Hernehim 
          
pagina proza 
Hernehim
                   Boeiend om te bezoeken. 
                   Vrij en onafhankelijk. 
                   © HC 2001-2009
 

 

 01.01.2010 
   
Pagina wordt niet meer bijgewerkt - links kunnen niet werken 
of voeren naar onbedoelde pagina's
Pagina wordt vervangen - links kunnen niet werken of voeren
naar onbedoelde pagina's
Deze locatie wordt t.z.t. verwijderd 
Navigeer naar het nieuwe HERNEHIM via de knoppen rechts
HOME 
Nieuws  
Blog en proza 
Themapoëzie 
Vrije poëzie   
Vertaalproject 
Proza  
Activiteiten 
Over schrijvers 
Archief 
Contact     
Atikelen, Beschouwingen, Commentaar - met betrekking tot de literatuur -  Korte verhalen, Sprookjes -  
 
Crisisbestendig - Column van Verbal Jam - geplaatst 25 december 2009 
   
Ook zoiets raars: de neiging om de financiële waarde van weblogs te willen
bepalen.  En dan altijd uitkomen op een nattevingerbedrag, ondanks de 
ingenieuze berekeningsmethode. Waarschijnlijk is de gehanteerde formule
zoiets als het aantal bezoekers maal de Technorati Authority plus de Google
Page Rank en dat gedeeld door de AEX-index minus de gevoelstemperatuur..
Ik heb daar geen verstand van. 

Met dit soort kunstjes houdt men zich bezig bij ondermeer Business 
Opportunities en
bij Hyped. De waarde die wij moeten hechten aan deze 
waardebepalingen blijkt al uit de verschillende uitkomsten. 
Het voor adverteerders blijkbaar meest begerenswaardige weblog GeenStijl
is bij Hyped € 13.699.911 waard, maar volgens Business Opportunities 
maar € 204.681 euro ($ 269.285). 
En dan is de kredietcrisis nog niet eens ingecalculeerd. 

 

Je zou de waarde van een weblog ook heel anders kunnen beschouwen. 
Vanuit de auteur. Iemand die in de loop der tijd 2000 columns op zijn 
/haar weblog heeft geschreven, had daar misschien bij een krant of tijd-
schrift (afhankelijk van populariteit en oplage) tussen de € 300 en € 500 
per stukje voor kunnen vangen. Dat is bij elkaar minimaal zes ton. Bruto.
Uiteraard is dit bedrag net zo fictief als al die andere 'waardebepalingen', 
misschien versterkt deze wetenschap toch het ego van de weblogger. 

De werkelijke waarde van een weblog is natuurlijk niet in geld uit te 
drukken. Een weblog heeft in elk geval emotionele waarde. Daar kan 
Twitter niet aan tippen. Weblogs bezitten dikwijls ook een historische, 
educatieve, esthetische of zelfs literaire waarde. 
En die waarde neemt met de dag toe, als een groeibriljant. Getver wat klef...
In elk geval, de waarde van een weblog is crisisbestendig. 
Beleg dus in mijn weblog 

                                                                               © Arnoud de Jong 

   
 
 
Vergankelijk - Een Fragment van F.Starik - 3 december 2009 
   
Hij moet de smeulende bank uit de woonkamer naar de badkamer hebben
gesleept. Goed plan. Zet je bank onder de douche. Steek met de vuurhaard
de rest van je huis in de brand. Sluit de deur van de badkamer. 
Je wil geen overlast bezorgen. 
Een paar maanden geleden is al eens iets soortgelijks gebeurd, toen moest
de kleinste buurman van eenhoog naar beneden komen om een uit de hand
gelopen asbak te helpen doven, een emmer volstond. 
Dat is toen goed afgelopen. Er is nergens melding van gemaakt. 

Ik heb nog met de woningbouwvereniging gebeld, 'n paar dagen na de brand.
Ik heb gevraagd of het misschien mogelijk was dat deze man niet in zijn 
eigen huis mocht terugkeren, zo er genezing mogelijk bleek, niet hier, niet
hier... Ik heb betoogd dat ‘wij, bewoners’ niet in die angst willen leven, dat
het weer gebeurt. 

Nou het zal niet meer gebeuren. 
De eerste dagen na de brand leek het alsof er geen familie, geen vrienden
te traceren waren. Ik belde met het ziekenhuis, we overwogen of men mij
tot iets officieels zou benoemen, opdat er informatie kon worden vrijgegeven.
Ook al ken je niemand, over je gegevens wordt gewaakt als over een
staatsgeheim, want we moeten de privacy respecteren, ook als er niemand
voor je is om wat dan ook aan te respecteren. 
Wie maar een beetje voor beroemd doorgaat wordt meteen helemaal uit-
gekleed. Als je zomaar iemand bent, en er belt eindelijk iemand voor je, 
dan mogen wij ineens niets zeggen. Dus je werkt in een ziekenhuis en een
buurman belt om naar het welzijn van een buurman te informeren. 

Schrikken hoor. 
Dus je huis is afgebrand en nu ben je bezorgd over de man die daarbij 
gewond raakte. Rare vraag. Daar heeft de dokter niets van gezegd, dat je 
zomaar vriendelijk mag zeggen wat er zoal aan mankeert. 
Wij mogen niks zeggen buurman. Dit is geheim. 
Dat begrijpen de mensen wel, hoor, heus. Want voor hetzelfde geld heeft
buurman een mes en gaat hij vanavond wraak nemen op de stichter van de
brand. Komt hij naar het ziekenhuis en voelt zich bedrogen. Komt zijn geld
terughalen, de onschuldige, het slachtoffer, dat zijn huis moest verlaten 
vanwege een eenvoudige brand. Dat kost allemaal maar geld. 

Gisteren hebben ze de stekker er waarschijnlijk uit getrokken. Er zat geen
verbetering meer in, buurman had nu al 13 dagen niet meer zelf geademd. 
Zelf ademen. Je staat er niet bij stil. Maar je doet het, de hele tijd. 
Ik heb vanavond de meeste van mijn buren ingelicht. Ik heb een briefje in de
gang gehangen, met het weblog-adres erop dat voor de grote dikke is inge-
ruimd. Je kunt een strookje van het briefje scheuren, om het zelf thuis op te
zoeken. 
Misschien kunnen we samen iets van een bloemetje doen. Of we gaan 
allemaal de uitvaart bezoeken. 
We gaan ervoor zorgen dat dit geen eenzame uitvaart wordt. 
Dat is het natuurlijk wel. 

© F.Starik 
Een fragment uit "Brand in de Van Beuningenstraat" - 2007 

   
 
   
Niet mijn ding - Beschouwing over de taal - door John Zwart - 20 oktober 2009 
   
Tja, ik roep het al járen: de Nederlandse taal is in gevaar, onze eigen taal 
verloedert
omdat we er niet zorgvuldig mee omgaan. 
Als een monumentaal historisch gebouw
door verwaarlozing vervalt en met
graffiti overdekt raakt springen we massaal op
de barricaden voor ons 
cultureel erfgoed.
Maar de Nederlandse taal is toch evengoed ons culturele
erfgoed? Waarom moeten
we dan het verval met lede ogen aanzien en 
waren het lange tijd alleen maar enkele
marginale groeperingen die alarm
sloegen wegens de om zich heen grijpende kromtaal
en hutspot van 
willekeurige leenwoorden? 

Op regeringsniveau maken we ons druk over het gebrek aan taalvaardig-
heid van de
nieuwkomers uit landen met andere culturen. Inburgeringplicht
en het volgen van
taalonderricht is herhaaldelijk onderwerp van discussie.
Welnu, ik kan de lezer verzekeren dat de beste leerschool de praktijk is.
Al had ik op
school nog degelijk onderwijs gehad in wat toen heette 
´de drie moderne talen´
(Frans, Duits en Engels) - pas toen ik regelmatig 
langdurig in het buitenland vertoefde
leerde ik die talen werkelijk goed 
verstaan en vervolgens ook spreken. 

Praktische talenkennis verwerf je met goed leren luisteren. Maar dat 
vereist ook een
goed voorbeeld. Als een buitenlander in Nederland zegt:
´toen ik hier kwam was dat
best wel een impekt, zo anders, echt niet 
mijn ding zeg maar´ dan kan het tot mijn
verbazing gebeuren dat hij of zij
geprezen wordt ´wat spreek je al goed Nederlands´. 
Die buitenlander heeft goed leren luisteren en kopiëren. Hoorde een 
abominabele
soort koeterwaals om zich heen en veronderstelde dat het
Nederlands was. 
Zo ver is het dus al gekomen. De gemiddelde Nederlander op straat 
spreekt een taalmix van koeterwaals. Maar nu gloort er hoop. 
De Stichting Nederlands heeft nu een
correctief woordenboek uitgegeven:
"Funshoppen in het Nederlands"
Véél te laat, vrees ik. Niettemin ga ik het boek aanschaffen. 
Maar tot de doelgroep behoor ik niet... 

© John Zwart voor Hernehim Cultuur, 20 oktober 2009.

Funshoppen in het Nederlands 

‘We gaan funshoppen met de kids in de summer sale!’ 
Daar is geen woord Frans bij. Wel veel Engels. 
Het haast achteloze gebruik van Engelse leenwoorden neemt
hand over
hand toe. Soms is een Engels woord makkelijker 
of korter, soms ook is
het vaag, of pedante praat. 
Die bijna altijd geheel onnodig is. 
Je kunt hetzelfde ook, en vaak duidelijker, met Nederlandse
woorden zeggen. 

‘Maar er bestaat geen Nederlands woord voor!’ zegt men dan. 
Dat probleem is nu opgelost. 

Funshoppen in het Nederlands 
biedt ruim 11.000 vervangers voor 4500 Engelse woorden en 
uitdrukkingen
die veel en onnodig in het Nederlands worden 
gebruikt. 
De vervangers
passen bij uiteenlopende contexten en 
verschillende smaken.
Formeel of speels, bekend of verrassend,
er is altijd een geschikte vervanger
te vinden. 
Doe onnodig Engels in de (zomer)opruiming, 
ga pretwinkelen in het Nederlands!  

Funshoppen in het Nederlands
door B.J.Koops en P.Slop, met een voorwoord van Ewoud Sanders. 

Een uitgave van Prometheus en initiatief van de Stichting Nederlands.
ISBN 9789035135062 
Prijs € 9,95 in (o contradictie!) paperback... 

   
 
   
Dagverse dichters - Beschouwing over de houdbaarheid van de poëzie - door John Zwart - 3 oktober 2009 
   
Dichters en gedichten, ze verschillen van elkaar zoals de mensen die we 
ontmoeten.
En dan zijn dichters ook nog nèt mensen en daarmee kinderen
van hun tijd. 
Dat houd ik altijd voor ogen als er weer eens een nieuw talent bijna dood-
geknuffeld
wordt of wanneer een nieuw verschenen bundel onmiddellijk als
meesterwerk wordt
bestempeld. De meeste poëzie is niet bestand tegen 
de tand des tijds. Het is narcisme wanneer je
schrijft en je dan verbeeldt 
dat je bezig bent voor de 'eeuwigheid'. Zelfs van de 'betere
dichters' zijn er
maar enkele die hun eigen generatie overleven en dan nog met slechts een
 páár van hun creaties. 

Zoals de mode ervoor zorgt dat we ons in de kleding van tien jaar geleden
belachelijk
voelen zo gaan er ook actualiteitsgolven door de kunsten. Of 
het muziek is of schilderkunst, er is veel wat nooit meer gespeeld wordt 
en de kelders van de musea staan vol
met werk dat hooguit nog een enkele
keer tevoorschijn wordt gehaald voor een thema-
of een overzichtsexpositie.
Alles is aan mode onderhevig, tot lichaamsversiering toe. Ja, denk daar 
maar eens over
na voordat je jezelf tot een vergiet laat piercen of vol 
tatoeëren. 

De poëzie vormt geen uitzondering. Slampoëzie en sms-gedichten zijn een
modeverschijnsel, waarmee je vandaag goed voor de dag kunt komen, maar
zoals cabaretiers
van een poos geleden oubollig klinken, zo zal men over
een poos meewarig doen over
de meeste van de slammers van vandaag.
Adriaan Roland Holst, met zijn ronkende romantische verzen, luid geprezen
vanaf zijn
debuut in 1911, werd nog geen twee decennia later al 'De Prins
der Dichters' genoemd,
maar al zijn 'onvergankelijke poëzie' wordt vandaag
nog nauwelijks of helemaal niet
meer gelezen. Piet Gerbrandy vindt nog 
slechts een 'handvol goede gedichten' in het hele
oeuvre, Rob Schouten 
besluit na bestudering van het werk dat 90% slechte, pathetische
regels 
zijn, die alleen nog maar hilariteit opwekken. Het betreft 'pretentieuze mooi-
schrijverij'. 
Zo kan het gaan met een Prins. En als een sms-prijswinnaar gefêteerd 
wordt bedenk ik
dat de gsm-telefoon nog maar een kort leven beschoren is
en daarmee ook dit poëziefenomeen.
Dus mensen, blijf vooral schrijven, 
en doe dat zo goed je kan, maar besef dat het toch
een product betreft met
een heel beperkte houdbaarheidsdatum. 

Tien jaar geleden kwam Kees Fens, de meest belezen criticus in het hele
Nederlandse
taalgebied, al tot een vergelijkbare conclusie. 

John Zwart - 4 oktober 2009 

Uit de Vokskrant, door Kees Fens - gepubliceerd op 24 december 1998:

(Naar aanleiding van de uitgave van de anthologie) 

... Met tweehonderd superieure gedichten uit deze eeuw kunnen we in elk
geval de volgende honderd jaar verder. Hoe zullen ze er in 2050 uitzien? 
Het proces van hun metamorfose, en dat is ook het proces van verlies van
historiciteit, is al lang aan de gang. 
De gedichten gaan steeds meer tot de poëzie horen; ze raken, bij al hun
individuele kenmerken, los van hun makers; ze worden autonoom. 
De handboeken, de literatuurgeschiedenissen, de bloemlezingen ook 
zullen blijven trachten de dichters en hun werk hun historische plaats te
geven, maar die gedichten zelf functioneren al lang anders: als klassiek.
Ik durf die vijftig jaar vanaf nu aan te nemen op grond van ervaring. Ik heb
de poëzie van de laatste halve eeuw nagenoeg geheel gelezen bij of kort
na verschijnen, toen de tijd van ontstaan er nog vers omheen lag. En dat
laatste bepaalde voor een groot deel de wijze van lezen [...] 
Wat de achterliggende periode betreft: Een eeuw van erop volgende poëzie
heeft zijn uitwerking ook niet gemist, en dat is ook een eeuw poëzie-lezen.
Dat lezen heeft het effect dat tijdsgrenzen onzichtbaar zijn geworden; de 
dichters blijven wel individueel herkenbaar, maar hun gedichten gaan 
steeds meer lijken op wat ik nu maar noem: realisaties van dé poëzie. 
Wat minder goed is, maakt dat veranderingsproces niet door; het blijft 
historisch, persoons- en tijdgebonden. Dat is natuurlijk het meeste. 
Het zal niet meegaan over de eeuwgrens. Ik zou het graag zo formuleren:
alle poëzie is bézig poëzie te worden. 
Slechts een klein gedeelte, het gróótste, slaagt erin. Ik denk dat er maar
één Nederlandse dichter is bij wie dat onmiddellijk heeft plaatsgehad: 
Nijhoff [...] 
Wat is poëzie? Elke kritiek is weer een poging tot antwoord op die vraag. 
En dat pogen wordt hardnekkiger naarmate de verzen van een dichter zich
steeds meer in het geheel van de poëzie gaan voegen. 
Het pogen is hardnekkig, ondanks de vergeefsheid ervan. We kunnen 
hooguit zeggen (met S.Dresden): 

dit is voorlopig het laatste. 

 

Kees Fens - 24 december1998  

   
 
   
Parlando, een Vlaams zusje van Hernehim - Bericht over verwante activiteiten op het internet - - 24 augustus 2009 
   
Hernehim Cultuur was nauwelijks een jaartje bezig - bestond dankzij John 
Zwart en Robin Kuipers als initiatiefnemers - toen we in Delft waren. 
Destijds organiseerde daar Henriette Faas van Stichting Jambe haar 
poëziemiddagen in Hotel De Plataan. 
De optredende dichters konden aan het eind van zo'n middag door het 
publiek via een stemming met briefjes uitgeroepen worden tot 'dichter 
van de maand'. Of er een echte prijs aan verbonden was weet ik niet meer,
maar het was in elk geval wel een hele eer, zo'n Jambe Maandprijs. 
Op de bewuste middag verscheen er een heel jonge theaterpersoonlijk-
heid uit Vlaanderen die met haar voordracht zo opviel dat zij met grote 
meerderheid tot winnaar werd gekozen. Niemand van de aanwezigen kende
haar: "Hoe heet ze nou?" zong het rond. "Tine Moniek", werd er gezegd. 
"Tine Moniek hoe? Heeft zij geen achternaam?" 
Onvergetelijk werd haar naam vanaf die dag. Ze werd genoemd op Hernehim
Cultuur als verrassende gast uit Antwerpen in een verslagje, of ze dat heeft
gelezen weet ik al evenmin. 

Zo'n twee en half jaar later begon Tine Moniek met haar Parlando. Een 
agenda met haar inventarisatie wat er zoal op poëziegebied in Vlaanderen 
te doen is. Ze plaatste gedichten die inzenders haar toezonden, ze verza-
melde gedichten van gastdichters die zij daartoe uitnodigde. Een beetje 
zoals Hernehim doet maar ook weer een beetje anders. 
Het breidde uit, ze schreef wedstrijden uit waarmee je een boek kon winnen.
Later ging ze zelfs op pad met de "parlandoscoop", een camcorder portret-
tenrubriek waarvoor zij bekende dichters thuis bezocht voor een interview en
om een kijkje te geven op hun leven in gewone doen en laten. 
Nu zijn we weer vijf jaren verder. Hernehim Cultuur is bijna 8 jaar oud, 
Parlando is 5 en stopt. 

Het is herkenbaar, uit pure liefde voor de literatuur en de poëzie en de podia
begin je eraan, je wilt iets betekenen voor anderen met gelijke passie. Het 
houdt je vrijwillig gaande zonder acht te slaan op de energie en de tijd die 
erin steekt. 

Als je het ook allemaal alleen blijft doen vreet het je op. Tine Moniek, met 
de veerkracht van de jeugd deed het allemaal alleen. En deze maand is ze
ermee gestopt. We lazen een gesprek dat ze erover had met Stefaan 
Goossens op de Contrabas site. Het is alsof we over onszelf lezen bij de
volgende citaten: 
"Het wordt op den duur een 'blog' aan het been... besef dat ik in die 5 jaar 
weinig voor mezelf heb gedaan, weinig geschreven".... 
"Agenda, verslagjes, nieuwtjes alles moest erop....er kwam steeds meer bij"
"...ook kwamen pittige reacties, mensen die verontwaardigd waren 'blijkbaar
niet tot de vriendjes te behoren' of juist furieus waren tussen die namen 
terecht te komen, er was er zelfs één die geld vroeg om doorgelinkt te worden"
...  "...de meeste gastdichters stuurden toch iets in wat ze al hadden liggen..."
Wij kunnen ons goed voorstellen hoe Tine Moniek al gauw een duizendpoot
was, die desondanks niet eens meer één stel pootjes voor zichzelf over had.
Ze had zich nu eenmaal voorgenomen om het echt allemaal alleen te doen.
Ze heeft het 5 jaar lang kranig volgehouden en dat is heel wat langer dan 
menig ander. 

Hernehim Cultuur is van het begin af nooit helemaal een éénmans/vrouws 
activiteit geweest, er kwamen mensen bij, er gingen mensen weer weg - na
acht jaar is er een klein team en we gaan door. Toch als individu voelen we
ons stuk voor stuk soms ook een beetje als een Tine Moniek. Je draait 
maar door, puur op waardering en die is er lang niet altijd. 
Maar één voordeel: we waarderen elkáár! 
Nu valt het doek voor Parlando. Hoe kan Vlaanderen verder? 
Tine Moniek geeft een paar tips: het Poëziecentrum in Gent verzorgt een
vrij volledige agenda, voor verslagen en recensies zou je terecht kunnen bij
Poëzierapport en Passa Porta in Brussel. Voor Nederland noemt ze 
Meander en Hernehim (dank Tine!), de zuidelijke en de noordelijke Neder-
landen ze kunnen voort. 
Wie het volledig interview op de Contrabas wil lezen komt erop via deze link
| Permanente link |  

© Hernehim Cultuur - Redactioneel - 24 augustus 2009 


 
 
   
Wijn - Een impressie uit La douce France van Sierksma - 4 augustus 2009 
   
Met mijn volgeladen winkelwagentje worstel ik me door de diverse koopgoten
van de enormste surface van het stadje waar ik mijn inkopen doe. 
Voor mezelf valt het meestal wel mee, maar
ik heb vlak voor het afscheid van
mijn gehucht buren uitgenodigd voor een uitgebreid aperitief. 

Eenmaal aangekomen bij de rijen medewinkelaars die net als ik willen 
afrekenen en die
moeten wachten voor een van de geldsluizen, kijk ik - zoals
steeds weer - jaloers naar de korte
rij met wachtenden bij het gangetje voor
kopers met moins de dix articles. 
Dat kan ik van mijn vracht gewoon niet maken. 

In die rij staat een mooie vrouw met donker krulhaar, gehuld in een zwarte
lange jurk. Ze heeft
veel minder dan tien artikelen – eentje maar, een fles 
wijn die ze als een baby in haar armen
koestert. 
Zoals ik in het openbaar vervoer altijd woest nieuwsgierig ben naar het boek
dat de overbuurman aan het lezen is en me soms in malle bochten wring om
achter de titel te komen
(soms moet ik vragen), zo borrelt er nu een intens
verlangen op om het soort wijn te weten
dat ze tegen de borst houdt. Ik zou
er best van willen proeven. 

Maar vragen kan niet, en zelfs dan zou ik het niet doen. Tussen mijn rij 
torsers en de hare met winkelende lichtgewichten staan immers nog twee
rijen. Omdat er nog maar twee wachtenden voor me staan en voor haar wel
tien lopen we toch vrijwel tegelijk het winkelmonster uit. Dat ze ruim tien 
minuten heeft moeten wachten om die ene fles te betalen wijst op de 
kostbaarheid ervan. 
Wijn voor haar zelf? Voor haar en iemand anders? Je gaat gissen. Kreeg 
ze een plotse, onbedwingbare dorst? Het blijft iets raars. Dan stel ik vast 
dat de vrouw haar hoofd een beetje heeft verloren, als dronk ze eerder die
dag ook al een fles. Terwijl ik voedsel en dranken in mijn kleine auto laad 
passeert ze me wel drie keer en verwaait dan weer in alle windrichtingen 
over het parkeerterrein. Ze is haar auto kwijt, compleet vergeten waar ze 
die neerzette. 

Zag ze iemand die haar van de kaart bracht? Al tijdens het wachten om te
betalen? Of misschien pas op de parking? 
Vrijwel gelijktijdig rijd ik weg en vindt zij haar wagen terug, nota bene die 
naast de mijne. 
Dan verwaaien twee mensen, als bekende schepen in een bekende nacht.
Mijn lunch wacht in La Roche. Met een in elk geval sobere wijn. 

  © Sierksma, 3.8/09 
 
   
Hedendaagse man loopt gevaar - van Arnoud de Jong - 20 juli 2009 
   
In dit stukje richt ik mij even op de hedendaagse man. En dan met name op
de hedendaagse man van laten we zeggen rond de veertig. Want
veertig is 
een tamelijk riskante leeftijd voor een man. 
Dan kijkt hij wat extra nadrukkelijk
in de spiegel, merkt hij dat er haren uit 
zijn neus en oren beginnen te groeien en neemt hij
met toenemende onrust
een uitzakkend buikje waar. Om die reden zijn er opbeurende teksten 
verzonnen als 'Het leven begint bij veertig' en
'Mannen worden knapper naar-
mate ze ouder worden'. In elke giftshop zijn er wel bekers
met een 
dergelijke opdruk te koop. 
Het is ook de leeftijd van de midlife-crisis, waarop de man als een gek gaat
rondneuken
om zichzelf te bewijzen dat hij nog meetelt. 
Hele legers verbitterde ex-echtgenotes kunnen
hiervan getuigen. Zij hebben
met lede ogen moeten toezien hoe zij werden ingeruild voor een 'jonger ding'
("die hoer ja") en dat de rotzak nog 'een tweede nestje' met haar begon.
Clichés schieten te kort om de mentale zwakheden van de man rond de 
veertig te
beschrijven. 
Ook de cosmetica-industrie begint nu in te spelen op de onzekerheden van 
de moderne
hedendaagse man. Hij moet -godbetert- ineens op z'n huid gaan
letten, iets wat hij niet meer
heeft gedaan sinds hij z'n laatste jeugdpuistje 
uitkneep.
Hooguit heeft hij z'n rug en armen laten voltattoëren, maar dat is
een doelgroep die de schoonheidsindustrie allang heeft opgegeven. 

 

Nee, aan de plaatjes te zien is de reclame gericht op de goedverdienende
yup die eindelijk veertig is geworden. En die dus eigenlijk geen yup meer is.
Voorheen beperkte de commercie zich tot het gladscheren en de oksel-
frisheid. Die campagnes blonken ook al uit met 'n toenemende dosis verwijfd-
heid. Maar nu begint het écht link te worden. 
Nivea komt namelijk met DNAge. Want ook de man moet volgens Nivea op
zijn verouderende huid gaan letten. Op de kraaienpootjes, de wallen onder 
de ogen, op de verslappende huid, op de groeven van neus tot mondhoeken,
op de rimpels in het voorhoofd. Dit wordt oppassen, mannen van Nederland! 
Nivea wil van jullie 'n stelletje sissies maken, verwijfde zeventiende-eeuwse 
praaljonkers! Alle stoere kenmerken die de ouder wordende man juist zo
aantrekkelijk maken, die juist het onderscheid betekenen tussen man en
babyface, die wil Nivea gaan gladstrijken! Trap daar niet in! Zorg dat je man
blijft! Dat je er op je vijfenveertigste nog uitziet zoals Nivea wil, moet tot elke
prijs vermeden worden! De echte man heeft tegen die tijd een doorleefde en
doorgroefde kop, waarop de tand des tijds z'n sporen van seks, drugs en 
dronkenschap heeft achtergelaten! Zo hoort dat! 
Zo gaat de evolutie! Laten ze bij Nivea die rotzooi maar op hun buik smeren.
Helpt trouwens ook dáár niet. Anders had ik het nog wel geprobeerd 
misschien... 

© Verbal Jam 

 
   
