Hernehim Cultuurpagina's
Pagina Recensies en Verslagen 2003 tm 2006

  Terug naar index archief 

 

Nieuws - Recensies archief
Introductie < themapoëzie > Gasten
Open podium < nieuwe gedichten en blog 
Redactie en Gasten < verhalen, columns
Open podium < verhalen, columns
Literaire rubriek, actuele verslagen - Auteurs  

 

Dichters in de Prinsentuin 2006 - Verslag jaarlijks driedaags festival - John Newswatcher - juli 2006 
Glas en Poëziefestival Leerdam 2006 - Verslag John Newswatcher - juli 2006
Literaire Bladen - Een pleidooi voor het tijdschrift OpSpraak - van Rutger Verhoog - juni 2006
De Zon - Sunsation Festival 2006. Recensie van de 25ste editie Zonnewendefeest - juni 2006  
Vurige tongen
- Een verslag over het jaarlijks pinksterfestival op Ruigoord 2006 - mei 2006
Deelgenoot - Een beschouwing bij de presentatie van het verzameld werk van C.O.Jellema dec 2005
De eenzame uitvaart - Boekbespreking van een unieke bundel, samengesteld door F.Starik nov 2005
Een Hollander in Parijs - Impressie over W.F.Hermans, gesprek met Ad Franssen okt 2005
Jan Boerprijs voor Nina Werkman - Bundel en onderscheiding van GGz okt 2005 
Terugblik op 4 jaar Hernehim Cultuur - Literair Café Weesp 2005 - okt 2005 
Ongeneeslijk Optimistisch
- Verhalenbundel K.Glastra van Loon aug 2005  
Sunsation Festival
- Recensie Zonnewende Flevoland juni 2005 
Bronwater - Recensie gedichtenbundel van Diana Ozon en podium VerDichting, mei 2005 
Zomerhitte versus Een liefde in Parijs Vergelijkende recensie Wolkers - Campert, april 2005  
Requiem voor Joshua - De derde gedichtenbundel van Marianne Som, maart 2005 
Dichter op Spoor - De Gedichtendag 2005 regionaal, Verzamelbundel Noordelijke dichters - jan 2005 
Soms Vaak
- Over een recensie, Judith Herzberg 2005 
Ontheemdes
- Verzamelbundel Afrikaans-Nederlands - Recensie Marianne Som - dec 2004 
Terug in de baarmoeder - Slauerhoff regionaal? Het fenomeen Friese Fado 2004 
Huisbroei
- Nieuwe bundel van Job Degenaar 2003 
Ygdrassil - Folkmusic als gezongen poëzie. Annemarieke Coenders en Linde Nijland 2003 
Bitterbessie dagbreek - Theatergroep Bewolkte Zondag. Stuk rond Ingrid Jonker 2004
Smeltwater -
Bundel liefdespoëzie. Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos 2004
Poëzie op sokkels -
Project van dichtersgroep Schrijversschool Groningen 2003
Arthur la Fèber, Anna van der Laan,
Atze van Wieren, Nina Werkman, Liesbeth Cavé, Janneke Lueks, Erik Raven en Matty de Vries
Vandaag is van glas -
Debuutbundel. Jan Doornbos 2003 
Klank van die Byl -
Zuidafrikaanse poëzie. Floris Brown 2002 (tweede druk) 
Een andere wereld - Verzamelbundel. Vrije Boekendagen 2003 
Portret van een jongeman - Roman van J.M.Coetzee 2002 

Naar de recente verslagen en recensies Pagina Literair 

 

 

Dichters in de Prinsentuin 2006, Groningen 26 t/m 28 juli 


het middelste gedeelte van de Prinsentuin,
de rozenhof. 

Foto: Dichters in de Prinsentuin 

Het Groninger Literair Botanisch Festival Dichters in de Prinsentuin stevent na de aflevering van dit jaar alweer op een 10-jarig jubileum af. Begonnen in 1998 als zuiver stadsgronings evenement op initiatief van Tsead Bruinja, is het in de loop van de volgende jaren uitgegroeid tot een literair festival dat bekendheid heeft tot buiten onze landsgrenzen. 
Vandaag de dag weten de organisatoren bekende namen aan te trekken uit heel Nederland en Vlaanderen, maar tegelijk is het, zoals voorheen, in hoofdzaak een openluchtpodium gebleven waarop naast gevestigde poëten ook minder bekende dichters en jonge opkomende talenten voor verrassingen in de programmering zorgen. Zo was er voor het eerst ook Duitstalig werk en een D-N 'mengproduct' te beluisteren van een viertal dichters afkomstig uit de regio Oldenburg. 
Rondom de twee middagen in de ommuurde klassieke tuin op de hoek van Turfsingel en Kattenhage, onder het oog van de “olde grieze”, werden ook nog een drietal aparte podia georganiseerd. Op de woensdagmiddag een presentatie van twee Nederlandstalige bundels door Irakese dichters in de Openbare Bibliotheek, op de donderdagavond onderlinge interviews tussen een viertal dichters over hun meest recente bundels bij Athena’s Boekhandel, tenslotte op de vrijdagavond een afsluitingsprogramma op het terras van Theatercafé De Souffleur. 
 
In totaal verleenden bijna 80 dichters uit Nederland, België en Duitsland hun medewerking aan “De Prinsentuin” zoals het festival onder kenners al kortheidshalve wordt genoemd. Van al deze woordkunstenaars is als blijvend teken van hun creativiteit een bundel uitgegeven waarin alfabetisch van elk één gedicht staat: heel waardevrij beginnend bij A van Rik Andreae tot en met de Z van John Zwart, met in het midden daartussen “Thetis’ hiel” van de Anna Blaman-prijswinnares Hester Knibbe. 
Uw verslaggever heeft (op de presentatie in de bibliotheek op de woensdagmiddag na) vrijwel alles meegemaakt. Dat leverde hem bijna overdosis effecten op, maar dat had hij graag over voor de collega dichters die in Groningen optraden en natuurlijk voor onze lezers op HC. 
Als highlights werden ervaren: de vraaggesprekken in de binnentuin van Athena op de donderdagavond en het turbulente maar spetterend eindfeest voor de Souffleur (en de openbare weg rondom). 
 
De bijzonder fraaie bundel die, met dank aan sponsors overheid en steunfondsen, in coproductie werd uitgegeven door Uitgeverij Kleine Uil en Uitgeverij 521. 
Te koop in de betere boekhandels of te bestellen bij de uitgevers. Of neem contact op met Anton Scheepstra (via Passage).

Bij Athena’s Boekhandel konden we van de bloedwarme boekwinkel uitwijken naar de koelere binnentuin achter het pand aan de Oude Kijkin’tJatstraat. Helaas kon men de daar ontbrekende geluidsversterking eigenlijk niet ontberen door geronk van de koelinstallatie van ‘n universiteitsgebouw achter ons. Maar misschien juist daardoor werd het een intiem gebeuren van een klein publiek rondom het duo Anton Korteweg tegenover Els Moors, vervolgens Rob Schouten versus Hester Knibbe. Voorafgaand aan de interviews lazen alle vier een aantal van hun gedichten. 
                                                                                 © Foto's bij Athena - Coen Peppelenbos 
Els Moors (“er hangt een hoge lucht boven ons”), die één der eerste studenten was die aan de Rietveld Academie nogal ongebruikelijk afstudeerde op dichten, schrijft fragmentarische en beeldende gedichten in prozaïsche vorm zonder enige interpunctie. Anton Korteweg weet er aanvankelijk geen raad mee. De invloed van de beeldende kunst op de stijl van Els Moors is onmiskenbaar. Zij zoekt in haar omgeving naar beelden “die van zichzelf iets meebrengen”; als voorbeeld wordt haar gedicht “Gorinchem” onder de loep genomen. 

Anton Korteweg is (tevergeefs?) op zoek naar mogelijkheden tot interpretatie en stelt vast dat ze haar gedichten vaak eindigt met een verrassende slotregel, welke schijnbaar geen verband houdt met het voorafgaande. Els Moors wil dat haar gedichten met beschrijvende waarnemingen niet concluderend maar openend zijn en die slotregels zijn voor haar heel belangrijk. Want de spanning die zij wil oproepen met wat eraan voorafgaat moet behouden blijven, dat is belangrijker dan aan een slotregel te werken tot hij “mooi” is. Anton kijkt alsof hij ’t nog steeds moeilijk vindt en Els blijft vriendelijk naar hem glimlachen. 
Als hij vervolgens door Els Moors zelf onder handen wordt genomen, stelt ze vast dat zijn gedichten ironie uitstralen: is hij ironisch over zichzelf? Natuurlijk komt het te verwachten antwoord: het gedicht behoeft niet altijd op de dichter betrekking te hebben. Simpel stelt hij: “ik dicht nu eenmaal zo”. Maar zo gemakkelijk geeft Els Moors zich niet gewonnen. Korteweg vult verder aan dat hij zich voortdurend bewust is van de gebrekkigheid van taal. Nooit ben je in staat precies datgene te duiden wat je bedoelt met de taal die je ten dienste staat: “De taal is als een eend. Kan van alles, vliegen, zwemmen, lopen, dat alles stelt weinig voor. Hij excelleert nergens in”. En wat zijn gedichten betreft: “Het leven is een puntenslijper, ikzelf ben het potlood en het slijpsel zijn mijn gedichten”. Beter kan hij zijn ironische levensbeschouwing niet bevestigen. Maar dan neemt zijn uitleg toch een filosofische wending. “Het meeste wat ons omringt is dode materie, gebouwen en straten. Deze boom waar we onder zitten leeft wel, maar is zich dat niet bewust. Het leven van de dieren kent maar een beperkt bewustzijn. Zij houden zich vrijwel uitsluitend bezig met hun voortbestaan. Alleen door de taal onderscheiden wij mensen ons van de dieren. Alléén wíj mogen van alles om ons heen genieten en laten we dus niet zeuren over doodgaan.” Dat ziet hij als de prijs voor ons geweldig bewustzijn, het weten van begin en einde. Het vormt een mooie brug naar het voordragen van zijn gedicht: “Niet zeuren”. 
Hester Knibbe (“De buigzaamheid van steen”) wordt ondervraagd door Rob Schouten. 
De titel van de bundel roept de gedachte op aan “De buigzaamheid van verdriet” van Vestdijk. Maar Hester Knibbe wijst elk verband van de hand: Het heeft met steen en beelden te maken. Zij zag ergens een beeld en als je dat vanuit verschillende hoeken bekeek leek het alsof het veranderde. Eigenlijk was het alsof het beeld een draaiende beweging maakte, of de steen als het ware buigzaam was. Later hoorde ze hoe onder beeldhouwers werd gesproken over de ‘buigzaamheid’ van verschillende soorten marmer. 

Zo kwam het titelgedicht en daarmee haar nieuwe bundel aan zijn naam. Rob Schouten stelt vast dat er een verwantschap tussen hen bestaat: ze zijn van dezelfde generatie en allebei in dezelfde omgeving met een PG achtergrond opgegroeid, bovendien deden ze ook nog enige tijd samen vertalingswerk in Istanbul. Hij verbaast zich erover dat ze als dichters zó verschillend werk voortbrengen. Waar hij dicht bij zichzelf blijft, is veel van het werk dat Hester Knibbe zojuist heeft voorgelezen gerelateerd tot de klassieken en sterk gekenmerkt door afstand tot het ‘ik’. 
Het klopt dat Hester Knibbe graag die afstand houdt. Zij vertelt vooral een ‘kijkmens’ te zijn en het zijn vaak objecten die aanleiding vormen tot poëzie. De klassieke vormen zijn favoriet. Bewuste imperfecties intrigeren haar: één gedraaide zuil in een verder strak uitgevoerde zuilengalerij bijvoorbeeld. 
Als Rob Schouten (“Apenlier”) vervolgens door Hester Knibbe wordt geïnterviewd komen er natuurlijk onmiddellijk speculaties over de titel van zijn bundel. Het betreft geen verwijzing naar ‘apenklier’ (ooit een verondersteld middel om veroudering te voorkomen). Maar in de dikke Van Dale trof Knibbe het woord ‘apenlier’ niet aan. Rob Schouten: “Je moet niet zo diep graven wat betreft die titel. Ik wil gewoon dat mijn gedichten animaal, instinctmatig zijn. Dan neem je een aap met een lier, in plaats van een dichter met zijn lier”.
Hester Knibbe stelt vast dat in veel van zijn gedichten de ‘tijdelijkheid’ belangrijk is. Rob Schouten heeft als domineeszoon een opvoeding gehad in een sfeer waarin sterven niet belangrijk is, maar ‘het nieuwe jeruzalem’ daarna. Als jonge man was hij niet zo verlangend naar dat nieuwe jeruzalem, hij zag sterven als iets vreselijks. Onderhuids heerste de doodsangst. Spot en ironie werd het wapen tegen die doodsangst. In zijn poëzie kan hij zich afzetten en uiten op een manier die hij zich in het werkelijke leven niet kan veroorloven. In roesachtige poëzie stelt hij zich op tegenover zijn milieu, wat hem door de familie niet altijd in dank wordt afgenomen. Het meest omstreden gedicht is “Psalm 151” , een niet bestaande. Hij vertelt over de achtergrond van dit gedicht, dat gaat over de vader die zijn zoon op het sterfbed vraagt hem psalm 121 voor te lezen. Door dit te doen zou de oude predikant worden gerustgesteld in de gedachte dat hij toch een zoon voortbracht die getrouw bleef in de leer. Echter, door aan dit verzoek te voldoen zou de zoon zichzelf verloochenen. 
Bij vele dichters blijkt de grote invloed die een strenge godsdienstige opvoeding op hun werk heeft, maar hoe die invloed uitwerkt hangt sterk af van het individu.  
 


De immer enthousiaste presentator 
Klaas Knilles Hofstra 

Slotevenement bij De Souffleur.

Op de vrijdagavond om half negen volgde de afsluiting van deze negende editie van Dichters in de Prinsentuin met een podium op het bomvolle terras van theatercafé De Souffleur, naast de Schouwburg. Wéér een literair kwaliteitsprogramma met gratis toegang, net als de middagen in de Prinsentuin zelf. 
De organisatie had voor deze avond heel wat bekende namen op het programma, zoals Hagar Peeters, Vrouwkje Tuinman, F.Starik, Menno Wigman, Willem Thies. 

Als Starik om 20.40 als eerste begint wordt het rustig binnen zijn cirkel van uitstraling. Zijn voordracht eist de aandacht en houdt die vast. Een aantal van zijn gedichten lijken de grens tussen poëzie en proza te overschrijden. Ze lijken op sterk geschreven columns maar zitten toch vol met verborgen rijm en een sterke ritmiek, wat overigens bij goede columns ook niet zelden het geval is. Waarmee weer is aangetoond dat in de hedendaagse poëzie de grenzen niet meer duidelijk zijn te trekken. Willem Thies, die onlangs op Poetry International met de Cees Buddinghprijs werd beloond, treft het wat aandacht betreft helaas slechter. Het gebied, te rekenen tot het terras, dat al was vervaagd door de grote opkomst van publiek en mededichters, was nog diffuser geworden tijdens het optreden van Starik toen nog een flink aantal passanten zich erbij aansloten. Als Thies begint staat een deel van zijn toehoorders tot op de openbare weg. Een magere Afrikaanse man met puntbaardje baant zich een weg naar voren en meent met de dichter achter de microfoon een discussie te kunnen aangaan. Thies probeert hem eerst te negeren, maar als de man iedere regel van commentaar voorziet valt hij stil. Na elkaar wordt zowel zachte overreding als harde hand op de Afrikaan uitgeprobeerd. Tevergeefs, totdat iemand zich opoffert en de man meeneemt om hem elders een biertje aan te bieden. 
Als Vrouwkje Tuinman aan de beurt is heerst weer een relatief rustige sfeer. Toch lijkt de concentratie moeilijk voor zowel dichters als het serieuze deel van het publiek. Er is zoveel wat afleidt: nu en dan valt in de drukte een bierglas, berijders van passerende motoren ervaren in de grote schare luisterende mensen rond één persoon achter een microfoon de uitdaging alle aandacht naar zichzelf te trekken en scheuren een hoogtoerig rondje Turfsingel, dorstigen lopen naar en van de tap, de serveerster in rokje met afgezakte taille buigt zich voorover en vertoont haar kanten slipje, de mensen zien bekende gezichten en willen onderling contact maken waarvoor er maar nauwelijks pauzetijd is. De traumaheli van het Academisch Ziekenhuis vliegt over… 
Toch wil ik hiermee geen negatieve indruk geven, het is nu eenmaal een straatgebeuren en dat is anders dan in een besloten binnentuin. De meeste dichters hebben er met hun keuze wel een beetje rekening mee gehouden. De Vlaamse dichter Andy Fierens geeft een reeks satirische vrouwonvriendelijke gedichten ten beste waarvoor hij zich tevoren verontschuldigt: hij is niet vrouwonvriendelijk “hij heeft er zelf een thuis”. En hij sluit af met een satire op de man. 
Tijdens het optreden van Vrouwkje Tuinman en van de bejaarde Louis Lehmann, die dezelfde reeks leest als onlangs op Vurige Tongen in Ruigoord, blijft de menigte rustig. 

Het ene blok dichters na het andere volgt elkaar op en daarvan maakt het optreden van de pianist Willem van Ekeren ook deel uit. Van Ekeren’s Bach-Bukowski is geen ‘muzikaal behang’. Hij speelt preludia, fuga en andere Bach composities, waarin hij de gedichten mixt van Charles Bukowski, door hem zelf gezongen. De prachtige Bachmelodieën roepen om aandacht, de Engelstalige poëzie vraagt concentratie. Maar het publiek smacht ernaar even de teugels te vieren en te praten. Zo wordt Van Ekeren een beetje het slachtoffer van het ontbreken van behoorlijke pauzes en moeten de mensen in de achterste regionen even tot de orde worden geroepen. 
De intieme en persoonlijke poëzie van Hagar Peeters, in het laatste blok geprogrammeerd, krijgt gelukkig toch weer de juiste ontvangst. In een van haar gedichten benadert zij de man-vrouwverhouding op een wijze die contrasteert met de benadering van Fierens, eerder op de avond. Aan het slot refereert Menno Wigman naar de openende dichter F. Starik door zijn eigen gedicht te lezen uit diens boek ‘de eenzame uitvaart’. En zo eindigt de avond en daarmee ook het festival serieus en ingetogen. 
Het “Botanisch Literair Festival Dichters in de Prinsentuin” mag hier en daar nog wel een paar onvolkomenheden hebben, het staat als een goed gefundeerd huis. Alle waardering voor Roos Custers en alle anderen die het elk jaar weer mogelijk maken en óp naar het jubileumjaar 2007! 
 

 

John Newswatcher - © Hernehim Cultuur 31 juli 2006 

 
Bij de gemeentekist van Mevrouw P. 

Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar, 
 driehonderdvijfenzestig keer per jaar, 
haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel 
 schoenen door de stad te zijn gelopen, 
steeds maar weer die veters, vorken, lepels, 
 mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze. 

Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan 
 haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift, 
hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht 
 wordt weggeworpen, uitgewist. En dit, 
is dit beschaamde slepen een begrafenis? 
 Alsof je ongemerkt een munt verliest, 

op een verveeld station je krant vergeet. Zoiets. 
 Noem het tragiek, noem het ritmiek, de tijd, 
die vuile omnivoor, zorgt steevast voor een eind 
 dat stinkt. Maar ze slaapt nu. Ze slaapt. 
Dus dek haar toe en zorg dat haar vermoeide voeten 
                 nooit meer de straat op hoeven. 

Menno Wigman. 
Uit: "De eenzame uitvaart", F. Starik - Uitgeverij Nieuw Amsterdam 2005. 

 

 
Glas en Poëziefestival 2006, Leerdam Een verslag van John Newswatcher. 

Leerdam, hoe vaak was ik daar in mijn leven? Eén of twee keer, lang geleden. Het is bekend als glascentrum, maar wat weet ik er verder van? Zo goed als niets. 
Het ligt afzijds, een boemeltrein komt er, die eens per uur stopt. Maar de grote stromen stormen op afstand in west en oost voorbij, van Utrecht naar Breda of van Utrecht naar ’s Hertogenbosch en omgekeerd. Toch trekt een plaatsje als Diever in Drente grote aantallen bezoekers wegens de faam van het openlucht theaterspel, in Tegelen werden de passiespelen een traditie en Terschelling stroomt elk jaar vol met mensen die het Oerol-festival willen meemaken, zonder door een lange bootreis te worden afgeschrikt. 

Waarom zou een poëziefestival in Leerdam dan geen succes kunnen worden? Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos hebben het aangedurfd het te proberen. Zaterdag 8 juli was het zover. En natuurlijk waren er enkele gebreken zoals bij alles wat voor het eerst wordt georganiseerd, maar de aanstekelijkheid van hun enthousiasme zorgde ervoor dat er heel wat dichters van heinde en verre kwamen aangereisd om te komen optreden. En zeker niet de minste, bekende podiumdichters waren er bij, andere die al jaren actief zijn in schrijfkringen en op het internet. Een goede graadmeter was het niveau van de inzendingen op het thema ‘barst’ van de uitgeschreven prijsvraag. 

Ik maakte een reis van ruim 250 km naar Leerdam, zat in totaal een dikke 6 uur achter het stuur om drie keer 10 minuten poëzie voor te dragen aan een passantenpubliek. Onderweg bekroop me een gevoel dat ik meende te herkennen uit een CAMU van Remco Campert. Hij schreef dat hij zich, zittend in de trein, afvroeg wat toch het nut was om urenlang op reis te gaan om ergens in Uithuizen, Oldenzaal of Brunssum een kwartier voor te lezen. Maar gelukkig doen schrijvers en dichters zulke dingen toch. En in het geval van het (eerste) Glas en Poëziefestival van Leerdam zelfs zonder honorarium of vergoeding van reiskosten! 

 
Het binnenstadje van Leerdam is klein en compact, parkeren schaars en bemeterd. Bij het NS station is een groot (nog) gratis parkeerterrein, tegenover het station een rode wegwijzer ‘centrum>’ en over ‘het pleintje met de glazen kubussen’ al maar rechtdoor (zoals de route in de email luidde) wees de weg zich vanzelf. Begroeting door Cilja en Jan en enkele vrijwilligers die koffie en thee hadden verzorgd in een kingsize partytent. 
Om 12.15 waren al zo'n 20 à 25 dichters en gasten aanwezig. Hartelijke begroetingen tussen de oude bekenden: ik zag Frans Terken en Han Ruijgrok van de Leidse dichterskring, Willem Adriaans (Willem Adelaar) uit Eindhoven, Pietersz van Calumburgh uit Groningen, Gijs ter Haar uit Bunschoten, Jan Sakko uit Utrecht, Pom Wolff en Karel Wasch uit Amsterdam. Partytent toch te klein als ontmoetingsplek, was het een staande receptie terwijl boven onze hoofden de hemel steeds duisterder werd. Tegen 13.00 terwijl we gezamenlijk naar het historische pand Hofje van Mevrouw van Aarden liepen, maakten we ons echt bezorgd over de dreigende pikzwarte onweersbui. Burgemeester Molkenboer stond in vol ornaat met ambtsketen en al op het bordes, terwijl wij met z'n allen - de groep was inmiddels aangegroeid tot bijna 100 personen - de ingang van de HEMA er tegenover stonden te blokkeren. 
De burgemeester meldde dat Leerdam inmiddels ingelijfd was bij de top tien poëziesteden van Nederland en dankte dat aan de inzet van Cilja Zuyderwyk, Jan Zwaaneveld en de directie van het Glascentrum. Intussen begonnen de eerste druppels te vallen. Maar dat zou onmiddellijk ophouden zodra de poëzie begon te stromen, aldus de burgemeester. 

Op onze plattegrondjes stonden de locaties als nrs. 1 t/m 10 aangeduid en de gastvrouwen en -heren hadden een paraplu met het cijfer van hun locatie, niet om met z’n allen onder te schuilen maar een praktische oplossing om snel bij elkaar horende groepjes te vormen. 
Mijn locatie was nr. 6: Moes, Pietersz van Calumburg, Jan Sakko, Rhinda, Philip Meersman en John Zwart. We gingen optreden vóór of in een kringloopwinkel genaamd ‘Lingestroom’. De overige ruim 60 dichters traden op in tuinen en andere openluchtlocaties en in enkele galeries, de NH kerk en het Glascentrum. 
Om 13.30, het ogenblik waarop het eerste ‘dichtuur’ begon werd het droog en geleidelijk brak de zon weer door! En zo is het verder gebleven. Tot er in de avond zelfs een heel plezierige zoele zomeravond atmosfeer heerste, waaronder het dichtersfeest zich niet IN het Glascentrum afspeelde maar buiten op het grote terras.

De publieksinteresse was niet overweldigend, de meeste mensen waren meer geconcentreerd op boodschappen doen dan te blijven luisteren naar poëzie, maar telkens een handjevol geboeid luisterende mensen kan toch heel bevredigend zijn. En natuurlijk waren we ook elkaars publiek.
Weliswaar was er op enkele locaties soms storing door bestelwagens die binnen de autovrije uren toch nog dringend iets moesten afleveren, of brommers die de straatjes doorkruisten, maar ja... zulke dingen moet je op de koop toe nemen op een buitenlocatie. 
Tussentijds naar dichters op andere locaties gaan luisteren, daar kwam minder van terecht dan menigeen zich had voorgenomen. Natuurlijk wil je alle collega’s op je eigen locatie eerst horen. Nadat je in het tweede blok aan de beurt bent geweest wil je ook niet onmiddellijk als een speer wegsprinten om ergens anders te gaan luisteren. Zo bleef het beperkt tot hooguit twee keer 15-20 minuutjes even er tussenuit knijpen, snel naar een andere locatie lopen en vooral tijdig terug voor je volgende presentatie. 
Ik was verrast door de expressiviteit van Philip Meersman uit Gent. In de kerk beluisterde ik sfeervol werk van Ruurdtsje de Haan (Miranda Mei) uit Friesland, Anne Toulet en Edith de Gilde uit Vlaanderen. Bij DoubleD luisterde ik met veel plezier naar Gijs ter Haar, in de Tuin van Wim van der Ley genoot ik van de nieuwste gedichten van Han Ruijgrok. 

Een uitstekende gelegenheid voor onderlinge contacten kwam na 17.00. Tijdens het dichtersfeest was het officiële programma maar kort. Iedereen drentelde daarna gemakkelijk van tafeltje naar tafeltje om dan hier, dan daar, een praatje te maken. Drie prijzen werden er uitgereikt aan de deelnemers van de wedstrijd op het thema 'barst'. Twee daarvan gingen naar Vlaanderen, de hoofdprijs, een glas ontwerp van Cilja Zuyderwyk en de tweede prijs, een tweeluik litho’s van Olivier Beijn. Erik Wauters ging met de uitvergrote glazen inktpot met een dop in de vorm van een uitvergrote glazen kroontjespen naar huis, Sylvie Marie won het kunstwerk voor aan de wand. Hetgeen uitstekend van pas kwam, want “er was nog één maagdelijk witte wand in haar woonkamer”. De bekroonde gedichten: “Adem om Glas” – eerste prijs, “Vertrek” – tweede prijs.
Voor Nederland bleef nog slechts de derde prijs, de glazen inktvis en een aanmoedigingsprijs te oogsten. Die gingen naar resp. Nell Nijssen voor haar gedicht “Ongebroken” en Jan Sakko met “Waarschuwing”. 
De Mechelse dichter Erik Wauters stond overigens niet ingedeeld bij één van de podia. Hij moet dus al tevoren hebben vermoed dat hij een prijs had, toen hij werd uitgenodigd naar Leerdam af te reizen. 
Het glasblazen, waar tijdens het feestje nog naar gekeken kon worden was ook een bijzonder aspect op zich. Menigeen bracht een poosje op de tribune door, geboeid door de fascinerende aanblik. Het was een mooie dag die nog wel even had mogen duren. 
Vooral doorgaan Cilja en Jan! 

© Hernehim Cultuur. John Newswatcher 13.07.06 

 

 

Adem om glas 

Zo moet het eertijds 
ook met de ziel zijn gegaan: 
met mondjesmaat wordt lucht geblazen, 
een huid wordt gezet tot een huis, 
leven in hapjes overgeheveld. 

En zoals het ijs doet met water 
handelt glas met het zand: 
het plooit zichzelf tot 
de plooien vervallen en het licht 
zich versteent in een hart ergens diep. 

Dan, vanuit een honger zonder bodem, 
eet het de kleuren en speelt met de tijd 

- tot een hand even wankelt, 
de ziel uit het glas slaat, 
het licht zich verliest. 

© Erik Wauters 
Eerste prijs dichtwedstrijd Glas en Poëziefestival op thema 'barst'.

 

Glasblazer aan het werk 
® Foto glascentrum Leerdam 

 
Literaire Bladen Een pleidooi voor OPSPRAAK door Rutger Verhoog. 
Het landschap van de literaire tijdschriften in Nederland en Vlaanderen ademt al decennia een bezadigde en groezelige sfeer uit. Dat literaire tijdschriften de ‘kweekvijver’ zouden zijn voor aanstormend talent dat gespot zou worden door grote uitgevers is al lang niet meer zo. Redacties van gesubsidieerde tijdschriften plaatsen alleen artikelen van vriendjes en opstandige blaadjes verdwijnen vaak even snel als ze met tromgeroffel zijn gekomen. Neem Bunker Hill of Zoetermeer of Millennium. Aan de kant van de gesubsidieerden druipt de saaiheid van de bladzijden, Awater, De Revisor, De Gids, Tirade het zijn onleesbare brochures voor neerlandici geworden. Zelden worden er koppen gesneld, nimmer controversiële standpunten ingenomen, polemiek wordt geschuwd en het legertje arrivés beweegt zich ondergronds via paddensluipwegen naar de volgende spoorwegovergang, waar de seinen immer op groen staan. In de kranten is er geen aandacht voor de literaire bladen meer, vaste bespreekrubrieken verdwenen. Vrij Nederland had een tijd lang de Literaire Ladder maar stopte met deze sympathieke rubriek omdat een advertentie op diezelfde plek meer geld zou genereren. 
Gelukkig is er een uitzondering namelijk het Nieuwegeinse literaire blad OPSPRAAK, dat al geruime tijd wordt uitgegeven door de Stichting Beeldspraak  sinds kort in samenwerking met de Leerdamse uitgeverij Nymfaeum. Het ongesubsidieerde blad verschijnt drie maal per jaar, maar ziet er buitengewoon professioneel uit. Een prachtige kleurenomslag maar ook de door Jan van Waarden vormgegeven binnenkant is een lust voor het oog. In de traditie van de Forumgroep wordt journalistiek gecombineerd met literatuur met een hoofdletter L. In vorige nummers waren er literaire interviews met o.a. Ingmar Heytze, Sera Anstadt, Ilja Leonard Pfeijffer, Iris van de Casteele en Hans Plomp, maar ook met buitenlandse beroemdheden als Ira Cohn en de legendarische uitgeefster Fernanda Pivano, die the Beats uitgaf. Een themanummer werd gewijd aan Jack Kerouac en aan W.F.Hermans, hieraan verleende VPRO-verslaggever Anton de Goede medewerking. Ook Verbaljam werkte mee met o.a. het interviewen van Tjitske Jansen.

Astrid Lampe 

Nu dan het 30e nummer van OPSPRAAK
met een gesprek met dichteres Astrid Lampe, winnares van de Ida Gerhardtprijs. De redactie aarzelt niet en zet de dichteres steeds op het verkeerde been, daar waar Lampe gewend is iedere journalist met een kluitje in het riet te sturen. Karel Wasch interviewt haar aan de rand van een leeg bad, waarin de dichteres met dinky toys zit te spelen. De vaste rubriek van Werner Tholen “Gekken & Dwazen” gaat dit maal over John Reed, de schrijver van Ten Days that shook the World.
In vorige nummers kwamen andere drankorgels en desperado’s uit Letterenland aan de beurt zoals Bukowski, Salinger, Paul Snoek, Brendan Behan, Emmanuel Bove of Antonin Artaud. Essayvuurwerk is er in dit nummer van Aart van Soest, die een gedicht van Ronsard belicht en dan zijn er fraaie gedichten van o.a. Eva Kuylman, Jan van de Heuvel, Jos van Liempdt en Barney Agerbeek. Een aantal van de dichters van OPSPRAAK treedt op in de “Levende Dichtersalmanak” van de VPRO. Sebastian Goldstein leverde een prachtig kort verhaal in. 
De afwisseling tussen spannende stukken en serieuze poëzie en de terugkeer van het literaire interview maken OPSPRAAK tot het beste literaire blad van dit ogenblik. Het is te hopen dat het blad o.l.v. Jack Koehorst nog vele edities mag beleven. Weg met de saaiheid, leve OPSPRAAK! 

© Rutger Verhoog 

 
De Zon. Sunsation Festival Een verslag over de 25e editie door John Zwart.  
In 1982 startte in Lelystad een initiatief om het begin van de zomer te vieren in het Robert Morris Observatorium aan de Swifterringweg met maken van muziek en voordragen van poëzie in de binnenring van dat ‘land-art’ object. Daar veroorzaken reflecties een bijzondere akoestiek: staande op ‘de steen’ die het middelpunt van de grasbegroeide ruimte aangeeft is zelfs een zachte stem op iedere plek binnen de ruimte verstaanbaar. 

Flevoland werd in die tijd beschouwd als een culturele woestijn en een groepje cultuurliefhebbers bij de VVV van Lelystad vond dat daar maar eens verandering in moest komen. Ondanks dat het in 1982 bij die eerste vroege zonsopgang op 21 juni hard stormde - zodat tent, geluidsinstallatie en het handjevol publiek tot speelbal van de wind werden - kwam er in 1983 een tweede aflevering. Wéér met een handjevol publiek. In 1984 kwamen er méér en het leek dat er inderdaad iets was ontstaan dat traditie zou kunnen worden. 

Zo werd het j.l. zaterdag 24 juni 2006 dat de zonnewende in het Robert Morris Observatorium voor de 25e keer werd gevierd. Allang niet meer met een kring luisteraars rondom de steen waarop dichter en muzikant zich konden laten horen. De ruimte binnen de ring zat stampvol en bovenop de wallen zaten nog eens vele tientallen mensen voor wie er binnen geen plaats meer was. Met een volle binnenring is de magie van de akoestiek door de reflecties via de hardhouten damwand weg. In het nachtelijk duister staan er alweer sinds jaren aggregaten te ronken: het Sunsation Festival van weleer dat het met een vuurkorf en een paar fakkels af kon is geëvolueerd tot het eigentijds Sunsation Festival met een professioneel podium en daar bijbehorend volop licht en geluid. Zonder krachtige energiebronnen gaat het niet meer. 

 
Veel verandering dus, een bedrijfsmatig organisatiebureau Fabergé, meer publiek, steeds grotere sterren van steeds verder weg. Meer spektakel, minder verstilling, verminderde intimiteit. Er is een groep van bezoekers van het eerste uur die wel eens heimwee voelen naar de vroege zomerochtenden van weleer. 
Veel mensen kampeerden op het terrein rondom, zij wilden al rond de klok van half vijf een gunstige plek voor het podium veroveren. Degenen die in de nanacht per auto aankwamen, waren er ook al vroeg bij, voor deze jubileumaflevering werd extra veel publiek verwacht. 
De Deense Alice Rose met een sprookjesprinsessen kroontje zat al even na half vijf op het podium achter haar laptopje haar bestandjes te controleren. Ook weer zo’n teken des tijds, hoorden we ooit het festival vanuit het duister openen door een pipeband van ‘schotse’ doedelzakspelers uit Dronten, door ‘japanse’ trommelaars uit Utrecht, of door exotische diepe keelzangers uit Mongolië…   de ode aan de zon wordt anno 2006 met digitale techniek geopend. 
 
Kort voor vijf uur begonnen de luidsprekers ge-sample-de klanken te bulderen met daar tussendoor flarden van een vrouwelijke menselijke stem. Het was aanvankelijk niet duidelijk wat Rose deed, zo nu en dan bewoog haar mond maar de mix tussen haar microfoon en de output van haar computer was zo ongelijk dat niet was vast te stellen of ze goed kon zingen. Tussen datgene, wat bulderende oceaangolven leken, klonken strijkers en even pakte Alice in wonderland dan een viool en schraapte een paar maten mee. En als tussen het geweld een xylofoon klonk pakte Alice haar xylofoontje en sloeg daar heel precies drie tonen op aan. Het was hard, heel hard, te hard voor wie nog maar half wakker was en het duurde en duurde maar voort. Ik weet niet of het uit bewondering voor haar computervaardigheid was of uit opluchting, maar Rose kreeg een stevig applaus van het altijd sympathieke publiek.  
  Job Degenaar 

Voor de tweede maal was de presentatie in handen van de Vlaams-Surinaamse Neske Beks die goed aanvoelde dat we iets vrolijks nodig hadden, haar improvisaties lieten de lach weer doorbreken. Vijf uur achttien werd het en de zon geacht de horizon te ontstijgen, daartoe aangespoord door Heer Bol. 
En natuurlijk voltrok het ochtendritueel van de zon zich achter wolkensluiers, zoals bijna altijd. Maar ook zoals altijd had Heer Bol op dat moment weer een passend commentaar: “De zon is er! De zon is er altijd! Jaar in, jaar uit de aanleiding, de inspiratiebron van een – veelal later in de ochtend toch nog - zonovergoten spiritueel festival, door velen bezocht en gewaardeerd”.
Vervolgens werd het tijd voor de dichters, Rozalie Hirs, Job Degenaar, Thom Ummels, Adriaan Jaeggi, Peter Verhelst en vele anderen. Ingebed tussen een mix van prachtige muziek en performances, o.a. door het Nieuw Ensemble van Ed Spanjaard dat Chinese klanken had meegebracht van hun juist beëindigde tournee, Samba Schutte de Nederlandse Mauritaniër en ontdekking van het Leids cabaret festival, en een geweldig en zinderend slot van Jacques Brel vertolkster Wende Snijders. 
Joop Hardenbol kreeg gelijk, ook de zon zinderde inmiddels en Wende kreeg terecht een staande ovatie van het publiek dat haar aan het einde van een ruim vier uren durend programma tot een toegift wist te verleiden. 
Geen twijfel: in de verte doemt Sunsation 2007 al op. 

© John Zwart. Hernehim Cultuur, 28 juni 2006   

 

 

Zon, dezelfde kamer  

Plaatst hij een kamer uit een andere  
(kamer)  
geeft denken zich aan ruimtelijkheid  
wijzend naar een (ding) in de wereld  
zich wetend als een uurwerk  
in de tijd  
naast iedere denkbare (stoel) met een (kledingstuk)  
van gisteren  
een (tafel) vandaag met het lege (lucifersdoosje)  
een werkloos (broodmes)  
verschuift eenzelfde (stoel) zich uit  
zijn vertrouwde omgeving  
tot een rug(leuning) aan de (tafel) rust  
zich toebedeeld in vertrouwde omgeving  

het licht aan de dag  
leggen schaduwen de kamer achteloos  
uit een ondenkbare zon schijnen op zo en zoveel manieren  
mei en oktober laag genoeg door (ramen)  
in een (kamer)  
je oog te weten  
met een (beeld)  

 

© Rozalie Hirs  

 

(Dus dit is zomer) 

Dus dit is zomer  
denkt de weduwnaar van de door  
de kat gepakte lijster als hij  
amechtig onder struiken schuilt  

Dus dit is zomer, dit vibrerende zand  
van lijven, waar de zon haar pelgrims  
tegen rotting dichtschroeit  
denkt de beschermheilige  
in zijn kerkelijke koelte  

Dus dit is zomer, hapert de herfst,  
zwijgt de kastspin, keilen vliegen  
kamers door, gapen katten in gangpaden,  
vloeien weiden groen door ramen,  
koppen golven surfers naar elkaar,  
dwalen ogen naar bikinimeisjes  

Doch het is zomer, dus bij schemer  
waait als een mooie gedachte  
de weduwnaar zich open, vliegt  
een boom in, beziet het duister  
en huldigt de dag 

 

© Job Degenaar 

 

(Voor alle blanke meisjes die de blues willen zingen) 

zusters, zusters,  
laat de zon op je neerregenen  
laat de kinderen maar slapen  
breek je stem niet tussen de deur  

wat geeft het dat je langzaam  
je evenwicht verloor, of dat jij  
en je succes niets anders verteerden  
dan rijstwafels en roddel  

ik hou van jullie allemaal  
en mocht ik jullie aantreffen  
in het holst van een hotelkamer  
onder een neger  
met een goed embouchure  

dan zal ik denken aan het podium  
waar we altijd weer landden  

op Summertime en The Sunshine of my life  

zusters, zusters  
het is zomer  
jij bent de zonneschijn van mijn leven 

 

© Adriaan Jaeggi  

 

(zonder titel) 

Dit deel  
van het verlangend licht –  
dat schaduw op de loze perken werpt  
en wit blijft hangen in gezicht  

dat stilstaat in de ramen en rondjaagt  
door een krakend huis  
dat zijn spots heeft aangeslagen en op  
centimeters door de velden speurt  

dat zich als een dode aan laat dragen  
op de bakens van de kille wind  
en al die morgens wordt ontvangen  
door het winterstil  

- dit licht  
vreet in de ochtend aan mijn heldere geliefde  
die zacht in lakens ingeklemd  
zijn adem stuwt 

 

© Marije Langelaar  

 

 
We waren in een ander land. Ik bewonderde mijn ouders, want die waren hier net als ik voor het eerst, en toch wisten zij de weg. Elke dag gingen we zwemmen. Het was in die zomer dat de zon zich op mij achterliet. Dat is een andere manier om te zeggen dat ik toen ben verbrand en dat je dat nog steeds kunt zien. Van mijn navel tot mijn rechterschouder verbrand geweest zijn, ziet er vandaag als sproeten uit; mijn rechterborst zal vanaf toen, to tdat mijn huid niet meer bestaat, getekend zijn door de zon. 
Het was dus in die zomer dat ik door de zon werd uitgekozen. We gingen naar zee en hadden een rubberboot meegenomen. Ik wilde gaan varen. Ik sleepte de boot achter mij aan naar het water, dat ik eerst maar eens een heel eind in liep. Toen ik ver genoeg gelopen was om varen varen te laten zijn, probeerde ik in de boot te klimmen. Dat lukte niet. Het water was te diep. En hoewel ik wist dat water alleen maar dieper werd, liep ik toch verder. 

Waarom loop ik verder, ik moet terug lopen, het is gevaarlijk hier, straks heb ik geen grond onder mijn voeten en hang ik aan mijn boot en als de boot omslaat, verdrink ik. Dat wist ik en toch liep ik verder. Omdat ik niet terug wilde lopen, omdat het beeld van een boot op zee te sterk was – de kracht die deze onmogelijke mogelijkheid op me uitoefende, groter dan de kracht van het gevaar. (Ik heb ook eens een kastje ingesmeerd met boter. Ik wist dat mijn moeder heel boos zou worden, maar het was zo’n betoverende bezigheid. Het hout van het kastje ging er zo prachtig van glanzen en mijn vingers genoten van het smeren van de boter op het hout.) Het steeds-verder-weg-strand had een bedwelmende werking, de zee om mij heen was zonder andere mensen. Totdat mijn vader er ineens in opdook; buiten adem van het harde zwemmen en boos en ongerust en we waren je kwijt! Hij tilde me in de boot, zwom me terug naar het strand. Ik vaarde. Het restant van die zomer zijn mijn sproeten die de zon uit 1974 op mijn lijf tatoeëerde. Voor wie er lang naar kijkt, krijgen ze de vorm van een anker.  

© Tjitske Jansen  

 
Vurige Tongen Een verslag van John Zwart.  
Lange tijd was ik niet op Ruigoord. 
Tijdens het pinksterweekeinde was Vurige Tongen 2006 de aanleiding om de reis vanuit Friesland te maken. Als je vanaf de hoofdstad door Westpoort over de Noordzeeweg rijdt onderga je een vervreemdend effect. Met ijzeren regelmaat gieren de Boeings van Schiphol over je heen en vanachter een groen dijkje aan je rechterhand schuift een reuzencontainerschip over het onzichtbare Noordzeekanaal. En ergens daartussenin liggen wat enclaves van groen. Opeens zie je het pictogram van een recreant op een richtingbord: Spaarnwoude. Een paar kilometer verder: Ruigoord. 
Voor mij uit rijdt een bekende Volvo. Simon Vinkenoog met Edith, die vlak vóór me parkeert. Met grote regelmaat kom ik de oudgediende - maar nog lang niet uitgediende - dichter tegen: op het Sunsation Festival bij Lelystad, Suburbia bij Apollo Harderwijk, Festina Lente Amsterdam en nu weer bij Vurige Tongen. 

Eigenlijk viel over Ruigoord niet zo erg te treuren toen destijds dreigde dat de bulldozer er overheen zou gaan. De meeste oorspronkelijke huizen zijn eengezinshuizen, zoals je die van de fantasieloze eind jaren vijftig - begin jaren zestig nieuwbouwwijkjes kunt voorstellen. Maar met het grote gebrek aan woonruimte in en om de hoofdstad was het toen begrijpelijk dat men tegen die kaalslag in opstand kwam. En in de loop van de jaren heeft Ruigoord, de culturele vrijhaven, door zijn bewoners en de manier van bewonen een méérwaarde in uiterlijk en sfeer verkregen. 
Het is met recht een ruig oord geworden. Alles wat groeit mag er gewoon zijn gang gaan, er werd geen boom meer gesnoeid, spontaan opgeschoten jonge bomen en nieuwe struiken mochten blijven staan. Van de voormalige voortuinen van de huizen rest één ononderbroken natuurlijke strook waarin alles zoal zijn kans krijgt, van vlierstruiken en wilde kamperfoelie tot reuzen klis en zuringplanten. Elke kraker-kunstenaar heeft volgens eigen credo zijn gevel versierd, soms heel creatief, soms met klodderwerk: "ik lust graag koetjesrepen". 

 
Het is geen echt mooie Pinksterdag, niet zo één voor ‘met een rijtuigje naar Vinkeveen’. Kil winderig is ‘t en de zon laat het steeds meer afweten. Het meeste moet zich afspelen in het kerkje. Het kerkje dat steeds meer sporen van achterstallig onderhoud vertoont. Op het torentje met de blauwe wijzerplaat staat één wijzer sinds jaar en dag stil, een symbool voor de mensen die hier de indruk wekken te wensen de tijd te doen stilstaan? 
Of is het eerder dat tijden zich hier herhalen? Het is opvallend dat er veel jonge mensen zijn naast een groep met grijze haren. Bloemenkinderen van weleer en een nieuwe generatie bloemenkinderen. Buiten ontmoet ik een jonge dichteres die geen kou lijkt te voelen, gekleed als voor zo’n mooie Vinkeveense Pinksterdag in microrokje en topje, ertussenin haar blote buik met navelpiercing. Tepels trachten zich fel door de dunne stof te prikken. 
Het uiterlijk lijkt bij jonge tot iets minder jonge dichteressen tóch een belangrijke rol te spelen. Liesbeth Lagemaat wordt door presentator Hans Plomp in de eerste plaats om haar schoonheid en vervolgens om haar dichtprestaties de hemel in geprezen. Zo’n aankondiging zou ze als ware ster moeten laten voor wat het is. Maar ze maakt de fout erop in te haken door haar vestje over de schouders te laten glijden om haar blote bovenstuk met spaghettibandjes te tonen, wendt zich een kwartslag, borst vooruit met de opmerking dat ze als tip kreeg zó op te komen. Tja, dan moet er wel heel goede poëzie komen... Ze opent met een gedicht over een hoer en een vlieg op de rand van haar waterglas die naar elkaar kijken. Lang en met veel herhaalde strofen. Een ander gedicht handelt over gewelddadige planten die kinderen eerst omarmen, maar vervolgens door hun lichaam en organen heen groeien. Ze verontschuldigt zich dat ze gewoonlijk bij podium optreden haar meest recent geschreven werk brengt; en helaas... deze dagen schreef ze juist over nachtmerries. De jonge Karlijn Groet, wat bescheidener aangekondigd, kan mij meer bekoren met haar pretentieloos gebrachte liefdespoëzie. 
 
Afgewisseld met muzikale acts komen ook diverse buitenlandse dichters op het podium, waarvan verschillende vanwege de taal (Hongaars) voor het publiek onverstaanbaar zijn. Bij hen moet je het vooral van de klank en het ritme in de voordracht hebben. 
Gaandeweg wordt het rokeriger en rumoeriger in de kerk, vooral rondom de bar bij de ingang is het gepraat op de duur storend ondanks de geluidsversterking. David Boelee heeft zijn act hier helemaal op voorbereid. Schijnbaar ongeremd barst hij tegen het respectloze publiek los wat pas na de eerste schrik herkend wordt als performancepoëzie. Tevreden stelt hij vast dat het hiermee toch al duidelijk stiller is geworden en dat ze misschien toch wel weer vrienden kunnen zijn. 
Naast me op het bankje een paar met ‘n bastaardhondje aan de lijn. Zij: een prachtige Hindoestaanse. Vóór ons hangt een fotograaf, met zijn ene vrije arm om een bloemenmeisje geslagen. Het is niet zozeer sigarettenrook die er om ons heen hangt, er overheerst een andere onmiskenbare geur. Mééroken mist wellicht niet geheel zijn invloed. Ik beschouw alles met milde blik. Vind ik daarom Tosca Niterink (Creatief met kurk) opeens een heel verdienstelijke dichteres? 
Ik zie dat de Hindoestaanse naast me hoogzwanger is. Regelmatig masseert ze haar bolle buikje alsof ze ‘t kindje al op schoot heeft. Ik kijk opzij en ze lacht me vriendelijk toe. “Je kindje zal zich heel gewenst voelen als het straks geboren is, nu ‘t voordien al zo heerlijk geknuffeld wordt” zeg ik haar spontaan. Onder ‘t muziekoptreden begint een openhartig gesprek waarin ze me toevertrouwt dat het haar eerste kindje is. Ze is al 36 maar geen moment heeft ze getwijfeld of ze wel zwanger zou worden: “Toen ik besloot dat ik zover was liet alles in mijn lichaam me weten dat het er aan toe was”. 
Haar blaas heeft weinig ruimte, ze moet regelmatig weg om te plassen. Haar vriend draait een nederwiet: “óók ééntje?”. Maar ik bedank, rook helemaal niet. “Ja, ze is heel mooi en heel lief” zegt hij, “soms té lief, naief eigenlijk, dan denkt ze dat álle mensen aardig zijn en dan moet ik waarschuwen dat dat natuurlijk niet zo is”. 

Het lijken inderdaad de jaren zestig wel. Het straalt van het publiek uit naar de oude dichter Louis Lehmann, duidelijk Parkinson lijder, als hij op het podium staat. Als inleiding op de uitreiking van de Ruigoord Trofee leest hij enkele van zijn gedichten, vastgehouden in zijn hevig trillende hand. 
Leesbril op, leesbril af. Hij stokt, en stokt weer. Begint dan maar weer helemaal opnieuw: “Ik heb mijn dag niet vandaag”. Het is aandoenlijk en er komt liefde vanuit de kerkzaal. Simon Vinkenoog slingert zijn bezweringen in de microfoon, en wat nooit gebeurde gebeurt nu: er valt éven een witje. Uit solidariteit met Louis Lehmann? Dat Jules Deelder er niet is valt niet eens op. Maar dan moet de trofee uitgereikt en blijkt de winnaar Ira Cohen in het ziekenhuis in New York te liggen. We moeten het stellen met een krakerige brokkelige telefoonverbinding over een telkens rondzingende luidspreker, maar het hindert niet, de goodwill van Vurige Tongen is onverslaanbaar. 

© John Newswatcher  16 juni 2006 

 

 
Deelgenoot Beschouwing bij de presentatie van het Verzameld Werk van C.O.Jellema
in de kerk te Leens, door John Zwart.  
Het is zondag 11 december 2005 en over kleine binnenwegen ben ik uit midden Friesland op weg naar Leens, in de noordwesthoek van de provincie Groningen. Op deze dag presenteert de Amsterdamse uitgeverij Querido van C.O.Jellema zijn verzamelde oorspronkelijke poëzie en vertalingen, in twee kloeke delen. De dag is kil en grijs, zoals dat meestal in december is. 
Cor Jellema hield van dit landschap en zijn invloed op de mens. Hij hield van de ganzen en zwanenvluchten, die het komen en gaan van de winter aankondigen. Van de zwervende troepen kraaien over de kale velden, van de groene waas van eerste sprieten van opkomend gewas. Van het spel van de hazen in het weiland, de terugkomst van de trekvogels. Van het drama en kleurenspel in de oneindigheid van wolkenluchten, de verbondenheid met het voorgeslacht door deze aarde. 
In het noorden, langs onze wadden, zijn wisselingen in seizoenen heviger dan elders. Zoals de herfst tekeer kan gaan, de bladeren van de bomen rukt, nog voor ze er klaar voor zijn om ze los te laten. Zoals plots de lente door de lucht komt aanvaren uit het noordwest, ons een hagelbui als een hand grind in het gezicht gooit, gevolgd door een felle zon priemend in een helderblauw wak. 
Zo herken ik nu ook de winter. Hoe die hier het landschap toedekt onder een grijze deken en zich plooit over alles wat zich erin bevindt. Het isoleert van elkaar en in zichzelf keert, de gevoelige beschouwer in een filosofische gemoedstoestand brengt. 

Ik vraag mij af of al die mensen, die nu, uit de noordelijke steden, vanuit de randstad en van nog véél verder, samenstromen naar de Petruskerk van Leens, hun tocht er naartoe ook zo ervaren. Elke spreker zal een aspect van de mens Jellema gaan belichten vanuit zijn of haar eigen betrokkenheid. Samen gaat men trachten een totaalbeeld te scheppen, dat niettemin nooit compleet zal zijn. 
Gerben Wynia gaat een terugblik geven op het leven van Jellema met betrekking tot de literatuur, al begonnen toen hij als 8-jarige tijdens een lang ziekbed de kinderboeken Kruimeltje en Sprookjes van moeder de gans verslond. Maar nog het meest gefascineerd werd door een boek over de levensweg van een wilde eend, dat hem na 26 jaar nog inspireerde tot het schrijven van een sonnet. 
Henk Harbers zal proberen wat dieper te graven in de poëzie en teruggrijpen op een voordracht uit 1997: ‘Wat is dichtkunst?’ Het gaat erom beelden in ruimte en tijd een vierde dimensie te geven. Vanuit zintuiglijke waarneming door denken naar abstractie en het ‘hogere’ te geraken. Maar voor de lezer blijft het gedicht altijd ‘open’. 
Oek de Jong, die in 1999 als revisor betrokken was bij de uitgave van de bundel “Stemtest”, ziet in veel werk van Jellema de verbinding ‘klein’ versus ‘oneindig’ en vermoedt Japanse invloeden op zijn poëzie (haiku-senryu kunst). 
Marjoleine de Vos zal ingaan op de mystiek in zijn werk en gedachtewereld. Het ondoordringbare raakvlak tussen het denken en het heden in het ‘hier en nu’. De zwervende gedachten die in hun ongrijpbaarheid niet te vangen zijn in het ‘zijn’. Zoals in eerder werk dat soms gekenmerkt wordt door de wanhoop ‘het juiste woord bestaat niet!’. Later werk dat berusting ademt in vrede met het onbereikbare verlangen. De invloed van Meister Eckhardt voor wie ‘Het Ene’ alles is en in alles Het Ene. 
Eike Weiers gaat zijn bijzondere vriend als ‘Lebenskünstler’ beschrijven. “Du bist Freundschaft”, heeft Jellema hem ooit gezegd - nooit: “Du bist mein Freund”. Hun relatie kon geestelijk zeer intiem en tegelijk met enige distantie zijn: “nicht zu nah”. Schroom door angst? “Alles wat van mij houdt gaat dood. Daarom houd ik van dode dingen.” Ze kunnen samen de liefde delen voor het werk van de grote dichters Rilke en Hölderlin. 

Nog veel meer mensen zullen stilstaan bij hun persoonlijke relatie met Jellema. Natuurlijk Klaas Noordhuis, zijn langjarige levenspartner; Anna Peletier-Jellema, zijn petekind; Matthijs Röling, schildersvriend. 
Zij zullen elementen toevoegen aan mijn eigen indrukken en herinnering, maar ze zullen de kern daarvan niet raken. Die werd al gevormd bij het eerste gesprek met een natuurminnende ongelovige domineeszoon, die zich van de traditionele kerk afkeerde, maar niettemin een zeer gelovig mens bleek te zijn. Klaas Noordhuis deed goed te besluiten dat de literaire wereld naar dit weidse land moest komen, in plaats van de keuze voor een presentatie in de schoot van het kleine Amsterdamse wereldje. 
In de gelukkige omstandigheid dat ik alleen reis, niet afgeleid door medereizigers, in een auto zonder audioapparaten of computergadgets, laat ik het landschap op mij inwerken. 
Moeiteloos vindt de geest van Jellema zijn plaats in mijn gedachtegang. 

© John Zwart

Hunsingo  

Onherbergzaam is dit land 
in de winter 
als zijn grenzeloze ruimte 
al wat zich erin bevindt 
oplost in zijn mist, 
kil wijst het de vreemdeling 

naar onbestemde plaatsen 
langs onkenbare wegen 

Het is 't onbewoonde land 
na de oogst 
als het gewas de kleffe klei 
weer zeebodem laat, 
schaarse boerderijen 
in verweer tegen de leegte 
in zichzelf gekeerd de 

schouders optrekken 

Meanderend de wegen als 
't verloop van diep 
gelegen maren waarlangs 
straks bij vorst en tegen wind 
schaatsers voortgaan, doelgericht 
zoals de laatste bietenwagen 

hier overhellend grommend 

door de bochten wringt 

Wie zo volhardt verschijnt 
aan 't eind 
vanuit 't grijs een wierde 
warm bewoond, 
verlichte vensters ogen van 
hem uitkijkend door de tijd 
over het pad. Komt iemand? 
Je werd allang verwacht 

 

© JohnN 

 
De eenzame uitvaart Een boekbespreking van John Newswatcher.  

Mijn vader is in eenzaamheid gestorven. Terwijl zijn vrouw, mijn moeder, zich een verdieping lager in hetzelfde huis bevond. Zij bleef nog wat tv kijken, nadat hij verklaarde dat hij zich niet goed voelde en naar bed ging. En stierf. 

Het lijkt me verschrikkelijk om die laatste drempel zonder enige bijstand te moeten nemen.
Misschien is het om mijn verdriet over mijn vader – op een moment toen ik voor hem al van geen nut meer kon zijn – dat ik altijd getroffen word door bepaalde kleine berichtjes: Meldingen over doden die pas na dagen, of véél langer, worden gevonden omdat kennelijk al geruime tijd niemand zich om hem of haar bekommerde. 
Helaas gebeurt het in deze tijd vaker dan vroeger. Naarmate we met steeds méér zijn lijken we ook meer langs elkaar heen te leven, de blik vooral gericht op de eigen bezigheden. Als een dode gevonden wordt begint de zoektocht naar verwanten. En in sommige gevallen meldt zich ook na intensieve navraag niemand die betrokken wil worden bij de uitvaart. Het is triest wanneer de laatste gang van een mens een kille ambtelijke afhandeling wordt. Want er moet, hoe dan ook, worden begraven … 

Er zijn natuurlijk méér mensen die zich storen aan zulke beelden die ons een maatschappij van egoïsme vertonen. Die willen postuum iets dóen om daarmee hun menselijkheid recht te doen. Natuurlijk, voor die ontzielde is dat van geen enkel nut, maar wèl voor onszelf. Om mee te bewijzen dat het nooit acceptabel is blind langs medemensen heen te leven.
De beeldend kunstenaar en dichter Frank Starik wilde dit waar maken door voor iedere eenzame gestorvene in Amsterdam een gedicht te schrijven, dat bij de begrafenis kan worden uitgesproken. Zo krijgt die laatste gang toch een teken van respect en wordt de kille ambtelijke teraardebestelling tot een zinvol ritueel. 
Hij kwam tot de ontdekking dat zoiets niet zómaar kan gebeuren op spontane wijze. ‘De Dienst’ (het bureau van sociale zaken dat met deze taak is belast) heeft een strikt omschreven draaiboek voor de handeling, daarin is niet in een dichter voorzien. Het had nog heel wat voeten in aarde voordat Starik zijn ‘poule des doods’ in de eenzame uitvaart had geïncorporeerd. Een ‘poule’ omdat het geen taak voor één man of vrouw kan zijn. Andere meewerkende dichters werden: Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Eva Gerlach, Judith Herzberg, Hans Kloos, Neeltje Maria Min, Simon Vinkenoog, Rogi Wieg en Menno Wigman. De Dienst moest tegenover de dichters haar privacyregels aanpassen, want hoe summier de gegevens over een gestorvene ook kunnen zijn, met helemaal niets valt natuurlijk geen gedicht te schrijven. De poëzie zou in het betreffende dossier worden opgenomen en van een verzameling zou een bundel worden samengesteld. Daarvoor moesten fondsen worden gevonden. Pas toen al deze horden waren genomen konden de dichters beginnen. 

Geen trieste bundel 

Het is geen treurige bundel van aanééngeregen grafspraak geworden. Integendeel, Starik heeft er een ontroerend, bij wijle zelfs mild amusant boekwerk van gemaakt. Ook zijn ervaringen met de ambtenarij maken deel uit van het proza gedeelte. Hij was zelf bij elke uitvaart aanwezig, óók als er een andere ‘dichter van dienst’ zich aan z’n taak had gezet. Telkens vormt hij zich, voor zover dat kan, een beeld van de omstandigheden waaronder de betrokkene zijn of haar einde vond. Hij schrijft knappe sfeertekeningen over zijn gedachten en indrukken terwijl hij per fiets op weg gaat naar de drie verschillende begraafplaatsen waar deze bijzondere doden ter aarde worden besteld. Ook de weersomstandigheden missen daarbij hun invloed niet. Hij spaart niemand, zoals de dragers die niet weten hoe snel ze binnen achter de koffie moeten geraken, maar hij tekent bijvoorbeeld ook het ernstig besef van waardigheid van de heer Ger Fritz, de ontroerend zeer integere ‘hoofd bureau uitvaarten van gemeentewege’. 
De bundel bevat, naast het inleidend en begeleidend proza in totaal 31 gedichten. Zo verschillend als de mensen vóór wie en dóór wie ze werden geschreven. De stuk voor stuk bekende dichters staan voor goede kwaliteit.

Een voorbeeld van de poëzie die een eenzame uitvaart begeleidde
Het kind 

Er is een moeder in ons leven, zij is 
de grond en weet waarom wij zijn geboren, 
zij gaat ons overal vooruit, waar zelf 
wij nog niet lopen konden – ook 
op onbetreden aarde onderwerelds 
al was zij daar te rusten neergelegd, 
al werd zij honderd en bijkans ons kind. 

jij gaat haar na alsof ze heeft geroepen: 
Klara, dochter, kom je wordt gemist. 
Was er geen mens of dier om mee te spreken? 
De staande klok sloeg elk kwartier, cla- 
wetterend refrein van stilte. Twaalf weken 
ben je wees geweest – twaalf eeuwen? 
Rust nu in vrede, wees voorgoed herenigd. 

Anneke Brassinga 

Mede dankzij “de eenzame uitvaart” – de ‘poule’ en de bundel - is in de stad Amsterdam intussen de dichter een niet meer weg te denken element geworden bij de ambtelijke teraardebestellingen. Alle grote steden zouden dit voorbeeld moeten volgen. 

© John Newswatcher – 4 mei 2005 
Deze bespreking werd tevens gepubliceerd bij OpSpraak

“de eenzame uitvaart” – Uitgeverij Nieuw Amsterdam. ISBN 90-468 0020-2 incl.cd met opnamen van de uitgesproken gedichten.  

 
Een Hollander in Parijs Impressie n.a.v. een gesprek met Ad Fransen 
W.F.Hermans slaagde erin vrijwel zonder er vrienden achter te laten van Nederland naar Parijs te verhuizen. Niet naar een armzalig huurkamertje in een achterafgelegen vervallen negentiende-eeuwse etage, zoals de Vijftigers die daar in gelukkige armoe droomden van de erkenning van hun kunstenaarschap. Nee Hermans vestigde zich in Parijs in een herenhuis met prestige aan de Rue Théodule Ribot no.18, nabij het Parc Monceau. Dat kon hij zich niet alleen dankzij de gunstige verkoop van zijn villa in het groene Haren bij Groningen veroorloven, maar vooral dankzij zijn geldhonger, uitgekiende beleggingsstrategieën en grote vrekkigheid.
Hij zou ze daar in kikkerland eens even laten zien hoe een werkelijk groot literator het uiteindelijk maakt. Ronkende columns schreef hij over zijn woonomgeving in de Nederlandse bladen. Misschien juist als gevolg daarvan raakte hij met de weinigen, die daar vriendschap voor hem hadden bewaard, in onmin. Zo konden de vetes per brief ontstaan die een schier eindeloos leven gingen leiden, zoals met Vestdijk en met Morriën. 

Al heel wat jaren geleden nam Ad Fransen, toen werkzaam bij de VPRO, de trein naar Parijs voor een interview met Hermans. Tevoren vernam hij dat Hermans had gechicaneerd over zijn honorarium. Toen Fransen zich bij Hermans meldde kreeg hij als eerste te horen: “Heb je de duizend gulden bij je?” Dat had Ad natuurlijk niet, hij nam aan dat zijn werkgever zoiets via de bank regelde. Hermans troonde Fransen mee naar zijn werkkamer, legde hem een stuk papier voor. Daarop moest hij persoonlijk een gedicteerde garantie voor de betaling schrijven en met zijn handtekening bekrachtigen. Eérst het geld, dàn het interview. 
Tja, eigenlijk was Hermans niet naar de vrijheid uitgeweken met zijn verhuizing naar Frankrijk, eerder had hij zichzelf in een soort van ballingschap gemanoeuvreerd. Terugkeren was niet mogelijk, daarmee zou hij erkennen tot inzicht te zijn gekomen dat zijn hooghartige houding naar het milieu dat hij de rug had toegekeerd, onterecht was. Dat zou ondraaglijk gezichtsverlies betekenen, maar ook de literaire wereld in Parijs zat niet te wachten op iemand van zijn karakter en mentaliteit. Er waren maar weinig Parijzenaren die tot zijn vrienden gerekend wilden worden.
 

 

Maar natuurlijk, als er iets gebeurt waar 'tout le monde' bij hoort te zijn om dat evenement de nodige ‘grandeur’ te verlenen, ja dán worden ook de succesvolle buitenlandse schrijvers die zich in Parijs vestigden uitgenodigd. 
Het is nu precies 28 jaar geleden dat in januari 1977 het futuristische Centre Pompidou werd geopend, en onder de achtduizend uitverkoren gasten was ook Hermans. Per taxi liet hij zich naar de Rue Saint-Martin rijden. "Ik vind dat ding daar helemaal niet goed staan", zei de taxichauffeur, "het past niet bij de omgeving". De chauffeur toonde met die opmerking sympathie voor de filosoof Jean Beaudrillard die het nieuwe cultuurcentrum de naam 'stofzuiger van de Franse cultuur' had toebedacht. Hermans diende de chauffeur snedig van repliek: "Dat hebben ze vroeger óók over de Eiffeltoren gezegd".
"Ach, die Eiffeltoren is óók een lelijk ding". Zo distantieerde de chauffeur zich van zijn Nederlandse passagier Hermans. Nee, Guy de Maupassant was hem duidelijk sympathieker. Die schrijver vertelde aan ieder die maar horen wilde in Parijs zo vaak mogelijk te dineren in het restaurant van de toren want… 'dat is de enige plek in Parijs vanwaar je hem niet kunt zien'. 

Net als die verguisde Eiffeltoren trok het Centre Pompidou ondanks - of wie weet dankzij - het 'uiterlijk van een petrochemische installatie' veel publiek. Al meteen vanaf de opening. En Jean Beaudrillard kreeg een trieste triomf: hij had voorspeld dat het ding zou imploderen. Inderdaad dreigde het bouwsel onder de bezoekersaantallen te bezwijken, wat na goed twintig jaar al een ingrijpende renovatie nodig maakte.
'Je moet je toch niet voorstellen dat we het Louvre elke twintig jaar grondig moeten restaureren', verzuchtten culturele kringen.
Maar Hermans bleef het Centre Pompidou altijd prachtig vinden en schreef er later over: "Het kan zijn dat het zijn tijd te ver vooruit was. De Citroën DS vond je eerst ook lelijk en nu spijt het je haast dat hij niet meer wordt gemaakt". 
Daar sloeg Hermans de plank echt mis, bijna iedereen vond de 'snoek'  juist práchtig, alleen zakten
ze nog véél sneller in elkaar dan het Centre.

© John Zwart  -  30 oktober 2005. 
Bij "Een Hollander in Parijs" over W.F.Hermans, van Ad Franssen. 
Uitgave van Podium, Amsterdam. 

 

 
Jan Boerprijs voor Nina Werkman 
"Pas later kreeg dat allemaal een naam" was het thema voor de inzenders voor de Jan Boer Poëzieprijs 2005, die is ontstaan vanuit een initiatief van Geerhard E. Schaap en werd ingesteld door de Geestelijke Gezondheidszorg Groningen GGz in 2002.

Deze 2e editie van de Jan Boer Poëzieprijs werd op 19 oktober 2005 in het feestelijke "De Kimme" te Zuidlaren uitgereikt aan Nina Werkman uit Groningen. 

Nina Werkman, die regelmatig publiceert op Hernehim Cultuur, ontving de prijs voor het winnende gedicht "Handenbinders" in het Gronings. Ook een ander gedicht van haar hand, "Kleine Oorlog", kreeg een plaats in de bundel "Hier ben ik de klank". GGz Groningen gaf deze selectie van 30 uit het totaal van 400 inzendingen uit in een oplage van 6000 exemplaren. ISBN 90 76321 17 5.

© Foto Remco Ekkers                 

Handenbinders 

In joen aarms haar ie mie vongen, 
mie droagen en mie holden, dat ik nait 
valen, dat ik miezulf nait zeerdoun zol, 
dou ik joen leutje wiefke was. En zulf 
docht ik mie t leven oareg helder. 

Dou k joe ontlopen ging, heb ie mie 
d'haandjes soamen doan en vollen, da'k 
aan joen toaveltjes nait rieken kon, aan 
joen pepieren nait en aan joen kloare 
dreumen, dij van vrouger. 

Aansom kon ie wel griepen aan mien 
nijwozzen beelderij van loater, heur 
opstoppen ook in vaaierkante deuskes 
dij pazen zollen in joen kaast, noast 
dij van aanderlu, noast dij van joe. 

     Aantou dij houken schient gain 
     zun, doar bloast gain wind. En 
     as der aal n god noar vroagen kon, 
     dat heurt gain minsk. Gainaine as 
     ik zulf, mor dij kin der nait bie. 

Ik vòl ze allaank nait meer, de groot-
gruide haandjes van dou, mor wieder 
rieken as noa, dat kriegen ze nait veur 
mekoar en hou of t der ook om spant, 
griepen duren ze nait. 

 

Handenbinders 

In jullie armen heb je mij gevangen, 
gedragen, vastgehouden, dat ik niet 
vallen zou, dat ik mezelf geen pijn zou doen, 
ik die het 'leutje wiefke' was. 
En zelf vond ik het leven nogal helder. 

Toen ik jullie ging ontlopen, heb je mijn 
handjes bij elkaar gedaan en ze gevouwen, 
dat ik aan jullie tafeltjes niet komen kon, 
aan je papieren niet en aan je klare 
dromen, die van vroeger. 

Waar omgekeerd jullie wel grijpen konden 
aan mijn verse voorstellingen van later, ze 
bergen in de vierkanten van doosjes die 
moesten staan bij jullie in de kast, naast 
die van anderen, naast die van jullie zelf. 

     In dat soort hoeken schijnt geen zon, 
     daar waait geen wind. En als er toch 
     een god naar vragen kon, dat hoort 
     geen mens. Niemand dan ik alleen 
     en die kan er niet bij. 

Ik vouw ze allang niet meer, de groot-
geworden handjes van toen, maar verder 
reiken dan nabij, dat krijgen ze niet voor 
elkaar en hoe het er ook om spant, 
te grijpen durven ze niet. 

 

De Jan Boer Poëzieprijs 
De Jan Boer Poëzieprijs van GGz Groningen wordt eens in de drie jaar uitgereikt. Onder (ex)cliënten van de geestelijke gezondheidszorg zit vaak uitzonderlijk creatief talent. De prijs is bedoeld om aandacht te geven aan en te vragen voor dat talent. De prijs is genoemd naar de Groningse dichter Jan Boer, een dichter die met veel liefde schreef over zijn omgeving, het Groninger land. De poëzieprijs van GGz Groningen draagt zijn naam vanwege zijn uitzonderlijke kwaliteiten en zijn sterke verbondenheid met Groningen. 
De vakjury was als volgt samengesteld: Remco Ekkers, dichter - Jane Leusink, dichter - Siemon Reker, bijzonder hoogleraar Groninger taal en cultuur. 
Het juryrapport 
... Sonnetten kreeg de jury onder ogen, vrije verzen, gedichten met eind- of binnenrijm, buitengewoon lange gedichten of juist extreem korte, 'pratende' gedichten, hermetische gedichten en gedichten met een opvallende bladspiegel... 
In het gedicht "Handenbinders" wordt de lezer toegelaten tot een reeks krachtige, stromende beelden waarin het dubbelzinnige 'Handenbinders' tot aan het eind toe functioneert. Spannend is het ook, dit gedicht, want het geeft zijn geheim niet prijs. De lezer blijft keer op keer lezen, voelt de beklemming die er van de woorden uitgaat, maar kan die niet echt duiden. Het gedicht telt vijf strofen, de vierde heeft een opvallende ritmische breuk met de voorafgaande: de regels zijn verrassend kort en doordat ze inspringen aan de linkerkant, waar ze ruimte suggereren, worden ze tegelijkertijd naar de rechtermarge van het gedicht 'gedrukt' waardoor ze bij de lezer juist een beklemmend gevoel veroorzaken. Als gevolg daarvan ontstaat ook een beeldende, iconische betekenis:
 

     'Aantou dij houken schient gain 
     zun, doar bloast gain wind. En 
     as der aal n god noar vroagen kon, 
     dat heurt gain minsk. Gainaine as 
     ik zulf, mor dij kin der nait bie.'

De juryleden zijn verheugd dit in het Oost-Gronings geschreven gedicht al tijdens de allereerste lezing en afzonderlijk van elkaar te hebben herkend als een van de beste gedichten van de bijna vierhonderd inzendingen. 
De discussie erover en het voorlezen ervan versterkte deze mening alleen nog maar. 
Het gedicht "Handenbinders" wordt uitgeroepen tot het winnende gedicht van de Jan Boer Poëzieprijs 2005. 

Jane Leusink 

 

 
Een terugblik op het literair café in de Weesper binnenstad


Weesp – 650 jaar stad,
Hernehim Cultuur – 4 j online

zondagmiddag, 16 okt. 2005,
 bij 19 graden in de zon


© eigen foto 

Jelle van der Meulen

De plezierige sfeer werd vooral mee bepaald door muzikaal poëtisch tussenspel door de beide gasten Jascha van Roij en Jelle vd Meulen. 
Hier zingt Jelle herfstgedichten in de zonnige binnentuin van 't Weesperplein. 

Met een scène uit de theaterversie van de Max Havelaar verdeelde presentator John Zwart in navolging van Eduard Douwes Dekker de mensheid in 2 groepen: één die slechts gelooft in rationele zaken, die zijn leven laat bepalen door profijt, cijfers, schijnheiligheid; de andere gevoelsmensen, liefhebbers van poëzie. Daarna kwamen de vrienden van HC en de gasten Job Degenaar en Tsead Bruinja aan het woord.

© eigen foto
In het begin besteedde John nog even aandacht aan Ton Verplanke van Ameland, die bij herhaling kampt met gezondheidsproblemen, en Zuid-Afrikaner Floris Brown, die ook hoopt een volgend jaar wél bij ons te zijn. Hij deed een beroep op logeeradressen zodra Floris zijn vliegticket bij elkaar gespaard heeft.
Poësie

As jy nukkerig inkruip onder die komberse,
wil jy eintlik sê: kom lê by my.

As jy die deur agter jou toeslaan en wegstorm,
wil jy eintlik sê: kom agter my aan.

En as jy sê: "ek het jou lief"
bedoel jy: "het jy my lief?"

Sien jy nou dat gedigte nodig is,
want as ek " ja " sou sê,
sou dit niks beteken nie. 

Op een origineel van © Herman de Coninck 
Suid-Afrik.Vertaling © Dr Daniel Hugo 
Bijdrage van Floris Brown, Worcester, Suid-Afrika 

Tijd 

De vrienden op het station 
Zien hoe de trein vertrekt 
Wegbeweegt met hun vriend. 

De vriend in de trein 
Ziet het station vol vrienden wegrijden 
In de verte verdwijnen 

De reiziger in de trein 
De vrienden op de bank 
Zitten stil bewegingloos 

Wat hier beweegt 
Is niet het station, noch de trein 
Het is de tijd die wegglijdt 
Tussen de mensen en het leven. 

© Ton Verplanke 

© eigen foto   

De kunst van het dichten 

ik geloof in het paardebloempluisje 
waaraan je je vertilt als je het vangen wil 

en dat je in een zucht wegblaast 
zodra het je verveelt 

dat zoveel ruimte aan je laat 
dat het er bijna niet is als het er is

maar dat met fijne weerhaakjes 
toch de aarde aan zich bindt 

© Job Degenaar 

Job Degenaar

Gastdichter Job Degenaar droeg zijn sfeervolle poëzie voor onder het goudflonkerend lover in de herfstzon van de binnentuin. Hij hield daarbij zijn tijdelijke rol als 'sjaalman' nog even vast. 
Link naar de eigen site van de dichter  
Ich bin   

Zwaar van bloesem buigt vanavond 
de oude appelboom 

en zij daar, satijnen engel 
althans vanuit mijn auto 

detonerend in de leegte 
haalt haar wasgoed van de lijn 

Ook op mijn radio komt ze door 
‘von Kopf bis Fuβ auf Liebe eingestellt’ 

Even scheurt de grond - 
Berlin dreiβiger Jahre 

und überall 
Wege zum Glück - 

Het huis herzien, de boom geveld 
de polder bijna ingevuld 

de weg is recht, m’n leven krom 
ik kijk nog altijd even om 

 

© Job Degenaar 
Uit: 'Huisbroei' - Thomas Rap 2003 
 

Lady Madonna 

Lady Madonna kinderen om je heen
Hoe krijg jij toch altijd weer je geld bijeen?
Voor wie valt je huurgeld zomaar uit de lucht?
Dacht je dat de euro’s groeien op je rug?

Vrijdagavond komt, doch onbepakt
Zondagmorgen treuzelt als een slak
Het maandagskind strikt zelf zijn veters wel.
Zie hoe de tijd snelt.

Lady Madonna baby aan je borst
Hoe voed jij de anderen die je meetorst?

Lady Madonna liggend op je bed
Hoor het melodietje dat zich in je hoofd zet.

Dinsdagmiddag moddert en houdt nooit op
De woensdagmorgenkrant werd niet bezorgd
Donderdagavond was voor kousen stoppen
Zie hoe de tijd snelt.

Lady Madonna kinderen om je heen
Hoe krijg jij toch altijd weer je geld bijeen?

©  Paul McCartney © vertaling Job Degenaar
Uit: 'Blackbird Singing' - De Bezige Bij /
Thomas Rap, Amsterdam 2002 

 

                   Jascha van Roij 

Tot grote vreugde van singer-songwriter Jascha van Roij las Job Degenaar uit 'Blackbird singing', want hij is een groot Beatlesfan, vooral van Paul McCartney. 

Hij greep zijn kans om hierop in te haken met zijn vertolking van een tweetal nummers. 

© foto Jascha van Roij promotie 

Job Degenaar (1952, Dubbeldam) debuteerde al in 1976, zijn vier meest recente uitgaven verschenen bij Thomas Rap, een fonds van uitgever De Bezige Bij. In de jaren 90 verschenen 'De helderheid van morgens', 'Van de arena en het lastdier' en 'Dus dit is zomer'. Degenaar, die nog altijd lesgeeft aan het ROC in Lelystad verscheen sinds die tijd jaarlijks op het Sunsation Festival, daar leerde John Zwart hem persoonlijk kennen en zijn poëzie waarderen. Hij toonde zich graag bereid om ons literair café te komen opluisteren als gastdichter.

 

Tsead Bruinja 

Onze tweede gastdichter Tsead Bruinja las voor ons zijn bijdrage aan 'De eenzame uitvaart' en zijn ander werk, vertalingen en gedichten uit 'Batterij' zowel als uit zijn eerdere bundel 'Dat het zo hoorde'. 

Aanvankelijk begon Bruinja met het schrijven van poëzie in het Fries, publiceerde in bladen als De Moanne en Hjir, waarvan hij een tijdlang redacteur was. 
Maar hij heeft zich intussen volledig ontwikkeld als Nederlandstalig dichter. En al woont hij nu in Amsterdam, hij blijft nog steeds tweetalig actief. 

© eigen foto                 

Toen Tsead Bruinja zijn tweede Nederlandstalige bundel 'Batterij' (Contact) presenteerde in 2004 maakte HC-presentator John Zwart kennis met hem. Er bleef een band doordat beide bezig waren met vertalingen van een serie Zuid-Afrikaanse gedichten. 
Het leek niet gemakkelijk om Bruinja in ons programma te krijgen omdat hij constant een overvolle agenda heeft. Een paar weken eerder hadden we contact met Frank Starik over diens betrokkenheid bij de bloemlezing 'De eenzame uitvaart', een serie gedichten die speciaal werd geschreven voor die doden in de stad Amsterdam die door geen mens worden betreurd. Niemand meldt zich voor hun begrafenis en zelfs hun identiteit blijft soms onduidelijk. Deze bundel zal worden gepresenteerd op 2 november 2005, een dag die op de kalender wordt gemarkeerd als 'Allerzielen'.
Starik wilde graag naar Weesp komen, maar ook zijn agenda was vol, o.a. met 'Dichter aan huis' in Den Haag en Gent. Maar kijk! óók Bruinja blijkt aan die bewuste bloemlezing te hebben meegewerkt. Op voorspraak van Starik kwam hij gráág naar Weesp, ondanks het feit dat hij de zaterdag ervóór nog samen met beeldend kunstenaar René Knip optrad in het festival 'Dicht aan het IJ' (Perdu, Amsterdam). 
 
SARAH & VERONICA (KOLLUM DRACHTEN EN AFRIKA)

de jongen van twaalf achter het klasraam weet hoe sarah krijst 
sarah is veertig en kaal 
sarah heeft een mes in de tas 
krijst 
sarah van de drie bulten bij het park 
sarah heeft een mes in de tas 
jakkert een brief op de post 
brief uit de tas 
krijst 

in de studio wordt daar een beat ondergezet met veel galm op de snare 
door een drummer die zich grasmaaiend naar het einde snuift 
de lamp boven beiden en schijnt op het dorre gras 

sarah 

ijstaart in de piepschuim doos 
en je tantes vieze poedel 
de lekkere wijven van veronica 
de vale reigers van veronica 
een handvol rijst voor de girokinderen 
en voor de vliegen op hun ogen 
uit afrika 

zien ze het niet geef hen dan 
de lekkere wijven van veronica 
de vale reigers van veronica 

een 
icoon 

© Tsead Bruinja - 'Batterij'. 

 

 
VERBORGEN ARBEIDEND 

          "stuwende en gestadig is het eigen leven 
          verborgen arbeidend; totdat het diepst verlangen 
          tot rust wordt in het woord" 

                                       Ida Gerhardt 'Kosmos'

ik breng je naar het park 
waar in de lente reigers 
de lelijkste geluiden 

waar takken na de winter 
hun verborgen arbeid 
naar buiten 

waar ik een lome zon 
en speelse honden 
zocht 

en de dunne nacht 
het zou haar gaan spijten 
ons fles en glazen bracht 

ik breng je naar het park 
waar ik kan het niet helpen 
kaarsen 

ik breng je 
de winter stuurde me 
met oog en vacht 

ik breng je 
maak je geen zorgen 

in de lente maken reigers 
de lelijkste geluiden 
breng je nacht 

© Tsead Bruinja 

Link naar de eigen site van de dichter  
Tsead Bruinja, (1974, Rinsumageest) schrijft zowel in het Fries als Nederlands. Hij debuteerde met
'De wizers yn it read' (de wijzers in 't rood) in 2000 bij Bornmeer. Sindsdien ontwikkelde Bruinja een enorme activiteit. Hij is een organisator, zette o.a. "Dichters in de Prinsentuin" op poten in Groningen, de stad waar hij studeerde. Hij staat ook veelvuldig zelf op de podia als dichter, als slammer of muzikaal.
Han Ruijgrok
één van de dichters van het Leidse dichterscollectief was ook onder de deelnemers die nog buiten in de tuin voordroegen. Natuurlijk was er af en toe wat licht storend omgevingsgeluid, toch was de buitenlocatie erg inspirerend. 
                                                                                                                                               © eigen foto
Het groene hart  

Ik hoor gelui uit een nabij gehucht 
en zie terloops de boer met hooi in touw. 
Water valt uit mijn neus, plakt op een mouw, 
terwijl nog frisse wind lispelt en zucht. 

Ik huldig de hemel voor dag en dauw 
en sla met zwermen vlinders op de vlucht. 
En passant pluk ik de bloemen in de lucht 
en zing met de vogels mee, ik hou van jou. 

Ik bouw ons huis intussen als gedicht, 
bewaar transparant het zachte gezicht 
Ik heb je lief, ik wil bij je horen 

als kamers bij keuken, kerk bij toren. 
Geenszins om het hebben, maar om het zijn 
herhalen klanken ritme en refrein. 

© Han Ruijgrok 

 

 

Fotogalerij 

© Eigen foto's HC met uitzondering van - 
| Hetty Mulder: © Robroy-art  | duo Hoed en de rand: © Brigitte Duin | 

klik op de foto miniaturen voor groot formaat

klik op de naam voor links

Jan Kleefstra.jpg (103394 bytes)  Jan Kleefstra 
Monica Boschman.jpg (145817 bytes)  Monica Boschman
Jos Zuijderwijk.jpg (112453 bytes) Jos Zuijderwijk Tsead Bruinja 2.jpg (99849 bytes) Tsead Bruinja 
Anne Borsboom in Weesp.jpg (277486 bytes) Anne Borsboom  Han Ruijgrok.jpg (64421 bytes) Han Ruijgrok
hetty.jpg (14748 bytes) Hetty Mulder  Podiumfoto 2004.jpg (39519 bytes) JohnN
  Duo Hoed en de rand  Hoed en de rand.jpg (86450 bytes)
Nog wat gedichten die werden gelezen méér gelezen poëzie op het Open Podium
De oever 

Tot niet verder drijft het water 

traag als een uitgedichte warmte 
een lange stem, die wegvalt 
als de lucht klankloos ijl 
als sneeuw dwarrelt op het 
uitgebloeide hoofd van de zomer 
oh die oever, zo uitgemergeld 
zo een droomloos kleed 
dat we uit moesten spreiden 
om de vruchten van de herfst te vangen 

zo een prachtig zelfbeeld 
dat zich neerbuigt als het 
devote hoofd van het verlangen 

en niet verder dan de stem reikt 
uit te vliegen om in haar 
onbewogen neer te strijken 

© Jan Kleefstra 

kruisbeeld 

ik hang hier nog steeds 
wil er nu wel eens vanaf 

de benen strekken 
wat vrienden maken 

verhalen vertellen 
zoals ik vroeger deed 

het nog een keer 
opnieuw proberen 

wil jij een nijptang voor me halen? 

een stukje wit 

als woorden niet meer komen 
leeft het verhaal verder 
in haar ogen 

als woorden niet meer komen 
haalt het papier adem 
een stukje wit 

als woorden niet meer komen 
is er blijkbaar even 
genoeg gezegd 

© Monica Boschman 

of ter plekke werden bedacht  
Klimop klom rood al bijna 
Een kille zon spiedde kort 
Lang, lang, kort 
Achter hakhout 
Een haard van genot 
De bijl van een buurman 
Omzeilend de woorden 
Die werden gezegd 
En gezwegen in akkoorden 
Groeide herfst in Weesp 

© Anne Borsboom 

Het Paard van Marken 

In  V-vlucht vliegen ganzen luidruchtig over het meer
met uitgestrekte halzen willen zij naar warmer weer
ook ik verlang naar warmte, jouw armen om me heen
jouw lichaam tegen het mijne, niet langer meer alleen. 

En als ik in de verte het Paard van Marken zie
dan voel ik me weer dicht bij jou, zing deze melodie
want als het Paard voorbijglijdt, de Gouwzee is in zicht
dan weet ik dat de haven van Monnikendam daar ligt. 

© Jelle vd Meulen 
(van CD over een andere boeg
van Hoed en de rand - Mediatrack Amsterdam 1998) 

 
Ongeneeslijk optimistisch - Een postume verhalenbundel 

"Ongeneeslijk Optimistisch" is een bundel verzamelde columns, die Karel Glastra van Loon in de jaren 2004-2005 schreef voor het blad 'Margriet'. 
Glastra van Loon (24.12.1962-1.7.2005) stierf, 42 jaar oud, als gevolg van een ziekteproces dat zijn oorzaak vond in een kwaadaardige hersentumor die geconstateerd werd in januari 2004. 
De columns die hij vorig jaar en in de eerste maanden van dit jaar schreef hebben alle - soms heel direct, soms subtiel - betrekking op zijn ziekte. Het zijn gevoelige, vaak ontroerende teksten, die echter nergens de grens naar het sentimentele overschrijden. 
De kwaliteit ervan houdt niet slechts in dat ze goed zijn geschreven, maar ze bieden de lezer ook volop stof tot lering, of op zijn minst kan worden gezegd dat ze stemmen tot nadenken. 

Zo men wil kan de bundel worden gezien als een fragmentarisch dagboek, waarin niettemin alle aspecten aan de orde komen waarmee iemand te maken krijgt als hijzelf, of zijn naaste, door een levensbedreigende ziekte wordt getroffen. We worden erbij betrokken hoe het is wanneer eindigheid en datgene wat vaak zo gemakkelijk en terloops als 'kwaliteit van leven' wordt benoemd, ons ieder uur van de dag intens bezighouden. 
In één van de eerste columns ondervindt Glastra van Loon hoe de mededeling van een diagnose als een vonnis kan treffen. Zijn reactie is ongeloof, herkenbaar voor ieder die hetzelfde meemaakte. De geest maakt zich weerbaar door de verschrikking van een fataal verloop niet te aanvaarden. Geboren optimist als hij is leeft hij zoveel mogelijk 'normaal' door, schrijft zijn columns, werkt aan een nieuwe roman. Hij leeft 'alsof hij 92 zal worden'. Toch gaat hij ook ánders leven, leert intenser genieten van eenvoudige dingen, verdiept de relatie met zijn vrouw en de kinderen. Het langzame proces van milder en toleranter worden, dat het ouder worden bij veel mensen kenmerkt, voltrekt zich bij hem binnen zijn 41e levensjaar. 
Hij geeft vertrouwen aan de reguliere geneeskunde maar zoekt gelijktijdig naar een ander houvast in het alternatieve circuit, leest daarover lectuur van Siegel en Chopra, bezoekt de homeopathisch arts Moolenburgh. Als uit zijn teksten zijn waardering voor de alternatieven blijkt komt hij in conflict met de arts Renckens van de Vereniging tegen Kwakzalverij. 
Glastra van Loon is van mening dat naast de zorg voor zijn fysiek welzijn door de specialisten van de VU, de aandacht voor zijn psyche en welbevinden die hij bij Moolenburgh ervaart, minstens zo belangrijk is. Ook treft hem het oprechte meeleven dat hij ontvangt van mensen die vergelijkbare klappen moesten doorstaan ("de juiste toon"). Hij wordt gevoeliger en ook dàt blijkt eerder prettig te zijn dan onaangenaam ("een tweede leven", "opgewekt leven", "huilebalk"). 
Naast de winst dat hij op deze manier veel méér uit de rest van zijn levensdagen haalt is er ook het feit dat hij aan veerkracht wint. Hij is in staat om teleurstellende resultaten van zijn behandelplan te incasseren ("niet vallen"). 

Glastra van Loon toont zich in deze bundel een bewonderenswaardig mens. Natuurlijk heeft hij al vanaf die eerste maanden in 2004 rekening gehouden met de reële mogelijkheid dat hij spoedig zou sterven, maar hij besloot dat dit geen verlammende druk op zijn bestaan mocht worden. 
Vele lezers, zoals zij die worstelen met een midlifecrisis of andere depressies, kunnen met de bundel van Glastra van Loon hun voordeel doen. Zijn zeventien maanden bleken een schat aan 'kwaliteit van leven' terwijl zij een veel verdere horizon hebben! 
Dit laatste werk van deze schrijver laat zien wat een fenomenaal orgaan het menselijk brein is. Hoe een brein, in vergaande mate aangetast, beschadigd en onder druk staand, nog steeds in staat bleek te zijn tot scherp denken, conclusies trekken en die helder onder woorden te brengen. 
"Ongeneeslijk Optimistisch" van Nieuw Amsterdam Uitgevers – juli 2005 – werd geredigeerd door Lizette Dalebout en besluit met een liefdevol epiloog door Karin Kuiper, weduwe van de schrijver ("afscheid"). 

© John Zwart   -   augustus 2005 

 
Sunsation Festival 2005, 24e editie -   Een Verslag 

Na een paar grijze dagen beloofde de weersverwachting voor het weekeinde ons zomerse tot bijna tropische dagen, hoopvol togen we in het holst van de nacht op weg naar het Sunsation Festival 2005, editie 24. Hoopvol dat het symbool ervan - de zon - zich werkelijk weer eens aan de horizon ontstijgend zou vertonen. 
Maar het was nog steeds kil en nevelig onder een bedekte lucht, toen in de prille zaterdagochtend van 18 juni 2005 uit de schemering de bezoekers kwamen aanrijden van alle windstreken. 

  © Eigen foto.               Na afloop geven de artiesten vaak nog een toegift

Het festival is veelzijdig en speels Dat merk je telkens al aan de vage begrenzing van het moment van aanvang. In de beginfase mag het woordenspel van Joop Hardenbol misschien als markering worden gezien: een kort optreden van de kleine man met de héél hoge hoed en Salvador Dalisnor, die we in de afgelopen 24 jaar langzaam grijzer zagen worden. 
Maar voordien, terwijl het publiek de palissadering geleidelijk binnenstroomt, loopt er altijd al een act. Zijn het geen vuurspuwers, dan is er wel een groepje trommelaars of een Schotse pipeband die de sfeer maken. 
Deze keer waarde er een vogel rond in de binnenring. Een grote vogel op mensenbenen met een heel grote, wijd  opengesperde snavel waaruit de meest vreemde fluittonen klonken. Er werd ingespeeld op de mogelijkheid van publieksparticipatie. Op waterfluiten kon men klanken voortbrengen door de stok waarin ze waren aangebracht in een bak met water op en neer te bewegen. De vogel bleek, toen intussen zijn vleugels tot armen waren geworden, virtuoos op een verticaal opgestelde bijna 3 meter hoge reuzenxylofoon te kunnen spelen. 
Aan het einde van het programma, bij het optreden van de Vlaamse Yasmine (Hilde Rens), werden de mensen er ook bij betrokken, ze werden opgewekt om refreinen mee te zingen. 
 
Maar eerst was er natuurlijk een urenlange bonte afwisseling van muziek met de dichters, vooral dáár ging het ons toch eigenlijk om. 
Acht dichters werden aanéén gepraat door Joris van Casteren, geboren in Lelystad, maar een man die zijn heil 15 jaar geleden elders zocht. In de losse sfeer, die het festival gelukkig nog altijd kenmerkt, verleende van Casteren zichzelf de vrijbrief om een ietwat denigrerend verhaal te houden over Lelystad en het gebrek aan cultuurinteresse dat daar (nog steeds!?) zou heersen. Moeten weglopers zich in het algemeen bij terugkeer over hun stad van herkomst liefst tot lovende woorden bepalen, van Casteren koos voor nonchalance en een beetje pesterig gedrag bij de praatjes die hij uit zijn mouw schudde. Hij had een 'Bekende Nederlander' verwelkoming verwacht met spandoeken en fanfare, maar niets van dit alles bleek het geval. Zelfs zijn drankrekening aan de bar van het hotel diende hij gewoon te betalen. Cultuur en Lelystad zag hij niet bepaald verenigd, bij het bedenken van grote zonen of dochters die de stad voortbracht kwam hij niet verder dan Martin Gauss en Ted de Braak. 
Het publiek – natuurlijk uit verre omtrek aangereisd – vond zijn stijl wel komisch, in tegenstelling tot burgemeester Chris Leeuwe die opmerkte dat van Casteren duidelijk al heel lang uit Lelystad moet zijn weggeweest. De burgemeester werd uitgedaagd tot een discussie over de plannen voor de Hanzespoorlijn maar hij liet zich niet strikken. Hij bepaalde zich bij deze gelegenheid liever tot de poëzie, maar was op dit gebied niet tot eigen creatie in staat. Leeuwe las daarom enkele gedichten van Rutger Kopland, zijn persoonlijke favoriet. 

Nachoem Wijnberg en Joost Zwagerman, twee van de dichters die zaterdagochtend optraden bij Sunsation Festival 2005.   ©  Foto's ANP

Maar de burgemeester van Lelystad vervulde natuurlijk slechts een bijrol in het festival, de belangrijkste mensen waren zoals altijd de dichters die eigen werk kwamen voordragen. 
Er waren weer klinkende namen bij, achtereenvolgens verschenen Hans Verhagen, Sylvia Hubers, K. Michel, Nachoem M.Wijnberg, Hagar Peters, Tsead Bruinja en Joost Zwagerman. 
Zoals altijd afgewisseld met zeer veelzijdige muziek, van een duo bandoleon met tuba, de Japanse concertpianiste Takebe die een Schubert sonate speelde, de bands van de Friese Nynke Laverman en de Vlaamse Yasmine, tot zelfs een goochelaarsact van Daniel Burley wiens wieg in Jamaica stond. 
Ook verscheidenheid van poëzie was met de uitgenodigde dichters verzekerd. Er was wel een thema: "Dwaaltuin". Maar dichters verstaan de kunst welk thema dan ook op geheel eigen wijze te benaderen.
 
De poëzieprogrammering opende met Hans Verhagen, wellicht niet zo'n gelukkige keuze.. Zijn werk is in het algemeen niet zo toegankelijk, daarom in voordrachtsvorm voor mensen die op dit festival afkomen minder geschikt. Er waren veel jongeren en kinderen.
Maar zijn bundel "Moeder is een rover" sloot wel perfect aan op het thema: de wereld en onze maatschappij schetst Verhagen als een onbegrijpelijk doolhof. 
Als je hem leest kun je je eigen tempo bepalen, zonodig een gedeelte nog eens hernemen, dat kan bij voordracht niet. De dichter besefte dit blijkbaar, want hij besloot met een reeks korte gedichten van telkens slechts enkele regels waarmee hij het publiek goed bereikte. 

Dat niemand weet 

Dat niemand weet waar of we ons bevinden 
en waarom we hier gekomen zijn 
wordt angstvallig stilgezwegen voor de kinderen 
Die verklappen niets van ons geheim 

Er is een plek waar iemand zich ter aarde moet werpen 
voor één glas oorspronkelijk water 
en een kop vol stof is alles wat hem wacht 
Treurclowns murmureren omdat hij eerst moet leren 
door één deur te kunnen met de zwaartekracht 

Maar stofkop lacht en neemt de glans aan van een Alpentop 
Elke korrel aarde veert springlevend op waar hij zal passeren 
Heldendom als dit kán niet eens worden vernederd 
Er is een wolk die over heel de wereld regent 

(Uit "Moeder is een rover" Nijgh & v Ditmar 2004) 

 
Sylvia Hubers, bijna een tegenpool, opgewekt en toegankelijk, direct associërend. 
En als ervaren podiumdichteres had ze weinig moeite het publiek voor zich in te nemen. 
Haar benadering van het thema vindt ze in de liefde, het favoriete onderwerp van dichters door alle eeuwen heen. 

Met bordpapieren handen 

Met bordpapieren handen 
plukt deze mens, de vroegste mens 
aan mijn haar. 

Het plukken heeft geen manieren. 
Het is zomaar plukken 
het slaan van kinderen 
op onbekende voorwerpen. 

Dan ontdekt het haar de hand 
en de hand ontdekt zachtheid. Aait. 

Zo moet het gebeurd zijn. Ooit. 
En zo gebeurt het nu. 
Hand ontdekt dat huid ook zacht is. 
Hand tast toe. 
Hand komt tot leven. 

En de vroegste mens 
slaat eeuwen over 
ligt neer, laat me toe 
doet evolutie 
in één duizelingwekkende seconde 

(Uit "Men zegt liefde" – Fagel 2003) 

 
K.Michel, die dichter gebruikt geen voornaam. 
Hem had ik al uitgebreid beluisterd bij de presentatie van zijn recente bundel "Kleur de schaduwen" (Augustus 2004), toen nam hij mij al voor zich in. Michel is een speelse, originele dichter, die ons gemakkelijk een sprookjeswereld binnenvoert waarin de hilariteit ook niet ontbreekt. In sprookjes is alles mogelijk. Je kunt er de Haagse hofvijver in rechtop zetten als een reusachtige transparante spiegel, waarin de vissen elkaar aanstoten: 'kijk, daar…. de zee'. 

Sprookje (gabba gabba hey) 

omdat we het beu waren klein te blijven 
drukten we ons in er was eens een huis 
onder een avondval dicht tegen de muur 
om in behang te veranderen 
                                                ho ho 
zei de muur zo zijn we niet getrouwd 
ga het tapijt maar wakker kussen 
                                                handen 
thuis zei het tapijt ik ben in training 
later als ik groot ben wil ik gras worden 
twaalf sloeg de klok de schaduwen 
                                                tot katers 
langs het haar van de maan klommen we 
door het dakraam naar buiten 
                                                maar daar 
konden we ook na lang zoeken 
niet half genoeg bomen vinden 
om de weg naar huis kwijt te raken 
                                                stevig 
hielden we elkaar vast en lazen 
door de takken in de sterren 
hey ho let's go 

(Uit "Kleur de schaduwen" - Augustus 2004) 

 
Door Nachoem M Wijnberg wordt ons minder gelegenheid gelaten de fantasie zo tomeloos te laten ronddollen. Uit de gedichten van Wijnberg is goed af te leiden dat hij jurist en econoom van professie is. Met zijn precisie en tot in het extreme weglaten van wat gemist kan worden deed hij ons naarstig zoeken naar datgene wat ons ontroeren kan. Niettemin kreeg hij bij de VSB jury de begeerlijke erkenning om te worden genomineerd voor de prijs van 2005 met zijn bundel "Eerst dit en dan dat". 

Wil het niet zien 

Bewijzen door in evenwicht te brengen, 

offeren wat toestemt. 
Lange tijd valt geen regen, bomen sterven in droge wind. 

Offeren om goed te maken, bewijs begrijpen, 
begrijpen bewijzen. 
                                    en als niet goed te maken is, 
gebeurd is wat niet had mogen gebeuren, offer dat niet gebracht mag 
gebracht is en gezien, 

dan nooit meer terug naar door tuinen ingesloten bewijs, 

door bewijsmuren ingesloten tuin 
                                    waarin regen valt tot de muren 
overstromen en instorten. 

(Uit: "Uit7" – Contact 2003) 

 
Met alle respect voor Wijnberg waren we wel weer toe aan lichtvoetiger werk. Opgewekte poëzie van Hagar Peeters, óók niet gering als dichter, want zij werd juist deze maand genomineerd voor de Anna Bijns Poëzieprijs 2005. 
De liefde, met alle verwarring en opwinding van dien, de passie, de meeslepende passie. Dáárover ging de voordracht van Peeters. 

Je lichaam 

Je lichaam ja je lichaam 
je behaarde onbeschaamde lichaam 
je zinderend witte lichaam 
je languit liggende lichaam 

dat mij aanstaart met gaten en gleuven, 
met dotsels, kroezen en poezeligs 
of zich stilhoudt in mazen en lakens 
of puilt uit pakken omvatsels, 

het is almaar je lichaam je lichaam 
je lonkend luibekkige lichaam 
je kronkelig wiggende lichaam 
je onzichtbaar opwinderig lichaam 

je zonder schaamte aankomende lichaam 
je lawaaiig klaarkomende lichaam 
je zich naar mij omdraaiende lichaam 
je zich ook wel afwendende lichaam 

je mij nooit onwennige lichaam 
je mij nooit onbekende lichaam 
je mij nooit onbeminde lichaam 
je altijd aanwezige lichaam 

(Uit: "Koffers zeelucht" – Bezige Bij 2003) 

 
Daarna kwam de Friese dichter Tsead Bruinja aan het woord, sinds kort wonend in Amsterdam. Hij schreef veel Friestalige poëzie en maakte onlangs een tournee door heel Nederland samen met een half dozijn andere Friese dichters voor de promotie van "Dream yn blaue Reinjas – Droom in blauwe Regenjas", de door hem samengestelde Fries-Nederlandse bundel. Sinds zijn eigen debuut "De wizers yn it read – De wijzers in het rood" bij uitgever Bornmeer – 2000 – is hij veelvuldig op podia te vinden. Ook van hem was ik onlangs getuige van de presentatie van zijn nieuwste Nederlandse bundel "Batterij" (Contact 2004). 

Tong 

wat ik wens 
een helder hart 
voor een donkere nacht 
oren die stoppen met huilen 
luisteren naar het dommelende schip 
lied dat weer aan lippen 
toekomt 

er zingt een trein 
door dit modderige landschap 
door deze grijze lucht 
er zingt een trein 
aan weerszijden 
van het doorkruiste 
groeit gestaag 
de stapel 
witte veren 

tong wat is je beroep 
riet in de saxofoonmond 
twijfelhart in torsowond 
tango die in bloedhoofd woont 

tong wat is je beroep
tong zeg dat afstand vorm is 
tong hef op 

(Uit: "Dat het zo hoorde" – Contact 2003) 

 
En ach, als je dan Friese gedichten laat voordragen, dan kunnen we ook wel Oekraïense poëzie lezen, zo moeten ze bij de organisatie hebben gedacht. Merkwaardig, twee lange gedichten in de oorspronkelijke taal werden voorgedragen door de maker Andriy Bondar
Niemand verstond één woord, maar hij kreeg beleefd applaus voor zijn B4NTENbKA XIMIÏ (de lerares chemie) en PObbI BI#bRMC (robby williams). Bij Poetry International zou een simultane Nederlandse vertaling zijn geprojecteerd, maar hier moesten we het stellen met de eigen fantasie over de stroom van klanken. 
 
Joost Zwagerman vormde het sluitstuk. Zijn nieuwe bundel "Roeshoofd hemelt" bleek niet alleen passend op 'dwaaltuin', misschien meer nog op een 'garden of horror'. Hij bereidde het publiek enigszins vóór door zijn aankondiging dat de gedichten een 'hoog tbs-gehalte' hadden. Nu weten we dat Zwagerman, net als Pfeiffer en Gerbrandy tot de groep  behoort die meent dat poëzie vooral moet ontregelen. Voor 'ruis', moet je niet bij deze dichters zijn, maar of de wereld van poëzielezers wel zit te wachten op gedichten die lijken geschreven te zijn vanuit de geest van een psychopaat - geobsedeerd door moordlust en verkrachting - dat waag ik toch te betwijfelen. Een volgende generatie moet maar bepalen of dit genre beklijven mag. 

roeshoofd is op zaal de jongste 
hij wordt zwoegend vroeger 
als twee bedden hiernaast 
patiënt leo met druipende biceps en 
een nat pak als van archimedes watertrapt in zijn kansarmbad 
en met morfine-injecties 
zijn levend leed lest 

daar schuin tegenover 
ligt monseigneur sterk 
hoog in de boom van zijn katholicisme 
hangt te drogen een geloogde crucifix 
zijn naam omspant zijn verhaal 
hij is stilstaande vogel en houdt biddend vol 
dat hij wreed uit zijn nest is verdreven 
door hordes met pijlen en bogen 
parochie zoetsappigt om 
monseigneurs verdriet 
je hebt papen die zeggen 
ik ben joods onze patiënt sterk 
noemt zich mennoniet 

soms vreet een larf 
een wak in het weefsel 
de stoppen slaan 
bedplassend door 
een wild zingend koor 
wemelt vergeefs en 
daar hebben wij 
onze witjassen voor 

(Uit: "Roeshoofd hemelt" – De Arbeiderspers 2005) 

Gelukkig kregen we van Yasmine en haar band nog wat tegengif toegediend met romantische Leonard Cohen vertalingen in mooie muzikale bewerking. Zo konden we toch nog opgemonterd naar huis, beschenen door de inmiddels doorgebroken 'magistrále strálende zon' (Johnny van Doorn). 

 

© Hernehim Cultuur - John Zwart.  21 juni 2005  

 
Diana Ozon, een Amsterdamse in Groningen -   Verslag en recensie 
Zondag 22 mei was voor mij de nadere persoonlijke kennismaking met een spraakmakende vrouw uit het alternatieve circuit van Amsterdam. 
Van midden twintig naar midden veertig is Diana Ozon nog steeds een opvallende verschijning. Ozon - in chemische zin O3, een moleculaire vorm van zuurstof uit drie atomen – is uiterst giftig, maar vormt hoog in de stratosfeer voor ons mensen tegelijk de bescherming tegen al te heftige zonnestraling. Zo associeert het pseudoniem dat zij zich heeft aangemeten – in plaats van haar ware naam Groenveld – ook op uitéénlopende manieren.  Die zondag vooral als: "O zón!". 
Als een stralend gezicht omlijst door een corona van blonde haren. 
Groenveld is trouwens een naam die al even passend is op de persoonlijkheid van Ozon, want niet alleen in de stad, maar ook in groene velden voelt zij zich op haar plek. 
 
De blikvanger uit de jaren tachtig, als dichter en punky verdedigster van haar kraakpand in de Sarphatistraat, was waarschijnlijk altijd al een persoonlijkheid met vele kanten, getuige haar poëzie van vandaag. Punk hoeft niet persé als agressief ervaren te worden, misschien juist eerder als lief. In haar nieuwe bundel "Bronwater" blijkt dit Amsterdamse stadsmeisje vol van naastenliefde, vooral naar wie in de knel zit, en van bezorgdheid over onze moeder aarde. Ze voelt zich hartstochtelijk verbonden met de natuur. 

  Diana Ozon  

Ozon trad op in de "Puddingfabriek" in Groningen, een zonnige zondagmiddag, waar haar nieuwe uitgever Passage een festijn onder de titel "De VerDichting" organiseerde. Een middag waarop het moeilijk leek de mensen wèg uit het plantsoen en naar binnen te krijgen. Gezien die omstandigheid werd het podium toch goed bezocht en het was zeker de moeite waard.
 
In 1986 verscheen van haar de bundel "Hup de zee", bij "In de Knipscheer". Ozon anno 2005 ontziet zichzelf niet op het punt van zelfkritiek. Nu, in "Bronwater" is ze beschouwender, buiten het 'ik' getreden, kortom beter geworden. 
Een lief-provocerende Ozon kwam tevoorschijn in haar voordracht uit eerder werk. Zoals over het Amsterdamse hoertje dat, beroofd van haar handtas, daar achteraan de gracht induikt. Proestend, in natte slip met blote borsten, komt ze boven: "hebbes!" 
De meeste aandacht was uiteraard voor "Bronwater". Het is een verademing om tussen alle hermetische en raaskalpoëzie van vandaag in die bundel van Ozon te lezen. Helder als bronwater, geen twijfels bekruipen me nu – waar gaat dit over? – of gaat dit juist nergens over? Geen gezochte metaforen alleen 'om het mooi'. Wél warmbloedige poëzie vol gevoel en engagement. 

"Bronwater" is opgebouwd uit vier gedeelten: Stadsnatuur, Waterwereld, Mensenleven en Wereldwijd. In de eerste twee delen komt vooral haar natuurverbondenheid naar voren, in het derde haar engagement bij maatschappelijke misstanden. Het laatste deel in breder zin haar zorg over het leven op aarde, gezien van buitenaf als het ware. Het is duidelijk dat de blik van Ozon zich ontwikkelde met de verrijking van haar levensjaren. 
Stadsnatuur is beurtelings lieflijk – Eerste bloesem – en grappig – De mobiele vogel. 
Waterwereld wordt al diepzinniger – Water, 'de oersprong' – Erg eb, 'de pier ligt er dood bij'.
Mensenleven met levenswijsheid – Crematie, 'ik heb steeds meer vrienden die zijn overleden' 
Wereldwijd ook relativerend – Bijzetting, 'alle vorsten gaan eenzelfde weg, begaapt, door ceremonie omgeven naar hun tombe'. 

 
De Mobiele Vogel    

De beginakkoorden van 
Für Elise 
de merel kent ze 

Inspireerde zijn voorouders 
de componist en zijn ze eeuwen 
op drift vanuit Wenen 

Of groeide hij op in West 
nabij een elektronische 
sample van Beethoven 

De mobiele vogel met 
zijn GSM-zangstem  
neemt mij in de maling 

Die vogel imiteert  
werkelijk te gek maar 
ze hebben mij gebeld 

Mijn displaytje meldt 
'Een gemist gesprek'  

 

"Bronwater" - Stadsnatuur 

Ik ben een graspol

 

Losgeslagen door de regen 
drijf ik op het water 
Stroomafwaarts steekt 
een gestrande tak die 
mij vangt in zijn twijgen 

Kluiten troep spoelen 
aan mijn zijden aan 
We worden een eiland 
Ons eiland wordt landtong 
De landtong slibt dicht 

Samen veranderen we 
de loop van de rivier 

 

"Bronwater" - Waterwereld  

 

 
Heldinnetje 

Mijn kleine zus is 
de grote durfal 
 was zij als kind al 
Zij zwemt ver in zee 

Zij reist zomaar 
naar vreemde plaatsen 
om daar te kijken 
wat er zoal is 

's Nachts gaat ze alleen 
feestend over straat 
Overal gevaar 
Ze weet 't maar ze gaat 

"Bronwater"  - Mensenleven  

"Bronwater" gaat over de schijnbaar onbelangrijke en over de belangrijke dingen in het leven, op lichtvoetige maar zeker niet op lichtzinnige manier gebracht. 
Dat Ozon zich afzet tegen het old-boyscircuit, dat helaas ook in dichtersland bestaat - die mensen die elkaar over en weer recenseren en promoten - dat siert haar ook. Kortom, de lezer heeft het al begrepen: Ozon is niet alleen een dichter, maar ook een mens naar mijn hart. 

John Zwart. 
© Hernehim Cultuur, 24 mei 2005. 

 
Diana Ozon, "Bronwater" Gedichten. Uitgeverij Passage, Groningen, 2005. 
Gebonden. ISBN 90 5452 1287 . NUR306.  
 
Zomerhitte op Texel en kippenvel in Parijs -   Bespreking geplaatst 22 april  
 

"Zomerhitte" van Jan Wolkers  versus "Een Liefde in Parijs" van Remco Campert. 

Twee bijzondere liefdesverhalen gelezen, één van eind 2004 dat evenals het andere, het boekenweek geschenk van 2005, bij De Bezige Bij verscheen. 
Als ik moet vergelijken zou ik "Een Liefde in Parijs" toch een beter boek noemen dan "Zomerhitte", al mag die vergelijking eigenlijk niet worden gemaakt. Remco Campert heeft in alle vrijheid geschreven, Jan Wolkers had de taak op zich genomen om in tien maanden tijd zijn boekje, dat voor groot publiek is bedoeld, het licht te laten zien. 

"Zomerhitte" heeft een dun verhaaltje, het schema valt makkelijk op te zetten: drugssmokkel tegen 't decor van het volkse zomerse uitgaansleven aan de kust, met als 'pièce de resistance' een sexy gangstermeisje. Een boekje vol van actie dat makkelijk weg leest en dat is natuurlijk wel een pré voor een boekje dat aan jan en alleman cadeau wordt gedaan. Zwak is het dat een echte 'clou' ontbreekt, al vèr van tevoren doorzie je hoe alles in elkaar steekt, lang voor het einde verslapt de spanning. 
"Een Liefde in Parijs" kent minder actie, maar veel reflectie. Al lezend in de roman ontwikkelen zich wel vermoedens, maar de details van de ontknoping komen pas in de laatste bladzijden aan bod. 
Campert vertelt zijn verhaal tegen de achtergrond van het verleden van zijn hoofdpersoon Richard, die met al deze 'flash back' episoden steeds meer inhoud krijgt. 
Wolkers werkt enkel een bijfiguur uit, de ex privé-chauffeur Frederici, de meeste karakters blijven vrij oppervlakkig zelfs de naamloze hoofdfiguur waarin we de schrijver zelf zouden willen herkennen. 

In Wolkers' boek valt een zekere strijdigheid in de persoonlijkheid van die hoofdpersoon op. 'Ik', de geslaagde fotograaf (Wolkers?) lijkt een man met inhoud: natuurbetrokkenheid, empathie met de mensen om hem heen en hun 'verhaal'. Het liefdesverhaal dat daar doorheen is geweven komt er niet mee overéén. Waarom valt hij meteen als een blok voor dat meisje dat hij op het naaktstrand beloert? Met haar masturbatieshow direct bij hun tweede ontmoeting geeft ze niet de indruk erg kieskeurig te zijn met wie ze haar intimiteit deelt. 
Waarom doet hij dan toch zo denigrerend en vóóroordelend naar de twee andere meisjes achter de bar in de discotheek, omdat ze op de jonge vakantiegangers geilen? Terwijl hij dat ene meisje, dat hem vertelt privé sexshows te geven voor een oude man, een bijna verheven status toekent. Hij had ook kunnen bedenken dat voor een ontwikkelde intelligente jonge vrouw nog wel andere manieren beschikbaar zijn om aan studiegeld te komen dan het verlenen van hand- en spandiensten aan drugssmokkelaars. 
Ongerijmd, of geeft Wolkers ons hier de boodschap dat verliefdheid écht blind maakt? 

Het boekenweek geschenk van 2005 is gedrukt op chloorvrij ongebleekt recyclingpapier. Herkennen wij daarin de wens van de schrijver? Mocht ik interviewer zijn komen zulke vragen bij me op om aan Wolkers te stellen. Niet wanneer er nu eens 'n boekje komt waarop we zijn blote Karina eens van de vóórkant mogen zien. Evenmin interesseert mij zijn privé opinie over al of niet aantrekkelijkheid van schaam- en okselhaar of juist het afscheren daarvan. 
Het valt op dat er vrij weinig commentaar wordt gegeven op dit boekenweek geschenk. Wil niemand er zijn vingers aan branden? Is de bijna 80-jarige Wolkers zo onaantastbaar geworden dat, als hij een matig boekje heeft geschreven, ieder er maar liever over zwijgt? In de Volkskrant houdt ook Arjan Peters zich handig op de vlakte, hij schrijft een groot artikel als interview en kan daarin voornamelijk de oude schilder/beeldhouwer/schrijver zélf aan het woord laten. Een pracht foto erbij met de nog altijd sexy Karina op de achtergrond rondt het geheel smakelijk af. 
Wolkers, samen met zijn veel jongere vrouw begint langzamerhand een mythe te worden en zoiets staat een kritisch oog op den duur in de weg. Hoewel ik een bewonderaar van veel van zijn creativiteit ben wil ik oog houden voor kwaliteitsverschillen.
Natuurlijk, echt slechte lectuur is "Zomerhitte" beslist niet, al haalt het niet bij zijn andere werk. Niettemin moet ik bekennen dat ik het boekje vlot in twee avonden uitlas, dat is wel wat anders dan enige jaren geleden, toen "Woede" van Salman Rushdie als geschenk werd gegeven.  

En ach, misschien doet de oude Wolkers ons in zijn boek als ervaringsdeskundige nog een tip aan de hand: als je vrouw een heel stuk jonger is dan jezelf, en je wordt langzaam maar zeker ècht oud, dan kun je misschien samen nog veel plezier hebben met naar elkaar te kijken. 
Enne.. niet klagen hoor Jan, dat het zo vaak weer over seks gaat terwijl het over je werk zou moeten gaan, je praat er immers zelf zo graag over. (Volkskrant 'Cicero' 4 maart) 

Lees ook "auteurs": Jan Wolkers

© John Newswatcher  - 12 april 2005

 

 
Requiem voor Joshua -   Boekbespreking geplaatst 17 maart 
Deze maand verscheen alwéér een poëzie bundel van één van de HC dichters. 
John Zwart las de bundel "Requiem voor Joshua" van Marianne Som, uitgegeven bij De Distel te Brussel, maart 2005. 

Het boek toont ons op het omslag de foto van een Schots merenlandschap onder een bewolkte, maar toch lichte hemel. Geen levend wezen in het verschiet. Afhankelijk van onze stemming kan zo'n landschap positief of negatief werken. Zijn we somber gestemd, kan deze stille verlatenheid, zonder zon, neerdrukkend werken. Voelen we ons goed werkt de aanblik van de open vrije ruimte zonder menselijke aanwezigheid opwekkend en bevrijdend. 
Dit besef werkt door tijdens het lezen van de gedichten in deze bundel. Zij bestaat uit drie delen: 1 De grote trek (een inleiding van drie gedichten), 2 Aqua incognita, 3 Pleroma. 

De meeste gedichten uit het gedeelte Aqua incognita zijn treurig stemmend. Daarbij zou de raad moeten zijn: lees gedoseerd, leg de bundel regelmatig enige tijd terzijde. 
Mooie metaforen die ons kunnen ontroeren, zoals in 'Het breken van de voren' "… uren waarin geen woorden… / waarin mijn lege handen / gebrokenheid wiegen … " 
Evenals in het gedicht 'Op verbeurde grond' "… Ik ben de halm die / na de oogst / vergeten op het veld … " 
Minder geslaagd vinden we 'Op de scheidslijn' "Door de plooien van vandaag lekt / diepe regen in / mijn zwarte klodder hart … "  

Pleroma ademt duidelijk een optimistischer sfeer. We noemen weer een paar treffende citaten. 
Uit 'Niet alleen in letters ken ik je naam' " … Laat deze droom het daglicht niet beroeren. " 
En in 'Het vuur wijst de weg' schrijft de dichter zeer origineel "… Pas als het gras / niet meer durft groeien, / ontwaakt de maretak. … " 
Ook uit het titelgedicht 'Pleroma' citeren we graag enkele regels " …Ik wil je / meer dan man, veel meer / dan blikken, bronst en buik, … " 
Tenslotte nog de eerste strofe van 'Vervlogen ijlheid' "Ik ben de holle bamboe; / de doorgangsweg / voor flarden / fluisterriet. … " 

Hier en daar valt een bijzonder taalgebruik op. Beelden worden geschetst in heel korte zinnen zonder werkwoord: "Aarzelend, bloed langs dorpels." "Slierten pek als kronkelende slangen." "Verminkte woorden op de muur".  
Zoals we soms, luisterend in een gesprek, reeds in ons hoofd van 'n begonnen zin de voltooiing horen, laat de dichter ons hetzelfde doen door gecomprimeerde zinnen neer te schrijven: "Ik hunker naar de woonplaats waar de bloedband", "Ik ben de halm die na de oogst vergeten op het veld" en "schatplichtig aan de akker die opnieuw geploegd."  
In nagenoeg alle gedichten wordt getracht door middel van natuurbeschrijvingen tot het diepste van het innerlijk te geraken. 

 
Het vraagt veel van de lezer om deze bundel geheel te doorgronden en daarmee ten volle te genieten, toch willen we zeker niet spreken van minder toegankelijke poëzie. Sommige gedichten doen zelfs op een heel directe wijze onze inleving ontwaken. 
Graag noemen we vier titels om de gedichten aan te duiden die we als het meest aansprekend hebben ervaren: "Het breken van de voren", "Getemperd ongeduld", "Wedstrijd op smalle weg" en "Pleroma". Twee ervan volgen hieronder. 
 

Het breken van de voren 

De stenen in je ogen en 
het staaldraad om je mond 
schrikken mij niet meer af. 
In tijden van tegenspoed 
is het lawinegevaar groot 
en staat de ophaalbrug op scherp. 
Met de lading in mijn schoot 
een pad plaveien 
lijkt het beste, waar je 
mij telkens ontglipt 
naar jouw spelonkachtig verblijf. 
Eén bliksemschicht en 
kiezel wordt gentiaan, 
ijzer verbogen tot edelweiss. 
Sterrenmoment – 
Onwrikbare opmaat naar de 
uren waarin geen woorden, 
de uren zonder gezicht, 
waarin mijn lege handen 
gebrokenheid wiegen en 
het liefste teruggeven 
aan duizend nuances rood. 

 

Pleroma 

Hier is de kapstok, hang je 
zwarte jas. Ik wil je 
meer dan man, veel meer 
dan blikken, bronst en buik, 
dan vastbesloten zee van schuim en vlok. 

Nee, zoek mij 
op de witte weg, 
herinner mij lichtjaren her, 
doordrenk mij 
met je dromenspel. 

Jouw smetteloze spiegel kerft 
de scherpe pijn, het losgesneden zijn. 
Ik wil je twee, 
je stenen en je brood. 

Heb aan de poort geen haast, 
maar deel met mij het zilverlicht. 
Noem mij, bewaar 
voor morgen, lees mij van 
de bloesemknop die durend water vraagt. 

 

 

"Requiem voor Joshua" is een boeiende bundel van gelaagde poëzie. 
De bundel ziet er verzorgd uit en is gedrukt op een uitstekende papierkwaliteit. Jammer vinden we het dat er voor zo'n ongebruikelijk formaat werd gekozen. Het ware beter geweest aan het handzamer A5 de voorkeur te geven boven het wel wat erg grote A4. 
Uitgever: De Distel – 1083 Brussel. België. Met een achterflaptekst van Iris Van de Casteele. CIP Koninklijke Bibliotheek Albert I, B-1000 Brussel D/6165/2005/01 

 

© Hernehim Cultuur. John Zwart. 15 maart 2005. 

 
Dichter op spoor - De Gedichtendag regionaal - geplaatst 29 januari 2005
Via het informele circuit was me ter ore gekomen dat evenals NS (of in navolging ervan?) de exploitant van het Noordelijk regionale spoorwegnet NoordNed een dichterstrein zou laten rijden op het traject Groningen-Leeuwarden, op 27 januari de Nationale Gedichtendag. 
De poëzietrein kreeg zijn begin op het Groninger hoofdstation en er was een tussenstop voorzien in Buitenpost, waar de dichters Atze van Wieren en Matty de Vries zich bij het Groninger dichtersvolk zouden voegen, daarna zou de reis worden voortgezet  naar Leeuwarden. In de Friese hoofdstad was een programma van een vol uur georganiseerd, vervolgens zou de trein weer terugrijden via Buitenpost naar Groningen. Zo had ik het begrepen. 
 
Het leek mij zeer de moeite waard, er zouden diverse dichters die op HC publiceren aan meedoen, naast de twee eerder genoemden vielen de namen André Degen, Rense Sinkgraven, Nina Werkman. Voor mij is het maar iets meer dan een halfuurtje rijden naar Leeuwarden, dus dáár moest ik bij zijn. 
Nog voor de trein binnenliep stond ik al op het perron. Ik had een visioen van een feestelijke trein, beplakt met kleurige wervende posters, een paar versierde coupés als rijdend domicilie der poëten, misschien zelfs een herkenbare aparte hele poëziewagon. 
Dáár kwam de trein en niets van dit alles, het standaard korte treinstel liep binnen en braakte een flink aantal forenzen uit op vroege thuisreis; niets feestelijks duidde erop dat hier iets bijzonders aan de hand was. En wie er al uitstapte, géén Atze van Wieren, noch Nina Werkman, nee, niemand waarvoor ik op de uitkijk stond bevond zich onder de passagiers die zich haastig een weg naar de uitgang baanden. Ik toog maar naar de stationsrestauratie, helaas dat bleek verkeerd. De Stichting de Muze had zich terzijde in de stationshal voor de ingang van de AKO kiosk opgesteld. 
Toen gelukkig een aangename verrassing: ik ontdekte Tsjebbe Hettinga in het kleine groepje dat zich bevond bij de microfoon voor een campingtafeltje met uitstalling van folders en een verzameling bundeltjes. Tsjebbe moet je gehóórd hebben, het is niet voor niets dat hij zijn gedichten in tweevoud: in een bundel én op CD uitbrengt. Tsjebbe dicht en draagt voor in een bijzonder soort Fries. Als ik mijn Friese buurman op zijn gebruikelijke luidruchtige manier een gesprek hoor voeren vanuit de achtertuin, klinkt het in mijn oren alsof hij voortdurend ruzie maakt. Maar als ik Tsjebbe hoor spreken, klinkt er een prachtige zangerige taal in mijn oren die je helemaal laat wegdromen op een bijna archaïsch klinkende muzikale stem die je onweerstaanbaar meetrekt op een soort odyssee, die je boeit zelfs al versta je maar de helft. 
Nergens een stuk papier, hij sluit zijn ogen en draagt voor alsof het zo moeiteloos aan zijn brein ontspruit. Dan kun je luisteren en de storende omgeving geheel vergeten. 
 
Ik moet eerlijk zeggen dat geen van de andere Friese dichters die ik na Hettinga hoorde daarin op enigszins vergelijkbare wijze slaagde. Het was dan ook een hoogst ongelukkige setting, een galmende hal waarin voortdurend stromen reizigers door het beeld liepen zonder enige affiniteit met wat daar gebeurde. Na enige tijd voegde zich een jong paar bij het kleine groepje toehoorders dat een schattig kleutermeisje bij zich had -  ze maakte telkens kraaiend ongeremde rondedansjes vóór de stoïcijns pratende dichters. Toen kondigde de presentatiedame aan dat er een extra voordracht werd ingelast: de nieuw gekozen "Leeuwarder Stadsdichter" bevond zich in ons midden! Ja, ja, Leeuwarden blijft niet achter in de vaart der volkeren. Arjan Hut bleek de jonge vader van de levenslustige kleuter te zijn, die tijdens de voordracht van pappa door mamma gesust werd en op de arm genomen. Als pappa voorleest moet je wel even stil zijn...
Ik moest opeens denken aan de opmerking die iemand in een cynische bui eens naar mij maakte: "De meeste dichters horen eigenlijk liever alleen maar zichzelf". 
En toen liep er weer een trein vanuit Groningen binnen, die een minuut of zes later weer zou vertrekken, mét Ronald Ohlsen en misschien nog een paar Friese dichters op weg naar Groningen, dáár waar het rond het middaguur allemaal begonnen was.
Wou ik nu nog meerijden? Nou nee eigenlijk niet.
Razendsnel werden folders en bundeltjes ingepakt, microfoon en tafeltje ingeklapt. Of ik nog een bundel kon krijgen? Alles al in de doos. Maar gelukkig nog niet dichtgeplakt, alsjeblieft: vijftien euro graag… Goeiedag! 

In Rotterdam signeerde Gerrit Kouwenaar bij Van Gennep "de" Gedichtendagbundel, voor de gelegenheid aan te schaffen voor één euro vijftig. Voor een bloemlezing treingedichten, gesponsord door NoordNed, VSB Fonds, Gemeente Leeuwarden en het Prins Bernhardfonds moet het tienvoudige worden neergeteld. Hoezo "de poëzie dichter bij het brede publiek brengen"? Op die manier werkt dat zeker niet, het brede publiek koopt de Da Vinci Code wel voor zijn geld. 

John Newswatcher 
© Hernehim Cultuur. 28.01.05 

 

Een van de gedichten 

Visvliet

 

Wat zoek je, reiziger.

Ik zoek een opstapplaats.
Ik draag een koffer
vol met nieuwe namen,
een hart dat overslaat,
een popelend paar voeten
en een hoofd
dat overal naar staat

Een opstapplaats...

Hier bleef alleen een sein
dat soms van kleur verschiet,
een stille weg die op zijn tijd
rinkelend in tweeën splijt,
en grijze schakelkasten waarin
alles wat gebeuren gaat
besloten ligt.

Atze van Wieren

'Dichter op spoor', uitgegeven door Stichting 'De Muze' Appingedam. ISBN 90-808723-2-6
70 Gedichten op reizen, het spoor, het Noorden, van bijna evenzovele verschillende dichters. In het Gronings, het Fries, vertaald of origineel geschreven in het Nederlands. € 15,oo. 

 
Soms Vaak - van Judith Herzberg - Over een Recensie - geplaatst 21 januari 2005
Judith Herzberg (1934), een dichter die allang haar kwaliteit heeft bewezen. Haar eerste gedichten publiceerde zij in "Vrij Nederland" in 1961. Daarna volgde een aantal sterke bundels, zoals "Zeepost" (1963) en "Beemdgras" (1968) bij van Oorschot. De bundel "Botshol" ontving de Jan Campertprijs in 1982. 
In 1994 werd een bloemlezing van de poëzie die zij tot dan toe in haar inmiddels zestigjarig leven schreef uitgegeven bij Rainbow: "Doen en laten". 

In "Jerusalem", dichtte zij als een impressionistische schilder :

"… Stad die 's nachts niet onder zwart / verstart maar oplost in een roes / van geel en roze / tot lamp voor lamp en één voor één / een punt wordt dat haar vastpint…." 

In "In deze gelukkige jaren", is ze beducht voor de bedreiging van 't landschap en de natuur:

"… In dit ons landschap, ieder jaar / karteliger van profiel door / opslag, afslagplaatsen en fabrieken, / in deze onze zee die leger wordt aan leven …" 

Ze hield zich niet alleen bezig met gedichten, maar schreef ook theaterstukken en een roman "Charlotte", welke werd verfilmd. Haar staat van dienst op literair gebied vond definitief erkenning in de bekroning van al haar werk met de P.C.Hooftprijs in 1997. 

Inmiddels is Judith Herzberg zeventig jaar oud en ze laat nog steeds van zich horen. 
Vlak voor de laatste jaarwisseling, in december 2004, zag een nieuwe bundel het licht bij uitgever "De Harmonie".  
Schreef zij tot in de jaren 80 vooral gedegen gelaagde gedichten, in de laatste decennia dwaalde Herzberg geregeld af naar kortere eenvoudiger gedichten. Misschien zocht zij aansluiting bij een andere lezersgroep. In de ogen van sommigen is dit poëzie voor het "mindere circuit", maar daarover mogen de meningen verschillen. 
Ikzelf kom altijd in opstand wanneer een zure criticus de term "zondagsdichters" gebruikt. 
 
De zee  

De zee kun je horen  
met je handen voor je oren,  
in een kokkel,  
in een mosterdpotje,  
of aan zee.  

Niets meer  

Hoe is dat zo geworden  
Van altijd komen slapen  
Tot nooit meer willen zien?  

 
De nieuwste bundel draagt de titel "Soms Vaak". Piet Gerbrandy (de Volkskrant) heeft er geen goed woord voor over: "Staan er dan helemaal geen goede gedichten in deze bundel? Inderdaad, niet één". Hij gaat zelfs zo ver om niet alleen de bundel maar ook de maakster te denigreren door te stellen dat er erkende grootheden zijn en dichters die in plaatselijke sufferdjes publiceren. Waar een enkele keer de zondagsdichter in de loop van zijn carrière tot het erkende circuit weet door te dringen,  bewandelt Judith Herzberg in de ogen van Gerbrandy de omgekeerde weg, zij "die vroeger heus wel eens een paar goede gedichten heeft geschreven … moet ondergebracht worden bij het slag dichters dat alleen nog emplooi vindt in de afdeling light verse van het tijdschrift De Tweede Ronde". 
Is het mogelijk dat dit een serieuze kritiek is over het nieuwste werk van een meervoudig bekroond dichter, en hebben dan noch uitgever, noch Herzberg zelf bemerkt dat zij langzaam is begonnen te lijden aan geestelijke ouderdomsaftakeling? 
Aan de vooravond van de Nationale Gedichtendag kunt u dit voor uzelf beoordelen. Judith Herzberg is gastspreker bij "Eindig Laagland" in Cultureel Centrum Corrosia te Almere, op woensdagavond 26 januari. Misschien komt u tot de conclusie dat Piet Gerbrandy bij het schrijven niet heeft bemerkt dat hij zich een glas azijn had ingeschonken terwijl hij in de veronderstelling verkeerde dat 't een glas wijn was. 
 

Terug 

Na alle toekomst die hen van elkaar vervreemdde, 
- zij kon zich, los van hem, met nieuwer ander wensen – 
is nu de avond weer bij hen terug en weer tevreden. 

Zijn hoofd ligt op haar buik terwijl haar hand 
afwezig dwaalt over zijn haar, meer hooi dan 
gras nu, en zijn zwaar hoofd, vertrouwd sinds jaren 
her toen hij zijn hele zelf met zijn verval 
hoopvol voor haar heeft ingezet. 

Nu ligt hij met vervaagd belang 
te wachten hoe het verder met hen gaat. 
Maar toch is hij het die in het boek 
waarin zij samen kijken, de bladzijden omslaat. 

Judith Herzberg 

John Zwart – © Hernehim Cultuur. 21.01.05 

 

 
'Ontheemdes', een poëziebloemlezing - Recensie 26 december 2004 
Doet de eerste, vluchtige aanblik van deze bundel denken aan een kleurrijk verpozen van een lezend en luisterend gezelschap, onmiddellijk hierna schuift een ander plaatje voor de lens: het is nacht en het regent.
Het schouwspel op de frontpagina reflecteert de titel van de verzamelbundel. Zo vormen het beeld en het geschreven woord een fraai geheel. 
Lina Spies verzorgt de opening met het titelgedicht ‘Ontheemdes’ en maakt hiermee de regen en de nacht zichtbaar en voelbaar. 
In dit gedicht voert zij het dier, en daarmee ook de mens, terug naar zijn oerstaat: het leven en de liefde in de vrije natuur van Afrika, maar ook de zorg voor en om het nageslacht, die dit met zich meebrengt. 
Geen groter tegenstelling dan ditzelfde dier in gevangenschap in een West-Europese dierentuin: het hoeft zich geen zorgen te maken om zijn voedsel en om zijn kroost, maar het heeft niet de ervaring van de natuurlijke staat van zijn. De prijs die wordt betaald, bestaat uit het leven temidden van kunstmatige rotsen en riviertjes.
..........
Ons is ’n klipgooi ver 
Verwyder van mekaar 
Maar sy sal nie ontsnap 
Uit haar skynhabitat 
- die kunsmatige rotse en stroompie oorskry - 
Om onder ’n fel son 
Haar langs haar maat 
In ’n skadu uit te strek 
En in die bar woestyn 
Haar kleintjies te beskerm teen gevaar.
Ook in ‘Ruimtereis’ maakt Lina Spies een afweging van de tegenstellingen, in dit geval tussen een persoon die haast heeft en iemand die de tijd neemt.

.......... 
En ek - deur swaartekrag 
Geanker en bevry - 
Dartel by die onverwagse aanblik 
Van dié vlugtige skildery. 

Ontheemden zijn wij, ontheemden blijven wij, waar we ons ook bevinden. 
De toon is gezet. 

We maken een reuzensprong en komen vervolgens aan bij de Nederlandse dichter JohnN (pseudoniem van John Zwart). Op zijn kindertijd is WO II van grote invloed geweest, hij werd gegrepen door de niet te bevatten consequenties van de toestand 'oorlog' versus 'vrede'. 
Als volwassen man gaat hij later de confrontatie aan met de vraag wat maken we van 'n toestand van vrede nadat een oorlog eenmaal voorbij is? 

Uit ‘Knagend’:

........ 
onmogelijk kan ik 
vragen of ook zij 
de prairiehond kent 
die met trage tanden 
knaagt in de holte 
van ons lijf... 
een lege kamer vult 
verstikkend vol 
met delend 
zeer. 

raak mij niet aan! 
dit is te teer. 

Vanaf de jaren zestig begon John de wereldzeeën te bevaren en begon zijn betrokkenheid bij natuur en milieu zich sterk te ontwikkelen.

Uit ‘Zeedistels’: 

hoog bovenop het duin
komt je alles overheen
ranselende stormen
dekken met korsten zout

 
..........

is daar je element,
wie daar nog kan gedijen
is aan de zee verknocht
en met de kust vervlochten.

Nieuw, pril geluk vindt een uitweg in het gedicht ‘Ode aan Groningen’, waaruit de ontroerende regels: 

.......... 
jij in je blije zomerjurk 
en ik in verlegenheid, 
.......... 
..........wat wisten wij 
van het geluk dat bij ons was, 
we waren jong, heel jong nog 
en bovenal heel bang. 

 

Terug naar Afrika, waar Basie Duvenhage in een drietal scherpe, imponerende gedichten gewag maakt van zijn getormenteerd gemoed, waar het gaat om de wantoestanden in zijn vaderland. 
Als eerste zet Duvenhage in ‘Saartjie Baardman’ de uiteindelijke gevangenschap van de westerse wereld tegenover de ontmonsterde vrijheid van Afrika. 

..........
Kind van Afrika 
luister; 
trap vanaf die hoogtes met 
jou eie stature afmetings 
en vertel verlos 
vanuit ’n oop hand 
prominent, soos argus oë, 
die waarheid; ontbloot; 
oop 
soos die son en die wind in 
die karos van die reën 
aan die voetbank van Afrika. 

Vervolgens beschrijft hij in ‘Die Hex se bloed is met onskuld gemeng’ op schrijnende wijze hoe hij, ondanks alle onrecht en pijn die de mensen van Zuid-Afrika ten deel vallen, verknocht is aan zijn geboortegrond: 

weer en weer word ek met die
wynstok geslaan
hier op die koue sementvloer
van my swaarkryhuisie
sonder sy eie kraan
..........
ek is met die wynstok geslaan
my bene kry swaar om
die aarde stil te hou
..........
ek is uit die wynstok gebore
die druif se bloed is met
myne gemeng
die pyn is diep;
..........

In ‘Die onvoltooide Ekliptika’ loopt in oktober, de mooiste maand van het jaar, een vader met het overlijdensbericht van zijn zoon in de hand. De strijd voor de mensenrechten is onafzienbaar. De kleinheid van de grote wereld staat hier tegenover de grootheid van de binnenwereld. 

.......... 
o die pyn-gedagte: my kind is dood 
droef Totius 
deur die getypoel het jy ook gestrompel 
die oë met die gesigte spreek daar 
niks nie van 
die Here alleen weet dat pyn soos 
galwyn sonder ophou kruisig 
so onnodig 

.......... 
geagte meneer die ewige parakompartementele landmeter 
geografies sal u die graf vind aan die eindpunt van
 
Stockenstrom vir beginsels van die volkereg 
.........

 
Dan valt de beklemming die Duvenhage heeft opgeroepen, abrupt van ons af en belanden we in rustiger poëtisch vaarwater tot en met het einde van de bundel. 
Het is even wennen, dat we in ‘Appels kopen’ van de Nederlandse - Friese Tsead Bruinja comfortabel mogen leunen tegen de lichtvoetigheid die ons wordt geboden:
..........
als zij naar het danshuis gaat
draagt ze een mand vol rode wangen
daar aan haar zongekleurde armen
bedelen kindmannen hangend
om watervrucht mee naar dakhuis dak
..........

In ‘Tong’ zegt hij het zo: 

wat ik wens
een helder hart
voor een donkere nacht
oren die stoppen met huilen
luisteren naar het dommelende schip
lied dat weer aan lippen
toekomt
..........
tong wat is je beroep
riet in de saxofoonmond
twijfelhart in rode torsowond
tango die in bloedhoofd woont

tong wat is je beroep
tong zeg dat afstand vorm is
tong hef op

 
In het middensegment van de bundel treffen we de dichters Kiwidore Ezau Fillis, Heidi de Klerk, Terence Voight, Anlo van Heerden, Marius Absalom, Sidney Dreyer, Jenna van Doesburgh, Jeff A. Lakey, Kowie Coetzee, Maggie Januarie, Thea van Jaarsveld, Gerhard Marais, Basil Krieger, Lovina van Greunen en Johann de Jager. 
Zij schrijven ieder op hun eigen wijze over lijden, luchtkastelen, jeugdherinneringen, het verloop van de seizoenen rond de bergen en vlaktes van het Zuid-Afrikaanse landschap, de hoop op een goede toekomst voor jonge mensen. Het zijn gedichten die aanspraak maken op een sterke empathie van de lezer, gedichten die ontroering oproepen. Het is toegankelijke poëzie. Het vuurwerk, dat het begin van de bundel kenmerkt, is hier niet meer aanwezig. In het kader van deze bespreking zou het te ver voeren, deze gedichten stuk voor stuk de revue te laten passeren. 
De rij van dichters wordt gesloten door Floris Abraham Brown met het gedicht ‘Soos jy wil’, dat in de Zuid-Afrikaanse taal, in het Nederlands en in het Fries is neergezet. Tsead Bruinja tekent voor de beide vertalingen. 
Een korte inleiding hierbij door JohnN (Nederlands) en Tsead Bruinja (Fries). 

Soos jy wil 

ek sal altyd vir jou wag
soos die wolf,
skugter
op ‘n afstand bly
voordat hul gryp of byt
op ’n afstand bly tot jy
die teken gee vir neem
..........

Vertaling in het Nederlands: 

Zoals je wilt

ik zal altijd op je wachten
zoals de wolf,
schuchter
op een afstand blijft
voordat hij grijpt of bijt
op een afstand blijven tot jij
het teken geeft voor neem
 ..........

Vertaling in het Fries: 

Sa’tsto wolst

ik sil altyd op dy wachtsje
lykas de wolf,
skruten
op in ôfstân bliuwt
foardat se gripe of bite
op in ôfstân bliuwe oantsto
it teken joust foar nim
 ..........

 
Veel gedichten uit deze verzamelbundel hebben een sterk religieuze inslag. Op een enkele plaats vindt expliciete verwijzing naar een passage uit de Bijbel plaats. Doet het lijden in deze wereld, het lijden aan deze wereld, de dichter verlangen naar een plaats waar hij niet meer ontheemd is, naar een plaats waar hij zich thuis mag voelen? 
Soms maakt de dichter gebruik van een rijmschema, maar vaak schrijft hij zijn pennenvruchten neer in vrije versvorm. 
In de bundel is sprake van een samengaan van jeugdige verkenning tot diep doorleefd verdriet. 
Onder de zachte, ronde duidelijkheid van de Zuid-Afrikaanse taal wordt de scherpte van het onrecht en van het lijden des te pijnlijker gevoeld. 

Het met aandacht lezen van een verzamelbundel van 20 dichters vraagt een voortdurende aanpassing van het gemoed en telkens de herziening van de eigen startpositie. 
Het is geen bundel waarin je gedurende korte tijd onderduikt, om na lezing verstild, verkwikt of tot in het diepst van de ziel aangedaan weer boven te komen. Het is een boekje om op de hoek van de salontafel te leggen, bij gelegenheid ter hand te nemen en de 20 dichters één voor één aan het woord te laten. Eerst zo komt elkeen tot zijn recht. 
Jammer is, dat de interpunctie veelal onzorgvuldig is. Ook is hier en daar in de beschrijving van biografieën sprake van slechtlopende, enigszins rafelig aan elkaar gebreide zinnen. 
Een enkele maal vinden we een ronduit storende taal- en zetfout. 

Ontheemdes – Breedevallei Dichters, Poëzie Nacht van die Muse, Volume II – 2004: 
De moeite van het lezen meer dan waard! 

Samenstellers: Lina Spies & Floris Brown. Omslagtekening: Johann de Jager. 
Foto Lina Spies (c) Foto Studio Lockley 
ISBN 0-958471-61-4 Bestellen in Europa via Hernehim Cultuur à € 9,00 plus verzendkosten 

© Marianne Som  -  19 december 2004  

 
Terug in de baarmoeder Slauerhoff regionaal? - Beschouwing 1 september 2004

Soms zou je wensen dat het voor auteurs en andere kunstenaars nog een enkele keer mogelijk wordt gemaakt om ná hun dood hun stem te laten horen, bijvoorbeeld wanneer er iets gebeurt waarmee ze het tijdens hun leven helemaal niet eens zouden zijn geweest.
Dan moet er maar iemand anders voor die overleden grootheid in het strijdperk treden. 

Nu is er een jonge zangeres – prachtige stem, dáár niet van – met een grote liefde voor de taal van haar geboortegrond, het Fries – mag óók, niets mis mee. Maar ze hoorde een CD van Cristina Branco en vond die zo mooi, dat ze opeens Portugese fado wilde zingen. 
'Cristina Branco canta Slauerhoff' stond er op die CD, en toen ze die nader beschouwde bleek het om poëzie van de dichter Jan J Slauerhoff te gaan. Poëzie die bewerkt werd tot teksten voor de fado. 
Nynke Laverman – want zij is die zingende jonge Friezin – dacht toen opeens haar bewondering voor de klanken van de fado èn haar liefde voor de Friese taal te kunnen combineren door Nederlandse Slauerhoff poëzie in het Fries te vertalen en vervolgens op die muziek van Branco als fado te gaan vertolken. Dit nu had de dichter Slauerhoff nooit toegestaan. 

Vanaf zijn prille jeugd had Jan Slauerhoff een enorme vrijheidsdrang, waarin hij zich afzette tegen Friesland, dat hij als zeer burgerlijk en bekrompen bestempelde. Eigenlijk vond Slauerhoff Nederland al te klein om in te leven. 'In Nederland wil ik niet sterven, / En in de natte grond bederven / Waarop men nimmer heeft geleefd' 
Op 18 jarige leeftijd verruilde Slauerhoff Leeuwarden voor Amsterdam om zich nooit meer opnieuw in Friesland te vestigen, wèl in Utrecht, Rotterdam, Den Haag, Parijs, Ned. Indië, Tanger, Merano, de lijst is eindeloos. 
In zijn jeugd werd thuis geen Fries gesproken. En hij schreef nóóit in het Fries. 
Het enige Fries dat hij ooit sprak was het gekscherende: "In tûtsje, in tûtsje..*", als hij in Amsterdam aan Annie Grimmer** de weg op de trap versperde. 

Slauerhoff had een gretige belangstelling voor andere culturen. Dat was mede zijn drijfveer om een zeevarend beroep te kiezen, terwijl dit voor zijn gezondheid eigenlijk een slechte keuze was. China, Portugal en Zuid-Amerika fascineerden hem. Hij leerde zich voldoende kennis aan van het Spaans om in staat te zijn werk van bewonderde Spaanstalige schrijvers en dichters te vertalen naar het Nederlands. 
Hij correspondeerde met Spaanstalige vriendinnen en vrienden in het Spaans en bediende zich ook vaak van het Frans, publiceerde zelfs een bundel originele Franstalige gedichten: "Fleurs de Marécage". "Om een groter lezerspubliek te kunnen bereiken". 
Slauerhoff was het tegenovergestelde van een navelstaarder, zijn blikken waren voortdurend naar buiten gericht. Zijn aard ontwikkelde geleidelijk naar weemoedig, wat ook verklaarbaar is als je bedenkt dat hij zich voortdurend bewust was van zijn broze gezondheid en slechte levensverwachting (hij stierf op 38 jarige leeftijd). 
Vanuit zijn geaardheid voelde hij een grote gevoelsverwantschap met de Portugese volksmuziek. Zowel de fadoklanken als de teksten ervan lieten niet na hun invloed op zijn poëzie uit te oefenen. 
'Ik bewandel 's middags de prado's / En 's avonds hoor ik de fado's / Aanklagen tot diep in den nacht' / …
'Ben ik traag omdat ik droef ben, / Alles vergeefsch vind en veil, '/ …
(Strofen uit Soleares - JZ)
'Het is niet dat ik het leven niet bemin. In mijn werk uit ik vaak mijn weerzin tegen de leelijke kanten van de samenleving (wat niet het leven is).'
(Fragment uit een brief aan Heleen Hille Ris Lambers.- JZ) 

Tijdens zijn leven was er voor deze grootse dichter in Nederland maar weinig belangstelling, en in Friesland was er nauwelijks een boekhandel te vinden waar destijds een enkel exemplaar van zijn bundels lag. Postuum kreeg hij pas meer erkenning, maar dat ging allerminst van Friesland uit. Waarom ook? Hij schreef immers nooit Fries. 
Ruim een halve eeuw na de dood van Slauerhoff, in 1990, werd de Portugees José Melo "in zijn Portugese hart getroffen" door de gedichten van Slauerhoff die hij toen voor het eerst las. Van hem ging het initiatief uit om Slauerhoff door Mila Vidal Paletti naar het Portugees te laten vertalen. De Portugese componist Custódio Castelo maakte er de toepasselijke muziek voor. 
Tien jaar later, in het jaar van de eeuwwisseling, kwam de CD van Cristina Branco uit, na de uitgave van "Fleurs de Marécage" was dit de tweede dóórbraak van Slauerhoff's poëzie naar een ander taalgebied dan het beperkte Nederlandse. 

Nynke Laverman doet het omgekeerde van wat Mila Paletti deed. 
Mila opende een nieuwe horizon voor de gebleken grootheid van Slauerhoff. Nynke propt hem tegen wil en dank terug in de baarmoeder. Nynke zou van Slauerhoff moeten afblijven. 
Als Nynke graag fado wil zingen laat ze zich dan aan het Portugese fado repertoire houden, er is méér dan genoeg. Als ze het liefst Fries wil zingen laat ze dan gaan praten met Tsjebbe Hettinga, die schrijft origineel Fries en is nog springlevend. 
Wie weet is hij ook nog gek genoeg om er Friese fado's van te laten maken. 

 

© John Newswatcher
  
Hernehim Cultuur – augustus 2004 

*) in tûtsje – een kusje 
**) Annie Grimmer - de partner van zijn vriend Arthur Lehning 

 
Huisbroei van Job Degenaar - Recensie Iris Van de Casteele -  geplaatst  11 april
Iemand die naar een minuutwijzer zoekt in een hooiberg, en aan geen metaaldetector gekluisterd wil zijn, zal ongelooflijk veel geduld moeten opbrengen eer hij die wijzer gevonden zal hebben. Hetzelfde geduld zal moeten opgebracht worden voor het zoeken naar fossiele haaientanden diep bedolven op ergens een strand.

Tijdwijzers en haaientanden als metaforen om de 'Huisbroei' verzen van Job Degenaar in het licht te plaatsen. Ze wijzen op wat vergankelijk is, en op wat vroeg of laat afgestoten wordt, weze het een mens of een ding. Dat de dichter dezelfde zoeker en vragensteller is gebleven, zoals we hem kennen uit zijn vroeger verschenen bundels, lijdt geen twijfel. Niet één thema tracht hij te omzeilen. Hij wijst meteen zelf de weg naar hoe hij te werk gaat: 

Wachten op een zee 

Een half leven lang
fossiele haaientanden gezocht
langs de vloedlijn van Cadzand:
stil begin tussen rinkelende schelpen
uit de diepten losgewoeld

Komt een man vandaag met glimmende
spade, graaft z'n lichaamslengte diep
naar oude lagen, haalt die op, zeeft ze
en vindt in één middag meer
dan ik in een decennium

Graven en zeven: zou dat nu proza zijn?
En mijn omweg poëzie? 

Graven en zeven. Dat zou de taak moeten zijn van elke dichter. 
Bij de eerste oogopslag valt al op hoe poëtisch en hoe vruchtbaar Degenaar aan het delven is geweest. De gelaagdheid van vele van de gedichten is opvallend. Telkens weer weet hij zijn queeste te ondersteunen door nieuwe ervaringen en ingevingen. Zijn scherpe observaties leiden tot een levenswijsheid die niet iedereen gegeven is. Op pagina 28 staat een gedicht dat meteen mijn volle aandacht opeist: 

 

 

De dichter en de dood

 

 

De zomer wilde niet wijken 
onrustig cirkelden kraaien 
boven hun dichtbevolkte bomen 
en over de grachten hing een blauw 
dat zich met het dimlicht 
van terrassen mengde 

 

 

Vanonder een brug kwam hij gevaren 
steunend op zijn stuurwiel 
met wat verzen als bagage, om 
aan het leven terug te geven 
eer hij in het niets verdween 

 

 

De deining die hij maakte 
stoorde de stilval even 
van een spoor van bladeren 

 

 

Bij het lezen van dit gedicht word ik stil. Ik zou bijna zeggen: doodstil. Hoe vaak en hoe diep moet een mens zich over het leven gebogen hebben om de dood van zo nabij durven te aanschouwen. Wat zo simpel lijkt in dit gedicht is niets anders dan één van de toppunten in de dichtkunst. Het geleefde leven gecondenseerd in drie versregels "met wat verzen als bagage, om/ aan het leven terug te geven/ eer hij in het niets verdween/…". De dichter Degenaar verdwijnt niet, integendeel, levend en levendig zet hij zijn tocht voort. De dood kan wachten. Hierna een gedicht waar je zó zou kunnen aan voorbij lezen: 

Japanse kers, in bloei 

Het geel van korenaren
zo'n aardappelveld dat kwijnt
om ondergronds te zwellen
die rode bessen triomferend
in de winter, hoeveel dieper
dan deze hormonenstunt

Dwarrel maar, bloesem, neer
kalmeer de tuinen met solider groen
stil het licht, leeg de dromen
help ons aan onszelf ontkomen 

 

Op het eerste gezicht wijst niets erop dat dit een gelaagd gedicht is. Een poëziekenner zal er echter niet zomaar aan voorbij bladeren. Hij zal het herlezen tot hij er de diepere betekenis van begrijpt. Hier wordt aandacht gevraagd voor dingen waarmee de natuur gezegend is, of waarmee ze geconfronteerd wordt. De tegenstellingen zijn duidelijk omlijnd. Even twee regels aanduiden: "zo'n aardappelveld dat kwijnt/ om ondergronds te zwellen/". Kan het duidelijker? Kwijnen, jawel, in dagen van tegenspoed of vertwijfeling, maar je weren, en zwellen tot je buiten je eigen oevers treedt; tot je elke tegenslag hebt overwonnen. 

Dat ik me opeens héél persoonlijk aangesproken voel heeft wellicht daarmee te maken dat ik van regen houd, én van zeelui, én van Gauloises die ik zelf niet rook. Zeker heeft het ook te maken met het geduld van paarden, waaraan ik het mijne zo vaak heb getoetst. Hoe goed kan ik mij inleven in het gedicht: 

De komst van regen 

Regen over de vlakke bergen, de wei
het geduld van paarden, de weg die
grijs meandert tussen de bomen

over de ranzige steden, de auto's
de mistige lantaarns, de vrouwen
in hun huizen van bewaring

Regen over de glazen op het terras
de schalen vol lege kreeften
met ontwrichte ledematen

over de klapperende jachten in de haven
de gehaaste paartjes langs de boulevard
de struiken die als stoepgootjes ruisen

Regen over de zeelui die hun netten
schonen en Gauloises roken
tot hun verlossing

over de ramen die gaan golven van
een huis, ver in Holland, dat mij
bewoont en bij de voegen drupt, drupt 

 

Op goed geluk pluk ik hier en daar een gedicht uit de bundel. Ik kan ze wel allemaal lezen, maar niet mijn bevindingen weergeven omtrent elk afzonderlijk, daarvoor is de ruimte te beperkt die mij voor deze beschouwing toegewezen is. Hierna twee fijne gedichten die als lemma hun rol vervullen: 

Geruis van eeuwen
door het veen, het gele gras
de den die aanwoei
Wat aan hemelwater valt
spiegelt zich aan zijn oorsprong 

II 

Fijne mist, koeien
drijven in het achterland
Schrijven werd schrappen:
je vulde niet een leegte
je zweeg je verzen bijeen 

 

Graag zou ik de lezer speciaal willen wijzen op twee gedichten, die onopvallend tussen de andere staan. Ik vind ze subliem. 'De kunst van het dichten' adembenemend. Hoe opmerkelijk observeert Degenaar hier niet alleen het vergankelijke: "en in de fruitschaal/ de vergeten mandarijn ontaardde". Ook "de hemeljagers van diamant" komen precies op tijd aan bod, lang vóór brood en woorden. 

Nachtzang

De dag laten voorbijgaan tot het
avond werd en in de fruitschaal
de vergeten mandarijn ontaardde

in de verte gloeide de stad, zich
ontstekend aan zichzelf

wat leefde in de beijsde weiden
kroop in cocons, zette stekels
tegen de sterren op

Alleen de hemeljagers van diamant
geluidloos snijdend in het graniet
namen ons mee, schreven ons uit

tot de morgen brood en woorden
aandroeg, als vogels takjes

 

De kunst van het dichten

Ik geloof in het paardebloempluisje
waaraan je je vertilt als je het vangen wil

en dat je in een zucht wegblaast
zodra het je verveelt

Dat zoveel ruimte aan je laat
dat het er bijna niet is als het er is

maar dat met fijne weerhaakjes
toch de aarde aan zich bindt 

 

Met stijgend interesse las ik ieder gedicht uit 'Huisbroei' van Job Degenaar, en dit tot op het einde van de laatste cyclus: "Het wit waarheen ze terug zal keren": het fysiek en psychisch aftakelen van de mens in de tijd. Of hoe diezelfde tijd alles verslindt, en slechts gebeente nalaat. Diep ontroerd kreeg ik een krop in de keel bij het lezen van deze cyclus gedichten. Omwille van zijn poëtische schoonheid én diepmenselijkheid, valt deze bundel aan te prijzen. 

Brussel maart 2004 . Iris Van de Casteele  

"Huisbroei" -  Gedichten Job Degenaar, 
Thomas Rap, Amsterdam 2003.

 

 
Gezongen Poëzie -  geplaatst  5 april
Ygdrassil 

De vóóravond van het begin van de lente. En buiten buldert en giert een herfststorm. 
Het zou de tijd moeten zijn van drang om er op uit te trekken, maar de mensen trekken zich terug in warme woonkamers achter deuren die niet van het nachtslot gaan. 
Alle aandacht is nodig om de auto op de weg te houden, want ik ben tòch op weg gegaan. Op weg naar Groningen, beter gezegd naar een klein dorp even ten noorden van de stad Groningen: Noordwolde. 
Eenmaal in de vlakke wijdheid van het buitengebied lijkt de storm nog in hevigheid toegenomen. Takken breken van iepen en essen langs de dijkjes en schampen over het autodak. Daar doemt het bord Noordwolde op. Ik zoek een alternatief mini-theatertje: "Op Stal", een oude veeboerderij, waarvan de originele grupstal verbouwd is voor een nieuwe bestemming nadat de koeien verdwenen zijn. Langzaam rijd ik over de drempel de dorpskom in, links en rechts kijkend of ik een bouwsel zie wat er op lijkt, maar na honderd meter blijk ik het dorp, waar alles om half acht 's avonds al in rust verzonken lijkt, alweer uit te rijden. 

Hoopvol bel ik aan bij een woning waar het meeste licht brandt. 
Noordwolde blijkt groter te zijn dan ik dacht: het strekt zich rondom nog zeker vier kilometer in de door regen en storm geranselde weilanden uit, en net als mij de twijfel bekruipt of ik tòch nog verkeerd gereden ben duikt een grote hoeve op waar een slingerende sliert kerstboomverlichting de weg wijst over een gravelpad naar de stalingang: "Theater Op Stal". 
Het blijkt een prima ambiance voor het optreden van vanavond, 30 mensen hebben het weer getrotseerd. Een kleine ruimte, twee meisjes en een gitaar dat is alles wat er nodig is om ons te laten wegvoeren van hier, terwijl buiten de wind huilt. 

Annemarieke Coenders en Linde Nijland zijn de twee zangeressen achter de naam Ygdrassil, die zij ontleenden aan de scandinavische wereld van sagen en legenden. Al tien jaar lang maken ze samen muziek op pop- folk- en poëziefestivals. 
Ze hebben het getroffen met zichzelf, niet alleen begaafd met hun stemmen, maar ook nog tot het maken van mooie composities in staat, die bouwen zij op rondom poëtische engelstalige lyrics die ze óók regelmatig zelf schrijven. 
Naast covers van Neil Young e.d. zingen ze dan ook hoofdzakelijk eigen werk. 

De heldere lichte stem van Linde vloeit prachtig samen met de donkere stem van Annemarieke, waarbij het hoorbaar is hoe vaak en veel ze samen zingen, hun timing is perfect. De gitaar van Linde – in sommige songs die van Annemarieke – is het enige wat ze verder nodig hebben bij hun optreden, maar  regelmatig blijft zelfs die op de standaard staan, dan zingen ze op ontroerende wijze a capella. 
Luisterend kun  je jezelf nu eens in Ierland wanen, of Schotland, dan weer in de Noorse bergen of zelfs op IJsland. De teksten zijn zeker niet alle lieflijk, vaak zit het noodlot er in verborgen of een dreiging, dat wordt dan weer afgewisseld met een liefdeslied als 'Here right here, and I'm looking at the sun'. 
Géén achtergrondmuziek, Ygdrassil dwingt tot stil luisteren, zoals je ook naar een goede dichter luistert. 

 

© Hernehim Cultuur. - John Newswatcher, 21 maart 2004 

 
 Bitterbessie dagbreek - Theaterstuk rond Ingrid Jonker    
Café-Restaurant Royal aan de Voldersgracht, in het hartje van historisch Delft, was volgepakt op de zonnige zondagmiddag 18 januari 2004 voor het eerste literaire café van Jambe van het nieuwe jaar. Er was slechts plaats voor zo'n 40 - 50 gasten, maar gelukkig bleek er terzijde van het podium een schuifpaneel te zijn, waardoor een aantal late bezoekers vanuit een zijvertrek toch nog zicht op het optreden kreeg. 
Het was dan ook een bijzondere middag, waarin een klankbeeld rond de biografie van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker opgevoerd zou worden. 

In het vóórprogramma trad de dichter John Zwart op als promotor van de Zuid-Afrikaanse poëzie, in zijn rol als redacteur van het internetmagazine Hernehim Cultuur. 
Hij stond stil bij de betekenis van de Afrikaanse taal binnen het Nederlandse taalgebied en de plaats die eraan was gegeven in het festival "Winternachten" in het Theater aan het Spui, dat hetzelfde weekend in Den Haag plaatsvond: 
Prominente gast in Den Haag was de dichteres Antjie Krog. Zij schetste een heel sombere blik op de wereld van vandaag, waarin overal bevolkingsgroepen en volkeren vijandig tegenover elkaar staan en de dialoog tot oplossing van problemen steeds meer wordt vergeten. De ongelijkheid in de wereld ligt aan de kern van vele oorzaken van conflicten. 'De westerling maakt zich schuldig aan verwaarlozing van de medemens'. 
Haar betoog was bezwerend: wij (bewoners van de eerste wereld) moeten bereidheid tonen tot een rechtvaardige verdeling, ons daarbij schikken in teruggang uit onze bevoorrechte positie ten gunste van de achtergestelden. Alleen zó kunnen we hopen een toekomst van leed en gewelddadigheid te ontlopen. In Zuid-Afrika tracht Antjie Krog de bitter noodzakelijke brug te slaan tussen de witte 'verkramptes', die geen vrede kunnen hebben met het opgeven van hun uitverkoren status en de zwarte groeperingen, die geen vergeving op kunnen brengen en wraakgevoelens vanuit het 'apartheid' verleden blijven koesteren. Het grote probleem van het huidige Zuid-Afrika zijn witte mensen die niet bereid zijn een paar stappen omlaag te doen om hun expertise op voet van gelijkheid te delen en zwarte mensen die te trots zijn en niet vergevingsgezind, zodat zij de noodzakelijke samenwerking met witte medeburgers uitsluiten. 

Bitterbessie dagbreek 

Bitterbessie dagbreek 
bitterbessie son 
'n spieël het gebreek 
tussen my en hom 

Soek ek na die grootpad 
om daarlangs te draf 
oral draai die paadjies 
van sy woorde af 

Dennebos herinnering 
dennebos vergeet 
het ek ook verdwaal 
trap ek in my leed 

Papegaai-bont eggo 
kierang kierang my 
totdat ek bedroë 
weer die koggel kry 

Eggo is geen antwoord 
antwoord hy alom 
bitterbessie dagbreek 
bitterbessie son 

 

Ingrid Jonker (1933-1965)

De vertaling van het titelgedicht van de theater-voorstelling in het Nederlands door Gerrit Komrij is te lezen in de levensbeschrijving van Ingrid Jonker.

 

Ook voor Antjie Krog is het onontkoombaar dat zij in eigen land als deel van een groep wordt gezien. Zij heeft medestanders, maar ook veel tegenstanders, zowel bij wit als zwart. 
Ingrid Jonker leefde in de tijd dat de apartheid ontstond en naar haar hoogtepunt groeide. Daarin keek men naar Ingrid als 'een witte vrouw'. De kleine groep schrijvers en andere kunstenaars die zich verzette werd als oproerkraaiers gebrandmerkt. De kloof tussen de witte Zuid-Afrikaanse gemeenschap en de witte schrijvers die anti-apartheid aanhingen was diep en breed en onoverbrugbaar. De kritische stemmen werden in censuur gesmoord. 
Er tussenin, zowel in Ingrids tijd als in de huidige van Antjie, bevinden zich telkens de mensen met een 'getinte huid', de mensen van gemengd ras. Nooit voelden zij zich deel van de witte gemeenschap, ondergingen ook veel achterstelling door apartheid, maar de nieuwe zwarte machtsbeluste gemeenschap accepteert hen evenmin als één der hunnen. 
De dichter Floris Brown is een man met een 'getinte huid'. Hij is overtuigd dat de bevolking van 'bruinmense' de aangewezen groep is om te proberen de brug te slaan die het Zuid-Afrika van vandaag zo bitter ontbeert. 

Vervolgens las John Zwart enkele gedichten van Floris, die óók te lezen staan op de Hernehim website waarin een 'Persoonlijke Pagina' van Floris Brown is opgenomen: 
Floris A Brown

Daarna was het podium op deze zonnige zondag aan de groep "Bewolkte Zondag". 
Op de piano een zwart-wit foto van een mooie, frisse jonge vrouw met een levendig gezicht, sprankelende ogen en uitbundige zwarte krullen: Ingrid Jonker in de jaren vijftig. 
Het gezelschap bestaat uit  Mariette van Attekum, Frans Smit en Holger de Bruin. 
Een aanzet tot een biografie over het tragische leven van Ingrid Jonker werd geschreven door Henk van Woerden, deze tekst werd opgenomen in de bundel 'Ik herhaal je' (titelgedicht 'ek herhaal jou'). In het boek staat Ingrids poëzie afgedrukt met telkens op de tegenoverliggende pagina een vertaling van Gerrit Komrij. (Uitg. Podium 2000) 
De pure gedichten – 'kaalvoetverzen' - in combinatie met de achtergronden van het noodlottige leven van Ingrid inspireerde de groep Bewolkte Zondag tot het maken van een theaterproductie, waarin de tekst van de biograaf als leidraad wordt gebruikt, omspeeld met eigen composities en poëzievoordracht met muzikale begeleiding. Sommige gedichten zijn melodieus getoonzet en worden als lied gezongen. Authentieke opnamen met de stem van Ingrid Jonker zijn hier en daar tussen gevoegd. 

Frans Smit en Holger de Bruin staan respectievelijk voor de composities en de arrangementen, beiden begeleiden op verschillende instrumenten: piano, accordeon, klarinet en saxofoon. Mariette van Attekum speelt een sfeervol intro op piano, zingt de gedichten, draagt voor en spreekt de verbindende teksten.
"Bitterbessie dagbreek" is de titel van de voorstelling, die ontleend is aan een gedicht uit de bundel 'Ontvlugting' die Ingrid Jonker schreef in de jaren vijftig. Het titelgedicht van de bundel is nostalgisch, zij gaat  terug naar haar kindertijd, naar het huisje aan het strand van Gordonsbaai, maar eindigt in de laatste strofe met een vingerwijzing naar haar latere zelfmoord. Het gedicht verhaalt van de gelukkige dagen die het kleine meisje Ingrid, spelend aan strand en in de vrije natuur, heeft beleefd. Zo vormt het een natuurlijke opening van het theaterstuk. Muziek en achtergrondgeluiden nemen ons onmiddellijk op in het verhaal. Het einde van het gedicht ( Mijn lijk ligt uitgespoeld in wier en gras / op alle plekken waar ik met je was ) werpt een schaduw over de aanvankelijke vrolijkheid en zet de sfeer van noodlot waarvan het leven van Ingrid doortrokken was. De voorstelling eindigt met dezelfde muziek en dit zelfde gedicht, waarmee de cirkel gesloten wordt. 
Bewolkte Zondag is er in geslaagd om een aangrijpende voorstelling te realiseren rond die kleine biografie en een aantal gedichten uit de bundel die treffend voor bepaalde perioden in Ingrid Jonkers leven zijn. 

Een samenvatting van het leven van Ingrid Jonker en haar poëzie op een auteurspagina

Bewolkte Zondag – Kunstproducties.  Driebergen. 
internet www.BewolkteZondag.nl  

De dag heeft een smalle schaduw – Het leven van Ingrid Jonker door Henk van Woerden –
Podium 2000. 
Ik herhaal je – Bloemlezing en vertaling van werk van Ingrid Jonker door Gerrit Komrij - 
Podium 2000. 
Korreltjie niks is my dood - VPRO Documentairefilm 
Uitgezonden in 'het uur van de wolf'  Ned. 3 - 24.10.2001. Herhaald in juli 2005. 
14 Gedichten voorgedragen door Ingrid Jonker – VPRO Eigenwijs AudioCD 2001 
"Korreltjie sand", "Waar slaapt my liefde", "Ek het gedink", "Die Kind" e.v.a. 

Verslag © Hernehim Cultuur. - 21 januari 2004 

 
Smeltwater - Een bundeling echte liefdesgedichten - geplaatst 10 maart 2004 
Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos kregen in het jaar 2003 een passie voor elkaar en de gedichten die onder de inspiratie hiervan ontstonden besloten zij uit te geven. Dit zou het vermoeden van een boekje met een sterke egosfeer doen rijzen. Maar ik heb de twee auteurs leren kennen als talentvolle dichters die beschikken over een behoorlijk vermogen tot zelfkritiek. Ik verwachtte daarom werk van een goed niveau en was zeer nieuwsgierig naar wat hun creativiteit onder deze bijzonder emotionele omstandigheden heeft voortgebracht. 
'Smeltwater' laat in consequente afwisseling om beurten de vrouw en de man aan het woord. Dat is een goede gedachte geweest, want de stijl van Cilja Zuyderwyk verschilt sterk met die van Jan Doornbos. Zuyderwyk schrijft vrijwel uitsluitend vrije verzen en laat ook graag een gedroomde wereld met de realiteit aan de haal gaan. Soms bevatten haar gedichten een 'flashback' en vragen wat meer inspanning van de lezer voor ze toegankelijk worden. Doornbos toont zich, als gewoonlijk, de gedegen dichter die zijn huis liefst bouwt in kwatrijnen en terzinen; die zich taalvaardig bezig houdt met metaforen en rijmschema's. Bewerkt een ritme met binnenrijm en verrast ons hier en daar met een vrij vers. 
Telkens die opvolging van gedichten in zo verschillende stijl maakt het bundeltje tot een aantrekkelijk boekje om te lezen. Ook trapten ze niet in de valkuil waarbij je in gedachten telkens de subtitel ("voor J") of ("voor C") boven het gedicht ziet staan: het werk is open genoeg om het onthecht van de ikpersoon te lezen. Maar ik heb een sterk vermoeden dat nog véél meer gedichten werden geschreven gedurende dat jaar, daarbij zeker een aantal die níet aan dat criterium voldoen. Maar die zullen wij lezers dan ook nimmer onder ogen krijgen… 

In de volgorde van samenstelling lijkt als een rode draad een zekere ontwikkeling in de liefde te herkennen. Daarbij lijken ze zelfs de seizoenen naar hun hand te zetten. 
Het is gevoelige, kwetsbare poëzie. De onzekerheid, de angst ook, overgave, overrompelende hartstocht, rust van het gevonden geluk, alles zit er in. 

Enkele gedichten die mij persoonlijk het meest hebben aangesproken wil ik graag memoreren: 

Het Dobbelbosse pad (C.Z.) – de blijdschap van de herkenning, 
Hoogtevrees (J.D.) – trillende faalangst, 
Smeltwater (C.Z.) – Het titelgedicht van de bundel is vol van de blijdschap van een verliefde vrouw die er niet genoeg van krijgt te horen dat zij wordt bemind. Zijn 'gesmolten hart' zo dierbaar omdat háár hart gesmolten is: "ik wil je stem steeds horen die mij vertelt / dat gisteren je hart gesmolten is" 
Vertrouwde tuin
(C.Z.) – De vrouw staat inbreuk op haar wereld toe: 
"maar nu is weer de klok verzet / hij zet de stoelen buiten / streelt ongevraagd haar krullen" ;
"hij plant violen in de bak / ververst de oude aarde" de taak die ooit de vader voorbehouden was.
Raadsman (J.D.) – Toch nog beducht om toe te geven aan onbezonnenheid, maar wijsheid voelt tegennatuurlijk: "is wijsheid wel verstandig / in een zo extreem geval / van liefde op een laat gezicht ".
Sla niet de dekens toe (C.Z.) – liefdeslied van de vrouw die weet dat zij haar verstand mag laten varen:
"wieg me dood / toe wieg me dood" 
In weerwil
(J.D.) – De man verbaast zich bijna bang over eigen ontwakend vuur: 
"van bedrog berekenbare dichter / van verlang en liefde nooit verzoend / en rammelt aan de orde van mijn woorden"

De beide gedichten Een beetje van de Goden (C.Z.) en Thuiskomen (J.D.) zijn mooie rustpunten en spiegelen dezelfde beleving maar toch zo verschillend, zoals man en vrouw verschillend zijn, en elk mens. En toch elkaar kunnen herkennen: 
"roerloos dringt de eenvoud door / ik glimlach kralen aan haar draad" versus 
"het reikte naar me aan die waterkant / en bleek zowaar te passen in mijn hand". 
Grappig hoe de ander zijn visdiefje als een 'visduif' ziet. 
Nacht in Poperingen (C.Z.) en Opstaan (J.D.) zouden herkenning moeten brengen voor wie zijn huwelijksreis nog niet vergeten is: "verkoop mijn ziel en zaligheid / liever dan ooit"
In Caecilia Slaap (J.D.) tenslotte ontpopt de dichter zich als een volgeling van de oude Arabische meesters, zoals hij schoonheid en begeerlijkheid bezingt. 

Caecilia Slaap 

Caecilia slaap in karmozijnen luchten 
tussen pinksterbloemen lakens rustig 
en adem als de oostenwind in juni 
beweeg de volle aren van je koren 

en koel Caecilia koel als jij vitrage 
van ochtendnevel om je lichaam huivert 
met huid en haar je fijn bedauwde navel 
opzuigen als frambozen in de tropen 

en later als de hittegolf Caecilia 
de krekels stil en kraaien snavels open 
je lippen die de wolken openbreken 
met woorden als een regenbui in mij  

De bundel "Smeltwater" bevat 28 gedichten, waarvan ik er vele met plezier hèrlezen en opnieuw hèrlezen heb. Het is een mooi souvenir van een liefde van twee mensen met een "rugzakje" die hun tweede jeugd beleven. 
Een eersteling van Uitgeverij "De Smederij" te Leerdam, waar hopelijk meer bundels van vergelijkbare kwaliteit gaan volgen. 

 

© Hernehim Cultuur. - John Newswatcher - 22 februari 2004 

"Smeltwater",  Liefdesgedichten. Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos.  ISBN 90-808330-1-0 
Uitgeverij De Smederij, Leerdam – januari 2004 

 
    Poëzie op sokkels  - Verzamelbundel - geplaatst 11 december 2003
Acht dichters van de 'Schrijversschool' in de stad Groningen zwierven individueel door hun stad met een gemeenschappelijk doel: gedichten schrijven onder inspiratie door beeldende kunst in de openbare ruimte. 
De hoofdstad van de gelijknamige provincie herbergt een veelheid aan beelden van uitéénlopende aard, acht dichters hebben natuurlijk óók ieder hun eigen stijl. Het bundeltje waarin hun werk werd verzameld is daardoor als vanzelf een heel gevarieerd boekje, waarin het verrassend lezen is. Het verbindend element: een tocht door de stad, die we in 'verbeelding' kunnen maken. Maar niet alleen in verbeelding, als we willen óók in werkelijkheid. De uitgever was zo attent om een kaartje met de locaties achterin het boekje af te drukken. 

De auteurs zijn: Arthur la Fèber, Anna van der Laan, Nina Werkman, Atze van Wieren, Liesbeth Cavé, Janneke Lueks, Erik Raven en Matty de Vries. Enige van hen zijn reeds bekenden van deze website, zij publiceerden er op en werkten mee aan het Literair Café van Hernehim Cultuur in mei 2003. 

 

Soms hebben twee dichters – onwetend van elkaar? – poëzie op hetzelfde beeld geschreven, wat een interessante blik geeft op hun belevingswereld. Bij het beeld "de fietsles" van Kees Verkade dat aan de Ubbo Emmiussingel staat ziet Anna van der Laan een jongetje met grote vrijheidsdrang die wil wégsnellen van het sokkeltje in het gras dat hem maar ternauwernood vasthoudt. Bemoedigend is de beroering door de vader, die er achteraan holt. Atze van Wieren daarentegen ziet de spanning van een kind waaraan te hoge verwachtingen worden gesteld: een té hoog zadel, onbereikbare trappers en een wankel evenwicht. En die hand van de vader wordt als symbool van het stempel dat op zijn bestaan drukt: "altijd in mijn rug die hand". 
Een poëziebundel over Groningen mag taal en eigenheid van de stad niet ontberen.. Eén gedicht slechts in het Gronings, door Anna van der Laan, waarmee de bundel opent. Het is geïnspireerd op 't beeld van Jan de Baat dat we bij aankomst op het Stationsplein zien staan: "'t Peerd van Ome Loeks". Light verse klinkt idioot om te zeggen over een gedicht in het Gronings, laten we het houden op 'n opening met humor in een boekje waarin de ernst niet ontbreekt. Zoals de bijdrage van Janneke Lueks, die gaat over de deur van Folkingestraat nr 67, die geen deur is maar een monument: "oogt warm naar oud hout / hij is van brons / zijn warmte kil en koud". Het is een sober gedicht bij een sober herinneringsteken ter nagedachtenis aan de Groninger Joodse gemeenschap die tijdens de oorlogsjaren werd afgevoerd. 
In de Prinsentuin, die romantische groene oase aan de voet van de "olle grieze" waarin elk jaar "Dichters in de Prinsentuin" van Tsjead Bruinja wordt georganiseerd, staat het kleine beeldje "zittende vrouw" van Bastiaan de Groot. Nina Werkman ziet in het introverte beeld uitdrukking van geheim verdriet en pijn, zij schreef een klein indrukwekkend gedicht "Berging": "rond het erge, / het wonde -, / om het zacht te bergen"

De uitgave ziet er aantrekkelijk uit, wat vooral te danken is aan de afwisseling van de kleurenfoto's en tekeningen van Matty de Vries die telkens de gedichten begeleiden. Hierdoor leent het zich in deze tijd van het jaar, waarin we zo vaak op zoek zijn, uitstekend om iemand als geschenk te geven. En dat geldt zeker niet alleen voor Groningers!


                                              Profiel

                          Eenzaam
                       blauwe waternimf,
                   oogloos in dit krozig groen,
                  maar met de kin omhoog:
                 dochter van Poseidon
                 in een stadsplantsoen.

               Ongezien
            door aardse stervelingen
          uw hart, uw leliewitte haar,
       dat kolkt vol
  eb- en vloedgevoelens
      onderkoeld, nietwaar.

       Wachtend op haar tijd,
       zeker, net als wij,
        maar ondertussen
     - de borsten blijven onder water -
     superieur en star
       in ijdelheid.

              Wacht niet langer. fijn gelijnde, ik zag
              de meerkoet bouwt reeds nesten
            op uw schouder.
           Kom tot leven, wek de zon,
          wek deze stille stad
           met uw klaterlach.

© Erik Raven

 

Poëzie op sokkels. 34 Gedichten ISBN 90-5294-288-9 Uitgever Profiel, Bedum. september '03 
Boekhandel Athena, Oude Kijk-in-t-Jatstraat 42, 9712 EL Groningen. Tel. 050-3125593. Prijs € 12,50. 

© Hernehim Cultuur. John Newswatcher 12 december 2003 

 

 
Vandaag is van glas - Gedichten. Jan Doornbos - Geplaatst 16 juni 2003 

Een paar weken geleden begon ik te lezen in de bundel "Vandaag is van glas" van de Nederlandse dichter Jan Doornbos, uitgegeven bij De Distel, Brussel in april j.l.

Al enige jaren was ik vertrouwd met zijn gedichten, die hij aanvankelijk onder pseudoniem 'Hugo' op het internet publiceerde. Voor mij persoonlijk dus veel herkenning in deze bundel. Herkenning van eerder gelezen werk, herkenning óók van het eigen geluid van Doornbos in de mij nog onbekende poëzie.
Niettemin heb ik ruimschoots tijd genomen om deze uitgave met alle aandacht te kunnen beoordelen. 

Doornbos bevestigt zichzelf met deze bundel als een begaafd dichter met zeer zorgvuldige behandeling van de taal. De meeste gedichten werden in een klassieke vorm geschreven in klankrijke bewoording, die niettegenstaande deze zelfopgelegde vrijheidsinperking vaak diepgewortelde emotie oproepen. 
De dichter is met de beelden die hij schetst in staat ons met sterke gevoelens te associëren vanuit schijnbaar moeiteloos lopende melodieuze strofen in een perfect ritme. Is het zo dat bij vele dichters van vandaag overheersende voorkeur voor vrije versvormen bestaat, ontdaan van elke vorm van rijm; Doornbos toont met zijn sonnetten aan dat deze dichters binnen die genomen vrijheid zich tot beperking in woordenvloed en de lengte van hun gedichten verplicht zouden moeten voelen. Misschien onbewust levert Doornbos hiervoor met zijn vrije verzen in deze bundel het bewijs. 
Veel van het werk van Doornbos ademt gevoel van verlangen naar aards geluk tegelijk met het zich bewust zijn dat alles zo licht verloren gaat, of juist het onbereikbare ervan. Toch geloof ik niet dat Doornbos een sombere geest is, ik ervaar zijn werk lang niet altijd met zware nostalgische ondertoon. Naast, soms, berusting voel ik er ook levenskracht in. Levenskracht die de hoop op het overschrijden van die grens naar weliswaar breekbare gelukzaligheid nooit zal opgeven. 

De bundel bestaat uit 4 cycli: 
I. Taal,  II.Vandaag is van glas,  III. Verschuiving  en  IV. Dieper in de venen. 
Tezamen een veertigtal gedichten. Uit elke cyclus vermeld ik hieronder enkele titels die mij bijzonder hebben getroffen. 

Het laatste zwijgen  - sonnet van (terug)verlangen dat ons de pijngrens laat voelen 
Achter onze namen  - de roep van een verlangend hart in een vrij vers 
Tombe - beklemmend sonnet dat schier alle hoop laat varen  
Eerste nacht, eerste morgen - sonnet van overrompelend geluk: dat dit mag blijven! 
Hemel - drie klassieke kwatrijnen over dé hemelse kus
Tafel aan het raam - een vrij vers mijmert over vroeger, herleeft het toen, maar: voorbij 
Bezoek aan een vriend - ontroerend sonnet over de wrede scheiding tussen levenden en doden 
Als de lente woelt - sonnet van lentegevoel in het hart, dorst naar (verloren) vermogen tot passie 
Kringloop - vrij vers, naderende herfst roept verlangen naar hereniging op   
Vluchteling - dit sonnet schetst het gevoel dat emigranten die 'n half leven later terugkeren kennen
Spookhuis - liefdesverdriet  
Zijn - hoopvol besluit 

Eerste nacht, eerste morgen 

De morgen, als geblazen glas zo teer, 
versplintert met een lijster die gaat zingen  
in scherfjes licht die door het duister dringen; 
als brak hij voor de allereerste keer. 

Ik houd me roerloos. Adem niet. Probeer 
het pril verleden in het nu te wringen. 
Ik wíl de tijd een ogenblik bedwingen. 
Wanhopig. Ieder zintuig doet me zeer. 

De eerste nacht is tot een eind gekomen. 
Ze slaapt nog vast. Ik zie aan haar gezicht 
dat zij van gisteravond ligt te dromen, 

hoe liefde insloeg als een bliksemschicht; 
en hoop maar dat ze die heeft meegenomen 
wanneer ze straks ontwaakt in 't volle licht. 

 

 "Vandaag is van glas"  is een aanrader voor wie diepe ontroering niet schuwt. Ik kan me goeddeels aansluiten bij de achterflaptekst van G.M.Berelaf, maar ik ben in tegenstelling met hem van mening dat Doornbos ons regelmatig – weliswaar nog vanuit een gevangenis – óók laat uitkijken door een raam waarin tralies ontbreken. 
Gebonden, met hard omslag, illustratie: 'dwars door ramen' van H.H.Crielaard, Den Haag. 
De Distel, Brussel. België. C.I.P. Kon.
Bibl. Albert 1 - D/2003/6165/02   

© Hernehim Cultuur. - John Newswatcher 16 juni 2003  

 
Klank van die Byl - Gedichten. Floris Brown - Geplaatst 20 mei 2003  
De bundel 'Klank van die Byl'  kwam al in 2000 voor het eerst uit en kreeg waarderende recensies, o.a. in  Die Burger. De afbeelding op het omslag brengt mij onmiddellijk in de sfeer van dit land, dat ik goed ken, terug. De van terracotta naar purperblauw vervloeiende tinten van de diep geplooide bergen vertegenwoordigen onmiskenbaar de prachtige natuur van Zuid Afrika. De omslag-illustratie is een bewerkte foto, die door de auteur zelf is gemaakt. 
De inhoud van het boek is zeer divers. Het bevat zowel historisch en sterk politiek geëngageerd werk als ook teder-gevoelige gedichten. Zijn toon kan een felle aanklacht zijn: tegen onrecht, tegen wreedheid; dan weer is hij de poëet die in bloemrijke metaforen de schoonheid van het lichaam van een vrouw bezingt. Zijn poëzie is over het algemeen toegankelijk, vol symboliek en getuigt dikwijls van een oprecht diep religieus gevoel. 
Een groot aantal gedichten gaat over de liefde – natúúrlijk over de liefde – over trouw en ontrouw. 
In het gedicht "Ma", de tegenhanger van het eerder op deze site gepubliceerde "Pa", uit hij zijn bijna naar devotie neigende liefde voor zijn moeder. "Katspin" en "Klank van die Byl" – het titelgedicht – dragen een prikkelende erotische spanning. De ontroering door schoonheid wordt bezongen in "Tulp" en "Klompedraer" lees ik als een appèl aan ons (Nederlanders) geweten. Een mooi, gevoelig liefdesgedicht is ook "Kappiemeisie", dat al op deze site heeft gestaan, evenals het korte gedichtje "Nog een kinderstemmetjie gedoof" waarin een felle aanklacht tegen oorlogs- en terreurgeweld zit verpakt. 
Er is veel aansprekend werk in deze bundel te vinden en voor wie geïnteresseerd is om deze poëzie aan te schaffen wil de HC website graag belangeloos bemiddelen. "
 

Een kleurrijke bundel 
Onmiskenbaar straalt het omslag van deze dichtbundel Zuid Afrika uit. 
  Die Blok 

Dis 'n swart ding, 
'n wit ding, 
'n bruin ding, 
'n uitheemse ding. 

Niemand verstaan. 

Toleransie beweeg hier 
op 'n vlymskerp mes. 

Hul verdra mekaar, 
solank daar vriende is, 
maar as die donkerte 
oor hul sak, 
vergelding op hul bors, 
woede in gebalde vuis, 

is dit 'n uitheemse ding, 
'n bruin ding, 
'n wit ding, 
'n swart ding, 

wat die wêreld nooit sal verstaan. 

 

© Floris Brown 

 

Die ter Dood Veroordeelde 

Ek, stap waardig, trots, 
kop omhoog, 
met 'n ongemaklikheid 
hier in my binneste. 
Ek voel hoe die skaam, 
fyn sweet, 'n kriewelrigheid, 

oor my nek sak. 

Nogtans stap ek, dapper, fier, 
om soos 'n hond, druipstert, 
op die rooimat te staan, 
in nederigheid, stil, 
my vonnis te aanvaar. 

Sonder teëpraat, 
sonder verweer, 

sal ek my dae, voor 

die doodstraf, dien. 

In my hart, 'n stil gebed: 
"Hoop om julle almal in 
die hiernamaals te sien." 

 

© Floris Brown 

 

Klank van die Byl 

Die byl het gekom om te kloof. 
Dit wat ek in twee wil hê 
met geweld oop te maak. 

Die passie van krag wat 
deur beide arms vloei, 
die glans van sweet 
op my kaal bo-lyf, 

die klank van die byl 
roep jou, 
lok jou. 

Ek sien hoe jou oë dwaal, 
jy, skelm loer, 
skelm glimlag, 

in die glans van die ruit. 

Ek sien hoe ek, nou, jou baas, 
die byl, die plaas bij jou neem, 
wyl ons liefde maak, 

op 'n growwe vloer. 

 
De bundel 'Klank van die Byl' kan rechtstreeks bij de auteur besteld worden of - voor Europa - via bemiddeling door de Administratie van VvHC, voor € 8,80 plus verzendkosten. info@hernehim.nl tav VvHC.
Contact per email met de auteur florisbrown@mweb.co.za  
Postadres: F.A.Brown, Posbus 802 Worcester 6849, Suid Afrika. 

© Hernehim Cultuur. - John Newswatcher - 20 mei 2003.

 
Een andere wereld - Verzamelbundel gedichten & verhalen - Geplaatst 30 maart 2003

Vrije Boekenbonus 2003 

Een verzamelbundel verhalen en gedichten van vrije schrijvers geselecteerd door Simon Vinkenoog 

'een andere wereld', verzamelbundel gedichten & verhalen 
Cultureel Centrum De Badcuyp, Drukkerij Bevrijding b.v., Amsterdam - maart 2003. 
Een uitgave ter gelegenheid van de Vrije Boekendagen 2003. 

“een andere wereld” is een bundel gedichten en korte verhalen van schrijvers en dichters die hun werk in eigen beheer uitgeven. Speciaal voor de Vrije Boekendagen 2003 werd deze bundel samengesteld uit talloze inzendingen. De selectie was in handen van een jury bestaand uit Simon Vinkenoog, Ike Cialona en Jos Versteegen. 
De organisatie van de jaarlijkse Vrije Boekendagen en de uitgave van deze verzamelbundel is geheel in handen van Cultureel Centrum De Badcuyp, Amsterdam en werd mede mogelijk gemaakt door bijdragen van het Amsterdams Fonds voor de Kunst en het Prins Bernhard Cultuurfonds. 

De drie juryleden hebben gezorgd voor het goede kwaliteitsniveau van de bloemlezing. Schrijvers en dichters van velerlei pluimage hebben werk ingezonden, waaruit een bonte verzameling van genres en stijlen ontstond. Onder hen treffen we vele namen die al enige bekendheid genieten, hetzij door hun publicaties op het internet, hetzij door hun presentaties op de verschillende literaire podia overal in Nederland.
Zo signaleren we o.a. Herman Kamphuis, Kees Godefrooij, Henriette Faas, John Zwart (JohnN), Marja de Man, Frans Terken, Thom Schrijer en Stephan van der Sluys, om er maar enkele te noemen van het totaal van 40 auteurs die in het boekje zijn opgenomen. De meeste van hen publiceerden eerder ook al poëzie of proza in het Hernehim Cultuur internetmagazine. 
Het is een verrassend afwisselend bundeltje geworden dat tijdens de Vrije Boekendagen als geschenk wordt gegeven aan de bezoekers van de podia welke in die dagen worden gehouden - en daar één of meerdere van de overige uitgaven aanschaffen. 
Daarná is 'een andere wereld' nog beschikbaar voor € 7 + verzendkosten zolang de voorraad strekt.

Twee mooie sonnetten uit de bloemlezing 

Blozen 

Heb je gezien hoe die vrouw naar je lacht ? 
Haar volle lippen en sprekende ogen 
doen een beroep op je eer en vermogen 
haar te behagen bij dag en bij nacht 

Ik weet niet waarom, maar die vrouw heeft macht 
zij kan een minnaar tot godheid verhogen 
om dan, als ze wil, met haar wenkbrauwbogen 
hem te kleineren als buit van de jacht. 

Zij was de dalnimf die Zeus heeft bedrogen 
(dat is wat men zegt, zo gaat het verhaal) 
zijn wraak bleef steken bij een pover pogen; 

hij schoor in het voorjaar haar schapen kaal 
en huwde toen Hera, triest en belogen 
- ze siert je gezicht nu, rood als koraal. 

© Kees Godefrooij

 

Straatmuzikante

Ik zag een jonge vrouw op de plavuizen
die met muziek haar eigen wereld schiep
tussen de schuifelende mensenmuizen
waarvan ik niet kon zien wie liep of sliep.

Ze zong voor de bewegingloze huizen:
ik hoorde wat ze tot de stenen riep.
De stad ging voort de kudden weg te sluizen,
want minachting van steden is zo diep.

Ik ging langzamer lopen, pas voor pas:
ik kende de muziek en het verhaal,
en toen ze uitgezongen was sprak ik haar aan

om haar te zeggen dat het prachtig was.
Ze gaf me antwoord in een vreemde taal,
maar vreemd! ik kon haar moeiteloos verstaan.

© Jos Jansen

'een andere wereld' 
40 gedichten en verhalen, 40 auteurs met vrije associaties op het thema: 'een andere wereld'. 

© Hernehim Cultuur. 30 maart 2003.  John Newswatcher  

 

 
Portret van een jongeman - Roman van J.M.Coetzee 
Eva Cossee, zou het de klankverwantschap van haar naam zijn geweest die ertoe bijdroeg dat een Zuidafrikaanse schrijver van wereldfaam J.M.Coetzee de uitgave van de Nederlandse vertaling van zijn jongste boek toevertrouwde aan een kleine uitgeefster die zojuist voor zichzelf is begonnen? 
Het is in elk geval spectaculair dat in Nederland de vertaling door Peter Bergsma van "Youth" onder de titel "Portret van een jongeman" reeds een maand in de boekhandel ligt terwijl de Engelstalige originele roman nog uitgebracht moet worden. 

J.M.Coetzee (Capetown-ZA 1940) schrijft als 61 jarige over zijn jaren als jong-volwassen expatriat in het Londen van begin jaren zestig. 
Wie zijn in 1999 verschenen boek "In ongenade" heeft gelezen - een boek waarvoor hij de prestigieuze Booker Prize ontving – zal met een zekere verwachting dit boek openslaan. Maar dit is geen boek waarin je langdurig leest of dat je in één ruk achter elkaar uitleest, daarvoor vraagt 't teveel van de lezer. 
Het is geen meeslepende roman die makkelijk wegleest, maar een diep duikend psychologisch boek. De actie is beperkt, het is slechts een keten van zoeken naar en vervullen van allerlei baantjes en huisvesting en daar doorheen een opvolging van treurige kortstondige affaires met diverse meisjes. Langs deze gebeurtenissen wordt de hele gedachtewereld van de jonge hoofdpersoon minutieus gevolgd en uitgeplozen. 
Het vraagt dus heel wat van de eigen inbreng aan denk- en inlevingsvermogen van de lezer. 

Mijn eerste reactie is dat het een moedig geschreven boek is. De schrijver maakt er immers geen geheim van dat het hier een autobiografische weergave betreft van zijn verblijf in Londen vanaf zijn 19-de tot zijn 24-ste levensjaar. 
In de beginhoofdstukken gaat het over zijn onvrede in het traditionele en koloniale Zuid-Afrika, waar de eerste tekenen van omwenteling zich aankondigen en zijn besluitvorming om naar Engeland te vertrekken. Een definitieve breuk met zijn achtergrond, zo lijkt hij het te voelen en een voorwaarde om als kunstenaar – dichter, schrijver – tot ontplooiing te komen. 
In sommige opzichten herken ik de dingen die in zijn geest spelen. ze roepen herinnering op aan vergelijkbare hersenspinsels uit mijn eigen jongvolwassen leven. Maar qua emotionaliteit verschilt deze jongeman zo sterk van mijn vroeger zelfbeeld dat inleving soms ook moeite kost. 
Het feit dat hij zich een miskend buitenbeentje voelt dat in zijn eigen - uiteraard bekrompen - omgeving nooit de zo verlangde erkenning zal krijgen is een zeer herkenbaar gegeven. Ook zijn ontsnappingsdrang en concreet het  willen afsluiten van kinder- en jeugdjaren door in een andere cultuur te willen zijn – reizen, emigreren – is goed in te voelen. 
De adolescent die zóveel in zijn kop heeft, zoveel heeft 'opgezogen' waar niemand zich voor schijnt te interesseren - van de buitenkant is immers niets te zien – ja, een kenmerk van misschien wel elke jongen die in zijn hart zeker weet dat hij 'boven middelmaat' en tot grote dingen geroepen is. 
Maar de jongeman uit het boek ontbreekt het aan empathie. Zijn jacht om maar steeds meisjes in bed te krijgen vanuit 't idee dat daarmee zijn artistieke ziel als het ware 'gewekt' zal worden is mij vreemd. Vooral omdat telkens blijkt dat 't aan beiden weinig of niets oplevert, dat de meisjes die wèl later nog weer eens bij hem terugkomen, dat voornamelijk doen vanuit hun eigen eenzaamheidsgevoel. 

Zoiets moet je jezelf èn die meisjes toch niet aandoen? Dat leerproces behoeft toch geen vijf jaar te duren? In zoverre is Coetzee genadeloos voor zijn eigen verleden, vandaar dat ik dit een moedig geschreven boek noemde. 
Hoe hij steeds weer tegen depressies aanhangt is de rode draad die voor mij, die op die leeftijd ook al vaak langdurig in verre streken verbleef, heel realistisch is. Maar, ik kom er telkens weer op terug, zijn duidelijke gevoelsarmoede in de belevenis van intimiteit... In Kaapstad, het meisje dat illegaal 'n abortus ondergaat. In Londen, een meisje dat hij ontmaagdde en die zo ongeveer leegbloedt waarbij hij zich eigenlijk alleen zorgen maakt over de matras van het bed in het logeerhuis. 
Het is allemaal van een treurigheid die hij ook over zichzelf afroept door steeds maar met meisjes te willen vrijen waarop hij niet eens verliefd is. 

En zo wordt hij steeds maar niet die verbluffende dichter die ergens diep in zijn ziel wacht om door de muze gewekt te worden, misschien moet hij zich op proza gaan werpen? Op den duur wordt alles twijfelachtig... 
Hoe hij uiteindelijk in een beroep en baan terechtkomt waar hij in zijn hart totaal niet in thuishoort en vervolgens in een soort van verslavende routineleefstijl belandt zal voor menigeen een confronterende herkenning zijn. Vooral de ontmaskering van de 'glamour' van de mensen in de computerwereld, waarbij hij zichzelf samen met een collega uit India als 'loosers' schildert is van een genadeloze scherpte. 
Daar komt hij ook eindelijk politiek goed uit de verf. Waar hij in de Kaapprovincie voornamelijk beklemming en opkomende angst voelde bij het gadeslaan van betogingen van zwarte mannen uit de townships, hier beseft hij dat het harde Londen van twee klassen hem net zo behandelt als de arme gekleurde immigranten. 
Als dan niet de dichter is ontwaakt, dan ontwaakt hier wel zijn empathie. Hij, de blanke man uit het apartheids Zuid-Afrika, ontdekt voor het eerst een gevoel van saamhorigheid en iets van warmte vanuit zichzelf voor een Aziatische man, een kleurling. 

Misschien bleven de dichterskwaliteiten van Coetzee verborgen, een goed schrijver is hij inmiddels zonder twijfel geworden. Ook deze roman draagt aan die overtuiging bij. ISBN 90-5936-002-8 

© John Newswatcher - maart 2002 

 
  Terug naar recensies 2006 en later             © Copyright Hernehim Cultuur 2001 - 2008

Hernehim Cultuurpagina's  


De culturele pagina's worden onafhankelijk geredigeerd en mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv