Hernehim Cultuurpagina's
Pagina Schrijvers - Wilmink, Willem

Geplaatst: 21 augustus 2003 HOME 
Nieuws  
Blog en proza 
Themapoëzie 
Vrije poëzie   
Vertaalproject 
Proza  
Activiteiten 
Over schrijvers 
Archief 
Contact     
    In Memoriam Willem Wilmink

Willem Wilmink 

Amsterdam - augustus 2003 - Waarom moest ik opeens denken aan
Lennaert Nijgh toen ik de afgelopen zondag hoorde dat Willem Wilmink 
– ik wist dat hij ziek was, maar niet hoe ernstig al – zaterdag 2 augustus 
is overleden? 
Het is, omdat ik ook bij Wilmink denk aan een warme persoonlijkheid 
zonder valse pretenties, een bescheiden dichter die graag het applaus 
gunt aan een ander. Een zanger of een cabaretier die succes oogst met
zijn teksten. 
Bij Lennaert Nijgh denken we tegelijk aan Boudewijn de Groot. 
Bij Willem Wilmink denken we aan velen – o.a. Herman van Veen,  
Joost Prinsen - die veel van hun  succes danken aan zijn werk.  

 

Ik zie Wilmink vooral als dichter. Soms maakt men ten onrechte onderscheid tussen 'grote' en 'kleine' dichtkunst, alsof dat geen literatuur zou zijn. "De oude school" of "Freekie", twee voorbeelden van schitterend werk van Wilmink, liedjes die iedereen kent, zouden van een mindere status zijn dan het loflied op de wolkenlucht door een zolderraam in de Dapperstraat? Het is maar wie het schreef? Kom nou!

Geboren in Enschede in 1936, overleden in Enschede in 2003, aan het begin en aan het eind wonend in dezelfde straat die tot leven komt in gedichten over zijn kindertijd, de Javastraat. 
Wie meer leest van Wilmink, dan alleen die meest bekende liedteksten, begrijpt waarom hij zo bepalend was in producties als "De Stratenmaker op Zeeshow", "De film van Ome Willem" en "Klokhuis". Hij was in staat om in de huid van een kind te kruipen, daar vanuit te dichten, de denk- en fantasiewereld van het kind levensecht te maken. Als geen ander kon hij zich helemaal inleven. Lees je hem als volwassen persoon is het alsof hij je geheugen opfrist: 'ja. zó was (is) het!'
Hierover en hoe Wilmink zelf tegenover zijn werk staat is veel te lezen in "Javastraat" (De Oare Útjouwerij 1993). Hij schrijft hierin o.a.:
"Kinderen van de basisscholen komen vaak met lijstjes van vragen, zoals: 'wat vindt u zelf uw beste boek?', maar ook intrigerende als: 'waarom schrijft u?' Zo ga je bij jezelf te rade, waarom? en waarom zoveel? Politici spuien enorme hoeveelheden woorden, maar daarmee trekken ze eerder een scherm op voor hun ware gedachten. Hoe is dat met schrijvers? "
Teruggaand naar een eerste verliefdheid. Het is een meisje dat hij niet kan krijgen (uiteraard zou ik bijna zeggen). De kleine Willem Wilmink schrijft zijn frustratie erover van zich af en maakt een simpel sprookje. Het meisje en hijzelf figureren daarin als een egel en een schildpad, zo haalt hij zijn gram. 
"Dat schrijven was een spel met woorden dat dient als verwerking van frustratie".

 Willem Wilmink komt tot de conclusie dat hij schrijft, en zovéél, om van moeilijke situaties in zijn leven een grap te maken. Na dat sprookje over de mislukte kinderverliefdheid schreef hij - als achtjarige! -  al een autobiografisch boek over de avonturen die hij met een vriendje beleefde, maar niemand kreeg het te lezen.
Een 'mongool' was er ook in het kinderleven van Willem Wilmink: gekke Henkie, allang geen kind meer, maar natuurlijk wel kinderlijk. Hij had voor gewoonte als je voorbij zijn deur kwam plots met een kreet zijn kop door het raampje te steken en daarmee de voorbijgangers schrik aan te jagen. Succes verzekerd, plezier voor Henkie. Wellicht staat Henkie model in het latere lied "Freekie".
Van zijn tiende tot zijn zestiende schreef Willem vooral gedichten, die toen hij eenmaal student was, wèl in de openbaarheid  kwamen. Vooral in het blad van de studentenvereniging kreeg hij een zekere faam. Een bewonderaarster zei hem: "Ik vind jouw gedichten zo mooi. Jij moet iets heel bijzonders van je leven maken". Voor het antwoord "waarom niet samen iets heel bijzonders van ons leven maken?" miste hij de doortastendheid.
Inspiratie voor de "Stratenmaker op Zeeshow" en "de Film van Ome Willem kwam voort uit de belevenissen van zijn twee zoontjes.

 

                                       

"Waar komt dat kind vandaan?" 
Bundel, samengesteld door Willem Wilmink, 
bij gelegenheid van zijn 65 ste verjaardag.

Over de persoon Willem Wilmink gaf Bert Bakker
in 2001 een aardig klein boekje uit, geïllustreerd met vele familiefoto's. 
Een soort beknopte kleine biografie. 

 

Van 1936 tot 1954 woonde Wilmink in de Javastraat, tegenover 'de oude school'. Lange tijd was hij weg, maar vestigde zich opnieuw in diezelfde straat in 1991. Maar dat vrijwaart je niet voor heimwee, zo meende hij.
Bijna alles wat Wilmink schreef werd uitgegeven door Bert Bakker. Onlangs nog verscheen de bundel "Je moet je op het ergste voorbereiden", een titel en inhoud die duidelijk verband houden met zijn eigen toestand. Opnieuw laat hij daarmee zien dat hij vooral schrijft om problemen en frustraties te kunnen hanteren. Mogelijk is dat bij veel schrijvers en dichters het geval, maar zullen lang niet allen dat erkennen.
Met deze laatste bundel laat Willem Wilmink ons een prachtig boekje na, waarin hij zich laat zien als de dichter in de kindergeest, zowel als een groot poëet in eenvoudige verwoording.
Vrijwel al zijn gedichten kenmerken zich door een perfect ritme en consequent rijm, hiermee toont hij zich als de pure liedtekstdichter. Erkenning heeft hij in ruime mate vergaard, ook in de vorm van prijzen. Het grootst zal zijn voldoening zijn geweest over de Theo Thijssen prijs, in 1988. Van jongsaf was Kees de Jongen zijn favoriete boek. (zie ook zijn gedicht "Amsterdam")

Over de persoon Willem Wilmink gaf Bert Bakker in 2001 een aardig klein boekje uit, "Waar komt dat kind vandaan?", geïllustreerd  met vele familiefoto's.
Bij zijn overlijden op 66 jarige leeftijd bekruipt mij het gevoel, dat de mij dierbare dichters te jong heengaan. Te snel ook, nog geen vijf maanden na die andere zesenzestiger Cor Jellema. Twee heel verschillende dichters, elk groot op zijn eigen wijze. Beiden ondervonden in hun laatste dagen veel liefde en steun van vrienden. De cabaretier Herman Finkers was bij Wilmink één van hen in het laatste uur.

Drie gedichten uit de recente laatste bundel 'Je moet je op het ergste voorbereiden': 

Eerst een gedicht met verbinding naar de kindertijd in de Enschedese Javastraat: 
"Dood zijn duurt zo lang". 
Vervolgens een liefdevolle observatie van zijn dementerende oma: 
"Tijd is geen lijn".
Tenslotte het titelgedicht, emotie in pure eenvoud bij de dood van zijn vader:
"Je moet je op het ergste voorbereiden".

Dood zijn duurt zo lang

Het is niet fijn om dood te zijn,
soms maakt me dat een beetje bang.
Het doet geen pijn om dood te zijn,
maar dood zijn duurt zo lang.

Als je dood bent, droom je dan?
En waar droom je dan wel van?
Droom je dat je in je straat
langzaam op een trommel slaat?
Dat iemand je geroepen heeft?
Droom je dat je leeft?

Maar ach, wat maak ik me toch naar,
het duurt bij mij nog honderd jaar
voor ik een keertje dood zal gaan.

Ik laat vannacht een lampje aan.

 

© Willem Wilmink 
Je moet je op het ergste voorbereiden - Bert Bakker 2003

   

Tijd is geen lijn

Tijd is geen lijn, maar is een kring:
dezelfde zachte schemering
doet de dag open en weer dicht.
De laatste ster
                 geeft als eerste weer licht.
Soms lijkt het voorjaar terug te komen
in de oktoberbomen.

Tijd is een cirkel en geen lijn,
daarom is oma weer zo klein.
Ze is geen enkel woordje kwijt
van wat ze zong
                  in haar kindertijd.
Maar wat er kwam nadat ze trouwde,
heeft ze niet meer onthouden.

Tijd is een cirkel en geen lijn,
eerst deed het krimpen flink wat pijn,
een groeipijn, maar dan omgekeerd,
want gisteren
                   moest nog worden verleerd.
Haar hele middelbare leven
moest uit haar geest verdreven.

Tijd is geen lijn, maar is een kring:
dezelfde zachte schemering
doet de dag open en weer dicht.
De laatste ster
                 geeft als eerste weer licht.
Soms lijkt het voorjaar terug te komen
in de oktoberbomen.

Tijd is een cirkel en geen lijn:
de buren die gestorven zijn,
die komen volgens oma hier.
Daar komen ze:
                     in een janplezier.
Ze zullen oma wel verleiden
om met hen mee te rijden.

 

© Willem Wilmink 
Je moet je op het ergste voorbereiden - Bert Bakker 2003

 

 

Je moet je op het ergste voorbereiden

Je moet je op het ergste voorbereiden
zei buurman Oldenhof, onder het rijden
naar het ziekenhuis, dat heel vroeg had gebeld.
Vaders dood werd ons daar meteen gemeld,
hij had, zo zei de zuster, een plas gedaan
en was zelfstandig weer naar bed gegaan.
Nu lag hij op de dekens, met zijn mond
een beetje open. En mijn broer, hij stond
te kijken, 'k sloeg mijn arm zacht om hem heen,
maar die weerde hij af, hij was alleen
met zijn verdriet. En moeder ook. En ik.
Stilte alom. Geen jammerklacht of snik.

De doodsoorzaak gevraagd. Een dokter die
als antwoord gaf: 'Ja… zeg maar leukemie'.

 

© Willem Wilmink 
Je moet je op het ergste voorbereiden - Bert Bakker 2003

 

 

  Uit drie andere bundels van Willem Wilmink elk nog een gedicht:

  Uit "Het kind is vader van de man" (Bert Bakker 1989) 
  Allerzielen 
  Uit "Ernstig genoeg" (Bert Bakker 1995) 
  Amsterdam 
 
Uit "Moet worden gevreesd dat het nooit bestond?" 
  Sander (voor een blinde jongen)

    

Allerzielen

Soms loopt er door een drukke straat
ineens een oude kameraad
of reisgenoot.
Je weet zodra je hem begroet:
het kan niet dat ik hem ontmoet,
want hij is dood.

Eerst ben je nog een tijd verbaasd
omdat die levende toch haast
die dode was.
Heb je de zaak dan afgedaan,
dan komt er weer zo'n dode aan,
met flinke pas.

Thuis van het dodencarnaval
zie je de spiegel in de hal,
je schrik is groot:
die man daar in het spiegelglas,
met die bekende regenjas,
was die niet dood?

 

 

 

Amsterdam

Ik wandel vaak met vader door de stad
alsof ik er niet eens meer weet van had
dat hij al zo lang dood is. Prinsengracht:
tot hier werd Rosa Overbeek gebracht
door Kees de Jongen, en zij kuste hem
bij de ingang van de Reestraat. En zijn stem
sloeg over, toen hij zei: 'Pas op, val niet'.
vlak bij de Schreierstoren klinkt een lied
van Bredero: 'Ogen vol majesteit…'
Wij wandelen zo ver buiten de tijd
dat daar zoëven in zijn regenjas
Carmiggelt liep, met ingehouden pas.

 

 

Sander  (voor een blinde jongen)

Een lichaam dat op warmte wacht,
de zuiverheid van wenkbrauwbogen,
de lijnen van een mond, die lacht,
de wimpers boven meisjesogen,
je zult het zien, zo goed als ieder ander,
Sander.

De lieve lijnen van haar keel,
de witte parels van haar tanden,
je zult het zien in het gestreel
van je twee fijnbesnaarde handen,
je zult het zien, zo goed als ieder ander,
Sander.

Je voelt een haarlok, aait een oor,
en je tien vingers wachten even
en lopen dan brutaalweg door
tot de twee borsten die daar leven.
Je zult het zien, intens als ieder ander,
Sander.

En als je wat verdwaald mocht wezen
en niet meer weet waar je moet gaan,
dan moet je 't brailleschrift maar lezen
rondom de tepels die daar staan.
Jij kunt dat eigenlijk veel beter dan een ander,
Sander.

 

4 augustus 2003 - © John Newswatcher

 

© Copyright Hernehim Cultuur 2001-2009 

Hernehim      

een cultuurpagina 

HOME 

 


De culturele pagina's worden onafhankelijk gepubliceerd en geredigeerd door John Zwart