Een ernstig woord - van Gastauteur Aart van Zoest - 16 juni 2009 
   
Ik steek het niet onder stoelen of banken: ik vraag van een gedicht dat het
mij een toegang biedt tot zijn betekenis. Dat komt doordat ik leef met de
vooronderstelling, of moet ik zeggen met het verlangen, dat poëzie een daad
is van communicatie, een handreiking naar wie lezen wil of luisteren. 
Niet perse opzettelijk, niet nadrukkelijk, maar toch. Als ik de merel hoor 
zingen, of de kleuren zie van de anemoon, neem ik aan dat dat er is opdat
ik het hoor en zie. Zo denk ik ook over poëzie. 
Ik geef toe dat deze vooronderstelling, die wellicht vooroordeel heten moet,
te maken heeft met mijn afkeer voor onbegrijpelijk taalgebruik. Er bestaat 
onbegrijpelijkheid die door een bepaalde categorie dichters tot handelsmerk
is gemaakt. Dat is de onbegrijpelijkheid die als rattengif werkt op de 
ontvankelijkheid van de welwillende minnaars van poëzie, waarvan er godzij-
dank zo veel zijn in de wereld. 
Het is waar dat een gedicht, in zijn algemeenheid, een beautiful riddle kan
zijn. Zelfs moet zijn, naar mijn smaak. Zonder een fundamentele, onbeant-
woorde vraagstelling kan poëzie het niet stellen.
Waarom moest dit zó gezegd zijn en geen millimeter anders? Hoe komt
het dat deze woorden een leven lang in mij blijven nazingen? Lyrisch, 
didactisch, episch, existentieel. Hartverscheurend. Opbeurend. Een 
vermaning. Een jawoord. Het ach of het wee van een zielsverwant. Een 
brandend teken. Een teken van leven. Dat alles kan een gedicht voor zijn
lezers zijn. Zonder dat te zeggen valt waarom. 
Wat dit betreft geldt ook hier dat de proof of the pudding in the eating is. 
Onder de veertien dichters in het voorjaarsnummer van Nynade zijn er die 
hun renommee al verworven hebben. Anderen zijn aanstormers. Kenmerk 
van het geheel: spannende diversiteit. Sommige teksten kijken ons aan met
wijd open ogen. Andere geven hun geheim pas na inspanning prijs. Maar
aan opzettelijke ondoorgrondelijkheid maakt geen hunner zich schuldig. 
Al die poëzie noodt tot nadenken en navoelen, tot instemmen ook. 
En ontdekken. 

© Aart van Zoest - april 2009    Hoofdredacteur "Nynade"

   
 
   
Misverstand  - Column van Karel Wasch - 5 juni 2009 
   
“Herne.. wat?” vraagt mijn dochter wanneer ik vertel dat ik naar een middag
van Hernehim zal gaan. “Hernehim” zeg ik met enige trots. 
“Oh dat is die begrafenisonderneming “grapt mijn zoon “van Is er cake na
de dood?, toch?” 
Ik word nu een beetje geïrriteerd. ”Nee, het is een culturele club en we gaan
zaken uitwisselen.” 
Nadat ik dit heb gezegd is het even stil. Helemaal waar is het niet maar 
kennelijk toch afdoende. 
“ Oh ze gaan met Turken over Wilders praten” merkt mijn dochter op, ze 
heeft een aan de lessen maatschappijleer gerelateerde belevingswereld en
dan moet je oppassen. “Ik wist niet dat je zo multiculti was” voegt ze er 
verbaasd maar met enige bewondering aan toe. 
“Nee, ik ga gedichten voordragen“ zeg ik ”niks te Wilders. . !" 
“Wie komen er dan allemaal, zijn dat bekende mensen, komt Hans Teeuwen,
die deed laatst wat voor Theo van Gogh, een gedicht of zo?” 
Mijn zoon is op de hoogte merk ik. 
“Nou o.a. Pom Wolff” 

 

“Wolf?” Ik zie mijn vrouw nadenken, die naam roept een vage herinnering bij
haar op. “Dat was toch een lid van de CPN?” weet ze. “Dus toch politiek!”
"Nee, hij heeft een site op Internet en is beroemd dichter". Hoewel…? Voor
veel internetpoëzie is de rand van het beeldscherm de enige grens. “Gaan 
jullie mee?" 
"Ik ga naar een ballonwedstrijd in Schipsluiden” zegt mijn dochter, zoonlief
zwijgt, hij kijkt me aan of hij water ziet branden. 
Ik geef het op, realiseer me dat dichters alleen aan elkaar voorlezen, maar 
dat is niet erg en vroeger had dat misschien in de verte met politiek te 
maken. 
Cabaretiers zijn dichters en dichters dragen voor aan elkaar, is dat erg? 
Het is in ieder geval niet zo erg als de Gouden Kooi, waarin mensen worden
opgeleid tot sadist of toekomstig neuroot. Misschien komen ze dan wel 
terecht bij Rutger Hendrik van den Hoofdakker oftewel de psychiater Rutger
Kopland, maar die is eigenlijk dichter. Eisenhower, vonden de soldaten, was
een goede president en in de Senaat vonden ze hem een prima generaal. 
Er is dus nog hoop voor Kopland. 

© Karel Wasch 

   
 
 
Breinrot  - Kort verhaal van Arnoud de Jong - 10 mei 2009 
   
Van buiten af bezien was het een kleine, vrolijke stoet die mijn vader naar
het verpleeghuis bracht. Ik duwde zijn rolstoel. Het was mooi weer, we 
probeerden het luchtig te houden. Daarom hadden we mijn moeder nog maar
niet meegenomen. 
Mijn zuster en mijn vrouw maakten grapjes met hem. Als hij ze niet begreep,
deed hij alsof. Hij maakte ook grapjes met ons. Die wij dan weer niet altijd 
begrepen, maar ook wij deden dapper alsof. 
Hij zwaaide als een vorst op rijtoer naar voorbijgangers, maar ze zwaaiden 
lang niet altijd terug. Ze waren bezig met hun eigen dingen. Misschien als
we hadden geroepen: 'Hij gaat vandaag naar het verpleeghuis', hadden ze 
wel even de moeite genomen om terug te zwaaien. 
Zo aardig zijn de meeste mensen wel. Maar we riepen niets... 
want dan hadden wij moeten huilen. 

Inwendig was het een droeve stoet. Het doet toch erg veel pijn om een 
demente vader van 98 jaar naar het verpleeghuis te moeten brengen. Vooral
omdat hij een klein jochie in een oud verschrompeld lichaam is geworden, 
dat argeloos de scheiding van vrouw en thuis tegemoet rijdt. 
Het zat er al een tijdje aan te komen. Maar een week geleden raakten de 
zaken in een stroomversnelling toen hij zijn pols brak.
Ik ging met hem naar het ziekenhuis, waar we een hele middag zaten voor 
twee fotootjes en een gipsverband. Kosten noch moeite zijn gespaard in dit
land om een kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg op poten te zetten.
Dusdanig hoogstaand, dat de afdeling 'Spoedeisende Hulp' dan ook daad-
werkelijk in staat is om een incontinente en demente oude baas van 98 
binnen de recordtijd van drie uur met spoed te helpen. 

Die middag was hij moeilijk te hanteren geweest. Onvermijdelijk moest hij
een keer naar de wc. "Ik moet plassen." Ik reed hem in zijn rolstoel naar 
het invalidentoilet. 
"Wat doe ik hier? Wat is dat?" - "Dat is een wc. Je moest toch plassen?" 
"Ik moet helemaal niet plassen!" 
Ik probeerde niet te zuchten en we verlieten het toilet. Er verstreken tien 
minuten. 
"Ik moet plassen!" - "Daarnet bracht ik je naar de wc en toen hoefde je niet"
"Nou, dan pis ik wel in mijn broek." - "Ik moet even kijken of die dokter er al
aankomt. Want dat zul je dan net zien, dat hij uitgerekend komt als wij naar
de wc zijn... Nou ja, laten we maar gaan dan." 
"Ik heb al in mijn broek gepist." 
Dat is om mij te sarren. Gelukkig draagt hij een incontinentieluier. 

Op zulke momenten is het belangrijk te blijven focussen op het beeld dat
je bewaart van de vader zoals hij vroeger was. Anders verdraag je de zieke
vader van nu niet meer. De vader met 'breinrot', zoals ik zijn dementie noem.
Ik stel mij voor dat delen van zijn hersens zijn verdwenen, gewoon zijn weg-
gerot. Wat er drie minuten geleden gebeurde weet hij niet meer. 
Wel dingen van vroeger. Hoewel hij al één derde van zijn leven met pensioen
is, kunnen we roddelen over zijn collega's van destijds. 
Zijn wereld is ineengeschrompeld. Hij probeert er greep op te houden. In 
huis wijst hij de dingen aan en verklaart dat ze van hem zijn, dat hij ze heeft
gekocht. Ook als ze niet van hem zijn. Hij spookt 's nachts door de kamers
en plundert in de keuken de koelkast. 

Hij eet al het broodbeleg op. Of zoals laatst een heel paasbrood. Daarna 
vergeet hij dat hij heeft gegeten. "Hebben we niets op brood?" vraagt hij de
volgende morgen verontwaardigd. 
Hij ziet vreemde mensen in huis, waarschuwt mijn moeder dat ze niemand
moet vertrouwen. Er waren studenten die een grap met hem wilden uithalen.
Maar gelukkig had hij dat in de gaten, het was maar goed dat hij zo goed 
oplette, ze waren al in de slaapkamer. Hij ging kijken, slofte achter zijn 
rollator aan. Op de terugweg struikelde hij, kwam in de gang ten val en brak
zijn pols. 
Dat was in meer dan één opzicht een breekpunt. Het betekende dat hij 
zichzelf niet meer kon aankleden, niet meer met zijn rollator mocht lopen en
zijn eigen kont niet meer kon afvegen. Het werd nu echt te moeilijk om hem
nog langer thuis te verzorgen. 

Vanaf het eerste moment aanvaardde hij het verpleeghuis wonderwel. Hij 
kreeg meteen al soep en at die met smaak op. Na het eerste etmaal 
vertelden de verzorgsters dat het net leek alsof hij er al maanden zat, zo 
voelde hij zich thuis. 
Al die jaren was ik bang geweest voor het moment dat ik mijn vader naar
een verpleeghuis zou moeten brengen. Ik had drama's verwacht, want bij de
vorige verhuizing had hij aanvankelijk erg moeilijk gedaan. 
"Ik ben een oude man, die doe je zoiets toch niet aan!" 
Maar nu zie ik hem toch wat opleven, hij loopt rond, kletst vrolijk met je, 
gaat zowaar naar een muziekuitvoering op Koninginnedag, gaat met ons in
de tuin zitten en eet een taartje. 
De andere mensen op zijn afdeling zijn nog meer in zichzelf gekeerd dan hij.
Een man loopt alsmaar door de gangen, komt van tijd tot tijd als een zombie
zwijgend bij ons staan en vertrekt dan weer. 
Een vrouw herhaalt hele conversaties uit een ver verleden. Verderop wipt 
iemand onafgebroken met haar been. Weer een ander ligt de hele dag op de
loer om uit de gesloten afdeling te kunnen ontsnappen. 

Het is een gezelschap in verschillende stadia van ontluistering, maar ze
schijnen desondanks weinig last van elkaar te hebben. Daar hoort mijn vader
nu ook bij. 
Af en toe voel ik vinnige golfjes van verdriet en medelijden in mijn borst 
aanspoelen. Het huilen staat mij dan nader dan het lachen. Het gebeurt op
de momenten dat mijn vader serieus tegen mij converseert over allerlei 
kleine en simpele dingen, als een jochie dat de wereld nog moet ontdekken.
Dezelfde wereld die hij juist geleidelijk is kwijtgeraakt. 
Ik besef dat mijn vader nu het gezin van vroeger heeft verlaten, dat hij verder
van mij weg staat, zowel geestelijk als fysiek. 
"Ik komt hier nooit meer uit," zei hij gisteren nog tegen mijn moeder. 
Maar hij leek erin te berusten, er niet werkelijk onder te lijden. Voor zover hij
het niet gewoon vergat. Het was de enige opmerking die hij maakte over zijn
nieuwe situatie. 
Uitgerekend mijn vader is de enige van ons die zich niet terneergeslagen voelt.
Zijn humeur lijkt erop vooruit gegaan. Ik moet dan maar proberen daar blij om
te zijn. 

© Arnoud de Jong 

   
 
   
Verloedering van het boekenvak  - Column van John Zwart - 23 april 2009 
   
Hoe word je een bekend auteur? 

Dat is de vraag die al velen zich hebben gesteld nadat ze zich een 
poos bezig hielden met 't
stoeien met tekst. Als we kijken naar het
verleden waren het vaak predikanten en mensen uit
het onderwijs - 
dus beroepsmatig al ervaren met het schrijven - die zich wierpen op
verhalen,
essays en romans. De voorwaarde niet afhankelijk te zijn 
van de inkomsten uit de schrijverij én
desondanks daar veel vrije tijd 
voor beschikbaar hebben, daar werd in beide beroepsgroepen
ruim-
schoots aan voldaan. Wat natuurlijk ook hielp was geboren worden
in een rijk nest, in dat
geval was ordinair werken geheel onnodig. 
Dan waren er natuurlijk ook nog de academisch
gevormde neerlandici,
zij promoveerden en waren al eerbiedwaardig door "Dr." voor hun naam.
Maar die tijd ligt ver achter ons. 
Vandaag de dag hoef je nog geen letter op papier te hebben gezet 
om je schrijverscarrière te
starten. De eerste stap is: in het nieuws zijn
of zijn geweest. Als je door je functie toch al regelmatig
camera's op je
gericht krijgt en microfoons voor de mond geduwd, dan is het al heel
gemakkelijk.
Iedereen kent je al, de uitgevers óók. 
Zit je in de politiek en je krijgt lust wat sappigs op papier
te zetten, 
bijvoorbeeld in de vorm van wat vuile was, ze gooien er ongezien al een
flinke oplage
tegenaan. 

Had tot nu toe nooit iemand van je doen en laten willen weten dan is
het zaak wat stuntwerk
te verrichten. Word crimineel, niet wat half
zachte inbraakjes of tasjesroof, nee het ruige werk,
compleet met 
liquidaties enzo:

Kleine criminelen hangen de keel uit, zware jongens, dáár smullen
we van..Kaap een vliegtuig en roep dat je het uit liefde voor de 
stewardess doet en dreig, als ze niet onmiddellijk met je trouwen wil, 
dat de kist met iedereen erin de lucht invliegt, maar dan wel ánders, 
Vermoord je vrouw en schrijf zorgvuldig alle feiten op, hoe en waarom
je het hebt gedaan en het verwerken van het lijk. 
Word serieverkrachter. Word de vriendin van een serieverkrachter, 
die zijn straf moet uitzitten. Beter nog: trouw met een ter dood veroor-
deelde seriemoordenaar. Ga op avontuur in een gevaarlijk land en laat
je gijzelen door guerrilla's of terroristen. Ga een paar jaar werken in de
straatprostitutie. Sluit je aan bij de Satanskerk, stel je beschikbaar 
voor het altaar, als offerblok met zachte gleuf. 
Mannen die hun pik achterna lopen en daarover willen schrijven, die 
beginnen al vervelend te worden, aan één Brusselmans in Vlaanderen
en één Kluun voor Nederland hebben we genoeg. Maar de mogelijk-
heden voor vrouwen die alle promiscue geilheid willen uitproberen zijn
nog lang niet uitgeput. En anders: ga je naar Afrika, om kindsoldaatjes
te helpen en laat je zwanger maken door één van hen. 
De uitgevers zien de oplagecijfers al voor ogen, nog vóórdat je één 
letter op papier hebt. Zelfs als je er helemaal niets van bakt komt jouw
bestseller er tóch wel, dan krijg je gewoon een ghostwriter aangeboden.

Die dochter van Fritzl, details willen we kennen! Meisje, als je nou een
beetje exhibitionistisch wordt, dan staan de uitgevers te dringen voor 
jouw deur, echt waar! 

© John Zwart - 20 april 2009

   
 
   
Sire, opvoeding voor de kleine man  - Gastcolumn van Arnoud de Jong - 26 maart 2009 
   
We gedragen ons veel te asociaal vindt SIRE. We bellen hardop in het
openbaar vervoer en/of nemen twee zitplaatsen in beslag, we peuteren
publiekelijk in ons neus, we spugen,
boeren, ruften er lustig op los, we 
telefoneren gewoon door bij de kassa, we laten onze
honden in de 
zandbak poepen, we dringen voor, we legen de autoasbak op straat en
tot
overmaat van ergernis hebben we dat allemaal zelf niet in de gaten. 

Mooi verzonnen van SIRE, daar wordt ons land vast weer wat prettiger
van. Alleen is dit
natuurlijk allemaal maar klein bier. 
Er zijn veel ergere vormen van asociaal gedrag. Daarvan zagen wij het 
afgelopen jaar heel
wat schandelijke voorbeelden passeren. 
Bestuurders en managers van (semi-)publieke
organisaties, zoals 
woningcorporaties en zorginstellingen, die zichzelf schaamteloos 
verrijkten op kosten van de belastingbetaler en ondertussen woning-
en zorgbehoevenden lieten
barsten. Prominente Nederlanders als 
Elco Brinkman en Hans Hillen die tegen vorstelijke
vergoedingen 
werden geacht daar toezicht op te houden, maar dat niet deden. 
Zij hadden
het te druk met hun andere dertig commissariaten en 
erebaantjes.
We hadden ook nog de topmanagers uit het bedrijfsleven
en de bancaire sector die hun eigen bankrekeningen riant volstouwden
met bonussen en optieregelingen.

Onderwijl lieten ze banken omvallen, bedrijven over de rand van de 
afgrond kieperen. Duizenden werknemers werden zonder scrupules 
de WW in geschopt. Ze smeerden argeloze huizenkopers dure woeker-
polissen aan. Zij stortten ons, maar niet zichzelf, in de diepste 
depressie sinds de jaren dertig. 
Er waren ook bestuurders die faalden in hun opdracht allerlei mega-
projecten in goede banen te leiden, waardoor huizen verzakten en de
kosten en bouwtijden verdubbelden. Ze hadden ook toezicht moeten 
houden op de door hun goedgekeurde IJslandse banken, opdat ons 
spaargeld niet zou wegsmelten. 
Ze hebben het nagelaten, de staat moest ervoor opdraaien en zelf 
kwamen ze ermee weg. Inmiddels zitten ze in het volgende lucratieve 
baantje. 

Dáár zie je nu nooit eens een SIRE-campagne over. SIRE-campagnes
zijn altijd gericht op 'het gewone volk', en nooit op de toplaag van 
Nederland. Die kan daardoor gezellig en comfortabel de elite blijven. 
Wie doet ze wat? Wie spreekt ze aan op hun asociale gedrag? 
SIRE in elk geval niet. 

© Arnoud de Jong 

   
 
   
Schietschijf  - Gastcolumn van ZIgg Zagg - 15 maart 2009 
   
De samenleving verhardt. Daar zeg ik niets nieuws mee. Het is een
gegeven feit dat veel mensen zich op straat niet meer veilig voelen. 
Zeker sinds die veiligheid ook nog eens
hoog op de politieke agenda
staat.
In plaats van groepen mensen die buiten de boot dreigen te vallen, 
meer zekerheid te
geven over hun lot, komt de politiek terug met 
steeds hardere maatregelen om alles in
het gareel te houden. De burger
is zelf verantwoordelijk voor zijn bestaan, ook al staan
hun banen op de
tocht, ook al hebben de banken de kassen leeggeroofd door zich met 
een hebzuchtig bonussysteem te verrijken. De burger betaalt en verzuipt.
Maar, je mag
het niet zien als een noodlot; het is een kans die je moet
benutten. Is het dan gek dat agressie onder ons is gekomen? 

Ondertussen worden buschauffeurs in elkaar geslagen door puberende 
rotjochies, die naar voorbeeld van de rijken, ook
kansen ruiken om zich
makkelijk van veel geld te voorzien voor de nodige blingbling. 
Repressie is het maatschappelijk antwoord waarmee opnieuw agressie
wordt opgewekt. 
De PvdA roept om meer polemiek. Dat kan geen kwaad, vindt de partij
en gooit er een
integratienota tegenaan die zelfs PvdA-coryfee Jacques
Wallage te ver gaat. 
Wat zou het antwoord moeten zijn op al die opgewekte agressie. 
In Amerika schiet een
man zo in het wilde weg wat mensen dood terwijl
diezelfde dag, een paar uur later een
zeventienjarige jongen in het 
Duitse Winnenden met het pistool van zijn vader een slachtpartij aan-
richt. Is het onvermogen? Uitzichtloosheid? 
Welke perspectieven zijn nog te bieden in een samenleving waarin alleen
de besten een
plek krijgen en de minderen die ook nog over goede 
kwaliteiten beschikken, worden
afgescheept. 
Ondertussen moeten ouderen langer werken terwijl hun werkgevers op
hun beurt allerlei toeren uithalen om die ouderen zo snel mogelijk te 
lozen. 

 

Jongeren, net klaar met hun hbo, kunnen zo weer aanschuiven in een
nieuwe opleiding, want alleen leren leidt nog tot een baan, zo wordt 
gesproken. Hoewel: het stempel 'eeuwige student' is ook geen toegangs-
bewijs tot een beter leven. Het zijn die tegenstrijdige prikkels die een 
mens tot wanhoop drijven. 
De meest kwetsbaren zijn de kinderen met leer- en gedragsproblemen.
Zij hebben baat bij een beschermende omgeving, waar ze de rust krijgen
uit te groeien tot mensen die hun kwaliteiten leren kennen; een omgeving
waarin waardering is voor de kleine mijlpaaltjes die zij met veel moeite
kunnen afleggen. Begrip en waardering hebben nog nooit iemand kwaad 
gedaan. 
Uitgerekend in de kwetsbare Utrechtse wijk Overvecht trof ik zo’n school
voor praktijkonderwijs die dit soort kinderen onder de vleugels neemt. 
Maar, in de vaart der volkeren moet ook deze instelling een flinke positie
innemen. Daarom koos de school voor een naam die kracht uitstraalt. 
De kracht van het kind ligt in zijn talent. Dat talent moet eruit komen. 
Een positieve gedachte.
Het eerste deel van de naam is dan ook gewoon de afkorting voor het 
soort onderwijs in de vestigingsplaats. Het tweede deel van de naam 
staat voor Werken, Evalueren en Reflecteren (POUWER). Ook dat klinkt
allemaal erg opbouwend en wekt positieve energie op. Het komt aan op
de vormgeving om deze gedachte eenvoudig uit te dragen. En daar laat
nu juist deze school zich meeslepen door de heersende agressiespiraal.
Nog nooit heb ik een onderwijsinstelling gezien die een schietschijf in 
zijn logo draagt. Deze dus wel. 
Agressie en geweld zijn nu definitief geïnstitutionaliseerd, Het lijkt mij 
dat kwetsbare kinderen uit de meest kwetsbare wijken, waar geweld op
alle niveaus gemeengoed aan het worden is, met deze schietschijf een
vrijbrief in handen hebben: 
een plek in deze samenleving komt je alleen toe met geweld. Trek 
desnoods het pistool van je vader en maak van de school een schiet-
schijf. 

© ZiggZagg 

 
 
   
Kom op voor jezelf, maar blijf wel realistisch  - Column van John Zwart - 17 februari 2009 
   
Ze lijken me soms benijdenswaard, die vrolijke jongens en meiden die
niet beter weten dan dat 'alles moet kunnen'. De jeugd voor wie een 
mobieltje en een mp3 speler en een
eigen pc en tv op de kamer, en 
wat al niet nog méér tot de standaard uitrusting behoort.
Zonder welke
het bestaan verschrikkelijk en ondraaglijk moet zijn. 
Zijn ze te benijden? 

De generatie erbóven, de ouders -kinderen van de 'babyboomers'- die 
hebben ook al een
vrij zorgenloze jeugd ervaren. Grootgebracht door 
ouders, die uitgingen van hun gevoel: "mijn kinderen zullen wél hebben
wat ik allemaal moest missen". 

De kinderen van de babyboomers, die zijn het die nu het meest aan het
woord komen in
de escalerende rampendiscussies over recessie, 
krimpende economie,
dreigende
onweerswolken van golven bedrijfs- 
sluitingen, massaontslagen... Alles wat op komst zou
zijn, en waar 
misschien zelfs de jaren dertig bij zullen verbleken. Zij domineren de 
media,
radio, tv en kranten, ze lijken wel tegen elkaar op te bieden in
hoe erg het allemaal is en: "nee, dit is nog maar het begin, het wordt 
nog veel erger"
en hoe lang het allemaal zal duren: "twee jaar, vijf jaar,
misschien wel tien jaren". 

Het zijn extreme omstandigheden en die vragen om extreme maat-
regelen, orakelt onze premier met zijn kanselstemmetje. En vervolgens
vliegt men elkaar in de haren over wat
voor extreme maatregelen er nu
wél en welke er niet moeten genomen. Opponenten die
precies het 
omgekeerde van elkaar eisen. 
Verhoging van de pensioenleeftijd, een loonstop want de inflatie is 
bijna nul, bezuinigen op
de zorg en de gezondheid, bezuinigen op het
leger, afschaffen van de ontwikkelingshulp, afschaffen van de renteaftrek
op hypotheken. Over alle onderwerpen wordt gekrakeeld of het
gaat om
ons leven of de dood, getrokken binnen het grimmige kader van crisis-
beraad. 
De banken hebben de buit al binnen en voorlopig gebeurt er even niets... 
De pers zit Balkenende op de huid en wil natuurlijk weten hoe en wat. 
Maar op elke vraag komt zijn antwoord: "Daar zijn we nog helemaal niet
aan toe! Dat zijn we nog volop aan het bespreken".

"Hou toch eens op mensen", zou ik als toehoorder willen roepen. 
Wind je toch niet zo vreselijk op!
De wereld vergaat niet! 

 

Misschien ben ik wel benijdenswaard, ik heb de hongerwinter beleefd.
We waren blij als mijn vader terugkeerde van een voedselstrooptocht 
langs de boerderijen en twee flessen melk en vijf kilo aardappelen op 
het aanrecht deponeerde - daarmee konden we weer een paar dagen 
verder. Mijn moeder wist twee keer anderhalve liter havermoutpap te 
koken door de melk aan te lengen met water. Het gas was allang 
afgesloten. Moeder kookte in de woonkamer op een klein plat nood- 
kacheltje, gefabriceerd door de Blikfabrieken te Krommenie. Daarin 
kon je alles wat brandbaar was verstoken. Zo bleef er in dat ene vertrek
een beetje warmte in huis. 
We hebben het overleefd, het werd eind jaren veertig en toen werd voor
mijn tiende verjaardag mijn eerste fiets gebracht door Ome Klaas. Het
ding was bijeengeschroefd uit allerlei verzamelde onderdelen. Maar ik 
was er toch wel blij mee, want voordien moest ik alles lopen, geld voor
de NACO bus was er niet. Dat lopen was niet zo erg, zei mijn vader, 
hij had zelf zijn hele jeugd alles lopende moeten doen, hij had als kind 
nóóit een fiets gehad. Toen ik veertien was werkte ik de zomervakantie
drie weken in de koekjesfabriek van Hille. Daar hield ik 25 gulden aan 
over. Een kapitaal, mijn zakgeld was een rijksdaalder (voor de jongere
lezers: twee gulden en vijftig cent) per week. Van mijn zelfverdiende 
kapitaal kocht ik mijn eerste horloge. Ik zie het ding nog voor ogen in
het duister van de slaapkamer, met zijn groene fluorescerende wijzers.

Wat is er NU helemaal aan de hand? We verdienen met zijn allen in 
Nederland dit jaar drie en een half procent minder dan in 2008. En 
misschien in 2010 nóg wel een jaartje zo, en als het erg tegenzit kan
het ook wel vier procent zijn. Tegelijk produceren we voor een derde 
méér voedsel dan we daadwerkelijk consumeren - dat teveel is wat 
we weggooien nadat het niet meer vers is. Ik weet nog heel goed hoe
we die zes jaar leefden van 1944-1950 en ik heb later ook gezien hoe
er NU honderden miljoenen mensen leven zoals WIJ leefden in 1944-
1950. Ik denk dat ik daarom zelf te benijden ben, ik ken échte crisis-
omstandigheden nog uit mijn eigen ervaring, net zoals er veel andere
mensen zijn die dat nu ervaren - maar enkele vlieguren verderop. 
Ik zie nog dat we het relatief hartstikke goed hebben en daarom kijk
ik verbijsterd naar de krampachtigheid van al die kinderen van baby-
boomers in de vakbonden en de politiek. 
Tel je zegeningen mensen en geef hier en daar een beetje toe van 
wat je best kan missen, wie weet valt er nog goed te leven met de 
compromissen. 

© John Zwart - 17 februari 2009 

   
 
   
 
 

Hernehim Cultuurpagina's  


De culturele pagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv