Hernehim Cultuurpagina's
Pagina Proza Podium

Proza Pagina's vertonen lezersinzendingen
en bijdragen van bevriende bloggers en incidentele inzenders. 

Bijgewerkt:  25 december 2009 
Over de voortzetting van deze pagina 
wordt tegen het eind van het jaar besloten  

 

Nieuws - Recensies archief
Introductie < themapoëzie > Gasten
Open podium < nieuwe gedichten en blog 
Redactie en Gasten < verhalen, columns
Open podium < verhalen, columns
Literaire rubriek, actuele verslagen - Auteurs  
Attentie: Deze pagina wordt binnenkort verwijderd.  Haak in op het NIEUWE HERNEHIM via de herziene site 
HOME 
Nieuws  
Blog en proza 
Themapoëzie 
Vrije poëzie   
Vertaalproject 
Proza  
Activiteiten 
Over schrijvers 
Archief 
Contact     

© De Redactie behoudt zich het recht inzendingen te weigeren,
alle gepubliceerde verhalen etc. blijven eigendom van de auteu
r

Vergankelijk Kort verhaaltje van John Zwart - geplaatst 25 december  
   
Vast al eens gezien op tv, die spot over die man die maar geen afscheid 
kan nemen
van zijn oude opel kadett? Hoe hij bengelend aan een vooras 
van zijn autootje door de kraan
van de sloperij mee de lucht in wordt 
getakeld... 

Ik kreeg dat beeld even voor ogen toen ik deze maand zwichtte voor het 
bod van de dealer, die mij
binnen enkele dagen de sleutels van een jonge
chique Peugeot met van alles erop en eraan beloofde. Dat zou de scheiding
worden van mij en mijn oude Astra.
Jarenlang reed ik diezelfde auto, jaargang 1997, een dieseltje. Zo´n auto 
wordt na zo lange tijd ook een beetje je huisje op wielen, je trouwe vriendje. 
Ieder jaar stond de tellerstand weer 30.000 km hoger. Na 12 1/2 jaar zijn 
dat wel heel veel kilometers. Maar altijd: starten, rijden - probleemloos op 
weg en veilig weer thuis. Zo krijg je een band met een voertuig dat altijd 
klaarstaat en nooit protesteert. Je zou jezelf een vriendin of vriend wensen
met evenveel toewijding en trouw. 
Er hebben zich veel herinneringen aan de oude ´Frau Astra´ gehecht. Want
niet alleen het hoofdwegennet werd bereden, we bezochten ook afgelegen 
natuurterreinen, we ploegden voort over modderige karrensporen en op 
zanderige bouwterreinen wroetten we ons los op eigen kracht. Bij heel wat 
plotselinge stortregens of hagelbuien was zij de enige schuilplaats. 
Zaten we ´s winters vast in de file dan zorgde haar dieseltje dat het binnen behaaglijk bleef, en als ik eens vergat
op tijd te tanken haalde ze met gemak tientallen kilometers méér uit de reserve dan het boekje mogelijk acht.

Sinds 2008 laat ze af en toe merken dat haar jeugdjaren echt voorbij zijn.
Om toch op "starten, rijden" te blijven rekenen zijn tussentijds reparaties
nodig. Brandstofpomp, waterpomp, remschijven, ze komen allemaal een
keer aan de orde. 
"Dat krijgt u meneer, de gewone onderhoudsrekeningen vertonen steeds 
vaker posten van bijkomende reparaties." 
"Maar ze rijdt nog prima!" 
"Jawel, dat dieseltje gaat nog wel een poosje mee, maar voor de auto zelf
loopt u tegen het eind van de economische levensduur aan. Gaat u toch 
eens in de showroom kijken!" 

 

Wat staat daar toch veel te blinken en alles met kortingen... Maar moet het
dan zo nodig... het is toch gewoon een vervoermiddel dat je van A naar B 
brengt en dat doet mijn Astra toch ook... 
Toch trokken comfort en  "eindejaarskorting" me over de streep. 

Dan breken de laatste dagen aan dat we nog samen zijn. December pakt
uit met het beroerdste weer wat je bij een Hollandse winter bedenkt.
Overstromende straten, sneeuwjachten. Gestrande auto's langs de weg,
wegenwachters staan gebogen onder de kap aan de techniek te sleutelen.
Maar de oude dame Astra tuft alles vrolijk voorbij, Misschien is het maar 
verbeelding maar het lijkt of de motor tevredener dan ooit bromt en of de
vering gerieflijker voelt. Ik denk dat Frau Astra mij op die manier subtiel laat
voelen hoe ondankbaar ik ben... 
Op de overdrachtsdag parkeer ik de Astra op een bezoekersvak van de
werkplaats. De nieuwe auto staat gepoetst klaar in de showroom: 
"We rijden hem even voor u naar buiten meneer!" Vijftien liter brandstof krijg
ik in de tank, dat is de standaard. "Veel rijplezier gewenst meneer!"  
Ik kijk naar het lege parkeervak:"Waar is mijn Astra?" 
"Oh die is al naar achteren gebracht, moet u er nog bij?" 
"Nee, laat maar".
Ik wil haar niet meer onder ogen komen. 
Niet haar stille verwijten ondergaan, dat ik op haar uitgekeken ben. 
Dat ik háár, mijn Duitse deerne, heb gedumpt omdat ik plots ben gevallen
voor een wufte Française.

De Mademoiselle varrast me, al op de vierde dag, met een lekke band. 
In de vrieskou sta ik wat te mopperen, waar is nou die krik en is er wel 
gereedschap om die rvs-wielbouten los te krijgen? 
Zoals je in een huis, waarin je lange tijd gewoond hebt, blindelings de
lichtknopjes kunt vinden en in het duister nooit misgrijpt naar een deurkruk
of een trapleuning, zo grijp je in een oude vertrouwde auto nooit mis naar
alle bedieningsorganen  De Française en ik moeten nog erg  wennen aan
elkaar, dat gaat nog wel een poosje duren denk ik. 

© John Zwart - 26 december 2009 

 

   
Wintervoer Kort verhaal van Marco Arbouw (correspondent Amsterdam Centraal) - geplaatst 2 december  
   
Er zijn weer nachten met vorst in aantocht. De herinnering aan de maand 
december van het vorig jaar komt weer terug. En het komt weer hoor, heus
klimaatverandering of niet:: 

Al een paar nachten vriest het licht tot matig. De bomen zijn verpakt in een
dikke laag rijp. Op de sloten bij het Gein wordt het ijs al steviger. Maar in 
plaats van mijn schaatsen uit het vet te halen zit ik ingespannen naar het 
scherm van de
laptop te turen, met mijn tenen tegen de centrale verwarming.
Ik moet werken. 
Terwijl ik geconcentreerd bezig ben wordt er op het raam van de studeer-
kamer getikt.
Dat kan helemaal niet. Mijn studeerkamer ligt namelijk op de
eerste etage. Een beetje korzelig
kijk ik op van het beeldscherm... 
Er is niemand te zien. Ik haal mijn schouders op en
werk door. Maar hoor: 
daar is het nijdige getik weer. 

Ik trek een niet al te intelligent gezicht en buig me ver over het bureau. In 
de buitenvensterbank zit een pimpelmees tegen het raam te tikken. Voor 
het verhaal zou het
natuurlijk mooier zijn als het een roodborstje was, maar
van onze clichés trekt zo'n
beestje zich geen donder aan. In elk geval is de
boodschap duidelijk.

'Je hebt gelijk maatje,' brom ik. 'Het is weer tijd om bij te voeren.' 
Gelukkig zit er in ons winkelcentrum een heuse dierenspeciaalzaak, dus 
nog diezelfde middag koop ik een flink 'voederpakket'. Met een tas vol vet-
bollen en pindanetjes loop ik naar huis. Toevallig is er juist markt, dus raap
ik onderweg nog een overrijpe mango en twee beurse appelen op, die ik 
voor de merels op de grond kan leggen. 
Thuis hang ik de hele boel in de voortuin, zodat ik de vogels vanuit mijn 
keuken en studeerkamer kan bekijken. Want je begrijpt: dat bijvoeren van
die vogels is allemaal mooi en altruïstisch, maar zelf wil ik er ook een beetje
lol van hebben. 
Dat lukt aardig. Amper heb ik de voordeur achter me gesloten of de eerste
verkenners arriveren. Al snel hangt er een koolmeesje ondersteboven aan 
een van de vetbollen. Een vink scharrelt tussen de zonnepitten die ik op de
grond heb gestrooid. Er strijken spreeuwen, pimpelmezen en heggenmus-
sen neer. Niet veel later hangt er zelfs 'n grote bonte specht aan de pinda's.
Ik ga het water voor de pasta opzetten. 
Terwijl het buiten begint te schemeren beslaat mijn keukenraam.
Zachtjes spinnend trek ik me terug in een waas van warmte en tevredenheid.

© Marco Arbouw 

   
Kwetsbaar Kort verhaal van Arnoud de Jong - geplaatst 16 november  
   
Mijn moeder is ziek. Als een klein meisje, zacht en kwetsbaar, ligt ze 
slapend in haar bed. Haar knuffelbeer ligt naast haar kussen, hij kijkt een
beetje hulpeloos. Ze heeft griep, maar de koorts is al wat gezakt. 
Koorts is niet goed voor haar, want daarvan brokkelen de hersenen weer 
verder af. 
Als ze even wakker wordt staren haar ogen mij groot aan, verrast om mijn
verschijning. Ze herkent mij wel, maar haar woorden zijn gemummeld en
onverstaanbaar. Ik streel haar wang. De huid van je moeder is bijna even 
vertrouwd als die van jezelf, realiseer ik mij. Ze is zwak. Ze krijgt antibiotica
voor een blaasontsteking die er ook nog bijgekomen is. De verpleeghuisarts
waarschuwt mij dat ze beter kan worden, maar dat het ook zomaar 
afgelopen kan zijn. Mijn hart krimpt samen. 

Af en toe maakt ze enge geluiden in haar slaap. Ze heeft een slangetje in
haar neus, een sonde die haar van voldoende vocht en medicijnen moet 
voorzien. Ons is in het vooruitzicht gesteld dat over vijf dagen de sonde 
eruit gaat. Dan moet ze haar eten en drinken weer zelfstandig kunnen 
doorslikken. Anders is het zinloos, zegt de arts. 
Je moet de mensen immers ook niet onnodig laten lijden. Nee, dat willen
we ook niet. Maar het zijn niet 'de mensen', het is mijn moeder. 
En dat maakt de zaken toch wat ingewikkelder. 

 

Een dag later is ze iets opgeknapt. Ze is tamelijk helder. Hoewel praten 
haar moeite kost, kan ze een paar woorden zeggen die ik begrijp. Moeite 
die ze zich achteraf bezien soms had kunnen besparen, omdat ze verward
is. Zo zegt ze: "Het spijt me dat ik je niets kan aanbieden." 
Haar beschadigde brein zit nog steeds in de gewoontes van vroeger, het
heden en verleden loopt door elkaar, dingen die echt zijn gebeurd raken 
vermengd met dingen die ze eens op televisie heeft gezien, 
Gelukkig oogt ze ontspannen. We maken pret als ik haar tong wat probeer
schoon te vegen, want die is slijmerig geworden. 

Maar vandaag is het vrijdag. Vandaag zegt de dokter dat ze slechter is 
dan woensdag. Ik zie het, al wil ik het niet echt toegeven. Ze ligt rustig in
haar bed, maar ze is moe, heel erg moe. 
Het valt mij op hoe mooi mijn moeder nog is op haar vijfentachtigste jaar. 
De dokter waarschuwt dat ze weer koorts heeft gehad. De kans is aanzien-
lijk dat ze het niet haalt. 
Het woord overlijden valt. Er komt iets heel erg zwaars op mijn rug zitten.
Ik schrik, want ik weet wat het is: het definitieve afscheid. 
Even later trekt het weer weg, maar het heeft zich nu gemeld, besef ik.
Het zal terugkomen. 

© Arnoud de Jong 

   
Wind ziet een gemiste kans wegwaaien Column van Oorwurm - geplaatst 6 november  
   
De Stichting Wakker Dier heeft de "vleeswijzer" uitgebracht, om de consument,
die zijn supermarkt bezoekt behulpzaam te zijn bij de overweging voor wat 
betreft aankoop van vleesproducten en vleesvervangers. 
Op de "vleeswijzer", die ook beschikbaar is als een compact kaartje - formaat
creditcard, dus gemakkelijk passend in de portemonnee - zijn van diverse 
vleesproducten de aspecten als diervriendelijkheid en milieubelasting in een
onderscheidende rangorde geplaatst. 
Overigens ziet Stichting Wakker Dier de onhaalbaarheid wel in om te gaan 
propageren liefst maar geheel vegetarisch te eten. Er wordt daarom dan ook
op realistische wijze gepleit voor één vleesloze dag per week. Dat kan best 
qua gezondheidsaspect, want we eten momenteel al bijna twee keer méér 
vlees dan goed voor ons is. 
Als heel Nederland één dag per week vleesloos zou eten kan in één klap de
Kopenhagen-norm voor CO2 reductie worden gehaald, zo wordt als krachtig
argument aangevoerd. Niet zo gek natuurlijk, want we maken ons momenteel
toch heel ernstig zorgen over CO2 opslag onder de grond, de uitstoot van de
nieuwe kolenelektriciteitscentrales en 't nog steeds maar toenemende aantal 
auto's. Daartegen te compenseren lijkt zo moeizaam en zo impopulair, maar
simpelweg één dagje per week geen vlees op je bord? 

Is dat dan ook nog een ondraaglijk offer? 

De populaire TV-kok Pierre Wind werd naar zijn commentaar gevraagd. Hij is
een groot vleesliefhebber en valt zeker boven het Nederlands gemiddelde van
ruim 80 kg per jaar per hoofd van de bevolking... (dat is dus van zuigeling tot
bejaarde). Het was bijna te verwachten dat Pierre het idee resoluut van de 
hand wijst. Ook al zou het ons helpen zonder veel aan onze eetgewoonten te
veranderen door slechts één dag per week een vleesvervanger op het menu 
te zetten om het wenselijke consumptieniveau van gemiddeld 75 gram per dag
dichterbij te brengen - hij heeft geen goed woord over voor die vleeswijzer. 
Hij vindt dat we gewoon elke dag vlees moeten blijven eten. Als het dan 
wenselijk is om er minder van te eten moeten gewoon de porties kleiner. 
Maar in de allereerste plaats was het een grote fout van Wakker Dier niet 
naar Zijn Advies te vragen alvorens deze Vleeswijzer te bedenken. Had men 
om zijn advies gevraagd was dat kaartje er nooit gekomen, hij doet er wat
meewarig over en spreekt van 'gemiste kansen'. 
Hij immers zou hebben gepleit voor een echt eigentijdse aanpak: zoals een
applicatie op de iPhone. Ja, ja natuurlijk meneer Wind, zo bereik je de grote
massa van consumenten, iederéén heeft immers allang een 3GSiPhone32Gb
van slechts 900 euro in zijn bezit! 
Ze zijn te beklagen, die mensen van Wakker Dier met hun armzalige kaartje.

© Oorwurm - november 2009 
   
Een pleidooi voor de reizigers  Beschouwing in het kader van het thema van de maand 'gebonden' - geplaatst 13 oktober  
 
Mensen zijn altijd plaatsgebonden geweest, Tot de laatste twee eeuwen 
waren het alleen de zeevaarders en de elites die verre reizen konden maken.
Minder dan een eeuw geleden bleven de meeste familieverbanden in stand
binnen loop- of ten hoogste fietsafstanden. Pas na de ontwikkeling van het
massaal auto- en vliegverkeer verstrooien zich familieverbanden over een 
veel grotere actieradius tot zelfs internationaal. 
Maar grondgebondenheid verdwijnt niet zomaar, de meeste mensen die 
emigreren blijven leven in twee werelden: die van hun verleden en die van 
hun nieuwe land. Een groot aantal keert op gevorderde leeftijd zelfs terug 
naar hun geboorteland. Voor hen werd de emigratie een tijdelijke fase in 
hun leven. 

Trekvogels leveren ons het bewijs dat zelfs de levende wezens op aarde 
die door hun eigen vleugels uitzonderlijke bewegingsvrijheid genieten, 
minstens zo aan een plekje op aarde gebonden zijn. Alle vogels zijn sterk
gehecht aan de plek waar ze ter wereld kwamen, het broedgebied van hun
ouders, en van de ouders van hun ouders en zo vele, vele generaties terug.
Bij koloniebroeders is die binding door onderlinge betrokkenheid in de 
groep heel erg sterk. Broedkolonies zijn vaak meer dan eeuwenoud. 

Zelfs als de omstandigheden veranderen, zolang voedselschaarste hen maar
niet met uitsterven bedreigt, blijven ze tot het uiterste vasthouden aan de 
eenmaal gekozen gebieden. 
Pas als zo'n plek geheel verdwijnt, door verwoestende natuurinvloed of - 
zoals in de laatste eeuwen vaker nog - door ingrepen van de mens, wordt 
pas noodgedwongen zo'n broedgebied opgegeven. 

