennen. Het zijn zeer beslist dezelfde kasseien die hier nog altijd liggen. Een effectief plaveisel om de auto's tot kalme snelheid te manen, je kúnt hier gewoon niet hard rijden. Behalve dan die ene taxichauffeur, jaren geleden, die het voor elkaar kreeg mijn lief tot kokhalzen te brengen.  Nieuwe indrukken mengen zich met oude herinneringen. Die taxi, met slippende achterwielen door de bocht scheurend, naar het hotel, dat amper 500 meter verderop bleek te staan. We konden geen tweepersoonskamer krijgen, de receptionist wilde niet geloven dat we getrouwd waren. Hoe jong moet ik er toen nog hebben uitgezien! Voorbij het Bassin zie ik de lange rij oude hallen met hun gietijzeren kappen, vervallen, maar ze zijn er nog, helaas alleen nog in gebruik als overdekte Parking. De kaai, waar ik ooit met KNSM zeeschepen - en ook met de "Oranjefontein", passagiersschip van de Holland-Afrikalijn, later nog de Noorse "Havsul" - aankwam en vertrok. Die kaai ligt er nog, maar dient alleen tot afvaart van de Flandria toeristenscheepjes. De spoorrails en de rails voor de laadkranen liggen er óók nog, maar in onbruik, roestig, op vele plaatsen overdekt met gras en onkruiden. 
   
Het Steen lokt met wapperende banieren. Aan de voet van de trap een standbeeld van de reus Gulliver met naar hem opkijkende liliputmensjes. Het ziet er nog nieuw uit. Binnen blijkt juist een tentoonstelling te zijn. Relieken van de Red Star Line. De grote oceaanstomers waarmee tot aan het jaar 1934 veel landverhuizers van hier naar de Verenigde Staten vertrokken, vervuld van verlangen naar een betere toekomst. Een stukje Antwerpse en Belgische zeevaartgeschiedenis waarvan ik niet eerder weet had. Indrukwekkende foto's van samengepakte mensen op het dek van een schip: tussendekpassagiers, reizen als haring in de ton. De mensen moeten desperaat zijn geweest... Ik ga weer naar buiten, zoek de ruimte. Op de plek waar vroeger een spoorweg-emplacement was, liggen er nu een oude sleepboot en een marine-mijnenveger als vissen op het droge. Nog verder noordwaarts heeft de loodsdienst een aanlegplaats. Op de wal liggen enorme rode, gele en groene boeien, die de vaargeul in de stroomdraad van de Schelde moeten markeren. De natuur schiep een abstract schilderij van zeepokken en ander aangroeisel onder hun waterlijn. Het zijn de oude, die in reserve liggen. De nieuwe boeien zijn van kunststof, minder onderhoud... we leven in een tijdperk van efficiency. Nog verderop noordwaarts nóg een stuk kaai waar nog een paar oude kranen werkeloos bejaard staan te worden. Lang geleden al heeft de laatste schilder hier zijn verfkwasten opgeborgen. "Cie Internationale Electrique - Liege Belgique" is nog goed leesbaar. Aan de andere zijde: "Hefvermogen 2000 kilos", museumstukken op een in onbruik geraakte rivierkade. Het echte werk vindt nu veel verder stroomaf plaats in de uitgestrekte containerdokken. 

 

   

 

        "En altijd lig ik 's middags met mijn fiets
        In ons gras aan je Schelde mijn schepen te tellen.
        Hun loeiende schaduwen aaien de flat van mijn zoon 
        Daarginder in het groen van de Gerlachekaai 
        Maar nooit ben ik van hier, 
        .... 
        Ik heb geen stratenplan op zak van onze verhouding". 

 

     Uit: "Bres" - Leonard Nolens, VSB Poëzieprijs 11 april 2008 

     © Foto's en tekst John Zwart - Copyright Hernehim Cultuur 
    

 

Weerzien met Antwerpen - deel 2 - korte reisimpressie, geplaatst 13 april 2008 
Genoeg nostalgie en weemoed gesnoven. 
Dan maar naar de Grote Markt gewandeld. Daar is sinds mijn eerste herinnering niets veranderd en dat moet ook maar zo blijven. 
De gildenhuizen en het Keizer Karels' Hof, waar ik in vervlogen dagen op het terras ooit een diepzinnig gesprek voerde met een meisje, over geschiedenis en ons mensen en hoe te leven met angst voor de dood. Er zijn altijd scènes uit de film van je leven, die als een haarscherp fragment weer opduiken. Van vele maanden, soms wel een jaar schijnen alle details gewist, maar enkele gebeurtenissen staan in het brein gegrift, die vergeet een mens blijkbaar nooit. 
Nog altijd de groepen bezoekers op het plein, druk fotograferend - de huizen en het zestiende-eeuwse Stadhuis, alles zoals toen. Maar de mensen zelf zijn wel veranderd. Grote groepen kleine Chinezen met platte gezichten, aan het hoofd een Chinese begeleider die - de rug naar zijn gasten gekeerd - op luide toon zijn uitleg geeft. Tot mijn verbazing met een microfoon voor de mond, legt hij zijn woorden vast? 
En dan de Kathedraal, onverstoorbaar dominant in het stadshart, met blinkende gouden wijzerplaat en wijzers van het uurwerk, ondanks de bedekte hemel. Maar de beelden, ornamenten en muren in lichtgrijze steen, dat alles is roetzwart aangeslagen. Dat de stadslucht vervuild is tonen Antwerpens historische gebouwen onverbloemd aan, daar hoeft men geen ingewikkelde meetrapporten over op te stellen... 
   
Tijd voor het belangrijkste doel van mijn reis naar Vlaanderen: het statige gebouw uit 1564, Grote Markt 1. Ik ga er binnen en word vriendelijk begroet door de dames van de ontvangst in het Stadhuis van Antwerpen. Aangenaam verrast tonen zij zich dat ik 'helemaal uit Nederland' mijn respect kom betonen aan Hugo Claus, de Vlaamse literaire reus. Een mooie portretfoto van Claus prijkt in de hal. Het eerste gedenkboek ligt er al geheel volgeschreven met eerbewijzen van alle bezoekers, die twee weken lang uit de stad en de verre omtrek met dezelfde intentie naar dit Stadhuis kwamen als ik. Een tweede boek biedt nog ruimte. "Voor een vijftiger" heb ik voor deze gelegenheid geschreven. Met de meegebrachte vulpen schrijf ik het gedicht op en sluit af met een respectvolle groet. Terwijl ik er nog mee bezig ben meldt zich nog een bezoeker. De dame wil ook, nog juist in het laatste uur van openstelling, iets in het boek schrijven. Zij vraagt mijn toestemming, leest even mee over mijn schouder. "Ik weet niet of ik er wel even mooi als u over zal kunnen schrijven" zegt ze. Natuurlijk wil ik weten wat haar betrokkenheid bij de schrijver of wellicht de mens Hugo Claus is. Wat blijkt, ik heb te maken met actrice en regisseuse B. Zij vertelt mij over de intense samenwerking met Hugo Claus bij de laatste keren dat hij nog zelf als regisseur betrokken was bij zijn eigen stukken. Eigenlijk was Hugo een grote leermeester in de regie voor haar geweest. 
De dames van de ontvangst hebben met gespitste oren meegeluisterd naar ons gesprek. "Ik dacht al, wat heeft die mevrouw een bekende stem", klinkt het, "kan het zijn, dat ik u ken van tv?"
Dat is het moment dat voor mij het gesprek ten einde komt. Maar mevrouw B. heeft mij wel haar kaartje nog toegestopt en ik haar het mijne. De boeken zijn na het sluitingsuur van het Stadhuis ingenomen en ze worden de volgende dag overhandigd aan Veerle, de weduwe van Hugo Claus. 

 

Diezelfde zaterdagavond was ik terug in Amsterdam. Antwerpen was mij nagereisd in de persoon van de dichter Bart Moeyaert. Een geweldig dichter, die ik bewonder om zijn mooie taalgebruik. Daarbij ook nog een zeer vriendelijk man. Vlaanderen brengt weer nieuwe poëten voort. 
"Gedichten voor gelukkige mensen" heet zijn nieuwe bundel, zopas verschenen bij Querido. 
De titel dekt de lading. 

John Zwart, 7 april 2008 

 

Stadhuis Antwerpen, Grote Markt 1

© Foto's en tekst John Zwart - Copyright Hernehim Cultuur 

 
 
 

Hernehim Cultuurpagina's  


De culturele pagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv