|
Hernehim
Cultuurpagina's |
|
|
|
Dichters in de
Prinsentuin 2006 -
Verslag jaarlijks driedaags festival - John Newswatcher - juli 2006
|
| Dichters in de Prinsentuin 2006, Groningen – 26 t/m 28 juli | |
|
Foto: Dichters in de Prinsentuin |
Het
Groninger Literair Botanisch Festival Dichters in de Prinsentuin
stevent na de aflevering van dit jaar alweer op een 10-jarig jubileum af.
Begonnen in 1998 als zuiver stadsgronings evenement op initiatief van
Tsead Bruinja, is het in de loop van de volgende jaren uitgegroeid tot een
literair festival dat bekendheid heeft tot buiten onze landsgrenzen. Vandaag de dag weten de organisatoren bekende namen aan te trekken uit heel Nederland en Vlaanderen, maar tegelijk is het, zoals voorheen, in hoofdzaak een openluchtpodium gebleven waarop naast gevestigde poëten ook minder bekende dichters en jonge opkomende talenten voor verrassingen in de programmering zorgen. Zo was er voor het eerst ook Duitstalig werk en een D-N 'mengproduct' te beluisteren van een viertal dichters afkomstig uit de regio Oldenburg. |
| Rondom de twee middagen in de ommuurde klassieke tuin op de hoek van Turfsingel en Kattenhage, onder het oog van de “olde grieze”, werden ook nog een drietal aparte podia georganiseerd. Op de woensdagmiddag een presentatie van twee Nederlandstalige bundels door Irakese dichters in de Openbare Bibliotheek, op de donderdagavond onderlinge interviews tussen een viertal dichters over hun meest recente bundels bij Athena’s Boekhandel, tenslotte op de vrijdagavond een afsluitingsprogramma op het terras van Theatercafé De Souffleur. | |
|
In
totaal verleenden bijna 80 dichters uit Nederland, België en Duitsland
hun medewerking aan “De Prinsentuin” zoals het festival onder kenners
al kortheidshalve wordt genoemd. Van al deze woordkunstenaars is als
blijvend teken van hun creativiteit een bundel uitgegeven waarin
alfabetisch van elk één gedicht staat: heel waardevrij beginnend bij A
van Rik Andreae tot en met de Z van John Zwart, met in het midden
daartussen “Thetis’ hiel” van de Anna Blaman-prijswinnares Hester
Knibbe. Uw verslaggever heeft (op de presentatie in de bibliotheek op de woensdagmiddag na) vrijwel alles meegemaakt. Dat leverde hem bijna overdosis effecten op, maar dat had hij graag over voor de collega dichters die in Groningen optraden en natuurlijk voor onze lezers op HC. Als highlights werden ervaren: de vraaggesprekken in de binnentuin van Athena op de donderdagavond en het turbulente maar spetterend eindfeest voor de Souffleur (en de openbare weg rondom). |
|
|
De bijzonder fraaie bundel die, met dank
aan sponsors overheid en steunfondsen, in coproductie werd uitgegeven door
Uitgeverij Kleine Uil en Uitgeverij 521. Te koop in de betere boekhandels of te bestellen bij de uitgevers. Of neem contact op met Anton Scheepstra (via Passage). |
|
|
|
|
Bij
Athena’s Boekhandel konden we van de bloedwarme boekwinkel uitwijken
naar de koelere binnentuin achter het pand aan de Oude Kijkin’tJatstraat.
Helaas kon men de daar ontbrekende geluidsversterking eigenlijk niet
ontberen door geronk van de koelinstallatie van ‘n universiteitsgebouw
achter ons. Maar misschien juist daardoor werd het een intiem gebeuren van
een klein publiek rondom het duo Anton Korteweg tegenover Els Moors,
vervolgens Rob Schouten versus Hester Knibbe. Voorafgaand aan de
interviews lazen alle vier een aantal van hun gedichten. © Foto's bij Athena - Coen Peppelenbos |
|
| Els Moors (“er hangt een hoge lucht boven ons”), die één der eerste studenten was die aan de Rietveld Academie nogal ongebruikelijk afstudeerde op dichten, schrijft fragmentarische en beeldende gedichten in prozaïsche vorm zonder enige interpunctie. Anton Korteweg weet er aanvankelijk geen raad mee. De invloed van de beeldende kunst op de stijl van Els Moors is onmiskenbaar. Zij zoekt in haar omgeving naar beelden “die van zichzelf iets meebrengen”; als voorbeeld wordt haar gedicht “Gorinchem” onder de loep genomen. |
|
|
Anton Korteweg is (tevergeefs?) op zoek naar
mogelijkheden tot interpretatie en stelt vast dat ze haar gedichten vaak
eindigt met een verrassende slotregel, welke schijnbaar geen verband houdt
met het voorafgaande. Els Moors wil dat haar gedichten met beschrijvende
waarnemingen niet concluderend maar openend zijn en die slotregels zijn
voor haar heel belangrijk. Want de spanning die zij wil oproepen met wat
eraan voorafgaat moet behouden blijven, dat is belangrijker dan aan een
slotregel te werken tot hij “mooi” is. Anton kijkt alsof hij ’t nog
steeds moeilijk vindt en Els blijft vriendelijk naar hem glimlachen. Als hij vervolgens door Els Moors zelf onder handen wordt genomen, stelt ze vast dat zijn gedichten ironie uitstralen: is hij ironisch over zichzelf? Natuurlijk komt het te verwachten antwoord: het gedicht behoeft niet altijd op de dichter betrekking te hebben. Simpel stelt hij: “ik dicht nu eenmaal zo”. Maar zo gemakkelijk geeft Els Moors zich niet gewonnen. Korteweg vult verder aan dat hij zich voortdurend bewust is van de gebrekkigheid van taal. Nooit ben je in staat precies datgene te duiden wat je bedoelt met de taal die je ten dienste staat: “De taal is als een eend. Kan van alles, vliegen, zwemmen, lopen, dat alles stelt weinig voor. Hij excelleert nergens in”. En wat zijn gedichten betreft: “Het leven is een puntenslijper, ikzelf ben het potlood en het slijpsel zijn mijn gedichten”. Beter kan hij zijn ironische levensbeschouwing niet bevestigen. Maar dan neemt zijn uitleg toch een filosofische wending. “Het meeste wat ons omringt is dode materie, gebouwen en straten. Deze boom waar we onder zitten leeft wel, maar is zich dat niet bewust. Het leven van de dieren kent maar een beperkt bewustzijn. Zij houden zich vrijwel uitsluitend bezig met hun voortbestaan. Alleen door de taal onderscheiden wij mensen ons van de dieren. Alléén wíj mogen van alles om ons heen genieten en laten we dus niet zeuren over doodgaan.” Dat ziet hij als de prijs voor ons geweldig bewustzijn, het weten van begin en einde. Het vormt een mooie brug naar het voordragen van zijn gedicht: “Niet zeuren”. |
|
|
Hester
Knibbe (“De buigzaamheid van steen”) wordt ondervraagd door Rob
Schouten. De titel van de bundel roept de gedachte op aan “De buigzaamheid van verdriet” van Vestdijk. Maar Hester Knibbe wijst elk verband van de hand: Het heeft met steen en beelden te maken. Zij zag ergens een beeld en als je dat vanuit verschillende hoeken bekeek leek het alsof het veranderde. Eigenlijk was het alsof het beeld een draaiende beweging maakte, of de steen als het ware buigzaam was. Later hoorde ze hoe onder beeldhouwers werd gesproken over de ‘buigzaamheid’ van verschillende soorten marmer. |
|
|
Zo kwam het titelgedicht en daarmee haar nieuwe bundel aan
zijn naam. Rob Schouten stelt vast dat er een verwantschap tussen hen bestaat: ze
zijn van dezelfde generatie en allebei in dezelfde omgeving met een PG
achtergrond opgegroeid, bovendien deden ze ook nog enige tijd samen
vertalingswerk in Istanbul. Hij verbaast zich erover dat ze als dichters zó
verschillend werk voortbrengen. Waar hij dicht bij zichzelf blijft, is
veel van het werk dat Hester Knibbe zojuist heeft voorgelezen gerelateerd
tot de klassieken en sterk gekenmerkt door afstand tot het ‘ik’. Het klopt dat Hester Knibbe graag die afstand houdt. Zij vertelt vooral een ‘kijkmens’ te zijn en het zijn vaak objecten die aanleiding vormen tot poëzie. De klassieke vormen zijn favoriet. Bewuste imperfecties intrigeren haar: één gedraaide zuil in een verder strak uitgevoerde zuilengalerij bijvoorbeeld. Als Rob Schouten (“Apenlier”) vervolgens door Hester Knibbe wordt geïnterviewd komen er natuurlijk onmiddellijk speculaties over de titel van zijn bundel. Het betreft geen verwijzing naar ‘apenklier’ (ooit een verondersteld middel om veroudering te voorkomen). Maar in de dikke Van Dale trof Knibbe het woord ‘apenlier’ niet aan. Rob Schouten: “Je moet niet zo diep graven wat betreft die titel. Ik wil gewoon dat mijn gedichten animaal, instinctmatig zijn. Dan neem je een aap met een lier, in plaats van een dichter met zijn lier”. Hester Knibbe stelt vast dat in veel van zijn gedichten de ‘tijdelijkheid’ belangrijk is. Rob Schouten heeft als domineeszoon een opvoeding gehad in een sfeer waarin sterven niet belangrijk is, maar ‘het nieuwe jeruzalem’ daarna. Als jonge man was hij niet zo verlangend naar dat nieuwe jeruzalem, hij zag sterven als iets vreselijks. Onderhuids heerste de doodsangst. Spot en ironie werd het wapen tegen die doodsangst. In zijn poëzie kan hij zich afzetten en uiten op een manier die hij zich in het werkelijke leven niet kan veroorloven. In roesachtige poëzie stelt hij zich op tegenover zijn milieu, wat hem door de familie niet altijd in dank wordt afgenomen. Het meest omstreden gedicht is “Psalm 151” , een niet bestaande. Hij vertelt over de achtergrond van dit gedicht, dat gaat over de vader die zijn zoon op het sterfbed vraagt hem psalm 121 voor te lezen. Door dit te doen zou de oude predikant worden gerustgesteld in de gedachte dat hij toch een zoon voortbracht die getrouw bleef in de leer. Echter, door aan dit verzoek te voldoen zou de zoon zichzelf verloochenen. Bij vele dichters blijkt de grote invloed die een strenge godsdienstige opvoeding op hun werk heeft, maar hoe die invloed uitwerkt hangt sterk af van het individu. |
|
|
|
Slotevenement bij De Souffleur. Op
de vrijdagavond om half negen volgde de afsluiting van deze negende editie
van Dichters in de Prinsentuin met een podium op het bomvolle terras van
theatercafé De Souffleur, naast de Schouwburg. Wéér een literair
kwaliteitsprogramma met gratis toegang, net als de middagen in de
Prinsentuin zelf. |
|
Als Starik om 20.40 als eerste begint wordt het rustig binnen zijn cirkel
van uitstraling. Zijn voordracht eist de aandacht en houdt die vast. Een
aantal van zijn gedichten lijken de grens tussen poëzie en proza te
overschrijden. Ze lijken op sterk geschreven columns maar zitten toch vol
met verborgen rijm en een sterke ritmiek, wat overigens bij goede columns
ook niet zelden het geval is. Waarmee weer is aangetoond dat in de
hedendaagse poëzie de grenzen niet meer duidelijk zijn te trekken. Willem
Thies, die onlangs op Poetry International met de Cees Buddinghprijs werd
beloond, treft het wat aandacht betreft helaas slechter. Het gebied, te
rekenen tot het terras, dat al was vervaagd door de grote opkomst van
publiek en mededichters, was nog diffuser geworden tijdens het optreden
van Starik toen nog een flink aantal passanten zich erbij aansloten. Als
Thies begint staat een deel van zijn toehoorders tot op de openbare weg.
Een magere Afrikaanse man met puntbaardje baant zich een weg naar voren en
meent met de dichter achter de microfoon een discussie te kunnen aangaan.
Thies probeert hem eerst te negeren, maar als de man iedere regel van
commentaar voorziet valt hij stil. Na elkaar wordt zowel zachte overreding
als harde hand op de Afrikaan uitgeprobeerd. Tevergeefs, totdat iemand
zich opoffert en de man meeneemt om hem elders een biertje aan te
bieden. Als Vrouwkje Tuinman aan de beurt is heerst weer een relatief rustige sfeer. Toch lijkt de concentratie moeilijk voor zowel dichters als het serieuze deel van het publiek. Er is zoveel wat afleidt: nu en dan valt in de drukte een bierglas, berijders van passerende motoren ervaren in de grote schare luisterende mensen rond één persoon achter een microfoon de uitdaging alle aandacht naar zichzelf te trekken en scheuren een hoogtoerig rondje Turfsingel, dorstigen lopen naar en van de tap, de serveerster in rokje met afgezakte taille buigt zich voorover en vertoont haar kanten slipje, de mensen zien bekende gezichten en willen onderling contact maken waarvoor er maar nauwelijks pauzetijd is. De traumaheli van het Academisch Ziekenhuis vliegt over… Toch wil ik hiermee geen negatieve indruk geven, het is nu eenmaal een straatgebeuren en dat is anders dan in een besloten binnentuin. De meeste dichters hebben er met hun keuze wel een beetje rekening mee gehouden. De Vlaamse dichter Andy Fierens geeft een reeks satirische vrouwonvriendelijke gedichten ten beste waarvoor hij zich tevoren verontschuldigt: hij is niet vrouwonvriendelijk “hij heeft er zelf een thuis”. En hij sluit af met een satire op de man. Tijdens het optreden van Vrouwkje Tuinman en van de bejaarde Louis Lehmann, die dezelfde reeks leest als onlangs op Vurige Tongen in Ruigoord, blijft de menigte rustig. Het
ene blok dichters na het andere volgt elkaar op en daarvan maakt het
optreden van de pianist Willem van Ekeren ook deel uit. Van Ekeren’s
Bach-Bukowski is geen ‘muzikaal behang’. Hij speelt preludia, fuga en
andere Bach composities, waarin hij de gedichten mixt van Charles Bukowski,
door hem zelf gezongen. De prachtige Bachmelodieën roepen om aandacht, de
Engelstalige poëzie vraagt concentratie. Maar het publiek smacht ernaar
even de teugels te vieren en te praten. Zo wordt Van Ekeren een beetje het
slachtoffer van het ontbreken van behoorlijke pauzes en moeten de mensen
in de achterste regionen even tot de orde worden geroepen.
John Newswatcher - © Hernehim Cultuur 31 juli 2006 |
|
| Bij
de gemeentekist van Mevrouw P.
Slaapt
ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar, Ze
slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan op
een verveeld station je krant vergeet. Zoiets. Menno
Wigman.
|
| Glas en Poëziefestival 2006, Leerdam – Een verslag van John Newswatcher. | |
|
|
Leerdam,
hoe vaak was ik daar in mijn leven? Eén of twee keer, lang geleden.
Het is bekend als glascentrum, maar wat weet ik er verder van? Zo goed als
niets. Het ligt afzijds, een boemeltrein komt er, die eens per uur stopt. Maar de grote stromen stormen op afstand in west en oost voorbij, van Utrecht naar Breda of van Utrecht naar ’s Hertogenbosch en omgekeerd. Toch trekt een plaatsje als Diever in Drente grote aantallen bezoekers wegens de faam van het openlucht theaterspel, in Tegelen werden de passiespelen een traditie en Terschelling stroomt elk jaar vol met mensen die het Oerol-festival willen meemaken, zonder door een lange bootreis te worden afgeschrikt. Waarom zou een poëziefestival in Leerdam dan geen succes kunnen worden? Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos hebben het aangedurfd het te proberen. Zaterdag 8 juli was het zover. En natuurlijk waren er enkele gebreken zoals bij alles wat voor het eerst wordt georganiseerd, maar de aanstekelijkheid van hun enthousiasme zorgde ervoor dat er heel wat dichters van heinde en verre kwamen aangereisd om te komen optreden. En zeker niet de minste, bekende podiumdichters waren er bij, andere die al jaren actief zijn in schrijfkringen en op het internet. Een goede graadmeter was het niveau van de inzendingen op het thema ‘barst’ van de uitgeschreven prijsvraag. |
|
Ik maakte een reis van ruim 250 km naar Leerdam, zat in totaal een dikke 6 uur achter het stuur om drie keer 10 minuten poëzie voor te dragen aan een passantenpubliek. Onderweg bekroop me een gevoel dat ik meende te herkennen uit een CAMU van Remco Campert. Hij schreef dat hij zich, zittend in de trein, afvroeg wat toch het nut was om urenlang op reis te gaan om ergens in Uithuizen, Oldenzaal of Brunssum een kwartier voor te lezen. Maar gelukkig doen schrijvers en dichters zulke dingen toch. En in het geval van het (eerste) Glas en Poëziefestival van Leerdam zelfs zonder honorarium of vergoeding van reiskosten! |
|
| Het
binnenstadje van Leerdam is klein en compact, parkeren schaars en bemeterd.
Bij het NS station is een groot (nog) gratis parkeerterrein, tegenover het
station een rode wegwijzer ‘centrum>’ en over ‘het pleintje met
de glazen kubussen’ al maar rechtdoor (zoals de route in de email
luidde) wees de weg zich vanzelf. Begroeting door Cilja en Jan en enkele
vrijwilligers die koffie en thee hadden verzorgd in een kingsize
partytent. Om 12.15 waren al zo'n 20 à 25 dichters en gasten aanwezig. Hartelijke begroetingen tussen de oude bekenden: ik zag Frans Terken en Han Ruijgrok van de Leidse dichterskring, Willem Adriaans (Willem Adelaar) uit Eindhoven, Pietersz van Calumburgh uit Groningen, Gijs ter Haar uit Bunschoten, Jan Sakko uit Utrecht, Pom Wolff en Karel Wasch uit Amsterdam. Partytent toch te klein als ontmoetingsplek, was het een staande receptie terwijl boven onze hoofden de hemel steeds duisterder werd. Tegen 13.00 terwijl we gezamenlijk naar het historische pand Hofje van Mevrouw van Aarden liepen, maakten we ons echt bezorgd over de dreigende pikzwarte onweersbui. Burgemeester Molkenboer stond in vol ornaat met ambtsketen en al op het bordes, terwijl wij met z'n allen - de groep was inmiddels aangegroeid tot bijna 100 personen - de ingang van de HEMA er tegenover stonden te blokkeren. De burgemeester meldde dat Leerdam inmiddels ingelijfd was bij de top tien poëziesteden van Nederland en dankte dat aan de inzet van Cilja Zuyderwyk, Jan Zwaaneveld en de directie van het Glascentrum. Intussen begonnen de eerste druppels te vallen. Maar dat zou onmiddellijk ophouden zodra de poëzie begon te stromen, aldus de burgemeester. Op
onze plattegrondjes stonden de locaties als nrs. 1 t/m 10 aangeduid en de
gastvrouwen en -heren hadden een paraplu met het cijfer van hun locatie,
niet om met z’n allen onder te schuilen maar een praktische oplossing om
snel bij elkaar horende groepjes te vormen. De
publieksinteresse was niet overweldigend, de meeste mensen waren meer
geconcentreerd op boodschappen doen dan te blijven luisteren naar poëzie,
maar telkens een handjevol geboeid luisterende mensen kan toch heel
bevredigend zijn. En natuurlijk waren we ook elkaars publiek. Een
uitstekende gelegenheid voor onderlinge contacten kwam na 17.00. Tijdens
het dichtersfeest was het officiële programma maar kort. Iedereen
drentelde daarna gemakkelijk van tafeltje naar tafeltje om dan hier, dan
daar, een praatje te maken. Drie prijzen werden er uitgereikt aan de
deelnemers van de wedstrijd op het thema 'barst'. Twee daarvan gingen naar
Vlaanderen, de hoofdprijs, een glas ontwerp van Cilja Zuyderwyk en de
tweede prijs, een tweeluik litho’s van Olivier Beijn. Erik Wauters ging
met de uitvergrote glazen inktpot met een dop in de vorm van een
uitvergrote glazen kroontjespen naar huis, Sylvie Marie won het kunstwerk
voor aan de wand. Hetgeen uitstekend van pas kwam, want “er was nog één
maagdelijk witte wand in haar woonkamer”. De bekroonde gedichten:
“Adem om Glas” – eerste prijs, “Vertrek” – tweede prijs. © Hernehim Cultuur. John Newswatcher 13.07.06
|
|
|
Adem om glas Zo
moet het eertijds En
zoals het ijs doet met water Dan,
vanuit een honger zonder bodem, -
tot een hand even wankelt, ©
Erik Wauters
|
Glasblazer aan het werk |
| Literaire Bladen – Een pleidooi voor OPSPRAAK door Rutger Verhoog. | |
| Het
landschap van de literaire tijdschriften in Nederland en Vlaanderen ademt
al decennia een bezadigde en groezelige sfeer uit. Dat literaire
tijdschriften de ‘kweekvijver’ zouden zijn voor aanstormend talent dat
gespot zou worden door grote uitgevers is al lang niet meer zo. Redacties
van gesubsidieerde tijdschriften plaatsen alleen artikelen van vriendjes
en opstandige blaadjes verdwijnen vaak even snel als ze met tromgeroffel
zijn gekomen. Neem Bunker Hill of Zoetermeer of Millennium. Aan de kant
van de gesubsidieerden druipt de saaiheid van de bladzijden, Awater, De
Revisor, De Gids, Tirade het zijn onleesbare brochures voor neerlandici
geworden. Zelden worden er koppen gesneld, nimmer controversiële
standpunten ingenomen, polemiek wordt geschuwd en het legertje arrivés
beweegt zich ondergronds via paddensluipwegen naar de volgende
spoorwegovergang, waar de seinen immer op groen staan. In de kranten is er
geen aandacht voor de literaire bladen meer, vaste bespreekrubrieken
verdwenen. Vrij Nederland had een tijd lang de Literaire Ladder maar
stopte met deze sympathieke rubriek omdat een advertentie op diezelfde
plek meer geld zou genereren. Gelukkig is er een uitzondering namelijk het Nieuwegeinse literaire blad OPSPRAAK, dat al geruime tijd wordt uitgegeven door de Stichting Beeldspraak sinds kort in samenwerking met de Leerdamse uitgeverij Nymfaeum. Het ongesubsidieerde blad verschijnt drie maal per jaar, maar ziet er buitengewoon professioneel uit. Een prachtige kleurenomslag maar ook de door Jan van Waarden vormgegeven binnenkant is een lust voor het oog. In de traditie van de Forumgroep wordt journalistiek gecombineerd met literatuur met een hoofdletter L. In vorige nummers waren er literaire interviews met o.a. Ingmar Heytze, Sera Anstadt, Ilja Leonard Pfeijffer, Iris van de Casteele en Hans Plomp, maar ook met buitenlandse beroemdheden als Ira Cohn en de legendarische uitgeefster Fernanda Pivano, die the Beats uitgaf. Een themanummer werd gewijd aan Jack Kerouac en aan W.F.Hermans, hieraan verleende VPRO-verslaggever Anton de Goede medewerking. Ook Verbaljam werkte mee met o.a. het interviewen van Tjitske Jansen. |
|
|
|
Nu
dan het 30e nummer van OPSPRAAK met een gesprek met dichteres Astrid Lampe, winnares van de Ida Gerhardtprijs. De redactie aarzelt niet en zet de dichteres steeds op het verkeerde been, daar waar Lampe gewend is iedere journalist met een kluitje in het riet te sturen. Karel Wasch interviewt haar aan de rand van een leeg bad, waarin de dichteres met dinky toys zit te spelen. De vaste rubriek van Werner Tholen “Gekken & Dwazen” gaat dit maal over John Reed, de schrijver van Ten Days that shook the World. |
| In
vorige nummers kwamen andere drankorgels en desperado’s uit Letterenland
aan de beurt zoals Bukowski, Salinger, Paul Snoek, Brendan Behan, Emmanuel
Bove of Antonin Artaud. Essayvuurwerk is er in dit nummer van Aart van
Soest, die een gedicht van Ronsard belicht en dan zijn er fraaie gedichten
van o.a. Eva Kuylman, Jan van de Heuvel, Jos van Liempdt en Barney
Agerbeek. Een aantal van de dichters van OPSPRAAK treedt op in de
“Levende Dichtersalmanak” van de VPRO. Sebastian Goldstein leverde een
prachtig kort verhaal in. De afwisseling tussen spannende stukken en serieuze poëzie en de terugkeer van het literaire interview maken OPSPRAAK tot het beste literaire blad van dit ogenblik. Het is te hopen dat het blad o.l.v. Jack Koehorst nog vele edities mag beleven. Weg met de saaiheid, leve OPSPRAAK! © Rutger Verhoog |
|
| De Zon. Sunsation Festival – Een verslag over de 25e editie door John Zwart. |
|
In
1982 startte in Lelystad een initiatief om het begin van de zomer te
vieren in het Robert Morris Observatorium aan de Swifterringweg met maken
van muziek en voordragen van poëzie in de binnenring van dat
‘land-art’ object. Daar veroorzaken reflecties een bijzondere
akoestiek: staande op ‘de steen’ die het middelpunt van de
grasbegroeide ruimte aangeeft is zelfs een zachte stem op iedere plek
binnen de ruimte verstaanbaar.
Flevoland werd in die tijd beschouwd als een culturele woestijn en een groepje cultuurliefhebbers bij de VVV van Lelystad vond dat daar maar eens verandering in moest komen. Ondanks dat het in 1982 bij die eerste vroege zonsopgang op 21 juni hard stormde - zodat tent, geluidsinstallatie en het handjevol publiek tot speelbal van de wind werden - kwam er in 1983 een tweede aflevering. Wéér met een handjevol publiek. In 1984 kwamen er méér en het leek dat er inderdaad iets was ontstaan dat traditie zou kunnen worden. Zo werd het j.l. zaterdag 24 juni 2006 dat de zonnewende in het Robert Morris Observatorium voor de 25e keer werd gevierd. Allang niet meer met een kring luisteraars rondom de steen waarop dichter en muzikant zich konden laten horen. De ruimte binnen de ring zat stampvol en bovenop de wallen zaten nog eens vele tientallen mensen voor wie er binnen geen plaats meer was. Met een volle binnenring is de magie van de akoestiek door de reflecties via de hardhouten damwand weg. In het nachtelijk duister staan er alweer sinds jaren aggregaten te ronken: het Sunsation Festival van weleer dat het met een vuurkorf en een paar fakkels af kon is geëvolueerd tot het eigentijds Sunsation Festival met een professioneel podium en daar bijbehorend volop licht en geluid. Zonder krachtige energiebronnen gaat het niet meer. |
|
Veel
verandering dus, een bedrijfsmatig organisatiebureau Fabergé, meer
publiek, steeds grotere sterren van steeds verder weg. Meer spektakel,
minder verstilling, verminderde intimiteit. Er is een groep van bezoekers
van het eerste uur die wel eens heimwee voelen naar de vroege
zomerochtenden van weleer. Veel mensen kampeerden op het terrein rondom, zij wilden al rond de klok van half vijf een gunstige plek voor het podium veroveren. Degenen die in de nanacht per auto aankwamen, waren er ook al vroeg bij, voor deze jubileumaflevering werd extra veel publiek verwacht. De Deense Alice Rose met een sprookjesprinsessen kroontje zat al even na half vijf op het podium achter haar laptopje haar bestandjes te controleren. Ook weer zo’n teken des tijds, hoorden we ooit het festival vanuit het duister openen door een pipeband van ‘schotse’ doedelzakspelers uit Dronten, door ‘japanse’ trommelaars uit Utrecht, of door exotische diepe keelzangers uit Mongolië… de ode aan de zon wordt anno 2006 met digitale techniek geopend. |
| Kort voor vijf uur begonnen de luidsprekers ge-sample-de klanken te bulderen met daar tussendoor flarden van een vrouwelijke menselijke stem. Het was aanvankelijk niet duidelijk wat Rose deed, zo nu en dan bewoog haar mond maar de mix tussen haar microfoon en de output van haar computer was zo ongelijk dat niet was vast te stellen of ze goed kon zingen. Tussen datgene, wat bulderende oceaangolven leken, klonken strijkers en even pakte Alice in wonderland dan een viool en schraapte een paar maten mee. En als tussen het geweld een xylofoon klonk pakte Alice haar xylofoontje en sloeg daar heel precies drie tonen op aan. Het was hard, heel hard, te hard voor wie nog maar half wakker was en het duurde en duurde maar voort. Ik weet niet of het uit bewondering voor haar computervaardigheid was of uit opluchting, maar Rose kreeg een stevig applaus van het altijd sympathieke publiek. |
Job Degenaar
|
|
Voor
de tweede maal was de presentatie in handen van de Vlaams-Surinaamse Neske
Beks die goed aanvoelde dat we iets
vrolijks nodig hadden, haar improvisaties lieten de lach weer doorbreken.
Vijf uur achttien werd het en de zon geacht de horizon te ontstijgen,
daartoe aangespoord door Heer Bol. ©
John Zwart. Hernehim Cultuur, 28 juni 2006 |
|
Zon, dezelfde kamer Plaatst hij een kamer uit een andere het licht aan de dag
© Rozalie Hirs
(Dus dit is zomer) Dus dit is zomer Dus dit is zomer, dit vibrerende zand Dus dit is zomer, hapert de herfst, Doch het is zomer, dus bij schemer
© Job Degenaar
(Voor alle blanke meisjes die de blues willen zingen) zusters, zusters, wat geeft het dat je langzaam ik hou van jullie allemaal dan zal ik denken aan het podium zusters, zusters
©
Adriaan Jaeggi
(zonder titel) Dit deel dat stilstaat in de ramen en rondjaagt dat zich als een dode aan laat dragen - dit licht
© Marije Langelaar
|
| We
waren in een ander land. Ik bewonderde mijn ouders, want die waren hier
net als ik voor het eerst, en toch wisten zij de weg. Elke dag gingen we
zwemmen. Het was in die zomer dat de zon zich op mij achterliet. Dat is
een andere manier om te zeggen dat ik toen ben verbrand en dat je dat nog
steeds kunt zien. Van mijn navel tot mijn rechterschouder verbrand geweest
zijn, ziet er vandaag als sproeten uit; mijn rechterborst zal vanaf toen,
to Het was dus in die zomer dat ik door de zon werd uitgekozen. We gingen naar zee en hadden een rubberboot meegenomen. Ik wilde gaan varen. Ik sleepte de boot achter mij aan naar het water, dat ik eerst maar eens een heel eind in liep. Toen ik ver genoeg gelopen was om varen varen te laten zijn, probeerde ik in de boot te klimmen. Dat lukte niet. Het water was te diep. En hoewel ik wist dat water alleen maar dieper werd, liep ik toch verder. |
![]() |
|
Waarom
loop ik verder, ik moet terug lopen, het is gevaarlijk hier, straks heb ik
geen grond onder mijn voeten en hang ik aan mijn boot en als de boot
omslaat, verdrink ik. Dat wist ik en toch liep ik verder. Omdat ik niet
terug wilde lopen, omdat het beeld van een boot op zee te sterk was – de
kracht die deze onmogelijke mogelijkheid op me uitoefende, groter dan de
kracht van het gevaar. (Ik heb ook eens een kastje ingesmeerd met boter.
Ik wist dat mijn moeder heel boos zou worden, maar het was zo’n
betoverende bezigheid. Het hout van het kastje ging er zo prachtig van
glanzen en mijn vingers genoten van het smeren van de boter op het hout.)
Het steeds-verder-weg-strand had een bedwelmende werking, de zee om mij
heen was zonder andere mensen. Totdat mijn vader er ineens in opdook;
buiten adem van het harde zwemmen en boos en ongerust en we waren je
kwijt! Hij tilde me in de boot, zwom me terug naar het strand. Ik vaarde.
Het restant van die zomer zijn mijn sproeten die de zon uit 1974 op mijn
lijf tatoeëerde. Voor wie er lang naar kijkt, krijgen ze de vorm van een
anker. ©
Tjitske Jansen |
|
| Vurige Tongen – Een verslag van John Zwart. |
|
Lange tijd was ik niet op
Ruigoord. Tijdens het pinksterweekeinde was Vurige Tongen 2006 de aanleiding om de reis vanuit Friesland te maken. Als je vanaf de hoofdstad door Westpoort over de Noordzeeweg rijdt onderga je een vervreemdend effect. Met ijzeren regelmaat gieren de Boeings van Schiphol over je heen en vanachter een groen dijkje aan je rechterhand schuift een reuzencontainerschip over het onzichtbare Noordzeekanaal. En ergens daartussenin liggen wat enclaves van groen. Opeens zie je het pictogram van een recreant op een richtingbord: Spaarnwoude. Een paar kilometer verder: Ruigoord. Voor mij uit rijdt een bekende Volvo. Simon Vinkenoog met Edith, die vlak vóór me parkeert. Met grote regelmaat kom ik de oudgediende - maar nog lang niet uitgediende - dichter tegen: op het Sunsation Festival bij Lelystad, Suburbia bij Apollo Harderwijk, Festina Lente Amsterdam en nu weer bij Vurige Tongen. Eigenlijk viel over
Ruigoord niet zo erg te treuren toen destijds dreigde dat de bulldozer er
overheen zou gaan. De meeste oorspronkelijke huizen zijn eengezinshuizen,
zoals je die van de fantasieloze eind jaren vijftig - begin jaren zestig
nieuwbouwwijkjes kunt voorstellen. Maar met het grote gebrek aan
woonruimte in en om de hoofdstad was het toen begrijpelijk dat men tegen
die kaalslag in opstand kwam. En in de loop van de jaren heeft Ruigoord,
de culturele vrijhaven, door zijn bewoners en de manier van bewonen een méérwaarde
in uiterlijk en sfeer verkregen. |
|
Het is geen echt mooie
Pinksterdag, niet zo één voor ‘met een rijtuigje naar Vinkeveen’.
Kil winderig is ‘t en de zon laat het steeds meer afweten. Het meeste
moet zich afspelen in het kerkje. Het kerkje dat steeds meer sporen van
achterstallig onderhoud vertoont. Op het torentje met de blauwe
wijzerplaat staat één wijzer sinds jaar en dag stil, een symbool voor de
mensen die hier de indruk wekken te wensen de tijd te doen stilstaan? Of is het eerder dat tijden zich hier herhalen? Het is opvallend dat er veel jonge mensen zijn naast een groep met grijze haren. Bloemenkinderen van weleer en een nieuwe generatie bloemenkinderen. Buiten ontmoet ik een jonge dichteres die geen kou lijkt te voelen, gekleed als voor zo’n mooie Vinkeveense Pinksterdag in microrokje en topje, ertussenin haar blote buik met navelpiercing. Tepels trachten zich fel door de dunne stof te prikken. Het uiterlijk lijkt bij jonge tot iets minder jonge dichteressen tóch een belangrijke rol te spelen. Liesbeth Lagemaat wordt door presentator Hans Plomp in de eerste plaats om haar schoonheid en vervolgens om haar dichtprestaties de hemel in geprezen. Zo’n aankondiging zou ze als ware ster moeten laten voor wat het is. Maar ze maakt de fout erop in te haken door haar vestje over de schouders te laten glijden om haar blote bovenstuk met spaghettibandjes te tonen, wendt zich een kwartslag, borst vooruit met de opmerking dat ze als tip kreeg zó op te komen. Tja, dan moet er wel heel goede poëzie komen... Ze opent met een gedicht over een hoer en een vlieg op de rand van haar waterglas die naar elkaar kijken. Lang en met veel herhaalde strofen. Een ander gedicht handelt over gewelddadige planten die kinderen eerst omarmen, maar vervolgens door hun lichaam en organen heen groeien. Ze verontschuldigt zich dat ze gewoonlijk bij podium optreden haar meest recent geschreven werk brengt; en helaas... deze dagen schreef ze juist over nachtmerries. De jonge Karlijn Groet, wat bescheidener aangekondigd, kan mij meer bekoren met haar pretentieloos gebrachte liefdespoëzie. |
|
Afgewisseld met muzikale acts
komen ook diverse buitenlandse dichters op het podium, waarvan
verschillende vanwege de taal (Hongaars) voor het publiek onverstaanbaar
zijn. Bij hen moet je het vooral van de klank en het ritme in de
voordracht hebben. Gaandeweg wordt het rokeriger en rumoeriger in de kerk, vooral rondom de bar bij de ingang is het gepraat op de duur storend ondanks de geluidsversterking. David Boelee heeft zijn act hier helemaal op voorbereid. Schijnbaar ongeremd barst hij tegen het respectloze publiek los wat pas na de eerste schrik herkend wordt als performancepoëzie. Tevreden stelt hij vast dat het hiermee toch al duidelijk stiller is geworden en dat ze misschien toch wel weer vrienden kunnen zijn. Naast me op het bankje een paar met ‘n bastaardhondje aan de lijn. Zij: een prachtige Hindoestaanse. Vóór ons hangt een fotograaf, met zijn ene vrije arm om een bloemenmeisje geslagen. Het is niet zozeer sigarettenrook die er om ons heen hangt, er overheerst een andere onmiskenbare geur. Mééroken mist wellicht niet geheel zijn invloed. Ik beschouw alles met milde blik. Vind ik daarom Tosca Niterink (Creatief met kurk) opeens een heel verdienstelijke dichteres? Ik zie dat de Hindoestaanse naast me hoogzwanger is. Regelmatig masseert ze haar bolle buikje alsof ze ‘t kindje al op schoot heeft. Ik kijk opzij en ze lacht me vriendelijk toe. “Je kindje zal zich heel gewenst voelen als het straks geboren is, nu ‘t voordien al zo heerlijk geknuffeld wordt” zeg ik haar spontaan. Onder ‘t muziekoptreden begint een openhartig gesprek waarin ze me toevertrouwt dat het haar eerste kindje is. Ze is al 36 maar geen moment heeft ze getwijfeld of ze wel zwanger zou worden: “Toen ik besloot dat ik zover was liet alles in mijn lichaam me weten dat het er aan toe was”. Haar blaas heeft weinig ruimte, ze moet regelmatig weg om te plassen. Haar vriend draait een nederwiet: “óók ééntje?”. Maar ik bedank, rook helemaal niet. “Ja, ze is heel mooi en heel lief” zegt hij, “soms té lief, naief eigenlijk, dan denkt ze dat álle mensen aardig zijn en dan moet ik waarschuwen dat dat natuurlijk niet zo is”. Het lijken inderdaad de
jaren zestig wel. Het straalt van het publiek uit naar de oude dichter
Louis Lehmann, duidelijk Parkinson lijder, als hij op het podium staat.
Als inleiding op de uitreiking van de Ruigoord Trofee leest hij enkele van
zijn gedichten, vastgehouden in zijn hevig trillende hand. © John Newswatcher 16 juni 2006
|
| Deelgenoot –
Beschouwing bij de presentatie van het Verzameld Werk van C.O.Jellema in de kerk te Leens, door John Zwart. |
|
Het
is zondag 11 december 2005 en over kleine binnenwegen ben ik uit midden
Friesland op weg naar Leens, in de noordwesthoek van de provincie
Groningen. Op deze dag presenteert de Amsterdamse uitgeverij Querido van
C.O.Jellema zijn verzamelde oorspronkelijke poëzie en vertalingen, in
twee kloeke delen. De dag is kil en grijs, zoals dat meestal in december
is. Cor Jellema hield van dit landschap en zijn invloed op de mens. Hij hield van de ganzen en zwanenvluchten, die het komen en gaan van de winter aankondigen. Van de zwervende troepen kraaien over de kale velden, van de groene waas van eerste sprieten van opkomend gewas. Van het spel van de hazen in het weiland, de terugkomst van de trekvogels. Van het drama en kleurenspel in de oneindigheid van wolkenluchten, de verbondenheid met het voorgeslacht door deze aarde. In het noorden, langs onze wadden, zijn wisselingen in seizoenen heviger dan elders. Zoals de herfst tekeer kan gaan, de bladeren van de bomen rukt, nog voor ze er klaar voor zijn om ze los te laten. Zoals plots de lente door de lucht komt aanvaren uit het noordwest, ons een hagelbui als een hand grind in het gezicht gooit, gevolgd door een felle zon priemend in een helderblauw wak. Zo herken ik nu ook de winter. Hoe die hier het landschap toedekt onder een grijze deken en zich plooit over alles wat zich erin bevindt. Het isoleert van elkaar en in zichzelf keert, de gevoelige beschouwer in een filosofische gemoedstoestand brengt. Ik
vraag mij af of al die mensen, die nu, uit de noordelijke steden, vanuit
de randstad en van nog véél verder, samenstromen naar de Petruskerk van
Leens, hun tocht er naartoe ook zo ervaren. Elke spreker zal een aspect
van de mens Jellema gaan belichten vanuit zijn of haar eigen
betrokkenheid. Samen gaat men trachten een totaalbeeld te scheppen, dat
niettemin nooit compleet zal zijn. Nog
veel meer mensen zullen stilstaan bij hun persoonlijke relatie met Jellema.
Natuurlijk Klaas Noordhuis, zijn langjarige levenspartner; Anna
Peletier-Jellema, zijn petekind; Matthijs Röling, schildersvriend. |
|
Hunsingo
Onherbergzaam
is dit land Het
is 't onbewoonde land Meanderend
de wegen als Wie
zo volhardt verschijnt
© JohnN |
|
| De eenzame uitvaart – Een boekbespreking van John Newswatcher. |
|
Mijn vader is in eenzaamheid gestorven. Terwijl zijn vrouw, mijn moeder, zich een verdieping lager in hetzelfde huis bevond. Zij bleef nog wat tv kijken, nadat hij verklaarde dat hij zich niet goed voelde en naar bed ging. En stierf. Het
lijkt me verschrikkelijk om die laatste drempel zonder enige bijstand te
moeten nemen. Er
zijn natuurlijk méér mensen die zich storen aan zulke beelden die ons
een maatschappij van egoïsme vertonen. Die willen postuum iets dóen om
daarmee hun menselijkheid recht te doen. Natuurlijk, voor die ontzielde is
dat van geen enkel nut, maar wèl voor onszelf. Om mee te bewijzen dat het
nooit acceptabel is blind langs medemensen heen te leven. |
| Geen trieste bundel |
|
Het
is geen treurige bundel van aanééngeregen grafspraak geworden.
Integendeel, Starik heeft er een ontroerend, bij wijle zelfs mild amusant
boekwerk van gemaakt. Ook zijn ervaringen met de ambtenarij maken deel uit
van het proza gedeelte. Hij was zelf bij elke uitvaart aanwezig, óók als
er een andere ‘dichter van dienst’ zich aan z’n taak had gezet.
Telkens vormt hij zich, voor zover dat kan, een beeld van de
omstandigheden waaronder de betrokkene zijn of haar einde vond. Hij
schrijft knappe sfeertekeningen over zijn gedachten en indrukken terwijl
hij per fiets op weg gaat naar de drie verschillende begraafplaatsen waar
deze bijzondere doden ter aarde worden besteld. Ook de weersomstandigheden
missen daarbij hun invloed niet. Hij spaart niemand, zoals de dragers die
niet weten hoe snel ze binnen achter de koffie moeten geraken, maar hij
tekent bijvoorbeeld ook het ernstig besef van waardigheid van de heer Ger
Fritz, de ontroerend zeer integere ‘hoofd bureau uitvaarten van
gemeentewege’. |
| Een voorbeeld van de poëzie die een eenzame uitvaart begeleidde |
| Het
kind
Er
is een moeder in ons leven, zij is jij
gaat haar na alsof ze heeft geroepen: Anneke Brassinga Mede dankzij “de eenzame uitvaart” – de ‘poule’ en de bundel - is in de stad Amsterdam intussen de dichter een niet meer weg te denken element geworden bij de ambtelijke teraardebestellingen. Alle grote steden zouden dit voorbeeld moeten volgen. ©
John Newswatcher – 4 mei 2005 “de eenzame uitvaart” – Uitgeverij Nieuw Amsterdam. ISBN 90-468 0020-2 incl.cd met opnamen van de uitgesproken gedichten. |
| Een Hollander in Parijs – Impressie n.a.v. een gesprek met Ad Fransen |
| W.F.Hermans
slaagde erin vrijwel zonder er vrienden achter te laten van Nederland naar
Parijs te verhuizen. Niet naar een armzalig huurkamertje in een
achterafgelegen vervallen negentiende-eeuwse etage, zoals de Vijftigers
die daar in gelukkige armoe droomden van de erkenning van hun
kunstenaarschap. Nee Hermans vestigde zich in Parijs in een herenhuis met
prestige aan de Rue Théodule Ribot no.18, nabij het Parc Monceau. Dat kon
hij zich niet alleen dankzij de gunstige verkoop van zijn villa in het
groene Haren bij Groningen veroorloven, maar vooral dankzij zijn
geldhonger, uitgekiende beleggingsstrategieën en grote vrekkigheid. Hij zou ze daar in kikkerland eens even laten zien hoe een werkelijk groot literator het uiteindelijk maakt. Ronkende columns schreef hij over zijn woonomgeving in de Nederlandse bladen. Misschien juist als gevolg daarvan raakte hij met de weinigen, die daar vriendschap voor hem hadden bewaard, in onmin. Zo konden de vetes per brief ontstaan die een schier eindeloos leven gingen leiden, zoals met Vestdijk en met Morriën. Al
heel wat jaren geleden nam Ad Fransen, toen werkzaam bij de VPRO, de trein
naar Parijs voor een interview met Hermans. Tevoren vernam hij dat Hermans
had gechicaneerd over zijn honorarium. Toen Fransen zich bij Hermans
meldde kreeg hij als eerste te horen: “Heb je de duizend gulden bij
je?” Dat had Ad natuurlijk niet, hij nam aan dat zijn werkgever zoiets
via de bank regelde. Hermans troonde Fransen mee naar zijn werkkamer,
legde hem een stuk papier voor. Daarop moest hij persoonlijk een
gedicteerde garantie voor de betaling schrijven en met zijn handtekening
bekrachtigen. Eérst het geld, dàn het interview. |
|
|
| Maar
natuurlijk, als er iets gebeurt waar 'tout le monde' bij hoort te zijn om
dat evenement de nodige ‘grandeur’ te verlenen, ja dán worden ook de
succesvolle buitenlandse schrijvers die zich in Parijs vestigden
uitgenodigd. Het is nu precies 28 jaar geleden dat in januari 1977 het futuristische Centre Pompidou werd geopend, en onder de achtduizend uitverkoren gasten was ook Hermans. Per taxi liet hij zich naar de Rue Saint-Martin rijden. "Ik vind dat ding daar helemaal niet goed staan", zei de taxichauffeur, "het past niet bij de omgeving". De chauffeur toonde met die opmerking sympathie voor de filosoof Jean Beaudrillard die het nieuwe cultuurcentrum de naam 'stofzuiger van de Franse cultuur' had toebedacht. Hermans diende de chauffeur snedig van repliek: "Dat hebben ze vroeger óók over de Eiffeltoren gezegd". "Ach, die Eiffeltoren is óók een lelijk ding". Zo distantieerde de chauffeur zich van zijn Nederlandse passagier Hermans. Nee, Guy de Maupassant was hem duidelijk sympathieker. Die schrijver vertelde aan ieder die maar horen wilde in Parijs zo vaak mogelijk te dineren in het restaurant van de toren want… 'dat is de enige plek in Parijs vanwaar je hem niet kunt zien'. Net als die verguisde Eiffeltoren trok het Centre Pompidou ondanks - of wie weet dankzij - het 'uiterlijk van een petrochemische installatie' veel publiek. Al meteen vanaf de opening. En Jean Beaudrillard kreeg een trieste triomf: hij had voorspeld dat het ding zou imploderen. Inderdaad dreigde het bouwsel onder de bezoekersaantallen te bezwijken, wat na goed twintig jaar al een ingrijpende renovatie nodig maakte. 'Je moet je toch niet voorstellen dat we het Louvre elke twintig jaar grondig moeten restaureren', verzuchtten culturele kringen. Maar Hermans bleef het Centre Pompidou altijd prachtig vinden en schreef er later over: "Het kan zijn dat het zijn tijd te ver vooruit was. De Citroën DS vond je eerst ook lelijk en nu spijt het je haast dat hij niet meer wordt gemaakt". Daar sloeg Hermans de plank echt mis, bijna iedereen vond de 'snoek' juist práchtig, alleen zakten ze nog véél sneller in elkaar dan het Centre. ©
John Zwart
- 30
oktober 2005.
|
| Jan Boerprijs voor Nina Werkman | |
| "Pas
later kreeg dat allemaal een naam" was het thema voor de inzenders
voor de Jan Boer Poëzieprijs 2005, die is ontstaan vanuit een initiatief
van Geerhard E. Schaap en werd ingesteld door de Geestelijke
Gezondheidszorg Groningen GGz in 2002.
Deze 2e editie van de Jan Boer Poëzieprijs werd op 19 oktober 2005 in het feestelijke "De Kimme" te Zuidlaren uitgereikt aan Nina Werkman uit Groningen. Nina Werkman, die regelmatig publiceert op Hernehim Cultuur, ontving de prijs voor het winnende gedicht "Handenbinders" in het Gronings. Ook een ander gedicht van haar hand, "Kleine Oorlog", kreeg een plaats in de bundel "Hier ben ik de klank". GGz Groningen gaf deze selectie van 30 uit het totaal van 400 inzendingen uit in een oplage van 6000 exemplaren. ISBN 90 76321 17 5. |
![]() |
|
© Foto Remco Ekkers |
|
| Handenbinders
In joen aarms haar ie mie vongen, Dou k joe ontlopen ging, heb ie mie Aansom kon ie wel griepen aan mien Aantou dij houken
schient gain Ik vòl ze allaank nait meer, de groot-
|
Handenbinders
In jullie armen heb je mij gevangen, Toen ik jullie ging ontlopen, heb je
mijn Waar omgekeerd jullie wel grijpen
konden In dat soort
hoeken schijnt geen zon, Ik vouw ze allang niet meer, de groot-
|
| De Jan Boer Poëzieprijs |
| De
Jan Boer Poëzieprijs van GGz Groningen wordt eens in de drie jaar
uitgereikt. Onder (ex)cliënten van de geestelijke gezondheidszorg zit
vaak uitzonderlijk creatief talent. De prijs is bedoeld om aandacht te
geven aan en te vragen voor dat talent. De prijs is genoemd naar de
Groningse dichter Jan Boer, een dichter die met veel liefde schreef over
zijn omgeving, het Groninger land. De poëzieprijs van GGz Groningen
draagt zijn naam vanwege zijn uitzonderlijke kwaliteiten en zijn sterke
verbondenheid met Groningen. De vakjury was als volgt samengesteld: Remco Ekkers, dichter - Jane Leusink, dichter - Siemon Reker, bijzonder hoogleraar Groninger taal en cultuur. |
| Het juryrapport |
| ...
Sonnetten kreeg de jury onder ogen, vrije verzen, gedichten met eind- of
binnenrijm, buitengewoon lange gedichten of juist extreem korte,
'pratende' gedichten, hermetische gedichten en gedichten met een
opvallende bladspiegel... In het gedicht "Handenbinders" wordt de lezer toegelaten tot een reeks krachtige, stromende beelden waarin het dubbelzinnige 'Handenbinders' tot aan het eind toe functioneert. Spannend is het ook, dit gedicht, want het geeft zijn geheim niet prijs. De lezer blijft keer op keer lezen, voelt de beklemming die er van de woorden uitgaat, maar kan die niet echt duiden. Het gedicht telt vijf strofen, de vierde heeft een opvallende ritmische breuk met de voorafgaande: de regels zijn verrassend kort en doordat ze inspringen aan de linkerkant, waar ze ruimte suggereren, worden ze tegelijkertijd naar de rechtermarge van het gedicht 'gedrukt' waardoor ze bij de lezer juist een beklemmend gevoel veroorzaken. Als gevolg daarvan ontstaat ook een beeldende, iconische betekenis: 'Aantou dij houken schient gain De juryleden zijn verheugd dit in het
Oost-Gronings geschreven gedicht al tijdens de allereerste lezing en
afzonderlijk van elkaar te hebben herkend als een van de beste gedichten
van de bijna vierhonderd inzendingen. Jane Leusink
|
| Een terugblik op het literair café in de Weesper binnenstad | |
|
Weesp
– 650 jaar stad, zondagmiddag,
16 okt. 2005, |
|
Jelle van der Meulen |
De
plezierige sfeer werd vooral mee bepaald
door muzikaal poëtisch tussenspel door de
beide gasten Jascha van Roij en Jelle vd Meulen. Hier zingt Jelle herfstgedichten in de zonnige binnentuin van 't Weesperplein. Met een scène uit de theaterversie van
de Max Havelaar verdeelde presentator John Zwart in navolging van Eduard
Douwes Dekker de mensheid in 2 groepen: één die slechts gelooft in
rationele zaken, die zijn leven laat bepalen door profijt, cijfers,
schijnheiligheid; de andere gevoelsmensen, liefhebbers van poëzie.
Daarna kwamen de vrienden van HC en de gasten Job Degenaar en Tsead
Bruinja aan het woord. |
| © eigen foto | |
| In het begin besteedde John nog even aandacht aan Ton Verplanke van Ameland, die bij herhaling kampt met gezondheidsproblemen, en Zuid-Afrikaner Floris Brown, die ook hoopt een volgend jaar wél bij ons te zijn. Hij deed een beroep op logeeradressen zodra Floris zijn vliegticket bij elkaar gespaard heeft. | |
| Poësie As jy nukkerig inkruip onder die komberse, wil jy eintlik sê: kom lê by my. As jy die deur agter jou toeslaan en wegstorm, wil jy eintlik sê: kom agter my aan. En as jy sê: "ek het jou lief" bedoel jy: "het jy my lief?" Sien jy nou dat gedigte nodig is, want as ek " ja " sou sê, sou dit niks beteken nie. Op een origineel van © Herman de Coninck |
Tijd
De vrienden op het station De vriend in de trein De reiziger in de trein Wat hier beweegt © Ton Verplanke |
|
© eigen foto |
|
|
De
kunst van het dichten
ik
geloof in het paardebloempluisje en
dat je in een zucht wegblaast dat
zoveel ruimte aan je laat maar
dat met fijne weerhaakjes © Job Degenaar |
Job Degenaar |
| Gastdichter Job Degenaar droeg zijn sfeervolle poëzie voor onder het goudflonkerend lover in de herfstzon van de binnentuin. Hij hield daarbij zijn tijdelijke rol als 'sjaalman' nog even vast. | |
| Link naar de eigen site van de dichter | |
|
Ich bin
Zwaar van bloesem buigt vanavond en zij daar, satijnen engel detonerend in de leegte Ook op mijn radio komt ze door Even scheurt de grond - und überall Het huis herzien, de boom geveld de weg is recht, m’n leven krom
© Job Degenaar |
Lady Madonna
Lady Madonna kinderen om je heen Vrijdagavond komt, doch onbepakt Lady Madonna baby aan je borst Lady Madonna liggend op je bed Dinsdagmiddag moddert en houdt nooit op Lady Madonna kinderen om je heen ©
Paul McCartney ©
vertaling Job Degenaar
|
| Jascha van Roij | |
|
|
Tot grote vreugde van singer-songwriter Jascha
van Roij las Job Degenaar uit 'Blackbird singing', want hij is een groot
Beatlesfan, vooral van Paul McCartney.
Hij greep zijn kans om hierop in te haken met zijn vertolking van een tweetal nummers. |
| © foto Jascha van Roij promotie | |
|
Job Degenaar (1952, Dubbeldam) debuteerde al in 1976, zijn vier meest recente uitgaven verschenen bij Thomas Rap, een fonds van uitgever De Bezige Bij. In de jaren 90 verschenen 'De helderheid van morgens', 'Van de arena en het lastdier' en 'Dus dit is zomer'. Degenaar, die nog altijd lesgeeft aan het ROC in Lelystad verscheen sinds die tijd jaarlijks op het Sunsation Festival, daar leerde John Zwart hem persoonlijk kennen en zijn poëzie waarderen. Hij toonde zich graag bereid om ons literair café te komen opluisteren als gastdichter. |
|
|
Tsead Bruinja |
|
|
Onze tweede gastdichter Tsead Bruinja las voor ons zijn bijdrage aan 'De eenzame uitvaart' en zijn ander werk, vertalingen en gedichten uit 'Batterij' zowel als uit zijn eerdere bundel 'Dat het zo hoorde'. Aanvankelijk
begon Bruinja met het schrijven van poëzie in het Fries, publiceerde in
bladen als De Moanne en Hjir, waarvan hij een tijdlang redacteur
was. |
|
|
© eigen foto |
|
|
Toen Tsead Bruinja zijn tweede Nederlandstalige
bundel 'Batterij' (Contact) presenteerde in 2004 maakte HC-presentator John
Zwart kennis met hem. Er bleef een band doordat beide bezig waren met
vertalingen van een serie Zuid-Afrikaanse gedichten. Het leek niet gemakkelijk om Bruinja in ons programma te krijgen omdat hij constant een overvolle agenda heeft. Een paar weken eerder hadden we contact met Frank Starik over diens betrokkenheid bij de bloemlezing 'De eenzame uitvaart', een serie gedichten die speciaal werd geschreven voor die doden in de stad Amsterdam die door geen mens worden betreurd. Niemand meldt zich voor hun begrafenis en zelfs hun identiteit blijft soms onduidelijk. Deze bundel zal worden gepresenteerd op 2 november 2005, een dag die op de kalender wordt gemarkeerd als 'Allerzielen'. Starik wilde graag naar Weesp komen, maar ook zijn agenda was vol, o.a. met 'Dichter aan huis' in Den Haag en Gent. Maar kijk! óók Bruinja blijkt aan die bewuste bloemlezing te hebben meegewerkt. Op voorspraak van Starik kwam hij gráág naar Weesp, ondanks het feit dat hij de zaterdag ervóór nog samen met beeldend kunstenaar René Knip optrad in het festival 'Dicht aan het IJ' (Perdu, Amsterdam). |
|
|
SARAH & VERONICA (KOLLUM DRACHTEN EN
AFRIKA)
de jongen van twaalf achter het klasraam
weet hoe sarah krijst in de studio wordt daar een beat
ondergezet met veel galm op de snare sarah ijstaart in de piepschuim doos zien ze het niet geef hen dan een © Tsead Bruinja - 'Batterij'.
|
|
VERBORGEN
ARBEIDEND
"stuwende en gestadig is het eigen leven Ida Gerhardt 'Kosmos' ik
breng je naar het park waar
takken na de winter waar
ik een lome zon en
de dunne nacht ik
breng je naar het park ik
breng je ik
breng je in
de lente maken reigers © Tsead Bruinja |
| Link naar de eigen site van de dichter |
|
Tsead Bruinja, (1974, Rinsumageest) schrijft
zowel in het Fries als Nederlands. Hij debuteerde met 'De wizers yn it read' (de wijzers in 't rood) in 2000 bij Bornmeer. Sindsdien ontwikkelde Bruinja een enorme activiteit. Hij is een organisator, zette o.a. "Dichters in de Prinsentuin" op poten in Groningen, de stad waar hij studeerde. Hij staat ook veelvuldig zelf op de podia als dichter, als slammer of muzikaal. |
Han Ruijgrokéén van de dichters van het Leidse dichterscollectief was ook onder de deelnemers die nog buiten in de tuin voordroegen. Natuurlijk was er af en toe wat licht storend omgevingsgeluid, toch was de buitenlocatie erg inspirerend. © eigen foto |
|
Het groene hart
Ik hoor gelui uit een nabij gehucht Ik huldig de hemel voor dag en dauw Ik bouw ons huis intussen als gedicht, als kamers bij keuken, kerk bij toren. © Han Ruijgrok
|
|
Fotogalerij ©
Eigen
foto's HC met uitzondering van - |
| klik op de foto miniaturen voor groot formaat |
klik op de naam voor links |
|
|
Monica Boschman |
Jos Zuijderwijk |
Tsead Bruinja |
Anne Borsboom |
Han Ruijgrok |
|
|
JohnN |
|
Duo Hoed en de rand |
| Nog wat gedichten die werden gelezen | méér gelezen poëzie op het Open Podium |
|
De
oever
Tot niet verder drijft het water traag
als een uitgedichte warmte zo
een prachtig zelfbeeld en
niet verder dan de stem reikt |
kruisbeeld
ik
hang hier nog steeds de
benen strekken verhalen
vertellen het
nog een keer wil jij een nijptang voor me halen? een stukje wit als
woorden niet meer komen als
woorden niet meer komen als
woorden niet meer komen |
| of ter plekke werden bedacht | |
|
Klimop
klom rood al bijna Een kille zon spiedde kort Lang, lang, kort Achter hakhout Een haard van genot De bijl van een buurman Omzeilend de woorden Die werden gezegd En gezwegen in akkoorden Groeide herfst in Weesp |
Het Paard van Marken
In
V-vlucht vliegen ganzen luidruchtig over het meer En
als ik in de verte het Paard van Marken zie ©
Jelle vd Meulen |
| Ongeneeslijk optimistisch - Een postume verhalenbundel |
|
|
| "Ongeneeslijk
Optimistisch" is een bundel verzamelde columns, die Karel Glastra van
Loon in de jaren 2004-2005 schreef voor het blad 'Margriet'. Glastra van Loon (24.12.1962-1.7.2005) stierf, 42 jaar oud, als gevolg van een ziekteproces dat zijn oorzaak vond in een kwaadaardige hersentumor die geconstateerd werd in januari 2004. De columns die hij vorig jaar en in de eerste maanden van dit jaar schreef hebben alle - soms heel direct, soms subtiel - betrekking op zijn ziekte. Het zijn gevoelige, vaak ontroerende teksten, die echter nergens de grens naar het sentimentele overschrijden. De kwaliteit ervan houdt niet slechts in dat ze goed zijn geschreven, maar ze bieden de lezer ook volop stof tot lering, of op zijn minst kan worden gezegd dat ze stemmen tot nadenken. Zo men wil kan de bundel worden gezien als
een fragmentarisch dagboek, waarin niettemin alle aspecten aan de orde
komen waarmee iemand te maken krijgt als hijzelf, of zijn naaste, door een
levensbedreigende ziekte wordt getroffen. We worden erbij betrokken hoe
het is wanneer eindigheid en datgene wat vaak zo gemakkelijk en terloops
als 'kwaliteit van leven' wordt benoemd, ons ieder uur van de dag intens
bezighouden. Glastra van Loon toont zich in deze bundel
een bewonderenswaardig mens. Natuurlijk heeft hij al vanaf die eerste
maanden in 2004 rekening gehouden met de reële mogelijkheid dat hij spoedig zou
sterven, maar hij besloot dat dit geen verlammende druk op zijn bestaan
mocht worden. © John Zwart - augustus 2005 |
| Sunsation Festival 2005, 24e editie - Een Verslag | |
|
Na een paar grijze dagen beloofde de
weersverwachting voor het weekeinde ons zomerse tot bijna tropische dagen,
hoopvol togen we in het holst van de nacht op weg naar het Sunsation
Festival 2005, editie 24. Hoopvol dat het symbool ervan - de zon - zich
werkelijk weer eens aan de horizon ontstijgend zou vertonen. |
|
|
© Eigen foto. Na afloop geven de artiesten vaak nog een toegift |
|
| Het
festival is veelzijdig en speels Dat merk je telkens al aan de vage
begrenzing van het moment van aanvang. In de beginfase mag het woordenspel
van Joop Hardenbol misschien als markering worden gezien: een kort
optreden van de kleine man met de héél hoge hoed en Salvador Dalisnor,
die we in de afgelopen 24 jaar langzaam grijzer zagen worden. Maar voordien, terwijl het publiek de palissadering geleidelijk binnenstroomt, loopt er altijd al een act. Zijn het geen vuurspuwers, dan is er wel een groepje trommelaars of een Schotse pipeband die de sfeer maken. Deze keer waarde er een vogel rond in de binnenring. Een grote vogel op mensenbenen met een heel grote, wijd opengesperde snavel waaruit de meest vreemde fluittonen klonken. Er werd ingespeeld op de mogelijkheid van publieksparticipatie. Op waterfluiten kon men klanken voortbrengen door de stok waarin ze waren aangebracht in een bak met water op en neer te bewegen. De vogel bleek, toen intussen zijn vleugels tot armen waren geworden, virtuoos op een verticaal opgestelde bijna 3 meter hoge reuzenxylofoon te kunnen spelen. Aan het einde van het programma, bij het optreden van de Vlaamse Yasmine (Hilde Rens), werden de mensen er ook bij betrokken, ze werden opgewekt om refreinen mee te zingen. |
| Maar
eerst was er natuurlijk een urenlange bonte afwisseling van muziek met de
dichters, vooral dáár ging het ons toch eigenlijk om. Acht dichters werden aanéén gepraat door Joris van Casteren, geboren in Lelystad, maar een man die zijn heil 15 jaar geleden elders zocht. In de losse sfeer, die het festival gelukkig nog altijd kenmerkt, verleende van Casteren zichzelf de vrijbrief om een ietwat denigrerend verhaal te houden over Lelystad en het gebrek aan cultuurinteresse dat daar (nog steeds!?) zou heersen. Moeten weglopers zich in het algemeen bij terugkeer over hun stad van herkomst liefst tot lovende woorden bepalen, van Casteren koos voor nonchalance en een beetje pesterig gedrag bij de praatjes die hij uit zijn mouw schudde. Hij had een 'Bekende Nederlander' verwelkoming verwacht met spandoeken en fanfare, maar niets van dit alles bleek het geval. Zelfs zijn drankrekening aan de bar van het hotel diende hij gewoon te betalen. Cultuur en Lelystad zag hij niet bepaald verenigd, bij het bedenken van grote zonen of dochters die de stad voortbracht kwam hij niet verder dan Martin Gauss en Ted de Braak. Het publiek – natuurlijk uit verre omtrek aangereisd – vond zijn stijl wel komisch, in tegenstelling tot burgemeester Chris Leeuwe die opmerkte dat van Casteren duidelijk al heel lang uit Lelystad moet zijn weggeweest. De burgemeester werd uitgedaagd tot een discussie over de plannen voor de Hanzespoorlijn maar hij liet zich niet strikken. Hij bepaalde zich bij deze gelegenheid liever tot de poëzie, maar was op dit gebied niet tot eigen creatie in staat. Leeuwe las daarom enkele gedichten van Rutger Kopland, zijn persoonlijke favoriet. |
|
Nachoem Wijnberg en Joost Zwagerman, twee van de dichters die zaterdagochtend optraden bij Sunsation Festival 2005. © Foto's ANP |
| Maar
de burgemeester van Lelystad vervulde natuurlijk slechts een bijrol in het
festival, de belangrijkste mensen waren zoals altijd de dichters die eigen
werk kwamen voordragen. Er waren weer klinkende namen bij, achtereenvolgens verschenen Hans Verhagen, Sylvia Hubers, K. Michel, Nachoem M.Wijnberg, Hagar Peters, Tsead Bruinja en Joost Zwagerman. Zoals altijd afgewisseld met zeer veelzijdige muziek, van een duo bandoleon met tuba, de Japanse concertpianiste Takebe die een Schubert sonate speelde, de bands van de Friese Nynke Laverman en de Vlaamse Yasmine, tot zelfs een goochelaarsact van Daniel Burley wiens wieg in Jamaica stond. Ook verscheidenheid van poëzie was met de uitgenodigde dichters verzekerd. Er was wel een thema: "Dwaaltuin". Maar dichters verstaan de kunst welk thema dan ook op geheel eigen wijze te benaderen. |
| De
poëzieprogrammering opende met Hans Verhagen, wellicht niet zo'n
gelukkige keuze.. Zijn werk is in het algemeen niet zo toegankelijk,
daarom in voordrachtsvorm voor mensen die op dit festival afkomen minder
geschikt. Er waren veel jongeren en kinderen. Maar zijn bundel "Moeder is een rover" sloot wel perfect aan op het thema: de wereld en onze maatschappij schetst Verhagen als een onbegrijpelijk doolhof. Als je hem leest kun je je eigen tempo bepalen, zonodig een gedeelte nog eens hernemen, dat kan bij voordracht niet. De dichter besefte dit blijkbaar, want hij besloot met een reeks korte gedichten van telkens slechts enkele regels waarmee hij het publiek goed bereikte. Dat niemand weet Dat niemand weet waar of we ons bevinden Er is een plek waar iemand zich ter
aarde moet werpen Maar stofkop lacht en neemt de glans aan
van een Alpentop (Uit "Moeder is een rover" Nijgh & v Ditmar 2004) |
| Sylvia
Hubers, bijna een tegenpool, opgewekt en toegankelijk, direct associërend. En als ervaren podiumdichteres had ze weinig moeite het publiek voor zich in te nemen. Haar benadering van het thema vindt ze in de liefde, het favoriete onderwerp van dichters door alle eeuwen heen. Met bordpapieren handen Met bordpapieren handen Het plukken heeft geen manieren. Dan ontdekt het haar de hand Zo moet het gebeurd zijn. Ooit. En de vroegste mens (Uit "Men zegt liefde" – Fagel 2003) |
| K.Michel,
die dichter gebruikt geen voornaam. Hem had ik al uitgebreid beluisterd bij de presentatie van zijn recente bundel "Kleur de schaduwen" (Augustus 2004), toen nam hij mij al voor zich in. Michel is een speelse, originele dichter, die ons gemakkelijk een sprookjeswereld binnenvoert waarin de hilariteit ook niet ontbreekt. In sprookjes is alles mogelijk. Je kunt er de Haagse hofvijver in rechtop zetten als een reusachtige transparante spiegel, waarin de vissen elkaar aanstoten: 'kijk, daar…. de zee'. Sprookje (gabba gabba hey) omdat we het beu waren klein te blijven (Uit "Kleur de schaduwen" - Augustus 2004) |
| Door
Nachoem M Wijnberg wordt ons minder gelegenheid gelaten de fantasie
zo tomeloos te laten ronddollen. Uit de gedichten van Wijnberg is goed af
te leiden dat hij jurist en econoom van professie is. Met zijn precisie en
tot in het extreme weglaten van wat gemist kan worden deed hij ons
naarstig zoeken naar datgene wat ons ontroeren kan. Niettemin kreeg hij
bij de VSB jury de begeerlijke erkenning om te worden genomineerd voor de
prijs van 2005 met zijn bundel "Eerst dit en dan dat".
Wil het niet zien Bewijzen door in evenwicht te brengen, offeren wat toestemt. Offeren om goed te maken, bewijs
begrijpen, dan nooit meer terug naar door tuinen ingesloten bewijs, door bewijsmuren ingesloten tuin (Uit: "Uit7" – Contact 2003) |
| Met
alle respect voor Wijnberg waren we wel weer toe aan lichtvoetiger werk.
Opgewekte poëzie van Hagar Peeters, óók niet gering als dichter,
want zij werd juist deze maand genomineerd voor de Anna Bijns Poëzieprijs
2005. De liefde, met alle verwarring en opwinding van dien, de passie, de meeslepende passie. Dáárover ging de voordracht van Peeters. Je lichaam Je lichaam ja je
lichaam dat mij aanstaart met
gaten en gleuven, het is almaar je
lichaam je lichaam je zonder schaamte
aankomende lichaam je mij nooit onwennige
lichaam (Uit: "Koffers zeelucht" – Bezige Bij 2003) |
| Daarna
kwam de Friese dichter Tsead Bruinja aan het woord, sinds kort
wonend in Amsterdam. Hij schreef veel Friestalige poëzie en maakte
onlangs een tournee door heel Nederland samen met een half dozijn andere
Friese dichters voor de promotie van "Dream yn blaue Reinjas –
Droom in blauwe Regenjas", de door hem samengestelde
Fries-Nederlandse bundel. Sinds zijn eigen debuut "De wizers yn it
read – De wijzers in het rood" bij uitgever Bornmeer – 2000 –
is hij veelvuldig op podia te vinden. Ook van hem was ik onlangs getuige
van de presentatie van zijn nieuwste Nederlandse bundel
"Batterij" (Contact 2004).
Tong wat ik wens er zingt een trein tong wat is je beroep tong wat is je beroep (Uit: "Dat het zo hoorde" – Contact 2003) |
| En
ach, als je dan Friese gedichten laat voordragen, dan kunnen we ook wel
Oekraïense poëzie lezen, zo moeten ze bij de organisatie hebben gedacht.
Merkwaardig, twee lange gedichten in de oorspronkelijke taal werden
voorgedragen door de maker Andriy Bondar. Niemand verstond één woord, maar hij kreeg beleefd applaus voor zijn B4NTENbKA XIMIÏ (de lerares chemie) en PObbI BI#bRMC (robby williams). Bij Poetry International zou een simultane Nederlandse vertaling zijn geprojecteerd, maar hier moesten we het stellen met de eigen fantasie over de stroom van klanken. |
| Joost
Zwagerman vormde het sluitstuk. Zijn nieuwe bundel "Roeshoofd
hemelt" bleek niet alleen passend op 'dwaaltuin', misschien meer nog
op een 'garden of horror'. Hij bereidde het publiek enigszins vóór door
zijn aankondiging dat de gedichten een 'hoog tbs-gehalte' hadden. Nu weten
we dat Zwagerman, net als Pfeiffer en Gerbrandy tot de groep
behoort die meent dat poëzie vooral moet ontregelen. Voor 'ruis',
moet je niet bij deze dichters zijn, maar of de wereld van poëzielezers
wel zit te wachten op gedichten die lijken geschreven te zijn vanuit de
geest van een psychopaat - geobsedeerd door moordlust en verkrachting -
dat waag ik toch te betwijfelen. Een volgende generatie moet maar bepalen
of dit genre beklijven mag.
roeshoofd is op zaal de jongste daar schuin tegenover soms vreet een larf (Uit: "Roeshoofd hemelt" – De Arbeiderspers 2005) Gelukkig kregen we van Yasmine en haar band nog wat tegengif toegediend met romantische Leonard Cohen vertalingen in mooie muzikale bewerking. Zo konden we toch nog opgemonterd naar huis, beschenen door de inmiddels doorgebroken 'magistrále strálende zon' (Johnny van Doorn).
© Hernehim Cultuur - John
Zwart. 21 juni 2005 |
| Diana Ozon, een Amsterdamse in Groningen - Verslag en recensie |
| Zondag
22 mei was voor mij de nadere persoonlijke kennismaking met een
spraakmakende vrouw uit het alternatieve circuit van Amsterdam. Van midden twintig naar midden veertig is Diana Ozon nog steeds een opvallende verschijning. Ozon - in chemische zin O3, een moleculaire vorm van zuurstof uit drie atomen – is uiterst giftig, maar vormt hoog in de stratosfeer voor ons mensen tegelijk de bescherming tegen al te heftige zonnestraling. Zo associeert het pseudoniem dat zij zich heeft aangemeten – in plaats van haar ware naam Groenveld – ook op uitéénlopende manieren. Die zondag vooral als: "O zón!". Als een stralend gezicht omlijst door een corona van blonde haren. Groenveld is trouwens een naam die al even passend is op de persoonlijkheid van Ozon, want niet alleen in de stad, maar ook in groene velden voelt zij zich op haar plek. |
| De blikvanger uit de jaren tachtig, als dichter en punky verdedigster van haar kraakpand in de Sarphatistraat, was waarschijnlijk altijd al een persoonlijkheid met vele kanten, getuige haar poëzie van vandaag. Punk hoeft niet persé als agressief ervaren te worden, misschien juist eerder als lief. In haar nieuwe bundel "Bronwater" blijkt dit Amsterdamse stadsmeisje vol van naastenliefde, vooral naar wie in de knel zit, en van bezorgdheid over onze moeder aarde. Ze voelt zich hartstochtelijk verbonden met de natuur. |
|
|
| Ozon trad op in de "Puddingfabriek" in Groningen, een zonnige zondagmiddag, waar haar nieuwe uitgever Passage een festijn onder de titel "De VerDichting" organiseerde. Een middag waarop het moeilijk leek de mensen wèg uit het plantsoen en naar binnen te krijgen. Gezien die omstandigheid werd het podium toch goed bezocht en het was zeker de moeite waard. |
| In
1986 verscheen van haar de bundel "Hup de zee", bij "In de
Knipscheer". Ozon anno 2005 ontziet zichzelf niet op het punt van
zelfkritiek. Nu, in "Bronwater" is ze beschouwender, buiten het
'ik' getreden, kortom beter geworden. Een lief-provocerende Ozon kwam tevoorschijn in haar voordracht uit eerder werk. Zoals over het Amsterdamse hoertje dat, beroofd van haar handtas, daar achteraan de gracht induikt. Proestend, in natte slip met blote borsten, komt ze boven: "hebbes!" De meeste aandacht was uiteraard voor "Bronwater". Het is een verademing om tussen alle hermetische en raaskalpoëzie van vandaag in die bundel van Ozon te lezen. Helder als bronwater, geen twijfels bekruipen me nu – waar gaat dit over? – of gaat dit juist nergens over? Geen gezochte metaforen alleen 'om het mooi'. Wél warmbloedige poëzie vol gevoel en engagement. "Bronwater" is opgebouwd uit vier
gedeelten: Stadsnatuur, Waterwereld, Mensenleven en Wereldwijd. In de
eerste twee delen komt vooral haar natuurverbondenheid naar voren, in het
derde haar engagement bij maatschappelijke misstanden. Het laatste deel in
breder zin haar zorg over het leven op aarde, gezien van buitenaf als het
ware. Het is duidelijk dat de blik van Ozon zich ontwikkelde met de
verrijking van haar levensjaren. |
| De
Mobiele Vogel
De beginakkoorden van Inspireerde zijn voorouders Of groeide hij op in West De mobiele vogel met Die vogel imiteert Mijn displaytje meldt
"Bronwater" - Stadsnatuur |
Ik ben
een graspol
Losgeslagen door de regen Kluiten troep spoelen Samen veranderen we
"Bronwater" - Waterwereld
|
| Heldinnetje
Mijn kleine zus is Zij reist zomaar 's Nachts gaat ze alleen "Bronwater" - Mensenleven |
"Bronwater"
gaat over de schijnbaar onbelangrijke en over de belangrijke dingen in het
leven, op lichtvoetige maar zeker niet op lichtzinnige manier gebracht. Dat Ozon zich afzet tegen het old-boyscircuit, dat helaas ook in dichtersland bestaat - die mensen die elkaar over en weer recenseren en promoten - dat siert haar ook. Kortom, de lezer heeft het al begrepen: Ozon is niet alleen een dichter, maar ook een mens naar mijn hart. John Zwart. |
| Diana Ozon, "Bronwater"
Gedichten. Uitgeverij Passage, Groningen, 2005. Gebonden. ISBN 90 5452 1287 . NUR306. |
|
| Zomerhitte op Texel en kippenvel in Parijs - Bespreking geplaatst 22 april |
|
"Zomerhitte" van Jan Wolkers versus "Een Liefde in Parijs" van Remco Campert. Twee
bijzondere liefdesverhalen gelezen, één van eind 2004 dat evenals het
andere, het boekenweek geschenk van 2005, bij De Bezige Bij verscheen. "Zomerhitte"
heeft een dun verhaaltje, het schema valt makkelijk op te zetten:
drugssmokkel tegen 't decor van het volkse zomerse uitgaansleven aan de
kust, met als 'pièce de resistance' een sexy gangstermeisje. Een boekje
vol van actie dat makkelijk weg leest en dat is natuurlijk wel een pré
voor een boekje dat aan jan en alleman cadeau wordt gedaan. Zwak is het
dat een echte 'clou' ontbreekt, al vèr van tevoren doorzie je hoe alles
in elkaar steekt, lang voor het einde verslapt de spanning. In
Wolkers' boek valt een zekere strijdigheid in de persoonlijkheid van die
hoofdpersoon op. 'Ik', de geslaagde fotograaf (Wolkers?) lijkt een man met
inhoud: natuurbetrokkenheid, empathie met de mensen om hem heen en hun
'verhaal'. Het liefdesverhaal dat daar doorheen is geweven komt er niet
mee overéén. Waarom valt hij meteen als een blok voor dat meisje dat hij
op het naaktstrand beloert? Met haar masturbatieshow direct bij hun tweede
ontmoeting geeft ze niet de indruk erg kieskeurig te zijn met wie ze haar
intimiteit deelt. Het
boekenweek geschenk van 2005 is gedrukt op chloorvrij ongebleekt
recyclingpapier. Herkennen wij daarin de wens van de schrijver? Mocht ik
interviewer zijn komen zulke vragen bij me op om aan Wolkers te stellen.
Niet wanneer er nu eens 'n boekje komt waarop we zijn blote Karina eens
van de vóórkant mogen zien. Evenmin interesseert mij zijn privé opinie
over al of niet aantrekkelijkheid van schaam- en okselhaar of juist het
afscheren daarvan. En
ach, misschien doet de oude Wolkers ons in zijn boek als
ervaringsdeskundige nog een tip aan de hand: als je vrouw een heel stuk
jonger is dan jezelf, en je wordt langzaam maar zeker ècht oud, dan kun
je misschien samen nog veel plezier hebben met naar elkaar te kijken. Lees ook "auteurs": Jan Wolkers © John Newswatcher - 12 april 2005
|
| Requiem voor Joshua - Boekbespreking geplaatst 17 maart |
| Deze
maand verscheen alwéér een poëzie bundel van één van de HC dichters. John Zwart las de bundel "Requiem voor Joshua" van Marianne Som, uitgegeven bij De Distel te Brussel, maart 2005. Het boek toont ons op het omslag de foto
van een Schots merenlandschap onder een bewolkte, maar toch lichte hemel.
Geen levend wezen in het verschiet. Afhankelijk van onze stemming kan zo'n
landschap positief of negatief werken. Zijn we somber gestemd, kan deze
stille verlatenheid, zonder zon, neerdrukkend werken. Voelen we ons goed
werkt de aanblik van de open vrije ruimte zonder menselijke aanwezigheid
opwekkend en bevrijdend. De meeste gedichten uit het gedeelte Aqua
incognita zijn treurig stemmend. Daarbij zou de raad moeten zijn: lees
gedoseerd, leg de bundel regelmatig enige tijd terzijde. Pleroma ademt duidelijk een optimistischer
sfeer. We noemen weer een paar treffende citaten. Hier en daar valt een bijzonder taalgebruik
op. Beelden worden geschetst in heel korte zinnen zonder werkwoord: "Aarzelend,
bloed langs dorpels." "Slierten pek als kronkelende
slangen." "Verminkte woorden op de muur". |
| Het
vraagt veel van de lezer om deze bundel geheel te doorgronden en daarmee
ten volle te genieten, toch willen we zeker niet spreken van minder
toegankelijke poëzie. Sommige gedichten doen zelfs op een heel directe
wijze onze inleving ontwaken. Graag noemen we vier titels om de gedichten aan te duiden die we als het meest aansprekend hebben ervaren: "Het breken van de voren", "Getemperd ongeduld", "Wedstrijd op smalle weg" en "Pleroma". Twee ervan volgen hieronder. |
|
Het breken van de voren De stenen in je ogen en
Pleroma Hier is de kapstok,
hang je Nee, zoek mij Jouw smetteloze spiegel
kerft Heb aan de poort geen
haast,
|
|
"Requiem voor Joshua"
is een boeiende bundel van gelaagde poëzie.
© Hernehim Cultuur. John Zwart. 15 maart 2005. |
| Dichter op spoor - De Gedichtendag regionaal - geplaatst 29 januari 2005 |
| Via
het informele circuit was me ter ore gekomen dat evenals NS (of
in navolging ervan?) de exploitant van het Noordelijk regionale
spoorwegnet NoordNed een dichterstrein zou laten rijden op het traject
Groningen-Leeuwarden, op 27 januari de Nationale Gedichtendag. De poëzietrein kreeg zijn begin op het Groninger hoofdstation en er was een tussenstop voorzien in Buitenpost, waar de dichters Atze van Wieren en Matty de Vries zich bij het Groninger dichtersvolk zouden voegen, daarna zou de reis worden voortgezet naar Leeuwarden. In de Friese hoofdstad was een programma van een vol uur georganiseerd, vervolgens zou de trein weer terugrijden via Buitenpost naar Groningen. Zo had ik het begrepen. |
| Het
leek mij zeer de moeite waard, er zouden diverse dichters die op HC
publiceren aan meedoen, naast de
twee eerder genoemden vielen de namen André Degen, Rense Sinkgraven, Nina
Werkman. Voor mij is het maar iets meer dan een halfuurtje rijden naar
Leeuwarden, dus dáár moest ik bij zijn. Nog voor de trein binnenliep stond ik al op het perron. Ik had een visioen van een feestelijke trein, beplakt met kleurige wervende posters, een paar versierde coupés als rijdend domicilie der poëten, misschien zelfs een herkenbare aparte hele poëziewagon. Dáár kwam de trein en niets van dit alles, het standaard korte treinstel liep binnen en braakte een flink aantal forenzen uit op vroege thuisreis; niets feestelijks duidde erop dat hier iets bijzonders aan de hand was. En wie er al uitstapte, géén Atze van Wieren, noch Nina Werkman, nee, niemand waarvoor ik op de uitkijk stond bevond zich onder de passagiers die zich haastig een weg naar de uitgang baanden. Ik toog maar naar de stationsrestauratie, helaas dat bleek verkeerd. De Stichting de Muze had zich terzijde in de stationshal voor de ingang van de AKO kiosk opgesteld. Toen gelukkig een aangename verrassing: ik ontdekte Tsjebbe Hettinga in het kleine groepje dat zich bevond bij de microfoon voor een campingtafeltje met uitstalling van folders en een verzameling bundeltjes. Tsjebbe moet je gehóórd hebben, het is niet voor niets dat hij zijn gedichten in tweevoud: in een bundel én op CD uitbrengt. Tsjebbe dicht en draagt voor in een bijzonder soort Fries. Als ik mijn Friese buurman op zijn gebruikelijke luidruchtige manier een gesprek hoor voeren vanuit de achtertuin, klinkt het in mijn oren alsof hij voortdurend ruzie maakt. Maar als ik Tsjebbe hoor spreken, klinkt er een prachtige zangerige taal in mijn oren die je helemaal laat wegdromen op een bijna archaïsch klinkende muzikale stem die je onweerstaanbaar meetrekt op een soort odyssee, die je boeit zelfs al versta je maar de helft. Nergens een stuk papier, hij sluit zijn ogen en draagt voor alsof het zo moeiteloos aan zijn brein ontspruit. Dan kun je luisteren en de storende omgeving geheel vergeten. |
| Ik
moet eerlijk zeggen dat geen van de andere Friese dichters die ik na
Hettinga hoorde daarin op enigszins vergelijkbare wijze slaagde. Het was
dan ook een hoogst ongelukkige setting, een galmende hal waarin
voortdurend stromen reizigers door het beeld liepen zonder enige
affiniteit met wat daar gebeurde. Na enige tijd voegde zich een jong paar
bij het kleine groepje toehoorders dat een schattig kleutermeisje bij zich
had - ze maakte telkens kraaiend ongeremde rondedansjes vóór de
stoïcijns pratende dichters. Toen kondigde de presentatiedame aan dat er
een extra voordracht werd ingelast: de nieuw gekozen "Leeuwarder
Stadsdichter" bevond zich in ons midden! Ja, ja, Leeuwarden blijft
niet achter in de vaart der volkeren. Arjan Hut bleek de jonge vader van
de levenslustige kleuter te zijn, die tijdens de voordracht van pappa door
mamma gesust werd en op de arm genomen. Als pappa voorleest moet je wel
even stil zijn... Ik moest opeens denken aan de opmerking die iemand in een cynische bui eens naar mij maakte: "De meeste dichters horen eigenlijk liever alleen maar zichzelf". En toen liep er weer een trein vanuit Groningen binnen, die een minuut of zes later weer zou vertrekken, mét Ronald Ohlsen en misschien nog een paar Friese dichters op weg naar Groningen, dáár waar het rond het middaguur allemaal begonnen was. Wou ik nu nog meerijden? Nou nee eigenlijk niet. Razendsnel werden folders en bundeltjes ingepakt, microfoon en tafeltje ingeklapt. Of ik nog een bundel kon krijgen? Alles al in de doos. Maar gelukkig nog niet dichtgeplakt, alsjeblieft: vijftien euro graag… Goeiedag! |
|
In Rotterdam signeerde Gerrit Kouwenaar bij Van Gennep "de" Gedichtendagbundel, voor de gelegenheid aan te schaffen voor één euro vijftig. Voor een bloemlezing treingedichten, gesponsord door NoordNed, VSB Fonds, Gemeente Leeuwarden en het Prins Bernhardfonds moet het tienvoudige worden neergeteld. Hoezo "de poëzie dichter bij het brede publiek brengen"? Op die manier werkt dat zeker niet, het brede publiek koopt de Da Vinci Code wel voor zijn geld. John
Newswatcher
|
| Een van de gedichten |
|
Visvliet
Wat zoek je, reiziger. Ik zoek een
opstapplaats. Een opstapplaats... Hier bleef
alleen een sein Atze van Wieren 'Dichter op spoor', uitgegeven
door Stichting 'De Muze' Appingedam. ISBN 90-808723-2-6 |
| Soms Vaak - van Judith Herzberg - Over een Recensie - geplaatst 21 januari 2005 |
| Judith
Herzberg (1934), een dichter die allang haar kwaliteit heeft bewezen. Haar
eerste gedichten publiceerde zij in "Vrij Nederland" in 1961.
Daarna volgde een aantal sterke bundels, zoals "Zeepost" (1963)
en "Beemdgras" (1968) bij van Oorschot. De bundel
"Botshol" ontving de Jan Campertprijs in 1982. In 1994 werd een bloemlezing van de poëzie die zij tot dan toe in haar inmiddels zestigjarig leven schreef uitgegeven bij Rainbow: "Doen en laten". In "Jerusalem", dichtte zij als
een impressionistische schilder : "… Stad die 's nachts niet onder zwart / verstart maar oplost in een roes / van geel en roze / tot lamp voor lamp en één voor één / een punt wordt dat haar vastpint…." In "In deze gelukkige jaren", is
ze beducht voor de bedreiging van 't landschap en de natuur: "… In dit ons landschap, ieder jaar / karteliger van profiel door / opslag, afslagplaatsen en fabrieken, / in deze onze zee die leger wordt aan leven …" Ze hield zich niet alleen bezig met gedichten, maar schreef ook theaterstukken en een roman "Charlotte", welke werd verfilmd. Haar staat van dienst op literair gebied vond definitief erkenning in de bekroning van al haar werk met de P.C.Hooftprijs in 1997. |
| Inmiddels
is Judith Herzberg zeventig jaar oud en ze laat nog steeds van zich horen. Vlak voor de laatste jaarwisseling, in december 2004, zag een nieuwe bundel het licht bij uitgever "De Harmonie". Schreef zij tot in de jaren 80 vooral gedegen gelaagde gedichten, in de laatste decennia dwaalde Herzberg geregeld af naar kortere eenvoudiger gedichten. Misschien zocht zij aansluiting bij een andere lezersgroep. In de ogen van sommigen is dit poëzie voor het "mindere circuit", maar daarover mogen de meningen verschillen. Ikzelf kom altijd in opstand wanneer een zure criticus de term "zondagsdichters" gebruikt. |
| De
zee
De zee kun je horen Niets meer Hoe is dat zo geworden |
| De
nieuwste bundel draagt de titel "Soms Vaak". Piet Gerbrandy (de
Volkskrant) heeft er geen goed woord voor over: "Staan er dan
helemaal geen goede gedichten in deze bundel? Inderdaad, niet één".
Hij gaat zelfs zo ver om niet alleen de bundel maar ook de maakster te
denigreren door te stellen dat er erkende grootheden zijn en dichters die
in plaatselijke sufferdjes publiceren. Waar een enkele keer de
zondagsdichter in de loop van zijn carrière tot het erkende circuit weet
door te dringen, bewandelt
Judith Herzberg in de ogen van Gerbrandy de omgekeerde weg, zij "die
vroeger heus wel eens een paar goede gedichten heeft geschreven … moet
ondergebracht worden bij het slag dichters dat alleen nog emplooi vindt in
de afdeling light verse van het tijdschrift De Tweede Ronde". Is het mogelijk dat dit een serieuze kritiek is over het nieuwste werk van een meervoudig bekroond dichter, en hebben dan noch uitgever, noch Herzberg zelf bemerkt dat zij langzaam is begonnen te lijden aan geestelijke ouderdomsaftakeling? Aan de vooravond van de Nationale Gedichtendag kunt u dit voor uzelf beoordelen. Judith Herzberg is gastspreker bij "Eindig Laagland" in Cultureel Centrum Corrosia te Almere, op woensdagavond 26 januari. Misschien komt u tot de conclusie dat Piet Gerbrandy bij het schrijven niet heeft bemerkt dat hij zich een glas azijn had ingeschonken terwijl hij in de veronderstelling verkeerde dat 't een glas wijn was. |
|
Terug Na alle toekomst die hen van elkaar
vervreemdde, Zijn hoofd ligt op haar buik terwijl
haar hand Nu ligt hij met vervaagd belang Judith Herzberg John Zwart – © Hernehim Cultuur. 21.01.05
|
| 'Ontheemdes', een poëziebloemlezing - Recensie 26 december 2004 |
| Doet
de eerste, vluchtige aanblik van deze bundel denken aan een kleurrijk
verpozen van een lezend en luisterend gezelschap, onmiddellijk hierna
schuift een ander plaatje voor de lens: het is nacht en het regent. Het schouwspel op de frontpagina reflecteert de titel van de verzamelbundel. Zo vormen het beeld en het geschreven woord een fraai geheel. Lina Spies verzorgt de opening met het titelgedicht ‘Ontheemdes’ en maakt hiermee de regen en de nacht zichtbaar en voelbaar. In dit gedicht voert zij het dier, en daarmee ook de mens, terug naar zijn oerstaat: het leven en de liefde in de vrije natuur van Afrika, maar ook de zorg voor en om het nageslacht, die dit met zich meebrengt. Geen groter tegenstelling dan ditzelfde dier in gevangenschap in een West-Europese dierentuin: het hoeft zich geen zorgen te maken om zijn voedsel en om zijn kroost, maar het heeft niet de ervaring van de natuurlijke staat van zijn. De prijs die wordt betaald, bestaat uit het leven temidden van kunstmatige rotsen en riviertjes. |
| .......... Ons is ’n klipgooi ver Verwyder van mekaar Maar sy sal nie ontsnap Uit haar skynhabitat - die kunsmatige rotse en stroompie oorskry - Om onder ’n fel son Haar langs haar maat In ’n skadu uit te strek En in die bar woestyn Haar kleintjies te beskerm teen gevaar. |
| Ook
in ‘Ruimtereis’ maakt Lina Spies een afweging van de tegenstellingen,
in dit geval tussen een persoon die haast heeft en iemand die de tijd
neemt.
.......... |
| Ontheemden
zijn wij, ontheemden blijven wij, waar we ons ook bevinden. De toon is gezet. We maken een reuzensprong en komen
vervolgens aan bij de Nederlandse dichter JohnN (pseudoniem van John
Zwart). Op zijn kindertijd is WO II van grote invloed geweest, hij werd
gegrepen door de niet te bevatten consequenties van de toestand 'oorlog'
versus 'vrede'. |
| Uit
‘Knagend’:
........ raak mij niet aan! Vanaf de jaren zestig begon John de wereldzeeën te bevaren en begon zijn betrokkenheid bij natuur en milieu zich sterk te ontwikkelen. Uit ‘Zeedistels’: hoog bovenop het duinkomt je alles overheen ranselende stormen dekken met korsten zout .......... is daar je element, Nieuw, pril geluk vindt een uitweg in het gedicht ‘Ode aan Groningen’, waaruit de ontroerende regels: .......... |
|
Terug naar Afrika, waar
Basie Duvenhage in een drietal scherpe, imponerende gedichten gewag maakt
van zijn getormenteerd gemoed, waar het gaat om de wantoestanden in zijn
vaderland. |
| .......... Kind van Afrika luister; trap vanaf die hoogtes met jou eie stature afmetings en vertel verlos vanuit ’n oop hand prominent, soos argus oë, die waarheid; ontbloot; oop soos die son en die wind in die karos van die reën aan die voetbank van Afrika. Vervolgens beschrijft hij in ‘Die Hex se bloed is met onskuld gemeng’ op schrijnende wijze hoe hij, ondanks alle onrecht en pijn die de mensen van Zuid-Afrika ten deel vallen, verknocht is aan zijn geboortegrond: weer en weer word ek met die In ‘Die onvoltooide Ekliptika’ loopt in oktober, de mooiste maand van het jaar, een vader met het overlijdensbericht van zijn zoon in de hand. De strijd voor de mensenrechten is onafzienbaar. De kleinheid van de grote wereld staat hier tegenover de grootheid van de binnenwereld. ..........o die pyn-gedagte: my kind is dood droef Totius deur die getypoel het jy ook gestrompel die oë met die gesigte spreek daar niks nie van die Here alleen weet dat pyn soos galwyn sonder ophou kruisig so onnodig .......... |
| Dan
valt de beklemming die Duvenhage heeft opgeroepen, abrupt van ons af en
belanden we in rustiger poëtisch vaarwater tot en met het einde van de
bundel. Het is even wennen, dat we in ‘Appels kopen’ van de Nederlandse - Friese Tsead Bruinja comfortabel mogen leunen tegen de lichtvoetigheid die ons wordt geboden: |
| .......... als zij naar het danshuis gaat draagt ze een mand vol rode wangen daar aan haar zongekleurde armen bedelen kindmannen hangend om watervrucht mee naar dakhuis dak .......... In ‘Tong’ zegt hij het zo: wat ik wenseen helder hart voor een donkere nacht oren die stoppen met huilen luisteren naar het dommelende schip lied dat weer aan lippen toekomt .......... tong wat is je beroep riet in de saxofoonmond twijfelhart in rode torsowond tango die in bloedhoofd woont tong wat is je beroep |
| In
het middensegment van de bundel treffen we de dichters Kiwidore Ezau
Fillis, Heidi de Klerk, Terence Voight, Anlo van Heerden, Marius Absalom,
Sidney Dreyer, Jenna van Doesburgh, Jeff A. Lakey, Kowie Coetzee, Maggie
Januarie, Thea van Jaarsveld, Gerhard Marais, Basil Krieger, Lovina van
Greunen en Johann de Jager. Zij schrijven ieder op hun eigen wijze over lijden, luchtkastelen, jeugdherinneringen, het verloop van de seizoenen rond de bergen en vlaktes van het Zuid-Afrikaanse landschap, de hoop op een goede toekomst voor jonge mensen. Het zijn gedichten die aanspraak maken op een sterke empathie van de lezer, gedichten die ontroering oproepen. Het is toegankelijke poëzie. Het vuurwerk, dat het begin van de bundel kenmerkt, is hier niet meer aanwezig. In het kader van deze bespreking zou het te ver voeren, deze gedichten stuk voor stuk de revue te laten passeren. De rij van dichters wordt gesloten door Floris Abraham Brown met het gedicht ‘Soos jy wil’, dat in de Zuid-Afrikaanse taal, in het Nederlands en in het Fries is neergezet. Tsead Bruinja tekent voor de beide vertalingen. Een korte inleiding hierbij door JohnN (Nederlands) en Tsead Bruinja (Fries). Soos jy wil ek
sal altyd vir jou wag Vertaling in het Nederlands: Zoals je wiltik zal altijd op je wachten Vertaling in het Fries: Sa’tsto wolstik sil altyd op dy wachtsje |
| Veel
gedichten uit deze verzamelbundel hebben een sterk religieuze inslag. Op
een enkele plaats vindt expliciete verwijzing naar een passage uit de
Bijbel plaats. Doet het lijden in deze wereld, het lijden aan deze wereld,
de dichter verlangen naar een plaats waar hij niet meer ontheemd is, naar
een plaats waar hij zich thuis mag voelen? Soms maakt de dichter gebruik van een rijmschema, maar vaak schrijft hij zijn pennenvruchten neer in vrije versvorm. In de bundel is sprake van een samengaan van jeugdige verkenning tot diep doorleefd verdriet. Onder de zachte, ronde duidelijkheid van de Zuid-Afrikaanse taal wordt de scherpte van het onrecht en van het lijden des te pijnlijker gevoeld. Het met aandacht lezen van een
verzamelbundel van 20 dichters vraagt een voortdurende aanpassing van het
gemoed en telkens de herziening van de eigen startpositie. Ontheemdes – Breedevallei Dichters, Poëzie
Nacht van die Muse, Volume II – 2004: Samenstellers: Lina Spies & Floris
Brown. Omslagtekening: Johann de Jager. © Marianne Som - 19 december 2004 |
| Terug in de baarmoeder – Slauerhoff regionaal? - Beschouwing 1 september 2004 |
|
Soms zou je wensen dat
het voor auteurs en andere kunstenaars nog een enkele keer mogelijk wordt
gemaakt om ná hun dood hun stem te laten horen, bijvoorbeeld wanneer er
iets gebeurt waarmee ze het tijdens hun leven helemaal niet eens zouden
zijn geweest. Nu is er een jonge
zangeres – prachtige stem, dáár niet van – met een grote liefde voor
de taal van haar geboortegrond, het Fries – mag óók, niets mis mee.
Maar ze hoorde een CD van Cristina Branco en vond die zo mooi, dat ze
opeens Portugese fado wilde zingen. Vanaf zijn prille jeugd
had Jan Slauerhoff een enorme vrijheidsdrang, waarin hij zich afzette
tegen Friesland, dat hij als zeer burgerlijk en bekrompen bestempelde.
Eigenlijk vond Slauerhoff Nederland al te klein om in te leven. 'In
Nederland wil ik niet sterven, / En in de natte grond bederven / Waarop
men nimmer heeft geleefd' Slauerhoff had een gretige belangstelling
voor andere culturen. Dat was mede zijn drijfveer om een zeevarend beroep
te kiezen, terwijl dit voor zijn gezondheid eigenlijk een slechte keuze
was. China, Portugal en Zuid-Amerika fascineerden hem. Hij leerde zich
voldoende kennis aan van het Spaans om in staat te zijn werk van
bewonderde Spaanstalige schrijvers en dichters te vertalen naar het
Nederlands. Tijdens zijn leven was er
voor deze grootse dichter in Nederland maar weinig belangstelling, en in
Friesland was er nauwelijks een boekhandel te vinden waar destijds een
enkel exemplaar van zijn bundels lag. Postuum kreeg hij pas meer
erkenning, maar dat ging allerminst van Friesland uit. Waarom ook? Hij
schreef immers nooit Fries. Nynke Laverman doet het
omgekeerde van wat Mila Paletti deed.
© John
Newswatcher *) in tûtsje – een
kusje |
| Huisbroei van Job Degenaar - Recensie Iris Van de Casteele - geplaatst 11 april |
| Iemand
die naar een minuutwijzer zoekt in een hooiberg, en aan geen
metaaldetector gekluisterd wil zijn, zal ongelooflijk veel geduld moeten
opbrengen eer hij die wijzer gevonden zal hebben. Hetzelfde geduld zal
moeten opgebracht worden voor het zoeken naar fossiele haaientanden diep
bedolven op ergens een strand. Tijdwijzers en haaientanden als metaforen om de 'Huisbroei' verzen van Job Degenaar in het licht te plaatsen. Ze wijzen op wat vergankelijk is, en op wat vroeg of laat afgestoten wordt, weze het een mens of een ding. Dat de dichter dezelfde zoeker en vragensteller is gebleven, zoals we hem kennen uit zijn vroeger verschenen bundels, lijdt geen twijfel. Niet één thema tracht hij te omzeilen. Hij wijst meteen zelf de weg naar hoe hij te werk gaat: Wachten op een zee Een half leven lang Graven
en zeven. Dat zou de taak moeten zijn van elke dichter.
De dichter en de dood
De
zomer wilde niet wijken
Vanonder
een brug kwam hij gevaren
De
deining die hij maakte
Bij het lezen van dit gedicht word ik stil. Ik zou bijna zeggen: doodstil. Hoe vaak en hoe diep moet een mens zich over het leven gebogen hebben om de dood van zo nabij durven te aanschouwen. Wat zo simpel lijkt in dit gedicht is niets anders dan één van de toppunten in de dichtkunst. Het geleefde leven gecondenseerd in drie versregels "met wat verzen als bagage, om/ aan het leven terug te geven/ eer hij in het niets verdween/…". De dichter Degenaar verdwijnt niet, integendeel, levend en levendig zet hij zijn tocht voort. De dood kan wachten. Hierna een gedicht waar je zó zou kunnen aan voorbij lezen: Japanse kers, in bloei Het geel van korenaren
Op het eerste gezicht wijst niets erop dat dit een gelaagd gedicht is. Een poëziekenner zal er echter niet zomaar aan voorbij bladeren. Hij zal het herlezen tot hij er de diepere betekenis van begrijpt. Hier wordt aandacht gevraagd voor dingen waarmee de natuur gezegend is, of waarmee ze geconfronteerd wordt. De tegenstellingen zijn duidelijk omlijnd. Even twee regels aanduiden: "zo'n aardappelveld dat kwijnt/ om ondergronds te zwellen/". Kan het duidelijker? Kwijnen, jawel, in dagen van tegenspoed of vertwijfeling, maar je weren, en zwellen tot je buiten je eigen oevers treedt; tot je elke tegenslag hebt overwonnen. Dat ik me opeens héél persoonlijk aangesproken voel heeft wellicht daarmee te maken dat ik van regen houd, én van zeelui, én van Gauloises die ik zelf niet rook. Zeker heeft het ook te maken met het geduld van paarden, waaraan ik het mijne zo vaak heb getoetst. Hoe goed kan ik mij inleven in het gedicht: De komst van regen Regen over de vlakke bergen, de
wei
Op goed geluk pluk ik hier en daar een gedicht uit de bundel. Ik kan ze wel allemaal lezen, maar niet mijn bevindingen weergeven omtrent elk afzonderlijk, daarvoor is de ruimte te beperkt die mij voor deze beschouwing toegewezen is. Hierna twee fijne gedichten die als lemma hun rol vervullen: I Geruis van eeuwen II Fijne mist, koeien
Graag zou ik de lezer speciaal willen wijzen op twee gedichten, die onopvallend tussen de andere staan. Ik vind ze subliem. 'De kunst van het dichten' adembenemend. Hoe opmerkelijk observeert Degenaar hier niet alleen het vergankelijke: "en in de fruitschaal/ de vergeten mandarijn ontaardde". Ook "de hemeljagers van diamant" komen precies op tijd aan bod, lang vóór brood en woorden. Nachtzang De kunst van het dichten
Met stijgend interesse las ik ieder gedicht uit 'Huisbroei' van Job Degenaar, en dit tot op het einde van de laatste cyclus: "Het wit waarheen ze terug zal keren": het fysiek en psychisch aftakelen van de mens in de tijd. Of hoe diezelfde tijd alles verslindt, en slechts gebeente nalaat. Diep ontroerd kreeg ik een krop in de keel bij het lezen van deze cyclus gedichten. Omwille van zijn poëtische schoonheid én diepmenselijkheid, valt deze bundel aan te prijzen. Brussel maart 2004 . Iris Van de Casteele "Huisbroei" -
Gedichten Job Degenaar,
|
| Gezongen Poëzie - geplaatst 5 april |
| Ygdrassil
De
vóóravond van het begin van de lente. En buiten buldert en giert een
herfststorm. Hoopvol
bel ik aan bij een woning waar het meeste licht brandt. |
|
|
|
Annemarieke
Coenders en Linde Nijland zijn de twee zangeressen achter de naam
Ygdrassil, die zij ontleenden aan de scandinavische wereld van sagen en
legenden. Al tien jaar lang maken ze samen muziek op pop- folk- en poëziefestivals. De
heldere lichte stem van Linde vloeit prachtig samen met de donkere stem
van Annemarieke, waarbij het hoorbaar is hoe vaak en veel ze samen zingen,
hun timing is perfect. De gitaar van Linde – in sommige songs die van
Annemarieke – is het enige wat ze verder nodig hebben bij hun optreden,
maar regelmatig blijft zelfs
die op de standaard staan, dan zingen ze op ontroerende wijze a capella.
© Hernehim Cultuur. - John Newswatcher, 21 maart 2004 |
| Bitterbessie dagbreek - Theaterstuk rond Ingrid Jonker |
| Café-Restaurant
Royal aan de Voldersgracht, in het hartje van historisch Delft, was
volgepakt op de zonnige zondagmiddag 18 januari 2004 voor het eerste
literaire café van Jambe van het nieuwe jaar. Er was slechts plaats voor
zo'n 40 - 50 gasten, maar gelukkig bleek er terzijde van het podium een
schuifpaneel te zijn, waardoor een aantal late bezoekers vanuit een
zijvertrek toch nog zicht op het optreden kreeg. Het was dan ook een bijzondere middag, waarin een klankbeeld rond de biografie van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker opgevoerd zou worden. In het vóórprogramma trad de dichter John
Zwart op als promotor van de Zuid-Afrikaanse poëzie, in zijn rol als
redacteur van het internetmagazine Hernehim Cultuur. |
|
|
Bitterbessie dagbreek Bitterbessie dagbreek Soek ek na die grootpad Dennebos herinnering Papegaai-bont eggo Eggo is geen antwoord
Ingrid Jonker (1933-1965) De vertaling van het titelgedicht van de theater-voorstelling in het Nederlands door Gerrit Komrij is te lezen in de levensbeschrijving van Ingrid Jonker. |
|
|
Ook voor Antjie Krog is het onontkoombaar
dat zij in eigen land als deel van een groep wordt gezien. Zij heeft
medestanders, maar ook veel tegenstanders, zowel bij wit als zwart. Vervolgens las John Zwart enkele gedichten
van Floris, die óók te lezen staan op de Hernehim website waarin een
'Persoonlijke Pagina' van Floris Brown is opgenomen: Daarna was het podium op deze zonnige
zondag aan de groep "Bewolkte Zondag". Frans Smit en Holger de Bruin staan
respectievelijk voor de composities en de arrangementen, beiden begeleiden
op verschillende instrumenten: piano, accordeon, klarinet en saxofoon.
Mariette van Attekum speelt een sfeervol intro op piano, zingt de
gedichten, draagt voor en spreekt de verbindende teksten. Een samenvatting van het leven van Ingrid Jonker en haar poëzie op een auteurspagina. Bewolkte
Zondag – Kunstproducties. Driebergen. Verslag © Hernehim Cultuur. - 21 januari 2004 |
| Smeltwater - Een bundeling echte liefdesgedichten - geplaatst 10 maart 2004 |
| Cilja
Zuyderwyk en Jan Doornbos kregen in het jaar 2003 een passie
voor elkaar en de gedichten die onder de inspiratie hiervan ontstonden
besloten zij uit te geven. Dit zou het vermoeden van een boekje met een
sterke egosfeer doen rijzen. Maar ik heb de twee auteurs leren kennen als talentvolle dichters die beschikken over een
behoorlijk vermogen tot zelfkritiek. Ik verwachtte daarom werk van een
goed niveau en was zeer nieuwsgierig naar wat hun creativiteit onder deze
bijzonder emotionele omstandigheden heeft voortgebracht. 'Smeltwater' laat in consequente afwisseling om beurten de vrouw en de man aan het woord. Dat is een goede gedachte geweest, want de stijl van Cilja Zuyderwyk verschilt sterk met die van Jan Doornbos. Zuyderwyk schrijft vrijwel uitsluitend vrije verzen en laat ook graag een gedroomde wereld met de realiteit aan de haal gaan. Soms bevatten haar gedichten een 'flashback' en vragen wat meer inspanning van de lezer voor ze toegankelijk worden. Doornbos toont zich, als gewoonlijk, de gedegen dichter die zijn huis liefst bouwt in kwatrijnen en terzinen; die zich taalvaardig bezig houdt met metaforen en rijmschema's. Bewerkt een ritme met binnenrijm en verrast ons hier en daar met een vrij vers. Telkens die opvolging van gedichten in zo verschillende stijl maakt het bundeltje tot een aantrekkelijk boekje om te lezen. Ook trapten ze niet in de valkuil waarbij je in gedachten telkens de subtitel ("voor J") of ("voor C") boven het gedicht ziet staan: het werk is open genoeg om het onthecht van de ikpersoon te lezen. Maar ik heb een sterk vermoeden dat nog véél meer gedichten werden geschreven gedurende dat jaar, daarbij zeker een aantal die níet aan dat criterium voldoen. Maar die zullen wij lezers dan ook nimmer onder ogen krijgen… In de volgorde van samenstelling lijkt als
een rode draad een zekere ontwikkeling in de liefde te herkennen. Daarbij
lijken ze zelfs de seizoenen naar hun hand te zetten. Enkele gedichten die mij persoonlijk het meest hebben aangesproken wil ik graag memoreren: Het Dobbelbosse pad (C.Z.)
– de blijdschap van de herkenning, De beide gedichten Een beetje van de
Goden (C.Z.) en Thuiskomen (J.D.) zijn mooie
rustpunten en spiegelen dezelfde beleving maar toch zo verschillend, zoals
man en vrouw verschillend zijn, en elk mens. En toch elkaar kunnen
herkennen: Caecilia Slaap Caecilia slaap in karmozijnen luchten en koel Caecilia koel als jij vitrage en later als de hittegolf Caecilia De bundel "Smeltwater"
bevat 28 gedichten, waarvan ik er vele met plezier hèrlezen en opnieuw hèrlezen
heb. Het is een mooi souvenir van een liefde van twee mensen met een
"rugzakje" die hun tweede jeugd beleven.
© Hernehim Cultuur. - John Newswatcher - 22 februari 2004 "Smeltwater",
Liefdesgedichten. Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos.
ISBN 90-808330-1-0 |
| Poëzie op sokkels - Verzamelbundel - geplaatst 11 december 2003 |
| Acht
dichters van de 'Schrijversschool' in de stad Groningen zwierven
individueel door hun stad met een gemeenschappelijk doel: gedichten
schrijven onder inspiratie door beeldende kunst in de openbare ruimte. De hoofdstad van de gelijknamige provincie herbergt een veelheid aan beelden van uitéénlopende aard, acht dichters hebben natuurlijk óók ieder hun eigen stijl. Het bundeltje waarin hun werk werd verzameld is daardoor als vanzelf een heel gevarieerd boekje, waarin het verrassend lezen is. Het verbindend element: een tocht door de stad, die we in 'verbeelding' kunnen maken. Maar niet alleen in verbeelding, als we willen óók in werkelijkheid. De uitgever was zo attent om een kaartje met de locaties achterin het boekje af te drukken. De auteurs zijn: Arthur la Fèber, Anna van der Laan, Nina Werkman, Atze van Wieren, Liesbeth Cavé, Janneke Lueks, Erik Raven en Matty de Vries. Enige van hen zijn reeds bekenden van deze website, zij publiceerden er op en werkten mee aan het Literair Café van Hernehim Cultuur in mei 2003. |
|
Soms hebben twee dichters – onwetend van
elkaar? – poëzie op hetzelfde beeld geschreven, wat een interessante
blik geeft op hun belevingswereld. Bij het beeld "de fietsles"
van Kees Verkade dat aan de Ubbo Emmiussingel staat ziet Anna van der Laan
een jongetje met grote vrijheidsdrang die wil wégsnellen van het
sokkeltje in het gras dat hem maar ternauwernood vasthoudt. Bemoedigend is
de beroering door de vader, die er achteraan
holt. Atze van Wieren daarentegen ziet
de spanning van een kind waaraan te hoge verwachtingen worden gesteld: een
té hoog zadel, onbereikbare trappers en een wankel evenwicht. En die hand
van de vader wordt als symbool van het stempel dat op zijn bestaan drukt: "altijd
in mijn rug die hand". De uitgave ziet er aantrekkelijk uit, wat vooral te danken is aan de afwisseling van de kleurenfoto's en tekeningen van Matty de Vries die telkens de gedichten begeleiden. Hierdoor leent het zich in deze tijd van het jaar, waarin we zo vaak op zoek zijn, uitstekend om iemand als geschenk te geven. En dat geldt zeker niet alleen voor Groningers!
Profiel
Eenzaam
Ongezien Wachtend
op haar tijd,
Wacht niet langer. fijn gelijnde, ik zag © Erik Raven Poëzie op sokkels. 34 Gedichten
ISBN 90-5294-288-9 Uitgever Profiel, Bedum. september '03 © Hernehim Cultuur. John Newswatcher 12 december 2003
|
| Vandaag is van glas - Gedichten. Jan Doornbos - Geplaatst 16 juni 2003 |
|
Een paar weken geleden begon ik te lezen in de bundel "Vandaag is van glas" van de Nederlandse dichter Jan Doornbos, uitgegeven bij De Distel, Brussel in april j.l. Al
enige jaren was ik vertrouwd met zijn gedichten, die hij aanvankelijk
onder pseudoniem 'Hugo' op het internet publiceerde. Voor mij persoonlijk
dus veel herkenning in deze bundel. Herkenning van eerder gelezen werk,
herkenning óók van het eigen geluid van Doornbos in de mij nog onbekende
poëzie. |
|
|
| Doornbos
bevestigt zichzelf met deze bundel als een begaafd dichter met zeer
zorgvuldige behandeling van de taal. De meeste gedichten werden in een
klassieke vorm geschreven in klankrijke bewoording, die niettegenstaande
deze zelfopgelegde vrijheidsinperking vaak diepgewortelde emotie oproepen. De dichter is met de beelden die hij schetst in staat ons met sterke gevoelens te associëren vanuit schijnbaar moeiteloos lopende melodieuze strofen in een perfect ritme. Is het zo dat bij vele dichters van vandaag overheersende voorkeur voor vrije versvormen bestaat, ontdaan van elke vorm van rijm; Doornbos toont met zijn sonnetten aan dat deze dichters binnen die genomen vrijheid zich tot beperking in woordenvloed en de lengte van hun gedichten verplicht zouden moeten voelen. Misschien onbewust levert Doornbos hiervoor met zijn vrije verzen in deze bundel het bewijs. Veel van het werk van Doornbos ademt gevoel van verlangen naar aards geluk tegelijk met het zich bewust zijn dat alles zo licht verloren gaat, of juist het onbereikbare ervan. Toch geloof ik niet dat Doornbos een sombere geest is, ik ervaar zijn werk lang niet altijd met zware nostalgische ondertoon. Naast, soms, berusting voel ik er ook levenskracht in. Levenskracht die de hoop op het overschrijden van die grens naar weliswaar breekbare gelukzaligheid nooit zal opgeven. De bundel bestaat uit 4 cycli: Het
laatste zwijgen - sonnet van (terug)verlangen dat ons de
pijngrens laat voelen Eerste nacht, eerste morgen De
morgen, als geblazen glas zo teer, Ik
houd me roerloos. Adem niet. Probeer De
eerste nacht is tot een eind gekomen. hoe
liefde insloeg als een bliksemschicht;
"Vandaag
is van glas" is een
aanrader voor wie diepe ontroering niet schuwt. Ik kan me goeddeels
aansluiten bij de achterflaptekst van G.M.Berelaf, maar ik ben in
tegenstelling met hem van mening dat Doornbos ons regelmatig – weliswaar
nog vanuit een gevangenis – óók laat uitkijken door een raam waarin
tralies ontbreken. © Hernehim Cultuur. - John Newswatcher 16 juni 2003 |
| Klank van die Byl - Gedichten. Floris Brown - Geplaatst 20 mei 2003 |
| De
bundel 'Klank van die Byl' kwam
al in 2000 voor het eerst uit en kreeg waarderende recensies, o.a. in
Die Burger. De afbeelding op het omslag brengt mij onmiddellijk in
de sfeer van dit land, dat ik goed ken, terug. De van terracotta naar
purperblauw vervloeiende tinten van de diep geplooide bergen
vertegenwoordigen onmiskenbaar de prachtige natuur van Zuid Afrika. De
omslag-illustratie is een bewerkte foto, die door de auteur zelf is
gemaakt. De inhoud van het boek is zeer divers. Het bevat zowel historisch en sterk politiek geëngageerd werk als ook teder-gevoelige gedichten. Zijn toon kan een felle aanklacht zijn: tegen onrecht, tegen wreedheid; dan weer is hij de poëet die in bloemrijke metaforen de schoonheid van het lichaam van een vrouw bezingt. Zijn poëzie is over het algemeen toegankelijk, vol symboliek en getuigt dikwijls van een oprecht diep religieus gevoel. Een groot aantal gedichten gaat over de liefde – natúúrlijk over de liefde – over trouw en ontrouw. In het gedicht "Ma", de tegenhanger van het eerder op deze site gepubliceerde "Pa", uit hij zijn bijna naar devotie neigende liefde voor zijn moeder. "Katspin" en "Klank van die Byl" – het titelgedicht – dragen een prikkelende erotische spanning. De ontroering door schoonheid wordt bezongen in "Tulp" en "Klompedraer" lees ik als een appèl aan ons (Nederlanders) geweten. Een mooi, gevoelig liefdesgedicht is ook "Kappiemeisie", dat al op deze site heeft gestaan, evenals het korte gedichtje "Nog een kinderstemmetjie gedoof" waarin een felle aanklacht tegen oorlogs- en terreurgeweld zit verpakt. Er is veel aansprekend werk in deze bundel te vinden en voor wie geïnteresseerd is om deze poëzie aan te schaffen wil de HC website graag belangeloos bemiddelen. " |
|
Onmiskenbaar straalt het omslag van deze dichtbundel Zuid Afrika uit. |
| Die Blok
Dis 'n swart ding, Niemand verstaan. Toleransie beweeg hier Hul verdra mekaar, is dit 'n uitheemse ding, wat die wêreld nooit sal verstaan.
© Floris Brown
Die ter Dood Veroordeelde Ek, stap waardig, trots, Nogtans stap ek, dapper, fier, Sonder teëpraat, In
my hart, 'n stil gebed:
© Floris Brown
Klank van die Byl Die byl het gekom om te kloof. Die passie van krag wat die klank van die byl Ek sien hoe jou oë dwaal, in die glans van die ruit. Ek sien hoe ek, nou, jou baas, op 'n growwe vloer. |
| De
bundel 'Klank van die Byl' kan rechtstreeks bij de auteur besteld worden
of - voor Europa - via bemiddeling door de Administratie van VvHC, voor
€ 8,80 plus verzendkosten. info@hernehim.nl
tav VvHC. Contact per email met de auteur florisbrown@mweb.co.za Postadres: F.A.Brown, Posbus 802 Worcester 6849, Suid Afrika. © Hernehim Cultuur. - John Newswatcher - 20 mei 2003. |
| Een andere wereld - Verzamelbundel gedichten & verhalen - Geplaatst 30 maart 2003 |
|
Een verzamelbundel verhalen en gedichten van vrije schrijvers geselecteerd door Simon Vinkenoog |
| 'een
andere wereld', verzamelbundel gedichten & verhalen Cultureel Centrum De Badcuyp, Drukkerij Bevrijding b.v., Amsterdam - maart 2003. Een uitgave ter gelegenheid van de Vrije Boekendagen 2003. “een andere wereld” is een bundel
gedichten en korte verhalen van schrijvers en dichters die hun werk in
eigen beheer uitgeven. Speciaal voor de Vrije Boekendagen 2003 werd deze
bundel samengesteld uit talloze inzendingen. De selectie was in handen van
een jury bestaand uit Simon Vinkenoog, Ike Cialona en Jos Versteegen. De drie juryleden hebben gezorgd voor het
goede kwaliteitsniveau van de bloemlezing. Schrijvers en dichters van
velerlei pluimage hebben werk ingezonden, waaruit een bonte verzameling
van genres en stijlen ontstond. Onder hen treffen we vele namen die al
enige bekendheid genieten, hetzij door hun publicaties op het internet,
hetzij door hun presentaties op de verschillende literaire podia overal in
Nederland. Twee mooie sonnetten uit de bloemlezing Blozen Heb je gezien hoe die vrouw
naar je lacht ? Ik weet niet waarom, maar die
vrouw heeft macht Zij was de dalnimf die Zeus
heeft bedrogen hij schoor in het voorjaar haar
schapen kaal © Kees Godefrooij Straatmuzikante Ik
zag een jonge vrouw op de plavuizen Ze
zong voor de bewegingloze huizen: Ik
ging langzamer lopen, pas voor pas: om
haar te zeggen dat het prachtig was. © Jos Jansen 'een andere
wereld' © Hernehim Cultuur. 30 maart 2003. John
Newswatcher
|
| Portret van een jongeman - Roman van J.M.Coetzee |
| Eva
Cossee, zou het de klankverwantschap van haar naam zijn geweest die ertoe
bijdroeg dat een Zuidafrikaanse schrijver van wereldfaam J.M.Coetzee de
uitgave van de Nederlandse vertaling van zijn jongste boek toevertrouwde
aan een kleine uitgeefster die zojuist voor zichzelf is begonnen? Het is in elk geval spectaculair dat in Nederland de vertaling door Peter Bergsma van "Youth" onder de titel "Portret van een jongeman" reeds een maand in de boekhandel ligt terwijl de Engelstalige originele roman nog uitgebracht moet worden. J.M.Coetzee
(Capetown-ZA 1940) schrijft als 61 jarige over zijn jaren als
jong-volwassen expatriat in het Londen van begin jaren zestig. Mijn
eerste reactie is dat het een moedig geschreven boek is. De schrijver
maakt er immers geen geheim van dat het hier een autobiografische weergave
betreft van zijn verblijf in Londen vanaf zijn 19-de tot zijn 24-ste
levensjaar. Zoiets
moet je jezelf èn die meisjes toch niet aandoen? Dat leerproces behoeft
toch geen vijf jaar te duren? In zoverre is Coetzee genadeloos voor zijn
eigen verleden, vandaar dat ik dit een moedig geschreven boek noemde. En
zo wordt hij steeds maar niet die verbluffende dichter die ergens diep in
zijn ziel wacht om door de muze gewekt te worden, misschien moet hij zich
op proza gaan werpen? Op den duur wordt alles twijfelachtig... Misschien bleven de dichterskwaliteiten van Coetzee verborgen, een goed schrijver is hij inmiddels zonder twijfel geworden. Ook deze roman draagt aan die overtuiging bij. ISBN 90-5936-002-8 © John Newswatcher - maart 2002 |
De culturele pagina's worden
onafhankelijk geredigeerd en mogelijk gemaakt door Hernehim Beheer bv