Zelfs de enorme processen als verandering van het klimaat in de afgelopen
duizenden jaren zijn niet in staat gebleken de vasthoudendheid aan ooit 
gekozen vestigingsgrond te breken. 
Zolang een zomerseizoen gunstige voortplantingscondities biedt speelt het
gezinsleven zich dáár af en pendelvliegen trekvogels naar een winterwarm
gebied, of zelfs naar de zomerhelft van de aardbol om de ongunstige tijd te
overleven. 
De Nederlandse delta is het belangrijkste gebied binnen de strategie van 
de West-Europese trekvogels - het is voor vele soorten een goed broed-
gebied, voor andere is het weer een overwinteringbiotoop, terwijl wéér 
andere het gebruiken als transitgebied voor noodzakelijke revitaillering op
hun intercontinentale vluchten. 
De zachte grens tussen water en land, het diffuse overgangsgebied tussen
de zeeën en de continenten, vormt al sinds het ontstaan ervan de levens-
bron voor miljoenen vogels. Het enorme belang ervan in het netwerk van de
onderlinge afhankelijkheid van levensvormen wordt nog altijd ernstig onder-
schat bij de ingrepen die de mens vaak zo kundig, maar tegelijk ónkundig 
op de tekentafel voorbereidt. 
'Vogels vliegen wel weer een stukje verderop', is de gedachte die nog in te
veel economie bezeten hoofden overheerst. Maar zo werkt het niet en we
weten dat. Op die wetenschap kunnen we op twee manieren reageren: 
we ontzien ze of we negeren ze. 

© John Zwart - oktober 2009 

 

   
Rottige woorden  Kort verhaal van Gozertje - geplaatst 18 september   
   
We hebben dit schooljaar alwéér meester Kramer! 
Een hele tijd geleden had ik al eens over hem verteld geloof ik. Dat hij de 
oudste lul is onder de meesters en dus ook niet kan voetballen.
Van meester Kramer moeten we altijd boeken lezen uit de schoolbibliotheek.
En daarna een verslag maken waar het over gaat en wat je ervan vond. De 
eerste keer heb ik dat gewoon van de kaft overgeschreven. 
Daar staat namelijk soms wat iemand van de krant ervan vindt. Dat is heel
handig. Wacht, ik zoek het nog effe op... 
"Op fascinerende wijze heeft de schrijfster de wereld van de daad en de 
wereld van de gedachte tegenover elkaar gesteld in dit toekomstverhaal." 
Klinkt goed toch? Alleen snapte ik daar eigenlijk dus zelf geen reet van. 
Ik moest het van Kramer helemaal gaan uitleggen. Wat 'fascinerend' was
en zo. Weet ik veel... 
Is niet echt goed afgelopen die keer. 

 

Gisteren kwam ik in een boek over geschiedenis óók weer zo'n kutwoord 
tegen. Ik dus vragen aan Kramer wat dat was, een maîtresse... 
Ik wist niet eens hoe ik dat woord moest uitspreken. Mettresse, zei Kramer.
Maar wat wás dat? Zoek maar op in het woordenboek, zegt ie tegen me. 
Ja, doei! Daar had ik dus mooi geen zin in. Want hij gaf me dat hele dikke 
woordenboek, niet het schoolwoordenboekje. 
Dus ik denk: laat ik maar wat gokken. 
Ik weer naar Kramer toe. Die zegt met zo'n smerige grijns op z'n smoel: 
"Vertel! Wát is een maîtresse?" 
"Een soort matras, meester!" 
"Bijna goed," zei ie geloof ik nog. Maar dat kon ik niet goed verstaan, want
hij ging ineens de andere kant uitkijken. Maar ik had heus wel in de gaten
dat ie me gewoon zat uit te lachen, die kale kunstkop met haar uit z'n oren!
Afijn, misgegokt dus... 

© Gozertje  

   
Naakt en zonder schroom  Kort verhaal van Emily Yoffe (vertaald, verkort en bewerkt) - geplaatst 8 september   
   
Ik poseer naakt voor studenten beeldende kunst. 
Ik zocht namelijk een bijverdienste. Bovendien wilde ik mezelf graag eens
testen door iets
te gaan doen waarvoor je een drempel over moet, iets waar
veel mensen nieuwsgierig naar
zijn, maar het toch niet durven.
Van de bemiddelaarster kreeg ik een paar praktische raadgevingen: 
"Het is noodzakelijk
dat je een badjas meebrengt. Die kun je aanschieten
tijdens de pauzes. Je wilt jezelf toch
niet uitstallen..." zei ze, waarbij ze een
suggestief gebaar maakte met twee opgehouden
handen onder haar borsten.
De twee essentiële punten voor een naaktmodel werden me bijgebracht: 
1. Je moet een badjas hebben. 
2. Je moet die gemakkelijk kunnen uitdoen. 
Bij de allereerste sessie realiseerde ik me het verschil tussen bloot en naakt
.
Bloot ben je, als je uit de douche stapt, tot je je badjas aanschiet. Naakt 
ben je, als je
je badjas uitdoet voor een klas leerlingen. Ik herinner me het 
moment dat ik dacht: "Ik kan nu nog zeggen: 'ik weet niet wat me heeft 
bezield', mijn kleding bij elkaar grissen en hard wegrennen". 
Maar het went gauw, ook al omdat de leerlingen zich niet anders gedragen
dan wanneer
ze bezig zijn met een fruitstilleven. 
Een rondje langs hun tekeningen leerde me dat ze me
allemaal verschillend
zagen. Soms was ik slank en uitgerekt, dan weer had ik een enorme
buik
en plooien als van een Japanse sumoworstelaar. 
Eens kwam er plotseling een forse man van middelbare leeftijd met baseball
cap binnen.
Hij sleepte een enorm schildersdoek mee, van wel anderhalve 
meter in het vierkant,
zocht zich een plekje achteraf en ik hoorde hem achter
me een compliment maken over de pose die
ik aannam. Terwijl de studenten
stil met potlood en krijt bezig waren, deed hij felle aanvallen op het linnen met
verf en een hele batterij penselen. Er klonken geluiden alsof hij
ijverig bezig 
was een oud meubelstuk op te schuren. 
Aan het eind van de sessie ging ik het enorme doek bekijken. Eén geweldig
vlammend, fluorescerend, stralend detail slechts: het portret van mijn achter-
werk! 

Tegenwoordig poseer ik soms samen met een ander model. Voor de oudere-
jaars moeten we vaak moeilijke houdingen aannemen, en die moeten dan 
ook nog zeker 20 minuten of langer worden aangehouden, dan schreeuwen
je spieren nog voor er een kwartier om is voor een 'break'! 
Aan het eind van zo'n middag praat ik dan nog wat na met mijn collega 
Christine. 
"Model staan is zo leuk", vindt ze, "beter dan vakken vullen in de super en
het betaalt drie keer meer". 
Maar ik ben minder enthousiast. Als bijverdienste tijdens je studie oké, 
maar om echt model te zijn van een kunstenaar lijkt me afschuwelijk. Het is
uitputtend en hoe vaak loopt het niet akelig met je af. Edward Hopper was 
zo veeleisend voor zijn vrouw dat hij haar soms de studio rondschopte. 
Pierre Bonnard wisselde net zo vaak van model als van onderhemd en de 
vrouw met wie hij trouwde schilderde hij telkens alleen in de badkuip. Tot 
ze op het laatst een spons werd. Tussen de vrouw van Henry Matisse en 
een rivale ontstond een gewelddadige ruzie, waarbij de kogels in het rond 
vlogen. De modellen van Pablo Picasso kregen een zenuwinzinking of ze 
pleegden zelfmoord. 
"Zo'n lot zal mij niet treffen", zeg ik, "voordat het zover komt stop ik ermee". 
En dan ga ik op zoek naar de maker van het schitterende schilderij van 
mijn kont, dat hij maakte tijdens een van mijn eerste naaktsessies. 
Dat hang ik dan vol trots als een trofee in de salon. 

  © Emily Yoffe (uit het Engels vertaald, verkort en bewerkt) 

   
Uit eten  Kort verhaal van Gozertje - geplaatst 25 augustus  
   
Ik was bij mijn neefje Fouet. Hij is bijna net zo oud als ik. Hij heet zo omdat
mijn oom een Marokkaan is. Ik mocht ook blijven eten 's avonds. Dat is altijd
een bende
daaro jongen, want van mijn tante mag alles en van mijn oom dus
bijna niks. 
Mijn oom is heel aardig, maar hij pikt weinig. Hij is gewoon streng eigenlijk. 
Nou, we zaten dus 's avonds te eten en wij zaten dus gewoon een beetje te
geinen
aan tafel, weet je wel. Mijn oom had kip gemaakt en dat was lekker.
M'n tante
vroeg of ik wat wilde drinken. Ja doe maar. 
Ik kreeg een beker drinken en toen zei
Fouet: "Hé, dat is mijn beker, die heb
ik van oma gehad!" 
Dat klopt. Ik heb er thuis zelf ook zo één, want mijn oma wil nooit iemand
voortrekken. Een tijd geleden had ze voor ons allemaal toen eens van die 
bekers gekocht bij het Rijksmuseum. Met één of ander schilderij erop. 
Het was een melkmeisje, zei oma. Van Vermeer. Het zal wel. Wat een onzin
eigenlijk om daar een heel schilderij van te maken. Doen ze van mij toch ook
niet als ik effe een glas cola pak? 
Maar goed, mijn tante zei dus tegen mijn neefje dat ik voor deze keer best 
even die  beker van dat melkmeisje mocht gebruiken. 

 

"Nou, dan geef je hem toch lekker die melkmeid!" zei mijn neefje. 
"Die melkslet!" verbeterde ik. 
"Nou, zeg eens even!" riep mijn tante. Maar wij gingen natuurlijk gewoon door.
"Die melksloerie!" kwam mijn neefje weer. Lachen man! 
"Die zuivelslons!" verzon ik. 
"Die melkhoe..." begon Fouet te zeggen, maar toen was het ineens 'klatsj' 
voor z'n kop. Dat was mijn oom, die zei: "Dooreten nou!" en daarna ging hij 
gewoon verder met een vette kippenpoot afkluiven. 
Mijn neefje is dat wel gewend. Die begint heus niet meteen te janken. Maar
hij moet zich dan wel effetjes gedeisd houden, anders krijgt hij er direct nòg
een. Daar is mijn oom niet moeilijk in. 
Daarom zei ik om mijn neefie uit te dagen: 
"Ja jongen, dàt is nou inburgeren, hè?" Eigenlijk weet ik helemaal niet eens
goed wat dat is, maar dat zeggen ze nou eenmaal altijd tegen die gasten. 
Ja en toen kreeg ik dus óók ineens een klatsj voor m'n kop van m'n oom. 
Gewoon met die vette klauwen van 'm. Volgende keer ga ik mooi verder uit 
de buurt zitten! 
M'n neefie zat strak naar me te kijken en die vuilak zei: 
"Er zit kip in je haar!" Eigenlijk allemaal door die melktrut. 

© Gozertje 

   
Hoeveel milieuvervuiling veroorzaakt een zeearend?  Cursiefje van John Zwart - geplaatst 26 juli  
   
We discussiëren wat af over onze verhouding tot de natuur. Zoals over de
vraag of de klimaatverandering nu echt komt doordat we de zonne-energie
van miljoenen jaren,
opgeslagen in koollagen en gasbellen in de aardkorst,
in minder dan twee eeuwen aan het opstoken zijn. 
Planten en dieren moeten maar zien hoe ze daarmee uit de voeten komen. 
Wij mensen
komen alleen nog uit de voeten als joggers of vierdaagselopers,
en we flaneren in de stad.
Verder roeren we nauwelijks nog een voet terwijl
ongekende motorkrachten ons over heel
de aardbol dragen. En dan brengen
we ook nog exoten mee, decoratieve woekerplanten
uit Japan, of reuzen-
berenklauwen uit de Kaukasus. De wilde flora en fauna die hier al
lang van 
nature thuis was krijgt het daarmee weer extra moeilijk. 

Soms komt een dwaalgast op avontuur hier op eigen kracht naar toe. Een
jaar of vier geleden bleef een vrouwtjes-zeearend een poosje rondhangen in
het Oostvaardersplassen-gebied. Dat leverde ongekende taferelen op. 
Ik was wel gewend regelmatig mensen tegen
te komen die, gewapend met
enorme telescopen over de schouder, zich sluipenderwijs
door het terrein
bewogen. Maar wat er toen gebeurde, dat was werkelijk ongekend: 
overvolle parkeerplaatsen en uitkijkheuvels die niet meer zichtbaar waren, 
op ieder plekje
waar nog maar een voet kon worden neergeplant was dit 
bezet door een vogelaar. Er waren er bij die van 200 kilometer ver waren 
gekomen om de zeearend te 'scoren'.
Hoeveel milieuvervuiling zal die éne
zeearend ongewild hebben veroorzaakt? 
Het volgende seizoen kwam de zeearend terug en kreeg ook volwassen 
mannelijk gezelschap. En inmiddels is er al een paar keer gebroed. 
Staatsbosbeheer plaatste een webcam en ieder die dat wou kon, gezeten
achter z'n computerscherm, er met de neus boven op van genieten. 
 

Dat heeft beslist heel wat autokilometers bespaard. 
Maar natuurlijk bleven veel mensen komen die liever vanaf groter afstand,
maar dan wel in de werkelijkheid, naar het nest wilden turen. Het paar 
werd het zat, terwijl alle vogelaars 'gebiologeerd' maar naar dat nest bleven
staren bouwden ze stiekem een nieuw, in een stil ontoegankelijk deel van
het gebied. Zelfs de boswachters hadden niets in de gaten. Waarom zou
een zeearendenpaar geen recht mogen hebben op privacy? 

Dezelfde lente gingen we met ´n groepje natuurliefhebbers langs de wadden
de voorjaarstrek observeren. De rotganzen en de brandganzen zouden 
zich inmiddels opmaken voor vertrek naar hun noordelijke broedgebieden. 
Ook steenlopertjes verwachtten we te gaan zien onderaan de dijkglooiingen
en op de golfbrekers. Terugkerende bontbekplevieren, met op de droog-
vallende platen troepen foeragerende rosse grutto's op doortocht. 
We reden door de Friese zeepolders naar Zwarte Haan tot aan de voet van
de hoge zware deltadijk en klommen omhoog tot op de kruin.... 

Het eerste wat we daar vanaf te zien kregen... vijf roze flamingo's! 
"Och", zeiden de kenners nonchalant, "dat zijn oude bekenden, ze zijn 
hier geregeld, al twee jaar lang!"  De soort die we zagen hoort thuis in 
Zuid-Amerika, ze zijn waarschijnlijk ontsnapt uit een Duitse dierentuin.
Als waarneming niet interessant. Maar ik vind het eigenlijk wel erg stoer 
van die vogels, die zich niet opnieuw lieten vangen en zich aan onze 
waddenkust uitstekend blijken te handhaven!
Maar dat telt niet voor een serieuze scorelijst, nee natuurlijk niet... 

© John Zwart 

   
Een balangrijke sector van onze economie - Alweer een (ochtendhumeur van) Oorwurm - geplaatst 6 juli  
   
Er was een boer die varkens fokte. 
Hij had een modern bedrijf dus had hij enorme schuren, waarin heel efficiënt 
duizenden
varkens samenhokten. En omdat het zo'n modern bedrijf was, had
hij nauwelijks personeel,
zó efficiënt was alles ingericht, dat automatisch 
werd verricht wat er maar automatisch kan. 
Zo werkte de boer dus, alléén. Ook die avond toen hij zijn trekker na gedane
arbeid een
schuur binnen reed. En opeens gebeurde er iets waarmee de 
computers en automaten
géén raad wisten. 
De trekker vloog in brand. 
En de boer wist al evenmin raad, want hij was alleen... Als éénling kon hij
onmogelijk het
brandend werktuig de schuur uittrekken. Wat hij kon was 
112 bellen, om de brandweer. 
En terwijl hij op de brandweer wachtte kon hij met geen mogelijkheid de 
varkens uit zijn inmiddels brandende schuur redden, want hij was alléén en
was hij dat niet geweest: wáár
moest hij met al die varkens heen? 
 

Toen de brandweer arriveerde was hen niets anders gebleven dan de 
barbecue blussen. 
Ex-hereboer en ex-LNVminister Veerman vindt dat de milieubezwaren van
de grootschalige varkensmesterijen het best kunnen worden opgelost met 
nóg grotere barbecues. [Excuus, ik vergaloppeer me, ik bedoelde natuurlijk:
mesterijen]. Veerman, nu de pet opgezet van directeur van Vereniging 
Natuurmonumenten, is standvastig in zijn overtuiging. Nog steeds een groot
voorstander van varkensflats. Bio-industriedieren en dieren in de vrije natuur
zijn onvergelijkbaar, zegt hij. 
Ach ja, wat maakt het uit, uiteindelijk zijn die varkens toch bestemd voor de
barbecue. 

(Het ochtendhumeur van) © Oorwurm - juli 2009 

 

   
Even een telefoontje  Column van Verbal Jam - geplaatst 6 juni  
   
De moderne techniek maakt het ons steeds makkelijker. Neem bijvoorbeeld
telefoneren. 
Ik moest vandaag een medewerker van een bankfiliaal bellen. Vroeger moest
je omslachtig met een draaischijf een doorkiesnummer draaien. 
Tegenwoordig doe je dat heel makkelijk, goedkoop en geavanceerd via het
internetbellen. Afijn, u kent dat wel, u maakt het zelf dagelijks mee. 

Ik kies het 0900-nummer van de bank. De telefoon zegt: 
"U bent niet bevoegd om dit nummer te kiezen." 
Wel godverdegodverteringnogantoe! Niet bevoegd?? Wie betaalt hier nou de
rekening? Ik bel de helpdesk van mijn provider. 
"Het is momenteel erg druk. De wachttijd is ongeveer 15 minuten. 
Wij adviseren u op een later tijdstip terug te bellen." 
Goed, dat komt dan later wel. ......
...............
De wachttijd bedraagt 4 minuten ..... 
Ik neem mijn mobiel en kies opnieuw het 0900-nummer van de bank. 
"Toets uw rekeningnummer in." Ik doe braaf wat van mij wordt verlangd.
Ik krijg een keuzemenu met alle mogelijke diensten van de bank. Helemaal
op het eind: "Kies 0 voor de telefonische receptie." 
"Al onze medewerkers zijn in gesprek. De wachttijd bedraagt 4 minuten." 
"Nog een ogenblik geduld alstublieft." (...x 6) 

Ik krijg uiteindelijk een vriendelijke meneer bij de telefonische receptie. Hij
gaat voor mij de medewerker bij het bankfiliaal bellen. 

Maar hij wil eerst weten waar het zo'n beetje over gaat. Dan kan hij de
filiaalmedewerker alvast mentaal voorbereiden, vermoed ik. 
En als ik nu van plan was die bankmedewerker de huid vol te schelden? 
Gaat de receptionist dat dan óók alvast voor mij doen?  
Ik krijg vervolgens de bankmedewerker keurig aan de lijn. Hij gaat het 
probleem uitzoeken en mij terugbellen. Hoop ik.  

Deze evaluatie van de moderne communicatietechniek heeft mij het 
volgende geleerd: 
De bank vindt mij te dom om zelf het bankfiliaal te bellen. 
De bank wil eerst controleren of ik wel goed genoeg uit mijn woorden kan
komen. 
Bij het antieke telefoonsysteem waren er twee mogelijkheden: je had 
iemand binnen tien seconden aan de lijn of het toestel was in gesprek.
Bij het moderne telefoonsysteem kost het minstens een kwartier om de 
juiste persoon aan de lijn te krijgen en heb je intussen allerlei mensen 
gesproken die je helemaal niet spreken wilde. De kans is zelfs groot dat
je helemaal wordt omgeleid via België of India. Vroeger was alles beter. 

Ik ga lunchen met mijn vrouw. Zij vraagt mij de kaas door te geven. 
Dat gaat zomaar niet. Ik zeg: 
"Kies een 1 voor de boter, een 2 voor de hagelslag, een 3 voor de jam,
een 4 voor de kaas, een 5 voor de ham..."  

© Verbal Jam 

   
Alweer de varkens  Onder het pseudo Oorwurm een column over een hype 1 dag later al overspoeld door de volgende - geplaatst 12 mei 
   
Van griep ga je niet dood. 
Je gaat dood aan longontsteking of een embolie. 
En dat krijg je als je luchtwegen verzwakt zijn; dat kan door een aangeboren
kwetsbaarheid maar vaker door leefomstandigheden. Vuile lucht bijvoorbeeld,
dat komt weer door ménsen. Als er teveel van zijn en ze zitten allemaal op 
een kluitje. Al dat rijden, roken, ruften geeft een enorme luchtverontreiniging.
Mexico-Stad en Peking zijn daar duidelijke voorbeelden van 
Nieuwe ziektes steken graag de kop op in zulke kweekhaarden. Waar de 
lucht nog schoon is loop je weinig risico om aan een griep te overlijden. Zolang
je maar niet teveel op een kluitje gaat zitten en het milieu verpesten. 
Varkens zitten niet graag op een kluitje, waar dat wel gebeurt is het tegen hun
zin. Omdat mensen ze bijeen persen, vanwege economie en efficiency. 
Je hebt gewoon pech als je varken bent. 
Zelfs als je in het bos leeft loop je risico, daar kun je de kroonprins en zijn 
maten tegenkomen, met hun jachtgeweren. 
De kroonprins houdt veel van wilde varkens, maar alleen als ze dood zijn. 
Ik zei al, je hebt pech als je varken bent. Er zijn ook mensen die je niet halal
of niet kosher vinden, om één of andere godsdienstige reden. Die mogen je, 
in tegenstelling tot de kroonprins, niet opeten. Maar of je dat helpt? 
In Egypte en Lybië is de lucht nog tamelijk schoon en er kreeg nog niemand
griep. Maar door alle paniek in het wereldnieuws zijn ze er hartstikke bang 
voor. En dan werd deze griep ook nog eens 'varkensgriep' genoemd. Dan 
moeten opeens alle varkens dood. Waarom? Dáárom! 
Vijfhonderdduizend varkens op één dag afgemaakt in een land waar ze haram
zijn, waarom houden die mensen toch varkens als ze daar niet gegeten mogen?
Nu moeten ze allemaal ineens op de barbecue. 
Hé hoor ik daar iemand hoesten? Ja, dat zal me een luchtvervuiling geven! 

© Oorwurm - 29 april 2009 

   
Bril is dood  Ronald Offerman schreef een column geïnspireerd op de columnist - geplaatst 29 april 2009   
   
Bril is dood. Dat is jammer. Ik vond hem niet altijd even leuk of zelfs 
maar even goed, maar zelfs zijn mindere columns vond ik altijd nog 
leesbaar. Van mij hoeft een columnist ook niet elke dag een prachtige
column te schrijven, af en toe iets minder of zelfs ronduit slecht stoort
mij niet. Dat maakt een columnist in mijn ogen alleen maar meer mens
met zijn gewone ups en downs. 
Carmiggelt heeft al lang geleden geschreven: 'Ook een columnist heeft
wel eens zijn of haar dag niet. Morgen beter.' Zo is het. 
Omdat ik heel lang in Amsterdam Oud-West heb gewoond en daar nog
vaak kom, kwam ik Martin Bril geregeld tegen. Niet dat we elkaar 
persoonlijk kenden maar door zijn columns kende ik hem toch vrij goed.
Helemaal omdat hij geregeld schreef over dingen die ik zelf in de buurt
tegenkwam. 
De beschrijving van een terras op de Overtoom, het Vondelpark of straten,
pleinen, winkels en mensen in Oud-West. Soms raakten onze levens 
elkaar op zulke punten. 
De column over de erge stijging van de Koekjesbrug bijvoorbeeld, 
iedereen die al dan niet dronken, komend vanaf het Leidseplein, op de 
fiets die brug heeft bestegen, die weet hoe heerlijk het is om met de wind
in je haar de Bosboom Toussaintstraat in te rijden. Martin Bril kon dat 
mooi beschrijven. 
Een paar maanden geleden had hij een column getiteld, De dood van een
Danser, over een bejaarde man die in het bejaardentehuis Bernardus zat
en die al jaren geen bezoek had gekregen. 
De man zat meestal te slapen voor zijn televisie en toen Martin Bril eens
zag dat zijn kamer werd leeggehaald bleek dat hij was overleden. 
Hij was een redelijk beroemde balletdanser geweest. Heel lang geleden,
want de danser werd drieënnegentig jaar. 
Ik kende die danser en heel af en toe ging ik wel eens bij hem op bezoek,
net als bij verschillende andere mensen uit mijn kennissenkring. Ik moet
toegeven dat de laatste tijd het bezoek minder werd omdat Johan, zoals
de danser heette, steeds minder mensen herkende, maar ook omdat hij 
nogal narrig uit de hoek kon komen en aardig verward was. Vroeger, als
ik langs Bernardus kwam en ik zag Johan voor het raam zitten, klopte ik
even bij hem aan het raam en vroeg of alles goed ging en maakte dan een
kort praatje. Maar de laatste jaren was het zo dat, als ik vanaf de straat
op het raam klopte, Johan wakker schrok, zeer moeizaam uit zijn stoel
opstond en met heel kleine stapjes naar de deur liep, omdat hij dacht dat
daar geklopt werd. Die korte wandeling naar de deur duurde zo gruwelijk
lang en kostte hem zo veel moeite dat ik medelijden met hem kreeg en 
dus met het kloppen gestopt ben. 
Maar goed, Martin Bril was dus in de veronderstelling dat niemand hem 
meer kende, maar dat was niet zo. Dat wilde ik hem steeds schrijven of
laten weten, maar iedereen weet hoe dat gaat. Je denkt: ik schrijf hem 
morgen wel, of: het komt wel... en dan plotseling is iemand dood. 
En als iemand dood is valt er niet veel meer te schrijven aan die persoon.
Martin Bril is dood, Amsterdam zal hem missen. 

© Ronald Offerman. 

   
Niet creatief maar recreatief Feiten over Mathilde Willink - fragment van een artikel van René Zwaap - geplaatst 23 april 2009   
   
Inleiding door John Zwart -
Verleden jaar bracht ik een bezoek aan het Westfries Museum 
in Spanbroek, magisch realistisch werk is daar vaak te bewonderen,
met het spotlicht op de Carel Willink collectie. Daar stond ze, op 
een levensgroot schilderij weliswaar, maar even schokkend alsof ze
in levenden lijve aanwezig was. Niet in het minst vanwege de pop 
gekleed in een Fong Leng creatie zoals ze die zelf menigmaal droeg,
die ernaast stond. Nog steeds voel je die griezelige uitstraling van
Mathilde, de sensatie van een onderhuidse gekte die zich ieder
moment zou kunnen manifesteren. 
Met ongeloof bedacht ik dat Mathilde Willink, derde in de rij van
vier vrouwen waarmee de eigenzinnige schilder het leven deelde,
inmiddels 70 jaar zou zijn geworden, als ze nog in leven was. 
Mathilde heeft onbetwist haar plekje in de rij van bekende vrouwen
die nooit ouder werden, maar door jong te sterven voor zichzelf
de eeuwige jeugd verworven hebben. Als een Mata Hari, een
Marilyn Monroe, Prinses Diana zal ook zij onze geest bevolken. 
Een maintenee, een profiteur, een dom blondje dacht ik vaak,
maar na het lezen in haar leven veranderde die gedachte, werd ze
mij bijna sympathiek
levend kunstwerk   mijn grote geheim
Een Zeeuwse muze. In kunst te leven, kunst te zijn, dat was de
grote ambitie van Maria Theodora Mathilde de Doelder, beter bekend
als Mathilde Willink, alias Het Fenomeen, alias Het Levend Kunstwerk.
Met instemming citeerde zij de Romeinse wijsgeer Tacitus: 
'Wie geen talent heeft, doet het beste in de schaduw van een groot
man te leven.' 
Zichzelf dichtte ze geen bovenmatig talent toe. 
De Dichter Adriaan Roland Holst omschreef haar als 'niet creatief,
maar recreatief', en die kwalificatie droeg zij als een geuzennaam 
mee tijdens de honderden interviews die haar gedurende haar 
onweerstaanbare opkomst als oppermuze van de Nederlandse 
kunsten werden afgenomen.

"Toen ik op school zat, vereerde ik Willink al', vertelde ze over 
haar jeugd. 'Mijn mama zei: "Ga nou toch eens met leuke jongens
uit." Ik zei:' Nee, ik wil een oudere man, die of rijk of beroemd is. 
Niet iemand die je helemaal moet bijstaan, waarmee je lief en leed
moet delen. Ik hou niet van leed.' 
Mathilde kwam op 7 juli 1938 in het Zeeuwse Terneuzen ter wereld,
als oudste van de vijf dochters van zeeman Pierre Jean Baptiste de
Doelder en Elisabeth Cové. Vader was katholiek, moeder streng
gereformeerd, en als enige van de kinderen ontving Mathilde de 
katholieke doopselen. 
Volgens de dochter zou haar dit de levenslange haat van de 
fanatieke moeder opleveren. Vader De Doelder verbleef als een
machinist op de Shell-olietankervloot meestal buitengaats, of op de
Antillen. Mathilde, toen nog 'Tilly', woonde in bij een oom (een 
oud-zeekapitein) en tante in Terneuzen, die kinderloos waren. 

Mathilde oogde als het Zeeuws meisje van de boterreclame: Geen
cent te veel hoor!'.:Blond, lang, sterk en blozend gezond. Ook was
ze nog gezegend met een bovengemiddelde intelligentie. 
Ze doorliep het gymnasium A bij de jezuïtische paters van Sint 
Janssteen. 'De priesters hadden een ongekende macht', zo vertelde
ze. 'Ik heb me vroeger te vaak neergelegd bij de grillen van de paters
maar ik heb wel van hen geleerd hoe je de kunst van verleiden kunt
perfectioneren, wellicht als een soort overlevingsmechanisme.' 
Society-journalist Joop van Loon, auteur van 2 boeken over haar,
het laatst verschenen met de titel.:`Mathilde Willink`, is overtuigd 
dat zich in het jezuïtische klooster traumatische gebeurtenissen 
hebben voorgedaan die Mathilde heel haar leven achtervolgden. 
Van Loon, gezeten achter een glas armagnac in hotel Américain: 
`'Mathilde heeft mij dat ook in zoveel woorden verteld. Ze noemde het
"mijn grote geheim". Het zal zich ongetwijfeld hebben afgespeeld in 
de seksuele sfeer`... 
 Vanaf die tijd in het klooster voelde Mathilde zich anders dan de
anderen. Van Loon  denkt ook dat haar latere talent voor totale
transformatie in het buitenissige een soort therapie was tegen dat
trauma.
De eerste man die voor Mathildes charmes valt, is haar leraar 
Geschiedenis, een zekere Camiel Lekkerkerker, een kunstzinnig 
aangelegde weduwnaar, die haar verder wegwijs maakt in schilder-
kunst en literatuur. De leraar is zodanig geobsedeerd door zijn 
leerling dat hij vader De Doelder om haar hand vraagt. De zeeman
timmert de minnaar resoluut de trap af. Tot grote opluchting van 
haar familie verhuist Mathilde op negentienjarige leeftijd naar 
Amsterdam, dat zij ziet als een tussenstop voor haar definitieve 
vertrek naar het Parijs van Sartre, De Beauvoir en Juliette Gréco.
   
  laat haar maar langskomen 
   
In Amsterdam vindt Mathilde een baan als administratief medewerk-
ster bij boekhandel Allert de Lange op het Damrak, ze studeert in 
letterkunde en klassieke talen, en start onderwijl haar queeste naar
een heer van stand. Ze trekt in bij de veel oudere psychotherapeut 
Julius Bierens de Haan, die echter al spoedig genoeg krijgt van zijn 
veeleisende minnares, en haar min of meer 'overdoet' aan de schilder
Carel Willink. 
Willink in zijn mémoires: 'In het Stedelijk Museum had Mathilde met
Bierens de Haan enkele van mijn schilderijen gezien. Toen deze haar
vertelde dat hij de schilder kende, stond haar verlangen vast: aan
Willink te worden voorgesteld.' 
Bierens de Haan arrangeerde de ontmoeting. Willink: 'Ik vond 't best
en zei: "Laat haar maar langskomen". Die avond ging ze meteen op
mijn schoot zitten en noemde me lieveling. Ze liet duidelijk merken 
dat ik haar voorkeur genoot, waardoor ik me als man op leeftijd wel 
gevleid voelde.' 
Carel Willink had twee huwelijken achter de rug toen hij de nog vers
uit Zeeland overgekomen Tilly de Doelder ontmoette. In 1926 was hij
met onderwijzeres Mies van der Meulen getrouwd, om twee jaar later
weer te scheiden, omdat Mies verliefd werd op de schrijver Reinder 
Blijstra. In 1933 trad Willink in het huwelijk met de erudiete Wilma 
Henriëtte Johanna Jeuken, die in 1960, dat was een jaar voor Willinks
ontmoeting met Tilly de Doelder, overleed aan de gevolgen van een 
hersenbloeding. De dood van Wilma had Willink sterker aangegrepen
dan hij wilde toegeven. Ze was al die jaren zijn vaste model geweest.
Het doek Portret van Wilma (uit 1952) was een van de hoogtepunten 
van Willinks werk. Toch was hun huwelijk niet bovenmatig liefderijk 
te noemen. 'Ik schilderde, werkte hard aan mijn oeuvre, ik at, ik sliep',
aldus Willink in een van zijn koel getoonzette statements. 
'Ik beleefde niet zo veel en Wilma niet met mij. Dertig jaren huwelijk
lijkt weggedeind in een verleden dat mij, de observator, niettemin een
ongekende picturale voldoening heeft gegeven.'           
Bij de kennismaking met Mathilde was Willink zestig jaar oud..., 
Mathilde was eenentwintig. Het was 1960, en Willink kampte met 
de voorboden van dreigende vergetelheid. Vanuit zijn woning-atelier 
aan de Amsterdamse Ruysdaelkade bestookte de oude meester de
wereld weliswaar nog met zijn apocalyptische, ruïneuze stadsland-
schappen, zijn vaak beklemmende portretten van mens en dier, maar
hij had de wind niet mee. Voor de oorlog was Willink bij uitstek de
'literaire schilder', hij stond op goede voet met de schrijvers van de 
Forum-generatie, in het bijzonder Du Perron, Ter Braak en Marsman,
met wie hij bevriend was. Het wegvallen van deze drie zielsverwanten
in mei 1940 (Ter Braak door gif, Du Perron door een hartaanval, en 
Marsman door de torpedo van een U-boot) was voor Willink de 
sociaalartistieke genadeklap. 
Tijdens de oorlog werkte hij in opperst isolement gestaag door. Met
schilderijen als Simon, de pilaarheilige en Kasteel in Spanje ving hij
de ondergangssfeer van een door Albert Speer ontworpen nieuw-
antieke heilstaat van het Derde Rijk, zo wordt wel eens gezegd. Na
de oorlog stond Willink opeens moederziel alleen. 
Hij was de erkende meester van magisch realisme à la Hollandaise, 
vermaard vanwege zijn precisie en technische virtuositeit, berucht als
ruiter van de Apocalyps. Maar al snel werd duidelijk dat de schilder-
kunst een geheel andere richting was ingeslagen dan hij. 
Diametraal tegengesteld aan de koele, analytische, vooral tijdrovende
stijl van Willink maakten Nieuwe Wilden van de Nederlandse schilder-
kunst school met abstract-expressionistische werken, sneller op het
doek gesmeten dan Willink een tepelhaar kon schilderen, en nog 
beter verkocht en luider geprezen in de pers ook. Willink zag de 
opkomst van Appel, Corneille en andere exponenten van Cobra met
tandenknarsen aan. Preluderend op de literaire vadermoord van 
W.F. Hermans op Du Perron en Ter Braak sloegen de Vijftigers in 
de schilderkunst hard toe, en Willink en Pyke Koch behoorden tot
de eersten die eraan moesten geloven. 
   
relatie grotendeels platonisch Mathilde is een ding, mooi in huis te hebben 
   
De nieuwe generatie schilders eiste kleur, dynamiek, beweging. 
Willink bood alleen stilstand, grijstinten, koele vissenogen. Nog voor 
zijn echte doorbraak - door de oorlog onmogelijk gemaakt - dreigde
Willink achterhaald te worden verklaard. 
In 1950 publiceert Willink het traktaat De schilderkunst in een kritiek
stadium. Het is een openlijke oorlogsverklaring aan de tijdgeest.
 'Er is nog geen schilderij van Appel dat mij heeft ontroerd', zegt hij.
En: 'De hedendaagse schilderkunst is voer voor psychiaters, niet
meer voor kunstminnaars.' Hij spreekt over het 'amorf niemandsland
van de abstracte kunst'. Op zich heeft Willink over opdrachten niet te
klagen. Notabelen en captains of industry zijn dol op zijn technisch 
vermogen en waarlijk vakmanschap. Willink is een veelgevraagd 
portretschilder. Minister Stikker laat zich door hem vereeuwigen. 
Ook koningin Wilhelmina toont belangstelling, maar onderhandelingen
in 't Loo ketsen af op de prijs. De opdracht om prinses Juliana te 
schilderen slaat Willink beleefd af nadat een vertegenwoordiger van
de hofhouding hem tijdens de instructies verbiedt om het monarchale
model in de ogen te kijken. 
In Amsterdam is Willink zonder meer een beroemdheid. Adriaan 
Roland Holst, Simon Carmiggelt, Gerard van het Reve en zijn echt-
genote Hanny Michaelis, Wim Sonneveld, Ton Lutz en directeur 
Henk Dijkstra van de Groene Amsterdammer behoren tot de vaste 
bezoekers van zijn huis aan de Ruysdaelkade, pal tegenover het 
Rijksmuseum. 
Hij frequenteert De Kring, bezoekt wekelijks de Stadsschouwburg,
waar hij in een vaste jury voor toneelspel zit, dineert in highsociety-
etablissementen als Indonesisch restaurant De Oriënt in de Van 
Baerlestraat en Fong Li in de P.C. Hooftstraat. Spoedig wijkt de 
pronte, met haar één meter negentig boven de maestro uittorende 
Mathilde, niet meer van zijn zijde.
Mathilde-biograaf Joop van Loon achrijft: 'De relatie tussen Mathilde
en Willink was grotendeels platonisch. Willink was een handschoen-
fetisjist. Hij hield ervan om vrouwen te strelen, verder gingen zijn 
verlangens niet.' Over zaken tussen man en vrouw maakte Willink
zich weinig illusies. 'Ik heb gelezen dat van de honderd huwelijken 
er vijftien goed zijn en van tien daarvan is de man impotent en van 
vijf abnormaal', zei hij in een interview. 
'Ik ben geen vrouwenliefhebber. Maar ik kan niet zonder vrouw.'
Vanaf het prille begin is Willink duidelijk over zijn verhouding tot de
vrouw die zijn derde echtgenote zou worden. Hij noemt haar 'mijn 
inspirerende, mooie, verwende en kostbare muze'. 'Mathilde is heel
suggestief', aldus Willink. 
'Ik heb maar drie minuten nodig om haar aan het huilen te krijgen. 
Ze is een superpoes, een mooi ding om in huis te hebben. Wilma 
was een kameraad, Mathilde een ding. Dit is een incestueuze 
verhouding. Koel. Berekend. Vader en dochter.' 
Willink verbiedt Mathilde nog langer te werken. Hij verzorgt haar als
een dierbare pop, die zich niet hoeft te vermoeien met huishoudelijk
werk of financiële aangelegenheden. De schilder plundert de duurste
boetieks aan de P.C. Hooftstraat om Mathilde de juiste hoofdstede-
lijke touch te geven. Het is nog niet de tijd voor extravaganza. 
Voorlopig is chique en duur genoeg. Willink schenkt haar een uit 
parels bestaand hesje, waarin hij haar schildert: Portret van Mathilde
de Doelder (1963). Hij stelt hoogstpersoonlijk de 'krijgskleuren' vast
die ze als make-up moet gebruiken. 'Ik heb haar verleid met kleren
van Max Heymans, later werd 't Holthaus. De prijzen van m'n schilder-
werk heb ik aangepast', aldus Willink. 
Mathilde trekt bij haar dierbare oude vriend in. Er staat 'n biedermeier
hemelbed in haar slaapkamer, en vijf massieve spiegels.Toch is ze
rusteloos. Ze is te ongedurig om de schilder permanent bij te staan 
in zijn tergend langzaam vorderende werk. Via connecties bij de KLM
directie regelt Willink een baan als stewardess. Mathilde gaat op 
wandeltocht door de binnenlanden van Zambia, zij bewondert de 
omgeving van Anchorage in Alaska als 'de ideale plek om zelfmoord
te plegen'.
Biograaf Joop van Loon: 'Door Mathilde kreeg Willink weer vleugels.
Het was alsof dor hout weer begon te groeien.' 
Loek Brons, gewezen textielkoning en handelaar in Willinkschilderijen:
'De oude man leefde weer helemaal op. Zijn relatie met Mathilde 
bracht hem in de publiciteit, zijn naamsbekendheid groeide. Dat was
maar goed ook, want vanwege Mathilde diende hij heel wat meer te
verdienen dan voorheen. Door Mathilde ging hij weer reizen, werden 
zijn schilderijen wilder, energieker, net als hijzelf. 
Mathilde nam Willink mee naar de beeldentuin van Bomarzo in Italië,
een bezoek dat van enorme invloed is geweest op het latere werk van
Willink.' De zestiende-eeuwse beeldentuin van Bomarzo, met zijn uit
rots geslagen beelden van half vergane hellehonden sfinxen en draken
bij wijze van architectonisch rouwritueel voor 'n overleden echtgenote 
aangelegd door de legendarische aristocraat Vicino Orsini, vulde 
Willinks verbeelding met nieuwe symboliek, precies zoals dat ook 
met Salvador Dali was gebeurd. Voor Willink was het een artistiek 
eureka-moment, waarbij alle visioenen die hij in zijn hoofd had zitten
opeens vaste vorm kregen. Voor Willink waren de sinistere beelden
'de zwijgende wachters van het atoomtijdperk'.
   
jij bent geen vrouw, je bent een nicht   speelkameraadjes, dat is onschuldig vermaak   
   
Het huwelijk van Mathilde en Carel krijgt in 1969 zijn beslag, een jaar
na de dood van Mathildes vader. Mathilde wordt mevrouw Willink en 
draagt die naam als een ereteken. 'Ik ben een tijdelijk monument, 
om het zo te zeggen. Willink heeft mij geschilderd en zo betrokken 
in zijn onsterfelijkheid. Het is een paradijs om naast Willink te leven.
 Dat jaar komt aan haar baan bij de KLM na vijf jaar een einde door 
ruzie met collega's. Mathilde wordt nu fulltime mevrouw Willink. Ze 
wordt de koningin van de Amsterdamse beau monde. Ze kleedt zich
steeds extravaganter en ook: duurder. De portemonnee van Carel 
Willink wordt zwaar op de proef gesteld als Mathilde haar oog laat 
vallen op de creaties van de Chinees-Nederlandse ontwerpster Fong
Leng. Haar creaties - enorme japonnen van zijde, bestikt met exta-
tische Aziatische tijgermotieven en wat dies meer zij - doen al gauw
tussen de tienduizend en dertigduizend gulden. Fong Lengs boetiek 
aan de P.C. Hooftstraat draait al gauw vrijwel exclusief op 't echtpaar
Willink. Mathilde wordt het levende kunstwerk. Ze is de koningin van
de nacht, met in haar gevolg een steeds verder uitdijende hofhouding.
Joop van Loon: 'Mathilde was een sensatie. 
Door haar kreeg Amsterdam iets wat op jetset leek, glamour. Ze was
de grote ster van de Fong Leng-modeshows, waar ze als volleerd 
mannequin de show stal tijdens enorme evenementen in het  Tropen-
museum of de Beurs van Berlage. Mensen betaalden kapitalen op
de zwarte markt om daar toch maar bij te kunnen zijn.'
Mathilde: 'Een extravagante verschijning noemen ze me. Dat is juist.
Alles is extra aan mij. Wellicht is die aanzet in het verleden gegeven.
Ik verbaas me allang niet meer dat er zoveel homo's om me heen 
zwerven. Ze zien in mij een exponent van henzelf - iemand die, de 
angst voorbij, overdreven veel op een vrouw probeert lijken, met veel
verleidelijkheid. Mijn homofiele vrienden zeggen dan altijd: "Jij bent 
geen vrouw, jij bent een nicht!"'
Van maestro Willink klinkt dan nog geen klacht.
In april 1975 zegt hij in Elsevier: 'Mathilde zou genoeg van me kunnen
krijgen. Maar ik zie dat niet gebeuren. Ze is erg afhankelijk van mij. 
Ze houdt niet van jonge mannen, ze heeft haar vriendjes, het zijn 
haar speelkameraadjes, maar dat is onschuldig vermaak.' 
Dankzij Mathilde is Willink top of the bill. Het paar wordt met grote
regelmaat besproken in kranten en weekbladen. Maar er beginnen 
ook irritaties te ontstaan. De gevreesde criticus M.M.M. Vos: 
'Meester Willink is kruidenier genoeg om kosten en baten tegen 
elkaar af te wegen. Na ieder optreden van het tweetal denk ik onwille-
keurig aan Busken Huets woorden: "De aard van de vrouw brengt mee
dat zij overvraagt, de aard van de man dat hij zoekt lief te hebben 
beneden de markt".'
Dat jaar pakken zich donkere wolken samen boven het jonge huwelijk
Willink begint een affaire met topmannequin Andrée Rupp. Mathilde 
krijgt er lucht van en bekogelt de open sportauto van Rupp met eieren,
met het gewenste resultaat. Het gevaar is echter niet geweken. 
Willink begint ook amicale gevoelens te ontwikkelen voor schilderes 
('Ze heeft een leuk talentje', aldus Willink) Sylvia Quiël. Die zomer 
komt Willink met zijn schilderij Afscheid van Mathilde. Het is meer 
dan twee meter hoog en toont Mathilde in vol ornaat. Het werk wordt 
ten doop gehouden in galerie Siau. 'Alleen bij de eerste vertoning van
de Mona Lisa in het Louvre waren evenveel mensen aanwezig', aldus
Harry Mulisch. 
In augustus barst de bom. Verteerd door jaloezie stort Mathilde zich
met een broodmes op twee schilderijen van Willink, het Portret van
Wilma uit 1952 en Portret van Mathilde uit 1963, beide topstukken 
waar jaren arbeid in zit. Willink is gebroken. De schilderijen zijn in 
tientallen reepjes gescheurd. 
Portret van Wilma wordt toch nog gerestaureerd. Mathildes portret 
wordt ook hersteld, maar Willink weigert het te signeren. 
Hij beschouwt het werk niet meer van hemzelf.
   
brandende rivaliteit tussen Mathilde en Sylvia  een heksenproces van Henk van der Meyden  
   
Willink zoekt zijn toevlucht bij Sylvia Quiël. 
Wat volgt is een publicitaire oorlog tussen de echtelieden. Quiël en
Willink beschuldigen Mathilde ervan de schilder met een bijl te 
hebben aangevallen, alsmede van een poging tot wurging van de 
maestro. 'De nacht dat Mathilde Carel Willink met een bijl sloeg', is
de kop boven een verhaal van Henk van der Meyden in De Telegraaf.
Mathilde treedt op in een film van Paul Huf. Ze laat zich filmen terwijl
ze in een spierwit Fong Leng-pak per valscherm landt op Bomarzo.
Sylvia Quiël noemt haar 'een publiciteitsgeile piranha'. 
Vooralsnog lijkt Mathilde niet al te aangeslagen. Ze verzint telkens
weer stunts om de media te bereiken. Ze gaat zwemmen met de 
dolfijnen van het dolfinarium van Zandvoort en heeft - ver voor prinses
Irene - spiritueel contact met ze. Regelmatig is zij op de plankieren 
van de modehuizen te bewonderen. Mannen vechten om haar hand.
Ze bewoont een door Willink betaalde verdieping in een pand aan de
Weteringschans, pal naast poptempel Paradiso en met uitzicht op 
het huis van Willink en zijn nieuwe partner Sylvia. Op 17 maart 1977
breekt er 's nachts brand uit in huize Willink. 
Het nieuwe paar beschuldigt onmiddellijk Mathilde, die die nacht 
langskomt. Mathilde: 'Ze hebben me valselijk beschuldigd die brand
te hebben veroorzaakt. Maar ieder mens kan toch wel nagaan dat ik
met de kleding van Fong Leng onmogelijk al die trappen op en af 
kan rennen naar de derde etage waar de brand is begonnen.' 
Bij wijze van vergelding trekt Mathilde op kosten van Willink naar 
New York. Het doel: minnares te worden van Salvador Dali. Helaas:
de Spaanse maestro wordt 'op boosaardige wijze bewaakt' door zijn
geliefde Gala. Een illusie armer komt Mathilde terug naar Amsterdam.
VPRO-radio geeft haar een prijs: 'de grootste kunstluis van Nederland'.
Op 19 mei 1977 zit heel Nederland voor de buis als Henk van der 
Meyden tijdens zijn TROS-tv-show Mathilde ondervraagt in een suite
van hotel De l'Europe. Onderwerp van gesprek zijn de financiële 
perikelen rond de scheiding met Willink. 'Als dat zo doorgaat, zal er
drastisch moeten worden opgetreden', zegt Mathilde. 'Hoe bedoel je
dat?', vraagt Van der Meyden. 'Nou - zelfmoord', oppert Mathilde op
haar allerzangerigst. Een aangeboden bos witte rozen weigert ze 
resoluut. 'Die gooi ik in de gracht.' 
Nederland huivert. Mathilde is in één klap de beroemdste vrouw van
het land. Vrij Nederland-criticus A. Koolhaas vergelijkt de uitzending
met een 'heksenproces'. Leo Derksen in De Telegraaf: 'Mathilde 
Willink is niet meer dan een jurk en wat verf.' 'Zelden zag ik waanzin
zo volledig geportretteerd', aldus Ischa Meijer in NRC Handelsblad.
Mathilde zelf toont zich nochtans tevreden: 'Voor het eerst heb ik een
hele hoop fanmail gekregen. Allemaal van mensen die zeggen dat ik
zo moedig kaarsrecht overeind ben gebleven onder de doordouwerige
tersluikse vraagjes van Henk, die aldoor maar een aangepaste, 
keurige burgertrut van me wilde maken.' 
   
scheiding en een gewelddadig einde  weer die Henk van der Meyden 
   
Op 2 juni 1977 wordt de scheiding uitgesproken. 
Mathilde krijgt fl. 62.500,- mee, de helft van de schadeloosstelling. 
In september opent Mathilde haar eigen galerie. Via de rechter wordt
haar verboden er de naam Willink aan te geven. Galerie Mathilde aan
de Keizersgracht opent met een expositie van het werk van de Hon-
gaarse schilder Victor Vasarely. Mathilde toont zich vergevingsgezind
 'Ik wil hier graag stellen, dat ook na onze scheiding en na alle gebeur-
tenissen, waarbij ik me wel eens klassiek impulsief vrouwelijk heb 
gedragen, ik een vurig bewonderaarster van zijn werk gebleven ben',
spreekt ze tot de pers over Willink.
Begin oktober is Mathilde te gast bij de radio in Hilversum. Ze heeft
plannen genoeg: 'Een van mijn dromen is dat ik als eerste vrouw naar
Mars word gelanceerd. Maar dan wel in 'n ruimtepak van Fong Leng.'
Ze mag haar favoriete muziek aankondigen: Tristan und Isolde van 
Wagner. 
Twee weken later, op 25 oktober, vinden twee gealarmeerde agenten
Mathilde Willink dood op haar hemelbed.
Ze is met een pistoolschot door het linkeroor om het leven gekomen.
In het vertrek treft de politie een hevig snikkende Gerard ('Dicky') 
Vittali aan, een vanuit Laren opererende cokedealer voor de Gooise
jetset, die zich via Mathildes vriendschap toegang tot een betere
klantenkring had verschaft. 
Mathilde ligt naakt op bed, bedekt door een bontjas. In haar rechter-
hand een damespistool van het Spaanse merk Astra Unceta, met 
parelmoeren handgreep. 
De politie doorzoekt de woning nog volop als plotseling Henk van der
Meyden opduikt. Zonder dat de politie het ziet, haalt Vitalli 8 zakjes
met wit poeder onder het bed vandaan en schuift ze in de zak van de
verslaggever, zoals Van der Meyden drie jaar later opbiecht in zijn
boek Dat kan toch niet waar zijn? 
Van der Meyden: 'Hier stond een intens verdrietige man. Hoe kon ik
hem zoiets weigeren?' Van der Meyden ontkent overigens dat het om
cocaïne ging. De zakjes zouden poeder bevatten waarmee cocaïne 
wordt versneden. 'Ze voelden heel zwaar aan', aldus Van der Meyden.
   
rechtshandige Mathilde schiet zichzelf door linkerslaap Sylvia en Carel opgelucht
   
De politie kwam tot de conclusie dat Mathilde Willink zelfmoord had
gepleegd. Bijna niemand in Mathildes vriendenkring geloofde dat. 
Ook binnen de politie waren er dissidenten. CID-rechercheur Jaap de
Groot tegenover misdaadverslaggever Peter R. de Vries: 'Ik vermoed
dat de betrokkenheid van Henk van der Meyden ermee te maken had.
Men was bang dat er een beerput zou opengaan over coke en de jet-
set. Misschien zouden er meer bekende namen vallen.' 
Ook ex-commissaris Torenaar, dat jaar zelf het middelpunt van een 
drugsaffaire met de Chinese triades, geloofde bij leven en welzijn niets
van de zelfmoordthese. Daarvoor waren er te veel tegenstrijdigheden.
Zo bleek bij nader onderzoek nog een tweede kogel van hetzelfde 
pistool in de vloer van de woning te zitten. Het bewuste pistool bleek
gebruikt bij eerdere aanslagen, en ging als besmet wapen rond in de
Amsterdamse gangsterscène. Bovendien was Mathilde rechtshandig,
terwijl de kogel in haar linkerslaap zat. Een fysieke onmogelijkheid.
Patholoog-anatoom J. Zeldenrust ontdekte twee gebroken ribben en
krassporen en schrammen in de hals, tekenen van een worsteling.
Roy Jongeling, een Amsterdamse kunstenaar die Mathilde als zijn
minnares meemaakte in haar laatste maanden: 
'Niemand van Mathildes vrienden gelooft in zelfmoord.' Schrijver Ton
Vorstenbosch sprak van huurmoord. Modekoning Frank Govers:
'Eigenlijk hebben wij haar allemaal vermoord.' 
Voor echtpaar Carel en Sylvia Willink kwam de dood van Mathilde 
als een geschenk uit de hemel. 
Sylvia Quiël: 'Het nummer 25 is mijn geluksgetal.' 
Tijdens de onwaardig chaotisch verlopende begrafenis van Mathilde
op begraafplaats Westgaarde in Osdorp deden meneer en mevrouw
Willink zich te goed aan een Indonesische maaltijd. 
Dat jaar presenteerde Willink zijn schilderij Rustende dryade, met 
Sylvia als bosnimf. 
De finale wraak van Sylvia Willink-Quiël op haar aartsrivale kwam in
1983, toen zij en haar echtgenoot het boek ´Willinks waarheid´ 
deden verschijnen. Het waren memoires van Willink, aangevuld met
een dagboek van Sylvia. Het boek was een grote haatexercitie aan
het adres van Mathilde.
'Hoewel mijn omgeving me had gewaarschuwd, en zelfs haar moeder
zich in ongewoon afkeurende zin over haar had uitgelaten, kon 
niemand aan het begin van de jaren zestig weten hoe ik tenslotte 
verarmd en ongelukkig achter ´n opgetuigd fregatschip zou aanlopen,
mijn meest geliefde schilderijen van de hand gedaan om de duurste
garderobe van Nederland te kunnen bekostigen, mijn naam bij alle
mogelijke en onmogelijke affaires in de roddelpers, uiteindelijk nog 
genoemd ook bij een zogenaamde zelfmoord, die mij door dezelfde
schandaaljournalisten (als de grootste aanstichter tot een wanhoops-
daad) in de schoenen werd geschoven. Ik ijs als ik terugdenk aan die
periode in mijn leven en de latere gevolgen', zo sprak Willink over zijn
dode Mathilde. Carel Willink stierf kort na de verschijning van het boek.

Verkort artikel van 
© René Zwaap. Oorspronkelijke publicatie De Groene Amsterdammer.

   
Over eten -  Kort verhaal 'met een moraal'  van John Zwart - geplaatst op 8 april 2009   
   
Wie al wat langer mijn columns leest kan weten dat ik eens als jongen
vakantiewerk deed in de koekjesfabriek van Hille. Het betaalde slecht 
maar eigenlijk was het toch wel leuk daar. We bakten allerlei lekkers,
kokosmakronen, spritskoekjes en froufrou - Hille bestaat allang niet
meer, maar die koekjes zijn nog altijd te koop. 
Froufroutjes werden op een kleine ronddraaiende gasoven gebakken,
dat was éénmanswerk. In augustus begon de grote oven taaitaai te
draaien, de aanloop naar het sinterklaasfeest. Tegenwoordig staan er
in de fabrieken volautomatische computergestuurde ovens, toen moest
dat bakbeest van dertig meter lang nog met de hand nauwkeurig 
ingeregeld worden door ovenisten. Het luisterde heel nauw om goed 
doorbakken popjes van de juiste taaiheid te krijgen die niet te bleek 
maar ook weer niet te donker waren. Wanneer de juiste relatie tussen
bandsnelheid en temperatuurverloop was bereikt waren er al heel wat
afgekeurde taaitaaitjes in de bakken van de inpakkerij beland.
Als je aan het froufrou oventje mocht werken en je bakte mooie gave
wafels, dan kon het gebeuren dat je het product zelf helemaal mocht 
afwerken. Dan schepte je uit reuze bakken crème en smeerde egale 
lagen over wafelplaat na wafelplaat. Stapelen en dan samen door de 
lintzaagmachine, die er keurige rechthoekige koekjes van maakte. 

De zoete bakgeuren in de fabriek zorgden in het begin voor een 
onbedwingbare snoeplust, de bazen lieten ons begaan. Bij alle koek
die op formaat gezaagd moest en bij het inregelen van de ovens 
ontstond telkens veel 'afval', smakelijke koekjes waaraan een hoekje
ontbrak, heerlijke taai, misschien nog een íetsje te bleek, we deden 
ons tegoed aan 't eigen product. 


Van halféén tot één hadden we een halfuur pauze, moeder gaf me 
's morgens 'n trommeltje boterhammen mee. In de eerste week had
ik daar totaal geen trek meer in, het brood werd onderweg naar huis 
gevoerd aan de dieren in de wei, want ik had het lef niet met ´n nog 
gevuld trommeltje thuis te komen. Maar in de tweede week al had ik
schoon genoeg van al 't zoet gebak en in de pauze at ik alweer 
smakelijk mijn volkorenboterham met kaas. 

De bazen wisten dat en daarom werd er nooit iets gezegd van onze
zoete vraatzucht, zelfs niet als we bij de meisjes op de inpakkerij 
een paar kokosmakronen graaiden. De beste manier om de zaken 
tot normale proporties te beperken was eventjes de grenzen te laten
overschrijden, zoals men vroeger in het veen ook niet op een turfje 
keek. Het eigen product heeft via verzadiging tot afkeer geleid en 
daarmee is 't van alle verleiding ontdaan. 

Hoe anders is het met geld. "Money is the root of all evil", zo werd 
al gezongen in de jaren vijftig. Banken, verzekeraars, geld is hun 
product. En ze maken 't niet eens zelf, ze krijgen het gewoon in de 
schoot geworpen door hun klanten. In goed vertrouwen gegeven, 
alleen maar in beheer. In eerste roes werden extreme salarissen en
absurde bonussen bedacht. Maar de strategie van de koekjesfabriek
werkt hier niet. Vraatzucht naar geld raakt nooit verzadigd. 

JohnN - 7 april 2009 

   
DHKPC - de aanpak van graaigrage topmanagers  - Verhaal  van Marc Tiefenthal - geplaatst op 24 maart 2009   
   
Het gebouw was een eender gebouw: het had alles weg van een voor-
malig pakhuis, uit de
tijd dat bedrijven nog voorraden aanlegden. Later
deden ze dat niet meer, ze leverden in
werkelijke tijd, ongeacht de 
verkeersellende die dat meebracht en de tijd die ze daarmee
zelf verloren.
Nu doen ze het nog steeds niet, nu niemand nog iets uit hun voorraden
wil kopen. 
Het was met andere woorden een uitgelezen locatie om bedrijfsleiders 
bijeen te brengen.
Ineens kon de parking weer worden gebruikt. Ze had
er jaren leeg bij gestaan en was al
groen van het mos en het gras. 
Vanavond stonden er dus weer volop wagens. De meeste
waren 
nauwelijks twee jaar oud en hadden gemiddeld een vermogen van meer
dan 160 pk.
Een aandachtig toeschouwer zou in het neonlicht ook 
hebben gemerkt dat de meeste huurwagens waren, eigendom dus van
een leasingmaatschappij. 

Binnen was het gebouw voor de gelegenheid en in geen tijd aangekleed
voor de wat
plechtige, zij het geheime bijeenkomst. De organiserende 
club, Doe Het Keurig Pak de
Centen, kortweg DHKPC, zou hier immers
zichzelf een nieuwe maatschappelijke rol
toebedelen. Elke deelnemer
genoot zoals gewoonlijk voluit van zijn, en hier en daar ook al zelfs haar,
anonimiteit, al viel het niet uit te sluiten dat er onder hen stiekem een 
Zwitsers journalist schuil ging. Of een Belgisch journalist van een of 
andere kwaliteitskrant. Of een agent van een of ander inlichtingendienst,
vooral een Belgische dan. We lopen nu eenmaal graag wat vooruit op
de feiten. 

De feiten dus. Om acht uur, zijnde twintig uur, gingen de deuren potdicht.
Iedereen zat op zijn, en hier en daar ook haar, stoel en het licht in het
zaaltje ging uit. Eerst verscheen de voorzitter ten tonele. Hij sprak zoals
het een voorzitter betaamt, afgemeten in zijn woorden, plechtig in zijn 
stem. “Voortaan wordt onze vereniging een zelfhulpgroep. We hebben 
jaren lang bijeenkomsten gehouden waar we rijkelijk champagne en 
sigaren konden verteren. Die tijd is nu voorbij. We hebben jaren lang 
geleefd als kapitalisten. Die  tijd is nu voorbij. 
We worden vandaag een zelfhulpgroep onder communistische vlag. Als
de bijeenkomst afgelopen is, zal onze secretaris rondkomen en kunt u
hem uw autosleutels afgeven. De vereniging zorgt er dan voor dat uw 
wagen, die de uwe niet is, bij de rechtmatige eigenaar terechtkomt. 
Een beetje dienstverlening bent u wel gewoon in deze club. Nu laat ik het
woord aan onze bijzondere gastspreekster.” 


Er verscheen een tijdlang niets meer op het podium, toen de voorzitter
was afgetreden via de treden en gaan zitten in de zaal, uiteraard op de 
voorste rij. Het licht werd geregeld. Was daarnet nog blauw de boventoon
in de verlichting, nu werd het paars en geleidelijk werd het licht roder. 
Er zwol een beetje muziek aan, geen strijkje, maar een marsje. 

De persoon die nu verscheen was voor velen een totaal onbekende, 
zeker omdat Fehriye Erdal het pseudoniem Daalder gebruikte. Bovendien
zag ze er lichtelijk feeëriek uit in haar rode baljurk. In tegenstelling tot 
Osama Bin Laden is Erdal minder gezocht. Ze liep er zelfs uitgelaten bij,
daar op dat podium. Osama was trouwens nog niet veroordeeld, laat staan
gevonden, Erdal was al gevonden, veroordeeld en dan op de valreep 
ontsnapt. Nu dus bleek ze zich in te zetten voor een nobel doel: 
de recyclage van bedrijfsleiders van de vrije markt naar de planeconomie.
Niet de Belgische variant van die laatste, de 'trek uw plan economie' en
liefst in het zwart. Nee, de enige echte ware planeconomie van vadertjes
Lenin, Marx en Staalharde Ome Jozef. Ze sprak de goegemeente in deze
club toe in het Frans, tot nader order nog steeds de betere wereldvoertaal.
Ze sprak eigenlijk de mensen niet echt toe, ze deelde bevelen uit. 

Na afloop van haar rede stonden de bedrijfsleiders op, gaven hun sleutels
af en verzamelden zich bij de uitgang. Deze bleek ineens streng bewaakt
van binnen. Toen de grendels werden weggeschoven, trokken de club-
leden naar buiten, niet zo uitgelaten als men van hen gewoon zou zijn,
maar beteuterd en in een lange zwijgende rij. Een bus wachtte hen op.
Ze namen plaats en reden vervolgens met de bus naar de volgende
bestemming: de heropvoeding-school, nu omgevormd tot bedrijfsleider-
recyclagecentrum. 
En hoe u dit nu allemaal hier kunt lezen en wie dit allemaal te weten is
gekomen en aan de dans, in casu de bus is ontsnapt? Hebt u dit, lezer,
te danken aan een undercover Zwitsers journalist, 'n loslippige geheime
agent van de Belgische veiligheidsdienst of aan een undercover Belgisch
journalist van een kwaliteitskrant? 
Dit dienen we hier in het midden te laten, u begrijpt volkomen waarom.  

 

© Marc Tiefenthal (Tieftalen - la langue profonde). 

   
Glasblazen  - Verhaal  van Gozertje - geplaatst op 15 maart 2009   
   
Op vrijdagmiddag hebben we altijd wereldoriëntatie. Want dan heeft
die ouwe meester
Kramer van ons namelijk ook niet zo'n zin meer 
en dan kan-ie heel gemakzuchtig een
videofilm opzetten. 
Bijvoorbeeld over hoe bijen in hun kast zitten bij zo'n vent met een
netje over z'n kop. Of van kikkerdril tot kikker. Of over een poes die
jongen krijgt. 
Twee kinderen moeten dan in de pauze alvast de boel gaan klaar
zetten. Die boel is een
ouwe teevee op een karretje met een ouwe 
video eronder. 

Pas geleden hadden we een film over glasblazen. Daarin zag je van
die ouderwetse kerels
met enorme bolle wangen door een lange 
buis staan blazen. Die draaiden ze dan heel snel in het vuur rond. 
Aan de andere kant van die buis zat een kleverige klont glas. Maar
op
het laatst werd het dan ineens een bol of een vaas ofzo... 
Toen ik dat thuis vertelde zei m'n vader dat het al een hele ouwe 
film was."Die draaiden ze bij ons op school ook al," zei m'n moeder.
"Draaien ze die nou nòg steeds? Volgens mij is dat 'Glas', van Bert
Haanstra..." 
Mijn moeder weet altijd alle titels van films en boeken. Mijn vader niet.

Elke week zijn er twee andere kinderen aan de beurt om het zakie 
klaar te zetten. Er hangt een lijstje naast het bord met namen en 
welke film. Alle banden staan in een grote kast in het documentatie-
centrum.
Vorige week moesten Jerry en ik. Speciaal daarvoor had Jerry een
geintje bedacht, maar hij durfde het alleen als ik mee zou doen.

En eerlijk gezegd vond ik het een beetje link, maar aan de 
andere kant wil ik ook niet dat Jerry overal gaat rondvertellen dat ik
een lafbek ben. 
Jerry vertelde dat z'n vader allemaal ouwe pornovideo's had en dat 
hij er eentje van zou meenemen. En dan wou Jerry stiekem dat 
seksding in de video doen in plaats van die film over hoe padden-
stoelen groeien. Want die moesten we eigenlijk doen: 
'hoe paddenstoelen groeien'. 

Nou, het ging eigenlijk allemaal prima. Wij de zooi klaargezet, 
meester Kramer start de band en we zien meteen een lekker wijf
die van iemand z'n stijve lul in haar mond steekt. De klas riep: 
"Hè getsie! Alwéér glasblazen!" En meteen een enorme keet 
natuurlijk. Ik fluister nog zachtjes tegen Jerry: "Had je nou niet iets
met gewoon neuken? Dit vinnik niks!" 
Maar de rest van de klas vond het geweldig, dat zag ik wel... 
"Stilte!" brulde meester Kramer woest. En meteen ging het beeld
uit. "Eens kijken wie hier méér van weet!" schreeuwde hij. 
Nou, iederéén wist eigenlijk best wel veel over dit onderwerp, zo aan
het gejoel te horen. Maar goed, dat bedoelde hij dus duidelijk niet,
want hij liep onderwijl naar het lijstje en zag meteen dat Jerry en ik
het gedaan hadden. 
En nou moeten onze ouders op school komen. Dat zal Jerry's vader
vast wel een verrassing vinden. Ik ben trouwens benieuwd of m'n 
moeder deze film óók kent. 

© Gozertje. 

   
Heelal  - Beschouwing  van Sierksma - geplaatst op 1 maart 2009   
You can check-out any time you like, 
but you can never leave. 

The Eagles, Hotel California  

 
   
Kortgeleden kreeg ik van een bekende een tekst waarin over-
peinzingen staan over de kerk waarin hij groot werd – de Katholieke 
Kerk, de allesomvattende. Of ik er commentaar op wilde geven. 
Deze Kerk beschouwt zichzelf, zoveel eeuwen al, als het spirituele
heelal, een universum waarbuiten geen heil te verwerven valt. 
'Extra ecclesiam nulla salus', op zijn Latijns. De Amsterdammer
zou het kapsones noemen, de Kerk zelf noemt het wijsheid - een
wijsheid die ze trouwens 'ex cathedra' verkondigt. 
In de genoemde 'overpeinzingen' staan een reeks notities over 'het
heelal', nu als materiële grootheid. "Het heelal is geen kosmisch
universum" staat er. "Hoe zit dat?", vroeg ik. "Voor mij is 'heelal' 
een algemeen begrip waar jij 'kosmisch universum' schrijft. 
Dit lijkt me een kwestie van taal. De kosmos werd vroeger 
beschouwd als een gesloten orde - het toevoegsel 'universum' is 
dus dubbelop. Je zou je het 'heelal' echter wel kunnen voorstellen
als een oneindig, beginloos iets. Maar", schreef ik de overpeinzer, 
"zelf schrap ik, behalve in de poëzie, liever al die drie termen: 
heelal, kosmos, universum." 
Wel noteerde ik kortgeleden: "Het enige heelal dat ik ken is dat
van de vierenzestig velden. Het schaakspel is een perfect omsloten
geheel, van buiten af ondoordringbaar, slechts te bewonen indien
het geheel volgens haar volmaakte regels wordt gespeeld – om 
dan te eindigen en om weer opnieuw te beginnen. Wellicht de 
betekenis van Nietzsche's Eeuwige Wederkeer?" 
Het toeval wil dat ik gedurende drie maanden, elke donderdag-
middag, een partij schaak speelde tegen de broer van de schrijver
van de 'overpeinzingen'. Let wel: één langdurige partij slechts. Aan
het eind van elke donderdagmiddag noteerde ik steeds weer de
resterende stand in mijn zwart-rode notitieboekje. Veel meer dan
een zet of drie per twee uur deden we niet. Een schaakklok was
overbodig. 

 

Na een maand of twee slakkenschaak vroeg de schrijver van 'de
 overpeinzingen' me hoe dat nu eigenlijk ging, dat schaken tegen
zijn broer. Gegeven de toestand in zijn bovenkamer kon die broer
dat helemaal niet meer! Daarin was immers het grote dementeren
begonnen. Pas toen ik op die vraag antwoord wilde geven en 
terugblikte op de gang van zaken, besefte ik het volgende. 
Zijn broer had me bij het begin van de partij in februari gevraagd of
hij van mij af en toe eens een suggestie voor een zet kon vragen -
tenslotte had hij zo lang geleden voor het laatst echt gespeeld. 
Prima! Elke week zette ik de stukken netjes volgens de genoteerde
stand op het bord. Dan tuurde mijn tegenstander er twintig minuten
naar en vroeg: "Wat denk je dat ik beste zou kunnen doen?" 
Waarop ik een aantal mogelijkheden opperde. Dan volgde weer een
minuut of tien staren - en dan de vraag welke van de twee, drie 
genoemde mogelijkheden ikzelf zou verkiezen. Die zet deed hij dan.
Toen zijn broer me eind april vroeg hoe dat schaken dan wel verliep,
wist ik opeens dat ik niet tegen mijn oude van dagen geschaakt had,
maar met mezelf. De paradox van een schaakpartij waarin ik niet 
kon verliezen, niet kon winnen en geen remise kon spelen… 
Twee dagen geleden las ik de volgende regels in het prachtboek van
Baricco: 'Zijde'. "Hij trof Balbadiou bij Verdun, aan het biljart. 
Hij speelde altijd alleen, tegen zichzelf. Vreemde partijen. 
De gezonde tegen de eenarmige, noemde hij ze. Hij speelde één 
stoot op de normale manier en die daarna met slechts één hand. 
De dag dat de een-armige wint – zei hij – vertrek ik uit deze stad. 
Al jarenlang verloor de eenarmige." 
Zo zou ik misschien wel, na deze winst/verliespartij van zwart tegen
wit c.q. wit tegen zwart, het heelal moeten verlaten – het heelal der
vierenzestig velden, of misschien wel het heelal tout court. 
Wie weet hoever het dementeren in mijn eigen bovenkamer al aan
de gang is. Opeens kan het licht uitgaan. 

© Sierksma, 03.12.2008 

   
De zure jury  - Kort verhaal van Ronald Offerman - geplaatst op 18 februari 2009   
   
Mag je als dichter niet teveel lachen? Ben je alleen maar een echte 
dichter als je lekker zwaar over de dood of over weer een verloren 
liefde kan schrijven? Zijn dingen waar je om kan lachen per definitie
niet intellectueel? Of zit ik gewoon te zeuren dat de meeste dichters
van die vreselijke chagrijnen zijn die zichzelf veel te serieus nemen.
Ik moet onmiddellijk toegeven dat ik zelf ook niet altijd één van de 
vrolijkste ben. Vaak denk ik dat ik beter tot mijn recht kom op een 
begrafenis dan op een verjaardagsfeest. En dan zijn er zelfs nog wel
een paar mensen die mij het leukst zouden vinden op mijn eigen 
begrafenis. Maar ik ben van plan die mensen nog een flink tijdje 
teleur te stellen. 

Maar soms, als ik om me heen kijk op poëzie evenementen, dan 
druipt de droevigheid er bij sommige mensen vanaf. De een kijkt nog
mistroostiger dan de ander. Terwijl er toch heel veel dingen zijn waar
je hartelijk om kan lachen, zeker als er een groep dichters bij elkaar
komt. Nou moet ik zeggen dat mensen om mij nogal snel lachen als
ik mijn gedichten voordraag. Hoe droevig ze ook zijn, mensen liggen
vaak dubbel. 
Ik vind dat leuk, want zelfs al heb ik het helemaal niet zo bedoeld, 
het gedicht staat op papier en is natuurlijk helemaal niet meer van 
mij. Dus als je er nou om wil lachen of om huilen, mijn zegen heb je.
Maar wat ik nou wel irritant vind, dat is als mensen er iets over gaan 
zeggen wat helemaal niet klopt. Laatst had ik in een Amsterdams 
café de publieksprijs gewonnen bij een poëziewedstrijd.

 

Eigenlijk hou ik niet van wedstrijden en al helemaal niet van 
dichtwedstrijden, want wie bepaalt nou wie het beste is.. 
Maar de publieksprijs is een mooie prijs omdat die van de 
mensen zelf komt. 
Het café was erg goed gevuld met bezoekers en die waren 
allemaal behoorlijk enthousiast over mij. Natuurlijk werd er 
weer hartelijk om me gelachen. Maar een nogal zure jury vond
het later nodig om mij in een soort toespraakje af te kraken en
te zeggen dat ik wel erg makkelijk voor de lach ging. 
Terwijl ik nota bene mijn gedicht "Een vuile kutzooi", dat er over
gaat dat ik het leven niet altijd even makkelijk vind, het gedicht 
"De Mussen", dat er over gaat dat ik mijn zoon geregeld erg mis,
en het gedicht "Buiten was er niets", dat over een concentratie-
kamp gaat, had voorgedragen. Alledrie nou niet bepaald onder-
werpen waarvan je jezelf op de knieën gaat meppen. 
Maar goed, de jury had in deze blijkbaar een heel ander soort
gevoel voor humor dan ik en zij vonden de komische gedichten
maar niets. 
Ze mogen het natuurlijk helemaal niets vinden, dat zal me eerlijk
gezegd worst wezen, maar om het komische gedichten te 
noemen gaat me dan weer veel te ver. 
Ik ben dan ook met behoorlijk veel lawaai en onder luid protest 
het café uitgegaan. Waar ik zelf wel weer om moest lachen. 
Maar het publiek, het publiek mag álles en als die lachen vind ik
het uitstekend, helemaal als ze me een prijs geven! 

© Ron Offerman 

Anne Provoost gefascineerd?  - Column van John Zwart - geplaatst op 13 februari 2009   
   
Verzameldrang is een bekend verschijnsel. Veel mensen, misschien
is 't wel een grote meerderheid, lijden er minstens gedurende een 
periode van hun leven aan. Maar ze voelen dat zelden als lijden, 
eerder als plezier. Het kan ook groteske vormen aannemen, dan 
wordt 't verzamelen fanatisme en langduriger, soms blijft 't de lijder
een leven lang beheersen. Of het dan een ziektebeeld is, tja... 
daarover kan men van mening verschillen. 
Een welgestelde verzamelaar brengt misschien wel een waardevolle
kunstcollectie tot stand. De waarde van de olifantjesverzameling van
wijlen Prins Bernhard wordt vooral ontleend aan de persoon van de
verzamelaar. De 390 porseleinen kikkers van een anonieme oude
dame zijn na haar overlijden voorbestemd voor de koninginnedag-
markt: "één euro per stuk, zes voor vijf euro!" 
Perioden van fanatieke verzamelwoede zijn zo algemeen en bekend
dat de commercie er graag gebruik van maakt. De jongetjes die zich
verdringen rond de klanten van de ah-winkels: "mag ik uw voetbal-
plaatjes mevrouw?" Die fanatieke vorm van verzamelen is toch
vooral een voorbijgaand verschijnsel van jeugd... En, als het blijft,
van volwassen mannen die nog jongetjes zijn gebleven. 

De Vlaamse schrijver Louis Paul Boon was als verzamelaar zo'n
fanaticus, niet gegrepen door de afbeeldingen van wielrenners of
voetballers, nee, hij prefereerde vrouwelijk bloot. En het bleef een
leven lang. Méér dan 22 duizend (!) foto's knipte hij uit boekjes, 
bladen, affiches etc., en plakte ze onvermoeibaar op A5 velletjes
voor een eindeloos groeiende verzameling. Die zó groot werd dat
hij behoefte gevoelde om deze in rubrieken te ordenen, met daarin
weer onderafdelingen. Zo kon hij zijn wensen snel vervullen om iets
terug te vinden in de massa. Met behulp van de catalogus (!) van 
zijn 'fenomenale feminatheek' . Door bijvoorbeeld terug te gaan naar
zijn sectie: "naakt in het water", bijeengebracht in een aparte serie
dozen en dáárbinnen weer verder uitzoeken in de verschillende 
onderafdelingen. Hij moet er heel veel tijd aan hebben besteed, 
want elke foto voorzag hij weer van zijn commentaren, zoals: 
"even de kut spoelen"

 


Na zijn dood heeft Louis Paul Boon's zoon Jo Boon deze 
verzameling in een wanddekkende boekenkast opgeborgen. 
Anne Provoost (1964), succesvol schrijfster van vooral jeugd-
boeken en gelauwerd met de Cultuurprijs van de Vlaamse
Gemeenschap, beschouwt Boon's blootverzameling als een 
belangrijk literair erfstuk en vindt dat die gepaste waardering en
bewaring verdient. Al begin 2008 bereidde zij in het Antwerps
FotoMuseum een tentoonstelling voor van een grote selectie uit
Boon's fotocollectie. 
De schrijver is alweer dertig jaar geleden overleden - de meeste
foto's, die hij een plek in zijn verzameling gaf, komen ons 21ste 
eeuwers niet meer zo schokkend voor, vaak ervaren we ze als 
amusant. Toch, de provinciale politiek, wellicht aangespoord 
door wat invloedrijke kerkbestuurders, stak een spaak in het 
wiel. Publiek toegankelijk tentoonstellen werd verboden.
'De Morgen' sprak er schande van. Van het verbod, ja, en 
publiceerde als protest enkele foto's, de rel mocht niet baten. 
Maar Anne Provoost toont zich "ene felle". Zij liet het er niet bij
zitten en was vastbesloten de collectie in haar stad Antwerpen 
te exposeren. In tegenstelling tot de mildheid waarmee we de 
meeste foto's met onze ogen van nu bekijken, zijn er een klein
aantal bij, waar we juist nú heel stréng over oordelen: expliciete
foto's van kinderen. Het publiek tonen daarvan is onder de huidige
Belgische wetgeving verboden, zelfs het bezit kan nu strafbaar 
zijn door ze aan te merken als 'kinderporno'. 
Provoost heeft deze foto's van de collectie gescheiden en in 
verzegelde enveloppen veiliggesteld, want deze verzameling 
moet beslist compleet blijven, zo is haar mening. En Antwerpen
mag zich nu tien dagen lang vergapen in alleeën en tunnels met
vlakschermen in LaRiva Evenementenhal en zo kennisnemen 
van een belangrijk Vlaams literair erfgoed. 
Ja, ik zal het niet tegenspreken, immers: op de originele A5-jes
staat echt Boon's authentieke handschrift! 

© John Zwart - 12 februari 2009. 

Evenementenhal LaRiva op Het Eilandje, 
Antwerpen t/m 14 februari 2009. 

 

                    
                                       Louis Paul Boon, 'vieze Lowieke', zijn ´fenomenale feminatheek´ en Anne Provoost, 'ene felle'
 
Lokken en vangen  - Satire van Arnoud de Jong - geplaatst op 26 januari 2009   
   
Lokken is het helemaal geworden in 2008. Over deze nieuwe sport
heb ik al menig
bericht zien langskomen. 

Zo zet de politie lokvrachtwagens en lokfietsen in om dieven in de
kraag te vatten. Onlangs werd een nieuwe oorlog verklaard aan de  autokrakers. In deze
strijd zullen loklaptops en loktomtoms worden
ingezet. Ik hoorde dat apothekers willen dat de inspectie
lokkopers gebruikt om malafide medicijnen op het internet op te sporen. 

Het wachten is nu op het voorstel om lokkinderen te rekruteren bij
de jacht op kinderlokkers. Misschien is het een goed idee om daar-
bij samenwerking te zoeken met het NCRV-programma Praatjes-
makers. 
Nu méén ik me toch te herinneren dat het uitlokken van een misdrijf
in Nederland niet tot de opsporingsmogelijkheden van politie en 
justitie mag behoren. Het is verboden. 
Een verdachte die daarmee werd gepakt mag van de rechter door-
gaans zó weer naar huis.

Maar het is waarschijnlijk gewoon een kwestie van een wettekst
creatief interpreteren of van achteren naar voren te lezen. Laat dat
maar aan de juristen over, die komen daar samen wel uit. 
Er ligt nog een heel arsenaal creatieve lokmiddelen in het verschiet.
Lokbanken in Liechtenstein onder directie van de Belastingdienst.
Orthodoxe lok-imams om radicaliserende jongeren op te sporen.
Lokvilla's met rieten daken om pyromanen te betrappen. 
Lokfarms met nertsen om dierenactivisten in de val te laten lopen.
Schriele loklijfwachten om ons van radicaal-populistische politici
af te helpen.
Lokweblogs om jongeren in kaart te brengen die stelselmatig
bedreigingen uiten. 
Lokministeries om Groenlinksers te grazen te nemen. 

Ach u kijkt maar, want dit is een lokstukje om u te verleiden om
nog méér lokideeën te bedenken...
 

© Arnoud de Jong 

   
Mijn broertje  - Verhaal van Ibrahim Selman - geplaatst op 3 januari 2009   
   
Inleiding van de HC Redactie 

Deze dagen zouden rust, inkeer, vrede, moeten ademen. 
Maar niets van dat alles, conflicten gaan dóór, zelfs nieuwe
conflicten laaien op. De westerse wereld, waarin de kerst 
een bijzondere tijd van het jaar betekent kijkt vanuit háár 
blik naar de rest van de wereld. Berichten op het nieuws, 
soms enkele verschrikkelijke beelden op de tv. 
Er is ook een andere blikrichting, waarvoor je de kunst 
moet verstaan je in de positie van een ander te verplaatsen. 

 

In die van een weduwe in Srebrenica, van een opgejaagd
gezin in Congo, van een choleraslachtoffer in Zimbabwe, 
een soenniet of een sjiiet in Irak, een gevluchte Koerd, vol
onzekerheid over zijn achtergebleven gehavende familie. 
Als onder Koerden iemand vermist wordt, overheerst het 
begrijpelijke sprankje hoop dat diegene nog in leven is. 
Maar, tegen beter weten in zoals wij zeggen, blijft de hoop
want pas als men in een droom 'n teken heeft gezien dat de
vermiste dood is, wordt dat aanvaard. 

Een verhaal van Ibrahim Selman (verkort), dat in december 
gepubliceerd werd in dagblad  © Trouw Letter&Geest. 

   
Waar blijft mijn broertje? Ik heb niet van hem gedroomd, een droom
die op zijn dood zou kunnen wijzen. Mijn moeder, die zeventien jaar
na zijn verdwijning stierf, droomde in al die jaren geen enkele keer
van iets dat zijn dood kon suggereren. 
Niemand van de bloedverwanten droomde slecht van hem. 
Mijn vrouw wel. Ze droomde in 1982 van mijn moeder. Ze zag dat
mijn moeder in een zwarte jurk gehuld was en een dikke zwarte bril
droeg. Ze vertelde me haar droom een paar dagen vóór we wisten
dat mijn broertje vermist werd. Over Ismail zelf had ze niet gedroomd
maar de droom zou verwijzen naar de rouw die de familie zou treffen.

Ik probeer me te ontspannen om in slaap te kunnen vallen. Dat wil
niet echt lukken. Ik overweeg mijn vrouw wakker te schudden en 
haar te vragen of zij werkelijk nooit van Ismail gedroomd heeft. 
Mijn vrouw leek een helderziende, althans, ze droomt van dingen 
die iets voorspellen, die werkelijk gebeuren.
Toch maak ik haar niet
wakker. Haar zacht en ritmisch gesnurk begint me te irriteren.
De krantenfoto van de doodskisten komt tot leven. Opeens sta ik 
aan de kant bij de stoet met kisten en zie ik de ceremonie van 
dichtbij. Het zachte gehuil van de vrouwen vermengt zich met de 
muziek, die zich op haar beurt mengt met de stemmen die uit de
Koran reciteren. 
Bij een muur zie ik een kleine gestalte staan huilen. 

Ik steek de straat over en hoor de verontwaardigde kreten van het
publiek.Ik hoor zelfs dat ik doodgeschoten zal worden als ik niet 
stop. En ik stop niet. Ik loop naar de gestalte, een dwerg met het
gelaat van mijn moeder. Haar gezicht fleurt op als ze me ziet.
„Ismail, ik wist dat je nog leefde, maar niemand gelooft me.”
„Moeder, ik ben Ismail niet.” 
Mijn moeder gaapt me aan en de glans verdwijnt uit haar ogen.
„Ben je niet blij mij te zien?”
„Waarom heb je je broertje niet gevonden? Je bent toch machtig, 
je woont in Europa.” 
„Ma, ik woon in Europa maar ik ben zeker niet machtig.” 
„Wat heb je gedaan om je broertje te vinden?” 
Ik wil zeggen dat ik alles gedaan heb, dat ik via de ambassade,
het Rode Kruis en zelfs via het tv-programma ’Vermist’ geprobeerd
heb hem op te sporen, maar dat al mijn pogingen in al die jaren 
zijn mislukt. Mijn moeder leest blijkbaar mijn gedachten.
„Jouw vader ging het hele land door, bezocht dorp na dorp met een
pasfoto van zijn vermiste zoon.” 
„Nee ma, dat kan ik niet, dat doe ik niet. Dat is verspilde energie.”
Mijn moeder verdwijnt. Ik besef dat ik in de krantenfoto gevangen zit. 
Ik wil bevrijd worden maar ik zit klem. Ik hap naar adem, mijn vrouw
schudt me wakker. 
„Je stikte bijna. Heb je slecht gedroomd?”  
   
De avond daarvoor zag ik een documentaire over de Tweede
Wereldoorlog. Geert Mak vertelde hoe de leiders van Amerika, de
Sovjet-Unie en Groot-Brittannië de volkeren in Polen en Tsjecho-
Slowakije in de steek lieten. Hoe ze maandenlang toekeken terwijl
opstandelingen om hulp smeekten en door Duitse troepen werden 
afgeslacht. Onbegrijpelijk. Althans het moet onbegrijpelijk zijn. 
Want al die grote leiders zijn bijna heilig verklaard terwijl ze toch 
duizenden doden op hun geweten hebben. Politiek bedrijven gaat
soms over lijken. 
Volkeren in de steek laten is van alle tijden. Het eigenbelang is 
vaak groter dan het belang van mensenlevens in een land ver weg. 
In het politieke spel van de grote machthebbers rond 1980, dat aan
honderdduizenden Irakezen en Iraniërs het leven kostte, werd 
Saddam Hoessein uiteindelijk de grote schlemiel. Hij zag zichzelf
als leider van de Arabische natie, maar eindigde aan de galg. Hij 
bracht niet alleen de Iraakse volkeren naar de afgrond, maar bijna 
de hele wereld, en dat in de loop van een kwarteeuw. 
Een kwarteeuw vol bedrog en moord. Hoogtepunt van het bedriegen
en moorden kwam in de lente van 1991. George Bush senior riep,
nadat hij Koeweit van Saddam had bevrijd, de Irakezen op om in 
opstand te komen tegen hun dictator. Toen het volk in opstand 
kwam en Saddam dreigde te bezwijken, schoot Bush het niet te
hulp. De media maakten de beelden van de slachtingen wereldkundig
maar Bush was daarin niet geïnteresseerd. 
Hij genoot van zijn vakantie. 
De zoon van de oude Bush probeerde de fout van zijn vader te 
herstellen door Irak van zijn dictator te bevrijden en in het land te
investeren zoals Amerika na WO2 in Duitsland deed. Maar het is
de vraag of de Iraakse leiders in staat zijn om een moderne staat te
stichten zoals dat in West-Duitsland was gebeurd. Allereerst hebben
de nieuwe leiders, met behulp van de Verenigde Staten, geen stabiel
land kunnen stichten. Amerika houdt vast aan de eenheid van het 
land, een eenheid die sinds zijn ontstaan alleen met geweld wordt
gehandhaafd. Dit is de eerste en grootste fout. 
De tweede fatale fout was het ontmantelen van het bestaande leger
en politiekorps, terwijl die over een groot wapenarsenaal beschikten.
De derde fout was dat Amerika er blind vanuit ging dat Irakezen
democratisch konden denken en handelen. Maar een volk dat nooit
democratie heeft gekend, krijgt dat niet van de ene op de andere dag
onder de knie. 
Sinds 2003 regeren de Amerikanen (indirect) in Irak. Onlangs is een
akkoord met de Irakezen bereikt om het land eind 2011 te verlaten.
Amerika heeft in 1945 een groot deel van Europa bevrijd, maar heeft
nog steeds militaire bases in Duitsland. Het Amerikaanse beleid is
duidelijk. De Verenigde Staten willen overal een sterke regering 
hebben die hun politieke en economische belangen verdedigt. Dat
hun beleid in het Duitsland van na de Tweede Wereldoorlog goed
uitpakte was vooral aan de Duitsers zelf te danken. Zij rekenden 
eigenhandig af met de cultuur van hun Führer, met de smet op hun
verleden. De hiërarchische partijcultuur waardoor Saddam Irak met 
ijzeren hand kon regeren, is niet zomaar af te schaffen.
Daarnaast zijn de etnische, religieuze, geografische en economische
verschillen in Irak zo groot dat het onmogelijk is het land zonder 
geweld bij elkaar te houden. Maar waarom die krampachtigheid over
de eenheid van Irak? De Koerden willen in feite al heel lang een 
eigen staat, maar ze durven het niet te zeggen. Sjiieten durfden dat
ook niet, maar nu zeggen ze dat wel. Alleen de soennitische 
aanhangers van Saddam willen één Irak omdat ze, als minderheid,
altijd de macht over heel Irak hebben gehad en hopen die weer te
veroveren. Ook de buurlanden bemoeien zich flink met Irak. Iran, 
Turkije, Syrië en Saoedi-Arabië willen een zwakke regering in Bagdad
om hun belangen door te drukken. Geen van die landen (behalve Iran
misschien) is gebaat bij het uit elkaar vallen van Irak. Maar de kloof tussen sjiieten en soennieten is niet meer te overbruggen. 
De verhouding tussen Koerden en sjiieten, die tot nu toe door één deur
konden, verslechtert met de dag. Het land is hard op weg om uit 
elkaar te vallen, en misschien is dat ook de beste oplossing. Dan 
kunnen volkeren zich op de wederopbouw van hun eigen land richten.
Of Irak nu heel blijft of uiteenvalt: de Amerikanen zullen zorgen dat ze
een vinger in de pap houden. Het ziet ernaar uit dat alleen de Koerden
Amerikanen op hun grondgebied willen toelaten. Dat hebben zowel 
Obama als Clinton tijdens hun strijd om de Democratische nominatie
gezegd. Toch kunnen Turkije, Iran, Syrië en andere landen roet in het
eten gooien. 

In alle gevallen zal ik er niet achterkomen waar mijn broertje is, hoe
het hem verging en of hij nog heel is of in stukjes ligt. 
Het rouwproces raakt verjaard. Maar afgesloten wordt het nooit.  

© Ibrahim Selman - Trouw 2008 . 

   
België barst - maar niet vandaag?  - Beschouwing over de onzekere politieke toekomst - van Frans Vlinderman 
   
Er zijn geen zekerheden meer in dit land. Biedt een premier - 
nog maar eens - zijn ontslag aan en met dat van hem dat van
de voltallige regering, krijg je een koning die erover twijfelt om het
te aanvaarden. Het is niet in het belang van het land, krijg je dan
te horen. Het is niet de schuld van onze premier dat niets van wat
hij klaarmaakt, nog maar een zweem van gaarheid bereikt, enkel
een afslaande walm van aangebakkenheid. Neen, het is allemaal
de schuld van de andere. 
Eén groot Calimero-effect dus. Want zij zijn groot en ik ben klein
en dat is niet eerlijk. Boehoehoe. Erg om te aanhoren in deze 
tijden van hohoho, maar het is dus niet anders. 
Kijk, voor voldragen 'eerlijkheid' moet je niet in de politiek zijn. als
ik me niet vergis, dat
wordt iedere beginnende politicus grondig
ingepeperd. Een politicus die zijn
ongezouten mening voor waarheid
neemt en daarnaar handelt, is dan misschien wel
een rechtlijnig
mens, maar als politicus stelt hij dan maar weinig voor, zeker in 
een
land als België. Dat bestaat bij de gratie van het compromis, 
hoe zielig dat soms ook
tot uiting komt. 

Een ander feit dat in België nog steeds staat als een huis van 
vertrouwen (kan een
dergelijke zinsconstructie feitelijk wel?) is dat
er een strikte scheiding bestaat tussen
de drie machten: 
de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende, elk met duidelijk
omschreven bevoegdheden. Dat staat trouwens in de eindtermen 
van het middelbaar onderwijs ingeschreven, of je nu onderwijs in
Wallonië, Vlaanderen, Brabant of de Oostkantons volgt. 'Moos' 
daaraan.. en je hebt meer dan een krolse kat op de koord. Dan heb
je chaos,
anarchisme zo je wil. En daarvan is al gebleken dat ze
niet al te werkzaam is in een
geregeld land als België. 

In plaats dus van te jammeren, lijkt het me aangewezen dat onze
(ex-?)premier de eer blijvend aan zichzelf houdt voor één van de
weinige staaltjes van goed bestuur die we tot nog toe van hem 
mochten zien én dat onze(?) Koning hem daarin volgt. 
En laat dan nu ook maar eens de echte politicus opstaan, die het
klaar krijgt iedereen rond dezelfde tafel te krijgen en vooral te hóuden
met een discours dat is opgesteld in een taal die iedere participant
er rond verstaanbaar vindt. Wat mij betreft, mag de soap stoppen
en het regeren eindelijk beginnen. Met het bewandelen van politiek
en staatsgewijs correcte paden en zo voort. 
Zelfs om het belang van een land te dienen, mag je niet afwijken van
haar grondwettelijk vastgelegde richtlijnen en procedures. Ik zou
zelfs zeggen: zéker om het belang van een land te dienen. Wie als
premier dat niet inziet, verdient het predicaat 'toppoliticus', laat staan
'politicus' niet. En wie als koning daar geen begrip voor heeft, tsja,
die blijft zitten in zijn zetel, zeker? 
Of was het weer op zijn troon? 

En als al het voorgaande maar kort door de bocht is van uw schrijver,
tsja, dat neemt u er dan maar bij. Feit blijft dat Bibi het allemaal zo
stilletjes aan wel gezien en gehoord heeft en dat zijn maat vol is. 
Wie niet tegen de (communautaire) hitte kan, heeft niets te zoeken
in een Belgische keuken. Solliciteer dan bij de Mac Donalds of zo,
waar het normaal is het kostje gewoon lauw verwarmd te serveren en
je dan een financiële kloot af te trekken. 

© Frans Vlinderman 20 december 

 

   
Schouwvrouwen  - Kort Verhaal van Anne Borsboom - geplaatst 24 november 
   
De klok slaat negen slagen als we tegelijkertijd arriveren bij de 
ingang van het Haagsche Bos. Terwijl de deur van zijn auto bijna
wegwaait, en de regen zwaar op het dak klettert, vraagt Frits - 
de man die ons zal inwijden in het Schouwmeesterschap - met
een meewarige blik op mijn suède schoenen, of ik daarop de
polder in wil. 
'Schouwen doe je op laarzen en wel op laarzen met een metalen
profiel', spreekt hij vermanend. Hij trekt de laadklep van zijn auto
open, kruipt naar binnen en haalt een paar tevoorschijn. Ik verzuip
in zijn maat 43, maar hij vindt alles beter dan tot je oksels weg-
zakken in het moeras, want dat is het na alle regen van de laatste
dagen wel geworden.
Aletta, mijn kersverse collega, heeft geduldig gewacht. 
Zij heeft zich goed voorbereid, Regenjas, regenbroek, laarzen,
mobiele telefoon, schrijfgerei en een zaklamp. Haar kapsel heeft
een coupe van niet zeuren en wat maakt het uit dat het nat wordt. 
Haar make-up liet ze thuis. In haar rugtas heeft ze versnaperingen
die nieuwe energie beloven. 

We beginnen de schouw in de omgeving van Huis ten Bosch en 
melden ons bij de militaire politie. Mannen in zwart uniform met
dezelfde kleur hond, wachten ons op. Eén van hen geeft mobiel 
aan zijn collega's door waar we voor komen. Zijn arm gebaart
losjes dat wij onze 'watergang' kunnen gaan. 
Door zompig weiland waden we langs hoogstaande sloten. In het
hoge riet ritselen schichtige vogels die ons maar vreemde eenden
vinden. Wilde ganzen vliegen op om honderd meter verder weer
neer te strijken. Bij iedere stap schuurt mijn hiel langs het rubber
omhoog, de laars blijft staan. Ik sjok zo goed en zo kwaad als
kan achter Aletta en Frits aan. Zij zijn vol enthousiaste verhalen
over het gebied dat ze schijnen te kennen als hun broekzak.
Intussen maakt Aletta aantekeningen van de plekken waar geen
onderhoud gepleegd is.

Ik weet zeker dat ik ook een pen heb meegenomen, maar kan 
hem nergens vinden. Mijn kiezen zet ik stevig op elkaar, nauwelijks
in staat om te lopen door de pijnlijke hiel waar een enorme blaar
op moet staan. Ik meen een licht ironische blik te zien in de ogen
van Frits. Maar lekker puh, dankzij mijn nuffige parapluutje ben
ik nog droog en zien zij eruit als twee verzopen katten.
Na tweeënhalf uur komt het laatste slootje in zicht. Met één
sprong staat Frits aan de andere kant van het hek, Aletta volgt.
Ik denk precies hetzelfde te doen maar blijf halverwege hangen
met een winkelhaak in mijn jas, een paraplu met verbogen baleinen
en één laars aan de verkeerde kant van het hek. Frits & Co
stappen stoïcijns door. Ik klim terug en trek de vastgezogen laars
los, veeg de modderspetters uit mijn gezicht, wrijf ze dieper in de
lichtgele corduroy broek, bijt nog eens extra op mijn kiezen en
verman me.
Maar waarom zou ik me vermannen terwijl daar in de verte een
vrouw behoorlijk haar 'mannetje' staat? Ik strijk met een kleihand
door mijn haar, voel de vermiste pen, steek dat wat over is van
de paraplu venijnig tussen de rietstengels en beklim wederom het
hek. 

Een week later doen we een naschouw, zonder Frits. De oude
meester vindt dat we 'mans' genoeg zijn om het nu alleen te doen.
Inmiddels heb ik laarzen in mijn eigen maat, een waterdichte jas
en het lichtgeel is vervangen door donkergroen. In een chauffeurs-
café ronden we de novemberschouw af. Wij bestellen een jonge
jenever die onze verkleumde botten zal verwarmen en geven 
een rondje aan de jongens van het baggerbedrijf. 

© Anne Borsboom 

 

   
Halloween of de edelachtbare - Verhaal van Gozertje - geplaatst 1 november 
   
Mijn vriendje Tim vroeg of hij in deze vakantie nou eens een keertje
bij mij mocht komen logeren. Hij verveelt zich natuurlijk. Hij en z'n
ouders zijn vorig jaar naar Groningen verhuisd. 
Naar zo'n grote boerderij met heel veel plat land eromheen. Geeneens
koeien op die boerderij.
Ze hebben 'm verbouwd om in te wonen. 
Geen reet an dus. 
Die ouders van hem zijn hartstikke rijk. Zijn moeder is rechter en z'n
vader is professor in iets
moeilijks. 
Tim zegt voor de gein altijd 'edelachtbare' tegen z'n moeder als ze
aan tafel zitten.
Dat moet je namelijk altijd tegen een rechter zeggen:
edelachtbare. "Mag ik effe de hagelslag, edelachtbare?" 

In de zomervakantie heb ik bij Tim gelogeerd. Hij heeft een hele grote
kamer op de zolder.
En veel gaaf speelgoed. Ja, je moet toch wát in
die negorij. Zo noemt mijn vader dat: negorij.
Geen idee wat dat is.
Volgens mij zijn d'r helemaal nauwelijks negers in Groningen. 
Maar het spookt daar...
We lagen samen op Tim z'n kamer in bed. Stil daaro, joh! Hartstikke
stil! Ik kon er niet van
slapen gewoon. En stikdonker. Het maakte 
geen moer uit of ik m'n ogen nou open of dicht
had. Ik zag he-le-maal
niks! Je zou zó denken dat je stekeblind was. 
Nou en toen begon het. Tim lag natuurlijk gewoon lekker te pitten. 
Die is die klerestilte gewend.
Ineens hoorde ik allerlei eng gerommel
boven me. Er zat iemand op het dak! Ik schrok me het
lazerus.
 Tim werd er niet wakker van. Ik gooide mijn kussen, Tim eindelijk
ook wakker.
"Dat zijn de spreeuwen onder de dakpannen," zei Tim. Draaide zich
om en ging gewoon weer
verder slapen. 
Een half uur later schrok ik me wéér wezenloos! Aan de andere kant
van 't huis klonk een
vreselijk gekrijs! Echt niet normáál gewoon!
"Aaaaaaaah! Aaaaaaaah! Iiiiieeee! Eèèèèhaaaah!!!" 

En maar achter mekaar door! Dat waren vast en zeker de geesten
van de varkens die hier vroeger woonden! Die kwamen spoken omdat
Tim z'n ouders de boerderij hadden verbouwd! 
Tim sliep gewoon door. Ik wist nu waar ie ongeveer moest liggen en
ik smeet m'n kussen trefzeker zijn kant op. Meteen raak. Ik riep 
tegen Tim: "Hoor je dat? Wat is dát nou weer voor dier?" 
"O, dat is m'n moeder," zei Tim gapend, "Dat ken je toch wel? Dan
zijn ze aan 't seksen!" 
"Je bedoelt neuken?" 
"Ja, neuken..." 
"Moet dat zo'n teringherrie maken?" 
"Waarom denk je dat we op het platteland zijn gaan wonen?" 
Ik snapte het, in de stad zouden de buren meteen de politie bellen.
Zeker als ze een edelachtbare zo tekeer hoorden gaan... 
"Maar dat doen jouw ouders toch ook?" vroeg Tim. 
Ik zei effe niks. Mijn ouders hoorde ik nóóit! Maar dat ging ik Tim niet
aan z'n neus hangen. 
"Of neuken ze soms niet!?" 

Mijn moeder vroeg deze week onder het eten: "Wil je niet dat Tim
hier komt logeren?" Ik wist alleen maar een dom antwoord: 
"Jullie zijn altijd zo stil 's nachts!" Daar begreep mijn moeder niks
van. Mijn vader ineens wèl. 
Hij kreeg zo'n vuile grijns op zijn gezicht. Want hij heeft vorig jaar in
Groningen geholpen met de verbouwing en is een nachtje overge-
bleven. Hij heeft het dus vast óók gehoord! 
"Oh joh, maak je maar geen zorgen! Als Tim hier is, dan blèren we
wel wat!" 

© Gozertje 

   
Poëzie op het Proza Podium - Gedicht van Wil Melker - geplaatst 18 oktober 
   
Soms kan 1 november al verre toekomst zijn. 
Op de actualiteit geschreven, is dit gedicht 
hier geplaatst omdat de actualiteit zo vergankelijk is.

Redactie 

de gulden middenweg 

heb de centen 
altijd omgekeerd 
gespaard met stuivers 
dubbeltjes en kwartjes 
de gulden middenweg 
is goed beheerd 

de kas was 
goed gespekt 
mijn varkentje 
een krasse ze bloosde 
bol tot de euro haar 
oren heeft gewassen 

moest verkassen 
naar een schamel hok 
europese talen spreken 
haar financiële toekomst 
snel vergeten ja wij 
hebben ook daarvoor gedokt 

gelukkig lust 
mijn varken geen papier 
vol grote woorden en 
veel zorgen want zij 
doet haar belegging hier 
zo modderen wij naar morgen 

© wil melker 

   
Fusion - Beschouwing over taalgebruik in de poëzie - door John Zwart  
   
Een jaar of tien geleden kwam, na de 'stand-up comedian', het
'slammen' uit Amerika overwaaien. Dit had grote invloed op het
taalgebruik. Slamdichten was per definitie niet bedoeld om te lezen
maar om te ondergaan. 
Dan is er nog - ook al zo'n Amerikaans fenomeen - de straattaal,
fel doorgedrongen in amusement en de literatuur, zodat zelfs een
"motherfucker" 'salonfähig' kon worden. Ik wil niet betwisten dat 
voor levensechte situaties het gebruik van straattaal zeker 
functioneel kan zijn, maar er moet wel voor gewaakt dat allerlei 
uitdrukkingen uit groepsjargon niet tot algemeen taalgebruik worden
verheven.
Een slamgedicht van Max Lerou kan in zijn soort geniaal en krachtig
zijn, maar het staat met zijn situering in de Antilliaanse randgroep
wel apart.
Voor de vergelijking halen we er vervolgens een ander 
gedicht bij, van Pom Wolff. De rauwheid van hetzelfde onderwerp
waarover het gedicht van Lerou gaat, zit bij Wolff verborgen in de
onderlaag van zijn meer poëtische benadering. 
Ik zou beide vormen van dichten naast elkaar, maar ook los van 
elkaar willen zien. Lerou's hele gedicht is 'streetwise', Wolff staat
een vervuiling van zijn Nederlands toe door te zondigen met 
'killersogen' - omdat het zo mooi samenvalt met het 'trillen' van het 
meisje - waar hij zijn gedicht zuiverder had gehouden door voor het
binnenrijm een andere oplossing te zoeken. 
en de bananenboot kwam van comacabana 

onder ons gezegd en gezwogen 
we roken een jonko - ze is skaffa man 
we droppen nòg een pintoe 
ik vinger die puta een beetje en conjo 
ineens doet ze het niet meer 

natuurlijk hebben ze die motjo niet gevonden 
met mij kan je niet fucken man 
en die tjappie jongen die kiepert 
haar zo zonder gewicht 

geen moment was ik para 
die longen lopen zo vol water 
dan ga je echt niet drijven weet je 

ik ben zo fucking weerie 
hoe dichter je bij mij komt 
hoe dichter bij de haaien 

©obra  (Max Lerou) 

 

bij het haaienwater 

er staat een vogelpoot 
te wachten op de tijd 
onder de killers 
ogen van een meeuw  
kijken of ze van de zee  
met trillen wint of van de wind  
en weer voor niets weer  
kringen  
zo is het rond  
zo zonder handen zonder grond  
een roerloos meer  

 

© pom wolff 

De rauwheid van hetzelfde onderwerp zit in de gelaagde benadering
door Pom Wolff meer verborgen. Zo zie ik het persoonlijk toch het
liefst, al moet ik hem daarvoor zijn zondigen met 'killersogen' maar
vergeven. 

John Zwart - voor Hernehim Cultuur, 22 september 2008

Snelwegpanorama - Column van ZiggZagg  
"Snelwegpanorama", ongetwijfeld wordt dit woord opgenomen in
de lijst met nieuwe woorden van 2008. 
Het is niet meer te ontwijken. Sinds het kabinet het een paar weken
geleden heeft
geïntroduceerd hebben de kranten het snel opgepikt
en rept iedereen er over. Wie
het hoorde, stapte meteen in de auto
om het met eigen ogen te aanschouwen; die
paar beschermde 
mooiplaatsen, die zich in luttele seconden aan de automobilist 
ontvouwen en vervolgens verdwijnen. Kiekeboe... en weer foetsji.

Het nationaal snelwegpanorama. Heerlijk dat de overheid zo veel 
zorg wil besteden
om mijn stressvol bestaan een gezonde draai te
geven met een blik van enkele ‘kijk-
seconden’ op ‘karakteristiek 
en waardevol’ gebied. Groen, zo is uitgezocht, geeft
de mens rust.
En rust is nodig om de nijvere mens die van hot naar haar draaft 
en
weer terug enige momenten van ontspanning te gunnen. Dat 
geldt zeker ook voor
de asfaltmens. De huidige gezondheidskolder
maakt het mooiste los bij de dames
en heren bestuurderen die 
zich realiseren dat zij zuinig moeten wezen op de moderne
mens,
nu die de taak krijgt opgelegd naast een geregelde baan ook: 
kinderen, vader,
moeder, opa, oma, buurman- en -vrouw, openbaar
groen en zo nog wat zaken te
verzorgen omdat de gemeenschap 
daar niet meer voor kan opdraaien. Gezond leven
zullen we, tot de
dood ons scheidt. Desnoods met de knoet erover. 

Het snelwegpanorama dus. Je kunt er bij wegdromen. Ik stel mij 
een weids vergezicht
voor, een coulisselandschap, een weelde-
rige bomenrij, een fraaie boerderij, een
prachtige lichtval waarmee
een watertje in de verte in mijn ooghoek schittert: een
adem-
benemende plek waar ik even stil wil staan, wil snuiven en wil 
doordringen in
de betekenis die het landschap alleen aan mij wil
geven. 

Ik stel mij een landschap voor met geschiedenis die zich 
door mij wil laten ontrafelen; een geschiedenis waaraan ik iets 
meer van mijn tijd gun dan in het voorbijrazen zou kunnen. 
Het echte ontstressen begint dan pas. In de verkoopbrochure die de snelwegpanorama’s wil aanprijzen 
is de stressfactor een argument bij uitstek. Je zou er week van 
worden. Op een paar plekjes met links en rechts over het asfalt 
langsgrommend verkeer mag de neurotische automobilist een paar
tellen ademhalen en vervolgens de stressbak weer in rijden, 
geklemd tussen grauwe geluidsmuren, lelijke blokkendozen en 
benauwende uitzichten. Met het aanwijzen van een afgepaste 
hoeveelheid beschermd ‘natuurschoon’ als vergezicht langs de 
doorgaande wegen, heeft het kabinet bepaald, dat de rest van de 
snelwegen in het land voortaan vogelvrij is. Daar kunnen de project-
ontwikkelaars dus aan de gang, zou je kunnen denken. Wat wordt
er beschermd, de mooie uitzichten of de mooie bouwlocaties? 

Snelwegpanorama. Een luttel moment panorama, geen tijd om te
snuiven, geen tijd om je aan het landschap te spiegelen. Een 
commissie van wijze mannen en vrouwen is druk doende geweest
dit idee van de grond te tillen. De automobilisten die zo klagen over
de lelijkheid langs de weg moeten op de wenken bediend met een
budget dat groot genoeg is voor negen borden.
‘Wat moet er op die borden komen?’ zo vroeg de commissie zich af.
Het kraakte aan de ronde tafel. Een blik uit het venster bracht ze 
vast op een idee: nationaal snelwegpanorama. Een beter woord 
hadden ze daar in Den Haag voor dit product niet kunnen verzinnen.
Wie er met een vaartje van 120 kilometer per uur langs zoeft, krijgt
enkele kijkseconden opgelegd moois voorgeschoteld. 
En dan: snel weg, dat panorama. 

© ZiggZagg 

Viespeuken - Column van Arnoud de Jong 
Opvallend nieuws onlangs uit Amsterdam Zuid-Oost (voorheen bekend
als 'De Bijlmer' - Red.)
. Men gaat verborgen camera's inzetten om
viespeuken te betrappen. Daaronder verstaat men in dit geval geen
pedofielen of potloodventers, maar asocialen die hun vuilnis dumpen
op plaatsen waar dit niet is toegestaan. Vuilnisviespeuken dus. 
In Amsterdam Zuid-Oost wonen blijkbaar veel milieucriminelen die 
hun doorgezakte bankstellen, dichtgeschimmelde koelkasten en
afgedankte buitenvrouwen maar gewoon van acht hoog van de galerij
flikkeren. Stadsdeelwethouder Emile Jaensch is al die smeerpijperij
nu helemaal zat, Amsterdam Z-O mag niet het Napels van het Noorden
worden. En dus wordt ook hier de techniek uit de kast gerukt die ons
de afgelopen jaren al zoveel goede diensten heeft bewezen: juist, de
verborgen camera. 

Binnen afzienbare tijd kunnen wij dus heftige taferelen verwachten in
de strijd tegen het illegale afval! 

Allereerst zal elke inwoner van dat stadsdeel voortaan gedwongen zijn
met een bivakmuts op zijn vuilnis buiten te zetten. Want ook al gebeurt
dat netjes volgens de regels, u kent de overheid: als eenmaal de grote
vissen gevangen zijn, gaat men op de kleintjes letten. En dus hoef je
straks maar een ongewassen jampotje mét deksel in de glasbak te 
gooien en je bent er gloeiend bij! Vijftig euro boete! Ook zie ik al
zwaarbewapende teams van de Bijzondere Bijstands Eenheid over de
galerijen rennen, deuren inbeuken (politie! politie!) om de zwerfvuil-
maffia met veel machtsvertoon in te rekenen. Er komt een speciale
website met foto's van gezochte verdachten www.viespeukengezocht.nl.
Ongetwijfeld zal het stadsdeelbestuur binnenkort tevens overwegen om
zogeheten 'lok-containers' in te zetten.

 

Het kan natuurlijk ook anders en eenvoudiger: niets doen. Laat het vuil
zich maar ophopen tot drie hoog Kikkenstein. Dwing vervolgens de
boosdoeners te verhuizen naar de onderste verdiepingen. Dan zitten ze
nog tot in lengte van jaren tegen hun eigen afgebladderde dressoir aan
te kijken en iets naar buiten gooien lukt niet meer.
Dat zal ze leren! 

Nog enige andere praktische voorstellen mijnerzijds: verhoog de boete
van vijftig naar vijfhonderd euro. Dan kunnen alleen de rijken zich nog
permitteren hun meubilair op straat te kieperen en vinden we tenminste
nog eens wat beters langs de weg dan die zooi van Leen Bakker. Neem
van mij aan: een afgeschreven Jan des Bouvrie bankstel met slechts 
een paar druppeltjes kattenkots erop verdwijnt binnen het uur vanzelf, 
daar hoeft geen stadsreiniging aan te pas te komen. Verder: Ikea moet
weg daar en Woonboulevard Villa Arena is eveneens te dichtbij.
Dergelijke vestigingen geven nu eenmaal een verkeerd signaal af naar
de omgeving. Het moet de mensen niet te gemakkelijk worden gemaakt
om elk jaar het interieur te vernieuwen en de na drie maanden al
doorbuigende Billy-boekenkasten naast de container te dumpen. Zo 
creëer je meer afval dan nodig is. Op z'n minst mogen wij verwachten
dat al deze meubelboeren een verwijderingsbijdrage gaan heffen. 
Nou, dat was het wel zo'n beetje, denk ik. Had iemand nog iets over de
privacy van de viespeuken of zullen we die deze keer maar laten 
zitten? Volgende keer misschien: verborgen camera's op de wc. 
Want daar wordt ook een heleboel illegaal spul doorheen gespoeld, 
naar het schijnt. Of doen ze dat daar niet, doortrekken? Hangen ze de
bibs gewoon even buiten de galerij? (Ja, ik weet het niet, ik woon er 
niet, maar je hoort zulke rare berichten de laatste tijd...).


© Arnoud de Jong 

Onaantastbaar - Beschouwing van John Zwart 
Uitdaging. Een van de modewoorden van deze tijd. 
Je hoort het vaker en vaker klinken in gesprekken met mensen die
zich willen manifesteren. Een voetbalcoach verkast naar een 
nieuwe club, en is geweldig gemotiveerd door de nieuwe
"uitdaging".
Een omroep-ster mag een eigen praatprogramma presenteren en
vindt deze "uitdaging" fantàstisch. Een kamerlid, opeens tot minister
gebombardeerd, gaat met groot enthousiasme de "uitdaging" aan.
Defensie, op zoek naar kandidaten voor meer 'special
forces' , doet
een oproep aan jonge mensen die een "uitdaging" in hun leven 
zoeken. 

Natuurlijk, er is niets op tegen dat iemand, die ergens goed in is,
graag nog beter wil worden.
Er naar streeft. Alleen, dat woord 
"uitdaging" heeft iets agressiefs in zich, daarin klinkt iets door van
een samenleving van ellebogenwerk die gezonde ambitie overschrijdt.
Vandaag ziet men je blijkbaar alleen maar staan als je voortdurend
op zoek bent naar nieuwe uitdagingen. 

Het is waar, de uitdaging om zich te meten werd altijd al gevoeld.
Maar wat is het toch dat
mensen er toe brengt zó ver te gaan dat
ze zich willen meten met overmacht? Door heel wat machten zou
een normaal denkend mens zich nooit uitgedaagd moeten voelen.
Er is geen kapitein die zijn schip willens en wetens door het oog
van een cycloon zal sturen. De storm en de oceaangolven in hun
vernietigende kracht laten zich niet uitdagen. De uitdager telt
helemaal niet eens mee in dit geweld waarin hij zich begaf. 

 

Onpersoonlijk, gevoelloos, maakt het die oceaan niets uit of de 
uitdager aan zijn gedrag ten onder gaat, of het er nog juist levend
van afbrengt. 

Zo staat daar in het Karakorummassief de K2, de gevaarlijkste 
berg ter wereld. Niet alleen zoals elke berg gevaarlijk door kans op
verraderlijke weersomslag, óók nog gevaarlijk door moeilijk te 
beklimmen wanden en tenslotte door 'n extreme hoogte die 
verlammend zuurstofgebrek teweegbrengt. Zo nu en dan schudt
de berg zijn flanken en dondert een diepgevroren sneeuw of ijs-
lawine naar beneden. Dat doet hij al zolang hij er staat, lang voordat
de dwazen kwamen die de uitdaging voelden naar de top te willen
klauteren. Zover kom je pas als elke vorm van nuchter denken wordt
uitgeschakeld, terwille van de "uitdaging".

Maakt de mens wel op de juiste manier gebruik van zijn hersens?
In een loterij koop je een lot in hoop op een hoofdprijs, wetend dat
de kans misschien één op tien miljoen is. Maar een klimmer gaat
deze berg op wetend dat de kans één op vier is dat hij niet levend
terug zal keren. Toch gaat hij op weg, in de overtuiging dat het 
winnende lot van de dood hem niet zal toevallen. 
Er zijn culturen waarin hoge bergtoppen heilig en onaantastbaar zijn.
Dat lijkt me wijs. 

© John Zwart 4 augustus 2008 

 

  Berg je maar 

Ze kunnen echt van alles van mij vergen, 
Maar ik zoek de ellende zelf niet op. 
Ik vind het leven sowieso al top 
En dus mijd ik die akelige bergen. 

Nee, ons bestaan is leuker al met al 
Beneden in het aardse tranendal. 

Driek van Wissen - Dichter op het nieuws 

 
 
Er zijn al enige tijd gedichten te lezen op de Natuurpagina
beide site-onderdelen raken sterker met elkaar vervlochten.
Ook schrijft er op die pagina een nieuwe columnist "gifkikker", een reden om regelmatig heen en weer te blijven "surfen" tussen Cultuur en Natuur.
 

Hernehim Cultuurpagina's  


De culturele pagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mede mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv